id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.723 Rolnummer: A. 183181/X-13282 Zaak: Arrest 207723 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-06 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Fiche Arrest nr 207.723 van 29 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.723 van 29 september 2010 in de zaak A. 183.181/X-13.
(2006)een voorwaardelijk gunstig advies uit voor het verlenen van de afwijking van het BPA wat de bouwdiepte betreft, met als voorwaarden dat het achterste venster in de rechtse zijgevel zou worden uitgevoerd in een ondoorzichtig materiaal en de hoofdingang van de woning aan de voorzijde van de woning zou voorzien worden. Tijdens het openbaar onderzoek werd één bezwaar ingediend door de rechts aanpalende buur, met als voornaamste bezwaar dat de leefruimtes van de aangevraagde woning, inclusief ramen en inkom, zich bevinden ter hoogte van de tuin van de aanvrager. De gemeente legde om die reden de voorwaarde op om het laatste raam ondoorzichtig te maken en de inkom naar de voorgevel te verplaatsen. De overige klachten van deze buur waren niet van stedenbouwkundige aard. (…) In het kader van de wettelijke en reglementaire voorschriften is het ontwerp niet voor vergunning vatbaar gelet op de onverenigbaarheid met de artikels 17 en 20 van het BPA. • Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening X-13.282-6/10 Gelet op de planologische onverenigbaarheid is de ruimtelijke integratie en de goede plaatselijke ordening slechts een beoordelingselement van ondergeschikt belang. Zij kan de aanvraag niet verantwoorden. De aanvraag heeft betrekking op een pand gelegen aan de Waversebaan te Opvelp. Het straatbeeld langs deze weg wordt gekenmerkt door een opeenvolging van klassieke verkavelingen en woningen in open verband. De Waversebaan sluit aan bij de kern van Bierbeek en tussen deze weg en de parallel gelegen straten Velpestraat en Culotstraat werd het woongebied vlekvormig afgebakend. In 2003 werd een BPA opgemaakt teneinde een wooninbreidingsproject mogelijk te maken. De randen van dit gebied met de bestaande bebouwing werd hierbij betrokken. Voor de bestaande woningen werden bijna overal de gerealiseerde woningen als basis genomen voor de afbakening van de woonzones, met uitzondering van enkele situaties die uit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar werden geacht, zoals in voorliggende aanvraag. De betrokken garage kan omwille van de ingrijpende afwijkende uitvoering van de vergunning niet als vergund, of zelfs gedeeltelijk vergund beschouwd worden, daar de onvergunde delen onlosmakelijk deel uitmaken van het gedeelte dat wel opgetekend stond in de vergunning. Door de realisatie van een overdreven bouwdiepte en een afwijkend gabarit met slechts één bouwlaag en plat dak, werd een bouwvolume gerealiseerd dat niet passend is binnen het straatbeeld. Het bestendigen van dit bouwvolume, en het versterken van de strijdigheid hiervan door woonruimtes in het achterste gebouwdeel, ter hoogte van de normale tuinstrook, in te brengen, druist in tegen de opvattingen van een goede ruimtelijke ordening. Deze opvattingen werden vertaald binnen het BPA in een stringente planopvatting waarbij de bouwvlakken zeer beperkt werden gehouden en aldus geen afwijkingen meer mogelijk zijn. In bijkomende orde kan nog opgemerkt worden dat door de grote bouwdiepte en de functionele indeling er daadwerkelijk hinder ontstaat voor het aanpalende perceel, waarbij het woongenot van de tuinstrook in het gedrang wordt gebracht. Bijkomend maakt de functionele herinrichting ook dat één van de slaapkamers niet over rechtstreeks zicht of daglicht beschikt en de woning woonkwalitatief te wensen over laat. Het ontwerp is, gelet op de voorgaande beschouwingen, niet verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening. De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: - het ontwerp is niet voor vergunning vatbaar gelet op de onverenigbaarheid met de artikels 17 en 20 van het BPA De Velpe van 5 november
- Binnen de woonzones zijn slechts ééngezinswoningen toegestaan, hier wordt een dubbelwoonst op één perceel gecreëerd. Bijna één derde van de woonst is gesitueerd in de zone voor tuinen, waar evenmin woningen zijn toegestaan. - art. 49 kan niet worden toegepast voor afwijkingen van de bestemmingen zoals die zijn vastgelegd binnen het bijzonder plan van aanleg. - vanuit het standpunt van een goede plaatselijke aanleg is het toestaan van een afwijkende bouwdiepte van 22.07m niet verantwoord op deze plaats. - door het inbrengen van woonfuncties achteraan in dit gebouw wordt de druk op de aanpalende tuinstrook onaanvaardbaar. - een volume met slechts één bouwlaag en plat dak is storend binnen een straatbeeld dat voornamelijk is opgebouwd uit woningen met een zadeldak”. X-13.282-7/10 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens