id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.736 Rolnummer: A. 191616/XIV-31056 Zaak: Arrest 207736 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Fiche Arrest nr 207.736 van 29 september 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 207.736 van 29 september 2010 in de zaak A. 191.616/XIV-31.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 26 februari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 22.186 van 28 januari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4412 van 6 mei 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.056-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. BETTENS, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 21 september 2005 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 5 september 2006 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 21 september 2006 tegen die weigeringsbeslissing beroep aantekent bij de (vroegere) Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 17 juli 2007 verwerpt; Overwegende dat de verzoekende partij op 17 augustus 2007 cassatieberoep tegen dat arrest bij de Raad van State aantekent; dat het voormelde arrest van 17 juli 2007 met ‘s Raads arrest nr. 184.648 van 25 juni 2008 wordt vernietigd en dat de zaak naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt verwezen; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 28 januari 2009 opnieuw de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermings- status weigert; dat dit het thans bestreden arrest is; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van “de algemene principes van behoorlijke procedure, meer bepaald het principe van tegensprekelijkheid, wapengelijkheid en transparantie” bij de toepassing van artikel 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: XIV-31.056-2/12 “Dat verzoeker in september 2005 een asielaanvraag indiende conform de toenmalige wetgeving en dat op basis van de Conventie van Genève. Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen op 5 september 2006 een beslissing nam. Dat deze beslissing om evidente redenen zich nog niet kon uitspreken over het toekennen van het eventueel statuut van subsidiaire bescherming aangezien het op dat moment nog niet bestond in de Belgische Wetgeving. Dat op 10 oktober 2006 de subsidiaire bescherming werd ingevoerd in de Belgische Wetgeving meer bepaald in artikel 48/4 van de wet van 15/12/
- Dat verzoeker een verzoek indiende tot verderzetting van de procedure conform artikel 235 par. 3 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15/12/1980 en zodoende zijn asielaanvraag uitbreidde tot het nieuwe criterium geformuleerd in hoger geciteerd artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Dat de Commissaris Generaal een nota indiende bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie op 18 april 2007 stellende dat de asielaanvraag van verzoeker dient afgewezen te worden, evenals het verzoek van verzoeker om te kunnen genieten van het subsidiair beschermingssta- tuut. Dat uit deze nota bleek dat de Commissaris Generaal de toepassing van dit nieuwe statuut voor verzoeker op de actuele situatie in Nepal niet ten gronde had onderzocht. Dat een eerste arrest van de RVV, waarbij de RVV eigenhandig overging tot een eigen onderzoek, vernietigd werd door Uw Raad. (Zie stuk 2) Dat het vernietigde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgebreid inging op de situatie in Nepal en een veelheid aan bronnen aanhaalde waarvan slechts sprake was in het dossier voor de eerste keer in het arrest. Dat het arrest o.a. vernietigd werd omdat al deze documenten en bronnen waarnaar verwezen werd niet onderworpen werden aan een tegensprekelijk debat en slechts ter kennis kwamen van verzoeker bij kennisname van het arrest. Dat de zaak opnieuw voorkwam meer dan 2 jaar na de beslissing van het CGVS (05.09.2006), met name op 17 november
- Dat op de zitting van de RVV het CGVS een nieuwe nota neerlegde die later per brief dd. 21 november 2008 door de griffier van de RVV officieel werd overgemaakt aan verzoeker. Dat de RVV op vraag van verzoeker de debatten heeft heropend om verzoeker toe te laten om te antwoorden op de nota van het CGVS. Dat de RVV in het bestreden arrest de uitgebreide besluiten van verzoeker weert uit de debatten. Dat hierdoor opnieuw een tegensprekelijk debat onmogelijk wordt gemaakt en de gelijkheid tussen de partijen wat betreft de rechten van de verdediging manifest wordt geschonden. Dat de RVV zelfs zo ver gaat letterlijk te stellen dat een rapport van Cedoca, de studiedienst van het CGVS, principieel boven de besluiten gaan van verzoeker omdat het rapport door onafhankelijke deskundigen zou zijn opgesteld. Dat het