id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.799 Rolnummer: A. 197789/XII-6358 Zaak: Arrest 207799 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Fiche Arrest nr 207.799 van 30 september 2010 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.799 van 30 september 2010 in de zaak A. 197.789/XII-6358 In zake:
- VZW NATIONALISTISCHE STUDENTENVERENIGING
- FILIP DEWINTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Siffert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 174, bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 september 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “een beslissing met referentie DGFB/AM/10/304 van de Rector van de Universiteit Gent d.d. 10 september 2010 [waarbij] het verzoek van 12 augustus 2010 van de Gentse afdeling [vzw] Nationalistische Studentenvereniging tot het gebruik van het auditorium I in de faculteit Economie en Bedrijfskunde voor een debat op maandag 4 oktober 2010 van 19 uur tot 22 uur [wordt] afgewezen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september 2010 om 10.30 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6358-1\6 Advocaat Bart Siffert, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Hendrik Vermeire, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 12 augustus 2010 dient W.O. namens de Nationalistische Studentenvereniging vzw (NSV), afdeling Gent, een “aanvraag voor verhuur” in voor het auditorium I(T) van de Universiteit Gent, Hoveniersberg, voor de organisatie van “Het Islamdebat” op 4 oktober 2010 om 20.00u. Filip Dewinter en Abu Imran hebben toegezegd als spreker. 3.
- Op 10 september 2010 beslist de rector van de Universiteit Gent “om niet akkoord te gaan” met deze aanvraag. Verzoekster verklaart deze beslissing op 17 september 2010 ontvangen te hebben. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst XII-6358-2\6 dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- Met betrekking tot de derde schorsingsvoorwaarde, voeren verzoekers aan wat volgt : “Overwegende de weigering van de zaal, zonder dat een alternatief wordt aangeboden of veiligheidsmaatregelen worden uitgewerkt; overwegende vooral de beweegredenen die eraan ten grondslag liggen, de medewerking van de Universiteit Gent aan de verhindering van toegelaten debatten op grond van een vrees voor gewelddadige tegenacties van derden, waardoor het voor eerste verzoekster als studentenvereniging definitief onmogelijk gemaakt wordt om dit of nog enig ander debat te organiseren, gericht op zijn doelpubliek de Gentse studenten en de verwezenlijking van het maatschappelijk doel dat zij zich voor ogen heeft gesteld, nl. studenten bewust te maken en te overtuigen van zijn politieke ideeën; Overwegende dat volgens rechtspraak van Uw Raad ‘een moreel nadeel uiteraard subjectief is, maar dat het desalniettemin in aanmerking genomen mag worden, tenzij wanneer het iedere geloofwaardigheid mist of niet aan een redelijk denkend en voelend persoon kan worden toegeschreven’(R.v.St. GORIS, nr. 69.926 dd. 2 december 1997); Overwegende dat inderdaad een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de inrichter kan weerhouden worden, wanneer hij geen manifestatie kan inrichten; Overwegende dat zonder de beschikking te hebben over een locatie op maat van de opzet van de manifestatie en op maat van uitgenodigde sprekers, nl. nationale politieke kopstukken, het niet ontkend kan worden dat het de inrichter heel wat energie zal kosten, zoniet onmogelijk is geïnteresseerden voor haar zaak warm te maken, dat in die zin in hoofde van eerste verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient te worden onderkend (zie R.v.St. VAN DEN EYNDE, nr. 83.339 d.d. 8 november 1999); Overwegende dat de ernst van het nadeel mede beoordeeld moet worden in functie van de graad van de ernst van de ingeroepen middelen en van de aard ervan (R.v.St. DEVOS, Nr. 86.495, 4 april 2000) (zie S. De TAEYE, Procedu- res voor de Raad van State, Kluwer, Mechelen, 2003, p 125 e.v.); Overwegende dat het in casu gaat over de reële aantasting van vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vergadering, basisvrijheden van een democratische samenleving; Overwegende dat art. 14 Grondwet, thans art. 19, evenals art. 10 E.V.R.M. de overheid verbiedt de uitoefening van die vrijheid te onderwerpen aan een preventieve controle op de meningsuiting (Cass., 9 december 1981, Arr. Cass., 1981-82, 491 en Pas. 1982, I, 482)”.
- De aangehaalde uiteenzetting beschrijft enkel het nadeel dat verzoekster vreest te zullen ondergaan; nergens wordt concreet en specifiek XII-6358-3\6 uiteengezet of en welk nadeel verzoeker dreigt te ondergaan nu de uitnodiging voor zijn deelname aan een debat dat niet door hemzelf is georganiseerd en waarvoor hij niet de aanvrager is, afgezegd zou moeten worden. In hoofde van verzoeker is het nadeel bijgevolg niet aangevoerd, laat staan dat het ernstig en moeilijk herstelbaar karakter ervan zou zijn aangetoond.
- Verzoekster doet in wezen een moreel nadeel gelden. Zij argumenteert daaromtrent, met verwijzing naar het arrest nr. 69.926 van 2 december 1997 inzake Goris, dat een moreel nadeel “in aanmerking genomen mag worden”. In net dezelfde overweging van het geciteerde arrest vervolgt evenwel de Raad van State “op voorwaarde dat het bovendien aan de algemene eis van ernst en moeilijke herstelbaarheid voldoet”. Het is te dezen niet anders. Zo wordt immers in de regel aangenomen dat een moreel nadeel zeer wel herstelbaar is, namelijk door de morele genoegdoening van het later tussen te komen vernietigingsarrest. Het blijft bijgevolg zaak voor verzoekster om de concrete elementen bij te brengen die aantonen dat het feit dat zij “geen manifestatie kan inrichten” dreigt haar een ernstig en een moeilijk te herstellen nadeel te doen ondergaan.