wordt machtsoverschrijding aangevoerd. De verzoeker stelt dat zijn argumentatie, zoals uiteengezet in het faxbericht van 27 oktober 2006 (zie nr. 10 van het feitenrelaas), door de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar niet in zijn verslag over het administratief beroep werd betrokken. De betrokken ambtenaar was “verwonderd” over de tussenkomst van een advocaat en was niet op de hoogte van het betrokken faxbericht. De verzoeker heeft dit faxbericht dan overhandigd tijdens de hoorzitting. De motivering van het bestreden besluit herneemt niettemin letterlijk het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en heeft derhalve evenmin haar argumenten in de beoordeling van het beroep betrokken, waardoor de hoorzitting tot een “loutere schertsvertoning zonder verdere inhoudelijk toegevoegde waarde” wordt herleid. In zijn laatste memorie betoogt de verzoeker nog dat de oproepingsbrief voor de hoorzitting ten onrechte naar zijn thuisadres werd verstuurd bij ontstentenis van de woonplaatskeuze op het kantoor van zijn raadsman, vermits het gecoördineerde decreet te dezen geen bepaling bevat en er evenmin een andere rechtsgrond met betrekking tot de woonplaatskeuze voorhanden is. Beoordeling
- Gelet op het suppletoir karakter van de motiveringswet wordt de schending ervan geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het gecoördineerde decreet, dat aan de deputatie, wanneer zij uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze die is opgelegd in de motiveringswet. Wanneer de deputatie op grond van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet over een beroep uitspraak doet, treedt zij op, niet als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsplicht volstaat het dat de deputatie in haar beslissing de redenen vermeldt waarop het is gesteund. Zij is er, integendeel X-13.282-8/10 tot wat de verzoeker lijkt voor te houden, niet toe gehouden daarbij alle door de partijen aangevoerde argumenten te beantwoorden.
- Het bestreden besluit overweegt dat de gevraagde regularisatie- vergunning niet kan worden verleend omdat, enerzijds, de aanvraag strijdt met de artikelen 17 en 20 van het toepasselijke bijzonder plan van aanleg en, anderzijds, het gevraagde niet verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, gelet op de “overdreven bouwdiepte” en het “afwijkend gabarit met slechts één bouwlaag en plat dak (…) dat niet passend is binnen het straatbeeld”. In de conclusie van het bestreden besluit wordt een opsomming gegeven van vijf weigeringsgronden die uit de overwegingen van het besluit kunnen worden afgeleid en op grond waarvan de gevraagde vergunning moet worden geweigerd, onder meer omdat geen afwijkingen op grond van artikel 49 van het gecoördineerde decreet kunnen worden toegestaan voor bestemmingen zoals die zijn vastgelegd binnen het bijzonder plan van aanleg. De voormelde redengeving, die door de verzoeker in zijn verzoekschrift niet wordt betwist, volstaat als een afdoende motivering in de zin van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. De verzoeker toont verder niet aan dat de verwerende partij is uitgegaan van gegevens die in rechte of in feite onjuist zijn, dat zij die niet correct heeft beoordeeld, of dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is. Hij betwist weliswaar dat de betrokken woning en de naastgelegen woning een tweewoonst vormen, maar het loutere feit dat de beide gebouwen op een verschillende datum zijn vergund, toont niet concreet aan dat het twee afgescheiden gebouwen betreft. Evenmin concretiseert de verzoeker waarom de te regulariseren woning als hoofdzakelijk vergund zou moeten worden beschouwd.
- Voorts verzet niets zich ertegen dat de verwerende partij, optredend op grond van artikel 53 van het gecoördineerde decreet, de bevindingen van het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar tot de hare maakt, temeer daar de argumentatie van de verzoeker, zoals uiteengezet in het faxbericht van 27 oktober 2006 en herhaald op de hoorzitting, niet van aard is de zienswijze van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar te weerleggen.
- Daargelaten de vraag of de verzoeker op ontvankelijke wijze eerst in zijn laatste memorie kan aanvoeren dat de hoorplicht in het aangevoerde artikel 53 van het gecoördineerde decreet werd geschonden doordat de oproepingsbrief voor de hoorzitting naar zijn thuisadres werd verstuurd en niet naar het kantooradres van zijn raadsman, kan niet worden ingezien hoe dit tot een X-13.282-9/10 schending van de hoorplicht kan leiden, aangezien dit de verzoeker of zijn raadsman niet heeft verhinderd om op die hoorzitting aanwezig te zijn en er hun argumenten kenbaar te maken.
- Het enige middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.282-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div