fundamentele principe van de wapengelijkheid tussen partijen en een eerlijk en tegensprekelijk debat hierdoor wordt geschonden. Dat dit des te schrijnender is nu een eerder arrest van de RW om dezelfde reden reeds was vernietigd en een tegensprekelijk debat over de asielaanvraag op basis van actuele feiten aangebracht door de beide partijen des te meer noodzakelijk is. Dat verzoeker de volle rechtsmacht van de Raad niet in vraag stelt maar dat deze volle rechtsmacht dient georganiseerd te worden conform de algemene principes van behoorlijke procedure, meer bepaald het principe van tegensprekelijkheid, wapengelijkheid en transparantie. Dat dit noodzakelijk is nu uit het geheel van de gegevens blijkt dat het niet zo evident is te stellen dat alles is opgelost in Nepal en dat verzoeker geen actuele vrees meer heeft. Dat volgens de bestreden beslissing zou blijken dat mensen met een profiel zoals dat van verzoeker geen gevaar meer zouden lopen bij terugkeer naar hun land en hun dorp en dat verzoeker zogezegd een intern vluchtalternatief zou hebben. Dat verzoeker wat de grond van de zaak betreft verwijst naar de besluiten die hij heeft neergelegd en die door de RVV uit de debatten werden geweerd. (Zie stuk 4) Dat essentiële elementen niet onderworpen werden aan het tegensprekelijk debat doordat het verzoekschrift tot verderzetting en de besluiten van verzoeker na de heropening van de debatten uit de zaak geweerd werden zonder meer en doordat de RVV duidelijk zijn voorkeur uitspreekt voor het standpunt van één van de partijen dat bevoorrecht zou zijn ten opzichté van XIV-31.056-3/12 het standpunt van de andere partij. Dat Cedoca nochtans bezwaarlijk een onpartijdige instelling kan genoemd worden. Dat door het verzoekschrift tot verderzetting en de besluiten van verzoeker uit de zaak te weren en door een partijdige houding aan te nemen ten opzichte van één van de partijen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene principes van behoorlijke procedure, meer bepaald het principe van tegensprekelijkheid, wapengelijkheid en transparantie in toepassing van artikel 48/3 en 4 van de Wet van 15 december 1980, schendt.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Verzoeker handhaaft integraal zijn standpunt en meent dat het antwoord geformuleerd door het CGVS in haar memorie van antwoord hoegenaamd niet ingaat op de essentie van het middel. Wat betreft het standpunt van het CGVS over het verzoek tot verderzetting en haar verdediging van het feit dat dat document uit de debatten geweerd werd, dient toch opgemerkt te worden dat het de RVV zelf was die verzoeker uitnodigde een dergelijk document op te stellen. Verzoeker verwijst in die zin naar stuk 6 dat hierbij gevoegd wordt. Wat betreft vervolgens het weren uit de debatten van de nota en de extra stukken van verzoeker. Het CGVS lijkt te vergeten dat de RW niet overging tot het onderzoeken van de inhoud van de nota's neergelegd door beide partijen doch wel degelijk wederrechterlijk slechts de nota van één der partijen in overweging neemt en de andere nota uit de debatten weert. Gezien het fundamenteel karakter van de principes ingeroepen in het eerste middel gebeurde het weren van de nota van verzoeker wel degelijk wederrechtelijk. Verzoeker stelt niet dat Cedoca niet deskundig zou zijn. Verzoeker stelt enkel dat in de procedure voor de RVV waarbij twee partijen tegenover elkaar staan, Cedoca geen onpartijdige instelling is en dat er dus minstens wapengelijkheid dient te zijn in de procedure voor de RVV in die zin dat beide partijen de mogelijkheid moeten kunnen hebben een schriftelijke nota neer te leggen, zeker in het specifieke geval in casu, met name na een vernietiging van een vorig arrest van de RVV en dus noodzakelijk gezien met oude informatie in het dossier. De RVV gaat in het bestreden arrest niet over tot een onderzoek van de neergelegde documenten doch weert de nota en bijkomende stukken van verzoeker, niet omdat deze niet zouden voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet doch omdat er geen wettelijke grondslag voor zou zijn. Dat door de besluiten van verzoeker uit de zaak te weren en door een partijdige houding aan te nemen ten opzichte van één van de partijen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de algemene principes van behoorlijke procedure, meer bepaald liet principe van tegensprekelijkheid, wapengelijkheid en transparantie in toepassing van artikel 48/3 en 4 van de Wet van 15 december 1980, schendt.