id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.734 Rolnummer: A. 194135/XIV-31432 Zaak: Arrest 207734 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Fiche Arrest nr 207.734 van 29 september 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 207.734 van 29 september 2010 in de zaak A. 194.135/XIV-31.
- In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE RUYCK, kantoor houdende te 9800 DEINZE, Tolpoortstraat 15 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 1 oktober 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 30.759 van 28 augustus 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4908 van 9 oktober 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 22 maart 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 mei 2010; XIV-31.432-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat J. VERHELLEN, die loco advocaat J. DE RUYCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verwerende partij op 18 oktober 2007 een visumaanvraag tot gezinshereniging in functie van haar Belgische echtgenoot indient; dat de minister van Migratie- en Asielbeleid op 13 maart 2008 beslist tot weigering van de visumaanvraag; Overwegende dat de verwerende partij op 3 april 2008 tegen de voornoemde weigeringsbeslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen instelt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 28 augustus 2009 gegrond verklaard en de voornoemde beslissing van 13 maart 2008 vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 27 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (hierna: wetboek IPR) en van het beginsel van de eenheid van rechtspraak opwerpt; dat zij de motivering van het bestreden arrest en de artikelen 27, 18 en 21 van het wetboek IPR citeert en aanvoert dat de minister binnen zijn bevoegdheid en met verwijzing naar de voormelde bepalingen de visumaanvraag kon weigeren, dat de rechter in vreemdelingenzaken artikel 27 van het wetboek IPR heeft geschonden door te stellen dat de vreemdeling, gezien het huwelijk met een burger van de Unie, de erkenning van dat huwelijk door de inschrijving in het bevolkingsregister en het ontbreken van een procedure tot nietigverklaring tegen dat huwelijk, aannemelijk maakt dat de minister op kennelijk onredelijke wijze het voormelde huwelijk als een schijnhuwelijk heeft gekwalificeerd, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in verschillende arresten en ook de Raad van State reeds hebben bevestigd dat de erkenning van een buitenlandse authentieke akte door de ambtenaar van de burgerlijke stand, hetgeen te dezen overigens niet het geval is, niet betekent dat de minister XIV-31.432-2/5 bij de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake een visum voor gezinshereniging de erkenning niet zou kunnen weigeren en dat aldus artikel 27, § 1 van het wetboek IPR evenals “de vaste rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen” zijn geschonden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft gezegd dat de verzoekende partij binnen haar bevoegdheid niet wettig tot de weigering van de erkenning van de buitenlandse huwelijksakte zou kunnen beslissen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel heeft gezegd dat de minister op kennelijk onredelijke wijze het huwelijk als een schijnhuwelijk heeft gekwalificeerd, dat artikel 27 van het wetboek IPR de wettigheidstoetsing van de weigering tot erkenning van de huwelijksakte niet in de weg staat, dat artikel 27 van het wetboek IPR integendeel die bevoegdheid voor elke administratieve en gerechtelijke overheid, en dus ook voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet, dat de mogelijkheid van een erkenningsprocedure bij de rechtbank van eerste aanleg niet betekent dat andere rechtscolleges geen erkenningsbevoegdheid zouden hebben, dat de erkenning immers de plano, van rechtswege, incidenteel in de loop van een gerechtelijke procedure of via een hoofdvordering bij de rechtbank van eerste aanleg kan geschieden, dat artikel 27 van het wetboek IPR te dezen dan ook niet is geschonden, dat een zogenaamd “beginsel van eenheid van rechtspraak” niet bestaat en derhalve niet kan worden geschonden, dat de door de verzoekende partij aangehaalde rechtspraak bovendien niet betekent dat de dienst Vreemdelingenzaken na de erkenning door de burgerlijke stand geen erkenning meer zou kunnen weigeren en dat de door de verzoekende partij aangehaalde rechtspraak niet eenduidig is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt en toevoegt dat de rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is uitgesloten wanneer de wetgever een beroep tegen een beslissing van een administratieve overheid bij de gewone hoven en rechtbanken heeft ingesteld, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering door de minister tot het erkennen van de geldigheid van de huwelijksakte wettig is, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter wel de bevoegdheid heeft om na te gaan of de minister terecht de afgifte van het visum heeft geweigerd en of hij daarbij zorgvuldig en redelijk te werk is gegaan, dat bij lezing van het bestreden arrest blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken een oorzakelijk verband tussen een erkenningsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand en de beslissing van de minister tot weigering van de erkenning van het huwelijk legt en dat de rechter in XIV-31.432-3/5 vreemdelingenzaken geen enkele reden aanhaalt die kan verantwoorden waarom de beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid kennelijk onredelijk zou zijn; 2.
- Overwegende dat de minister van Migratie- en Asielbeleid, net zoals “alle overheden”, op grond van artikel 27 van het wetboek IPR kan weigeren een vreemde huwelijksakte te erkennen; dat het inderdaad kan gebeuren dat twee overheden omtrent eenzelfde akte tot een tegenstrijdige beslissing kunnen komen; dat, zoals in het huidige geval, de minister van Migratie- en Asielbeleid bij de beoordeling van een visumaanvraag met betrekking tot de vraag of het al dan niet om een schijnhuwelijk gaat, niet is gebonden door het feit dat een andere overheid, in dit geval de ambtenaar van de burgerlijke stand, de buitenlandse huwelijksakte wèl heeft erkend; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter kon nagaan of de beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid van 13 maart 2008 tot verwerping van de visumaanvraag niet kennelijk onredelijk was; dat die beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid omstandig en concreet was gemotiveerd; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter enkel heeft gesteld dat de minister, gezien het huwelijk met een burger van de Unie, de inschrijving van dat huwelijk in het bevolkingsregister en het ontbreken van een gerechtelijke procedure tot nietigverklaring, op kennelijk onredelijke wijze het kwestieuze huwelijk als een schijnhuwelijk heeft gekwalificeerd en de visumaanvraag heeft geweigerd; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op die wijze met het bestreden arrest tot een algemene stelling heeft beperkt en is voorbijgegaan aan de omstandige en concrete motieven op grond waarvan de minister de visumaanvraag heeft verworpen, met name de nader uiteengezette voorgeschiedenis van de echtgenoten, het leeftijdsverschil, de wijze waarop het huwelijk tot stand is gekomen en het eensluidende standpunt van het parket; dat, door aldus te handelen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest de bevoegdheid van de minister bij de beoordeling van een visumaanvraag heeft miskend; dat uit het enkele feit van een vermelding van het Marokkaanse huwelijk in het bevolkingsregister en het niet aangevochten zijn van dat huwelijk immers niet kan worden afgeleid dat het kennelijk onredelijk is de afgifte van een visum te weigeren omdat het om een schijnhuwelijk zou gaan; dat artikel 27 van het wetboek IPR aldus is geschonden en dat het eerste middel in die mate gegrond is, XIV-31.432-4/5 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 30.759 van 28 augustus 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.432-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.