- Reeds de eerste alinea van de uiteenzetting van het nadeel toont een essentiële zwakte aan in het betoog van verzoekster, nu zij ervan uitgaat aan te kijken tegen de verhindering van een “toegelaten” debat. Van een toegelaten debat is te dezen evenwel geen sprake. Aldus laat deze zaak zich niet vergelijken met betwistingen waarbij een eenmaal gegeven toestemming, naderhand wordt ingetrokken, zoals bij voorbeeld in het arrest nr. 83.339 dat verzoekster vermeldt.
- Verzoekster doet vervolgens gelden dat het haar “definitief” onmogelijk wordt gemaakt om “dit of nog enig ander debat” te organiseren dat gericht is op haar doelpubliek, namelijk “de Gentse studenten”. Zij maakt die bewering echter geenszins aannemelijk. Het valt te begrijpen dat verzoekster haar doelpubliek - de Gentse studenten- met een politiek debat wil bereiken door dit debat te laten plaatsvinden op een plaats en in een context die aansluit bij de onmiddellijke situatie van die studenten, zoals een auditorium van verwerende partij. Verzoekster toont evenwel niet aan dat het haar op korte termijn onmogelijk zou zijn om elders terecht te kunnen, hetzij bij andere Gentse instellingen van hoger onderwijs -zo de Hoge- XII-6358-4\6 school Gent, de Arteveldehogeschool en de Katholieke Hogeschool Sint-Lieven waar eveneens tal van “Gentse studenten” zijn ingeschreven- hetzij bij stedelijke zalen of privé-zalen en dat zij derhalve onmogelijk toegang heeft tot enig geschikt lokaal voor de organisatie van “dit of nog enig ander debat”, gericht op de Gentse studenten en “op maat van de opzet van de manifestatie” -wat zij niet nader toelicht- en “op maat van [de] uitgenodigde sprekers”, nl. “nationale kopstukken”. Er wordt niet ingezien waarom de “Gentse studenten” zich niet zouden willen verplaatsen naar een andere zaal in het Gentse om een debat bij te wonen, en alleen in een universitair auditorium zouden willen opdagen. De Raad van State bedenkt daarenboven dat verzoekster géén door de universiteit erkende studentenvereniging is, en bijgevolg daaraan geen bijzondere claim kan ontlenen om toch welbepaald van een locatie op de universitaire campus gebruik te mogen maken. Daarenboven zet zij in het geheel niet uiteen waarom precies dit ene debat op deze welbepaalde datum zó cruciaal is voor de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, dat de weigering van een lokaal ervoor haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel bezorgt.
- Ter terechtzitting voert verzoekster nog de financiële kost aan om elders een zaal te huren, waar de universitaire lokalen quasi gratis ter beschikking staan. Dit argument kan echter niet in aanmerking worden genomen, nu het in het verzoekschrift niet is aangebracht, en dus ook niet is becijferd. Overigens blijkt tijdens de debatten ter terechtzitting dat een universitair auditorium huren verzoekster tussen 200 en 300 euro zou kosten, wat nogmaals doet betwijfelen waarom voor datzelfde bedrag elders geen zaal beschikbaar kan zijn. Het viel aan verzoekster toe daaromtrent in het verzoekschrift opheldering te verschaffen.
- Verzoekster verwijst tenslotte naar de graad van de ernst van de ingeroepen middelen en de aard ervan. Het is echter niet omdat een ernstig middel wordt aangevoerd dat daaruit als vanzelf zou volgen dat de aangevochten beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan meebrengen. Gewis is in uitzonderlijke gevallen reeds aangenomen dat in het oog springende onwettigheden méé betrokken kunnen worden bij de beoordeling van de ernst van het aangetoonde nadeel. Te dezen is die voorwaarde evenwel niet vervuld. Alvast de eerste auditeur was niet overtuigd van het manifeste karakter van de aangevoerde middelen, nu zij in het advies ter zitting niet enkel heeft voorgesteld om de vordering af te wijzen op grond van de nadeelvereiste, maar ook de middelen afzonderlijk heeft besproken en XII-6358-5\6 adviseerde om ze niet ernstig te bevinden. In het kader van het uiterst summiere onderzoek waarmee hij een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid dient af te handelen, oordeelt ook de Raad dat, de uiteenzetting van verzoeker stellende tegenover de verweernota, niet blijkt dat nu reeds vastgesteld kan worden dat verwerende partij een onwettigheid begaan heeft die onmiskenbaar tot de vernietiging van het bestreden besluit zal leiden en waardoor de beoordeling van het moeilijk te herstellen karakter van het aangetoonde nadeel mede bekeken kan worden vanuit de vraag of verzoekster wel langer dan strikt noodzakelijk de nadelige werking van de bestreden beslissing moet ondergaan.
- Uit wat voorafgaat volgt dat geen van beide verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Verzoekers vragen nog om voorlopige maatregelen op te leggen onder verbeurte van een dwangsom. Nu op de vordering tot schorsing niet wordt ingegaan, is er geen reden om dit verzoek in te willigen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6358-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.799 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.