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij vooreerst aanvoert “dat essentiële elementen niet onderworpen werden aan het tegensprekelijk debat doordat het verzoek tot voortzetting en de besluiten van verzoeker na de heropening van de debatten uit de zaak geweerd werden”, terwijl de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voordien wel een Cedoca-document en een nota had neergelegd en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de debatten zelfs had heropend om de verzoekende partij toe te laten te antwoorden op de nota van de commissaris-generaal; dat de door de verzoekende partij aangehaalde “principes” echter niet vereisen dat de verzoekende partij de mogelijkheid krijgt om schriftelijk op de kwestieuze nota van de commissaris-generaal te XIV-31.056-4/12 antwoorden, doch enkel dat zij in de mogelijkheid wordt gesteld om nuttig voor haar belangen op te komen; dat, zoals de verzoekende partij zelf aanhaalt, na de neerlegging van de nota van het stuk en de nota door de commissaris-generaal, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een tussenarrest van 19 november 2008 de debatten heeft heropend en de voortzetting van de behandeling van het beroep op de zitting van 4 december 2008 heeft vastgesteld om de verzoekende partij toe te laten standpunt in te nemen over de nota en het stuk; dat de verzoekende partij en haar raadsman op die laatste zitting aanwezig waren en er hun standpunt hebben kunnen laten gelden; dat de verzoekende partij niet aangeeft welke “essentiële elementen” zij niet zou hebben kunnen aanvoeren, uiteenzetten of benadrukken; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat aan de verzoekende partij was gevraagd een verzoek tot voortzetting in te dienen; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij verder aanvoert dat de door haar aangehaalde “principes” ook worden geschonden “doordat de RVV duidelijk zijn voorkeur uitspreekt voor het standpunt van één der partijen dat bevoorrecht zou zijn ten opzichte van het standpunt van de andere partij” en “door een partijdige houding aan te nemen ten opzichte van één van de partijen”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter soeverein over de objectiviteit, de betrouwbaarheid en de zwaarwichtigheid van de aangehaalde bronnen oordeelt; dat de Raad van State zich als administratieve cassatierechter wat dat betreft niet in de plaats van de feitenrechter mag stellen; dat de aangehaalde “principes” niet worden geschonden doordat volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “de voorkeur (dient) te worden gegeven aan het Cedoca- onderzoek, verricht door een gespecialiseerd en onpartijdig ambtenaar, boven het door verzoeker neergelegde bundel niet-geanalyseerde overzichts- en persartikels”; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, het arrest nr. 803 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 17 juli 2007 niet om de thans aangehaalde reden werd verbroken maar omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in dat arrest het tegensprekelijk debat had geschonden door te verwijzen naar gegevens van websites die betrekking op de gewijzigde toestand in Nepal zouden hebben en die noch in het administratieve dossier noch in het rechtsplegingsdossier waren terug te vinden; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij “wat de grond van de zaak betreft verwijst naar de besluiten die (zij) heeft neergelegd en die door de RVV uit de debatten werden geweerd”; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag zich over de grond van de zaak uit te spreken; dat een algemene verwijzing naar de XIV-31.056-5/12 voor de eerste rechter neergelegde besluiten hoe dan ook niet volstaat om een ontvankelijk onderdeel van een cassatiemiddel te vormen; dat het eerste middel in die mate niet- ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikelen 39/2, § 1, 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Verzoeker werd na de heropening van de procedure bij de RVV ten gevolge van de vernietiging van het arrest van 17 juli 2007 uitgenodigd voor de zitting van maandag 17 november
- Op de zitting ontving de raadsman van verzoeker een nota van het CGVS met toevoeging van een nieuw algemeen onderzoeksdocument van CEDOCA gedateerd op 7 november
- Deze nota werd officieel ter kennis gebracht aan verzoeker per brief dd. 21 november
- Er dient benadrukt te worden dat de vorige beslissing van het CGVS in de zaak van verzoeker dateert van 5 september 2006 en dat het onderzoek dat door het CGVS gevoerd werd naar de asielaanvraag van verzoeker dus dateert van meer dan 2 jaar geleden. Dat er wat betreft de subsidiaire bescherming zelfs nooit een echt onderzoek gebeurde. De nota die werd neergelegd door het CGVS geeft het algemeen standpunt weer van het CGVS over de huidige algemene situatie in Nepal en past deze min of meer toe op de situatie van verzoeker. De vraag die zich vandaag stelt is welke houding de RVV diende aan te nemen rekening houdende met de stand van de procedure en het gebrek aan een recent onderzoek en concreet uitgewerkt standpunt van het CGVS over de asielaanvraag van verzoeker. Verzoeker wijst erop dat het arrest van de RVV van 17 juli 2007 vernietigd werd omdat de RVV een bijkomend onderzoek deed naar de situatie in Nepal toegepast op de asielaanvraag van verzoeker. De RVV gaf in de feiten aan dat een bijkomend onderzoek diende te gebeuren. De Raad van State vernietigde het arrest omdat de RVV dit onderzoek zelf uitvoerde. De RVV had aan de vaststelling dat een bijkomend onderzoek nodig was de juiste juridische conclusie moeten koppelen, met name de toepassing van artikel 39/2 par. 1, 2/ van de Vreemdelingenwet. In dit artikel stelt de wet dat de RVV de beslissing van het CGVS kan vernietigen indien essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de RVV niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. De vaststelling van de RVV in het arrest van 17 juli 2007 dat bijkomend onderzoek nodig was, was in november 2008 nog duidelijker aanwezig. De RVV kon onmogelijk tot een correcte beslissing komen op basis van het huidige dossier. Deze situatie kon ook niet opgelost worden door het CGVS, in het kader van de heropende procedure na de vernietiging van het arrest door Uw Raad, te vragen een concrete analyse te maken betreffende de asielaanvraag van verzoeker, noch door aan verzoeker 2 weken extra te geven om zich uit te spreken over de nota van het CGVS. Het is al helemaal schandelijk vast te stellen dat de RW in het huidig bestreden arrest wel de nota van het CGVS in aanmerking neemt en de nota van verzoeker uit de debatten wordt geweerd. Een grondig, eerlijk en tegensprekelijk onderzoek van de asielaanvraag kan enkel gebeuren in het kader van een onderzoek ten gronde voor het CGVS en niet in het kader van de procedure voor de RVV waarbij het CGVS geen onderzoeksbevoegdheid heeft maar een tegenpartij is van verzoeker in het tegensprekelijk debat dat gevoerd wordt over de beslissing die het CGVS reeds genomen heeft. In het kader van de procedure voor de RVV voert het CGVS geen eerlijk en grondig onderzoek doch verdedigt het CGVS zijn negatieve beslissing. In die zin kan men ook niet spreken van Cedoca als zijnde een van het CGVS onafhankelijke en dus onpartijdige instelling. XIV-31.056-6/12 Enkel al omwille van de lange periode tussen het onderzoek ten gronde door het CGVS en november 2008 diende er door de RVV vast gesteld te worden dat een nieuw, grondig en eerlijk onderzoek nodig was om te kunnen beschikken over de "essentiële elementen" om te beslissen over de asielaanvraag van verzoeker. Aanvullende onderzoeksdaden zijn bovendien nodig aangezien de RVV dit zelf reeds aangaf in zijn beslissing van 17 juli
- Ook de nota neergelegd door het CGVS op 13 november 2007 geeft aan dat aanvullend en gepersonaliseerd onderzoek nodig is. Dat uit het gehele dossier blijkt dat de situatie van burgeroorlog zoals deze zich reeds jaren voordoet in Nepal nog niet volledig is opgelost. Er heerst nog steeds chaos in Nepal. De situatie is nog zeer onvoorspelbaar en zeer labiel. De situatie in Nepal is nog helemaal niet definitief geregeld. Het staakt het vuren in Nepal is nog uitzonderlijk broos. De jongerenafdeling van de maoïsten (YCL) tonen zich niet bereid het staakt het vuren te respecteren en de burgeroorlog laait weer op in het Zuiden van Nepal. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het gebrek aan onderzoek hierover vanwege het CGVS heeft vastgesteld doch initieel geacht heeft zelf integraal bevoegd te zijn een onderzoek te voeren naar de huidige situatie in Nepal en het gevaar hiervan voor verzoeker. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in haar eerst genomen arrest feitelijk toegaf dat extra onderzoek nodig was. Dat is vandaag de dag nog meer het geval gezien de verstreken tijd. Dat bovendien bij de tweede procedure de RVV besliste de besluiten van verzoeker uit de debatten te weren en enkel de nota aanvaardde van het CGVS, die niet gepersonaliseerd was doch wel tot het besluit kwam het asielverzoek van verzoeker te moeten verwerpen. Dat verzoekende partij door deze gang van zaken het recht ontzegd wordt op een grondig, eerlijk en tegensprekelijk onderzoek door de bevoegde asielinstantie, zijnde het Commissariaat Generaal, naar de toepassing van het asielstatuut en het subsidiair beschermingsstatuut op de situatie in Nepal en de risico's die er nog steeds aanwezig zijn voor verzoeker conform de definitie opgenomen in artikel 48/3 en 4 van de Vreemdelingenwet. Dat dat nochtans een substantiële vereiste is in de gehele asielprocedure. Dat artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet trouwens luidt als volgt : "Art. 39/
- §
- De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De Raad kan : 1/ de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen; 2/ de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moetenbevelen. In afwijking van het tweede lid, staat tegen de in artikel 57/6, eerste lid, 2/ bedoelde beslissing enkel het in § 2 bepaalde annulatieberoep open. §
- De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht". Dat conform punt 2 in paragraaf 1 van dit artikel de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dienen vast te stellen dat "essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen". Gezien het vernietigingsarrest van de Raad van State kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet anders dan deze zaak terug sturen naar het Commissariaat Generaal. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet tot deze conclusie kwam, werd artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet geschonden. Dat verzoeker immers het recht heeft op een eerlijk en grondig onderzoek door het CGVS betreffende de al dan niet gegrondheid van zijn asielaanvraag conform de Belgische en XIV-31.056-7/12 Internationale bepalingen daaromtrent en op een eerlijke en tegensprekelijke procedure bij de RVV. Verzoeker heeft niet kunnen genieten van een actueel onderzoek ten gronde van zijn aanvraag tot het bekomen van het vluchtelingenstatuut en het subsidiair beschermingsstatuut en heeft bovendien niet kunnen genieten van een eerlijke en tegensprekelijke procedure voor de RVV. Het CGVS stelde dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich moet baseren op de situatie in het land van oorsprong van de aanvrager op het moment van zijn beslissing. Verzoeker is het ermee eens dat rekening dient gehouden te worden met de feiten op het moment van de beslissing van de RVV, maar verzoeker is het niet eens met de stelling als zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan maar mogen beslissen over de aanvraag, op basis van een partijdig en aan de asielzoeker opgedrongen onpersoonlijk haastig onderzoek. Het wordt dan nog helemaal schandalig en een manifeste schending van essentiële principes (zie het eerste middel) als voor de procedure bij de RVV slechts één partij werkelijk gehoord wordt. Menen dat een grondig en eerlijk onderzoek kan gevoerd worden door de debatten te heropenen en 2 weken tijd te geven aan de aanvrager, houdt op zich (nog los van de argumenten ontwikkeld in het eerste middel) een schending in van de Vreemdelingenwet aangezien er enkel onderzoeksbevoegdheid voorzien is voor het Commissariaat. Artikel 39/2 punt 2, van de Vreemdelingenwet voorziet dat de Raad "de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (kan) vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen ». Teneinde verzoeker het recht te geven op een grondig onderzoek door het CGVS en teneinde een eerlijk en tegensprekelijk debat mogelijk te maken was het terugsturen van de zaak naar het CGVS de enige oplossing voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad diende vast te stellen dat essentiële elementen ontbraken in huidige zaak om tot een geoorloofde beslissing te komen op basis van een eerlijke procedure. Verzoeker heeft geen recht gehad op een grondig onderzoek en een eerlijk en tegensprekelijk debat. De artikelen 39/2 par. 1 en 48/3 en 4 van de Wet van 15 december 1980 werden geschonden door het bestreden arrest van 28 januari 2009.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Verzoeker handhaaft ook hier integraal zijn standpunt en meent dat het antwoord geformuleerd door het CGVS in haar memorie van antwoord hoegenaamd niet ingaat op de essentie van het middel. Het CGVS ontkent het fundamenteel ander karakter van de procedure voor het CGVS, waar een grondig en gepersonaliseerd onderzoek gebeurt, en de procedure voor de RVV waarbij verzoeker en het CGVS tegenover elkaar staan als echte procespartijen. Door de noodzakelijk gezien verouderde informatie die lief dossier bevat, door de objectieve tegenstelling die er is op de zitting van de RVV tussen verzoeker en het CGVS en door het gebrek aan onderzoeksbevoegdheid van de RVV kon in casu niet anders dan beslist worden om de zaak terug te sturen naar het CGVS teneinde minimum een grondig en individueel herverhoor te organiseren en een toetsing van de nieuwe elementen van het dossier van Cedoca aan de concrete situatie van verzoeker. In die zin kan bij-wijze van voorbeeld verwezen worden naar een arrest van de Franstalige RVV (CCE, 26 juni 2009, nr. 29161) waar de Franstalige collega's van de RVV terecht tot die beslissing kwamen. (Zie hoofdzakelijk punt 6 van het gevoegde arrest) XIV-31.056-8/12 Verzoeker heeft geen recht gehad op een grondig onderzoek en een eerlijk en tegensprekelijk debat. De artikelen 39/2 par. 1 en 48/3 en 4 van de Wet van 15 december 1980 werden geschonden door het bestreden arrest van 28 januari 2009.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij verwijst naar de “manifeste schending van essentiële principes” uit het eerste middel doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts één partij werkelijk zou hebben gehoord; dat dienaangaande naar de behandeling van het eerste middel kan worden verwezen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij verder aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met toepassing van artikel 39/2, § 1, 2/, van de Vreemdelingenwet de beslissing van de commissaris-generaal had moeten vernietigen omdat “essentiële elementen” ontbraken, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen niet tot de bevestiging of de hervorming van de beslissing van de commissaris-generaal had kunnen komen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, te dezen als administratief rechtscollege met volle rechtsmacht, na het vernietigingsarrest van de Raad van State opnieuw uitspraak over de grond van de zaak moest doen; dat hij in het bestreden arrest met toepassing van artikel 39/76, § 1, derde lid, van de Vreemdelingenwet heeft vastgesteld dat de beschrijving van de feitelijke situatie in Nepal, zoals vastgesteld in het door de verwerende partij op 7 november 2008 ter griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neergelegde antwoorddocument van Cedoca, een nieuw gegeven vormt dat steun in het rechtsplegingsdossier vindt, van die aard is dat het op zekere wijze het ongegronde karakter van het beroep kan aantonen en bovendien niet eerder in de procedure kon worden meegedeeld; dat de verzoekende partij zich niet tegen de neerlegging van dat stuk als dusdanig heeft verzet; dat, precies door overeenkomstig artikel 39/76, § 1, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet met het nieuwe stuk rekening te houden en dit aan een tegensprekelijk debat te onderwerpen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “actueel onderzoek ten gronde” heeft gedaan; dat hij door aldus te handelen niet zijn in de artikelen 39/2, § 1, 48/3 en 48/4 vastgelegde bevoegdheden heeft overschreden; dat de verzoekende partij opnieuw verwijst naar het ontbreken van “essentiële elementen” en andermaal haar eigen beoordeling van de situatie in Nepal geeft, zodat zij nogmaals een andere beoordeling ten gronde van de zaak voorstelt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het tweede middel ongegrond, en wat dit laatste aspect betreft, niet-ontvankelijk is; XIV-31.056-9/12 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet en van “de algemene principes van behoorlijke procedure, meer bepaald het principe van tegensprekelijkheid, wapengelijkheid en transparantie” bij de toepassing van artikel 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “In de huidige vreemdelingenwet die België kent, wordt er aan de kandidaat vluchteling in het kader van zijn procedure die hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de afwijzende beslissing van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen NIET de mogelijkheid gegeven om te antwoorden op de repliekmemorie van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen zoals voorzien in artikel 39/69 e.v. van de Vreemdelingenwet. Bovendien kan de verwerende partij het administratief dossier maar inzien nadat de beslissing is genomen door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en vóór hijzelf beroep aantekent tegen deze beslissing. Daarna kan hij het administratief dossier maar inzien nadat een rechtsdag werd bepaald en vóór de dag van de zitting. Maar de verwerende partij heeft GEEN mogelijkheden om te antwoorden op de al dan niet nieuwe argumenten die worden aangehaald door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen. Dit werd nog eens schrijnend duidelijk in het bestreden arrest aangezien de RVV besliste de besluiten van verzoeker, zelfs na heropening van debatten, te weren uit de debatten. Dit in tegenstelling tot het annulatieberoep tegen beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken (Belgische Staat, Minister van Migratie en Asielbeleid) waarbij de verzoekende partij zelfs verplicht is indien men het vereiste belang in de procedure niet wenst te verliezen. Dit is overeenkomstig artikel 4, 2/ van de wet van 4 mei 2007 tot wijziging van de artikelen 39/20, 39/79 en 39/81 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 10 mei 2005, in werking getreden op 1 juni 2007) juncto artikel 39/81 Vreemdelingenwet. In dergelijke procedures heeft de verzoekende partij wel degelijke nog de kans om te antwoorden op de argumentatie van de tegenpartij. Bijgevolg worden in de huidige Vreemdelingenwet de rechten van verdediging van een kandidaat asielzoeker geschonden gezien deze niet meer kan antwoorden op de argumentatie van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daarenboven wordt ook het gelijkheidsbeginsel geschonden gezien dit wel mogelijk is m.b.t. de annulatieberoepen. Bijgevolg heeft de vreemdeling, kandidaat-asielzoeker, niet meer de mogelijkheid om tijdens de procedure, die een procedure met volle rechtsmacht betreft (overeenkomstig de nieuwe wetgeving van 15 september 2006, namelijk de wet tot hervorming van de Raad van State en de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen), nieuwe elementen voor te leggen, noch om te antwoorden op de argumentatie van de verwerende procedure. Dit in tegenstelling tot het annulatieberoep, wat bovendien enkel een cassatie procedure is. Minstens dient over deze problematiek een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Constitutioneel Hof (Conseil d'Etat, section du contentieux adminsitratif, arrest 184.227, dd. 16 juni 2008, AR 184.227/31.170).”; XIV-31.056-10/12 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Verzoeker handhaaft ook hier integraal zijn standpunt. Verzoeker heeft de indruk dat het CGVS hier een procedure verdedigt vergelijkbaar met een tenniswedstrijd waarbij één van de partijen zijn handen gebonden zijn en de andere normaal kan spelen. Het CGVS verdedigt de stelling dat zij zelf een nota mag neerleggen maar dat verzoeker dat niet mag doen en zijn opmerkingen dan maar moet laten acteren. Indien verzoeker had geweten dat zijn nota zou geweerd worden dan had hij zijn nota misschien kunnen voorlezen aan de griffie met de vraag deze in zijn geheel te acteren. Dat is natuurlijk niet ernstig. Verzoeker herhaalt dan ook dat de in het derde middel aangehaalde bepalingen geschonden werden door het bestreden arrest.”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat zij enerzijds niet kan antwoorden op de argumentatie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat anderzijds die mogelijkheid wel in het annulatieberoep bestaat, waardoor het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij die kritiek in de huidige zaak op ontvankelijke wijze voor het eerst in cassatie kan aanvoeren; dat zij bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “besluiten na heropening der debatten” had neergelegd en dat die besluiten met het bestreden arrest uit de debatten werden geweerd; dat een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel dus pas daardoor aan de orde kwam; Overwegende dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet wel degelijk de mogelijkheid voorziet om onder bepaalde voorwaarden nieuwe gegevens neer te leggen; dat die mogelijkheid ook voor de verzoekende partij geldt; dat, zoals bij de behandeling van het eerste middel reeds is gesteld, de debatten ten behoeve van de verzoekende partij werden heropend om haar toe te laten standpunt in te nemen over de door de commissaris- generaal neergelegde stukken, met name een eigen nota en een document van Cedoca; dat de verzoekende partij en haar raadsman dit mondeling ter zitting konden doen; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 onder meer heeft gesteld dat “het hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in het tweede lid van artikel 39/60, (...) geen afbreuk doet aan het recht op een rechterlijke toetsing en aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”; dat het Grondwettelijk Hof dit standpunt in zijn arrest nr. 45/2010 van 29 april 2010 heeft herhaald door te stellen dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden doordat de vreemdeling die een beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en XIV-31.056-11/12 de staatlozen instelt, geen repliekmemorie kan indienen en door te stellen dat de partijen op de terechtzitting mondeling kunnen antwoorden op argumenten in feite en in rechte die voor het eerst in de laatste proceduregeschriften zijn aangevoerd; dat de verzoekende partij overigens niet aangeeft welke opmerkingen zij niet zou hebben kunnen maken of welke van haar eventuele opmerkingen in het bestreden arrest niet aan de orde zouden zijn gekomen; dat derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel blijkt; dat het derde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.056-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.736 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.