id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.802 Rolnummer: A. 176850/X-13016 Zaak: Arrest 207802 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-08 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:13 Fiche Arrest nr 207.802 van 1 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.802 van 1 oktober 2010 in de zaak A. 176.850/X-13.
- In zake:
- Luc BROUCKAERT
- Marie VAN MAELE
- de n.v. UNIPHO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Cathérine De Brouwere en Jan Bossuyt kantoor houdend te 8310 BRUGGE Bossuytlaan 35 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 juli 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge wordt ingewilligd en waarbij de beslissing van 26 januari 1989 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende toekenning aan Luc Brouckaert van een vergunning voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Brugge, Chartreuseweg, kadastraal bekend sectie A, nrs. 696/a en 696/e, wordt vernietigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. X-13.016-1/11 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Bossuyt, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 7 september 1973 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge aan Kamiel Van Maele de vergunning voor het bouwen van een schuilhuisje op een perceel gelegen te Brugge, Chartreuseweg, kadastraal bekend sectie A, nr.
- Op 22 december 1978 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge aan Kamiel Van Maele de vergunning voor het overbouwen van een bestaand terras op hetzelfde perceel. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in natuurgebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. X-13.016-2/11
- Op 25 januari 1988 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de eerste verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge een vergunning voor het bouwen van een woning en het afbreken van de bestaande woning en garage op het betrokken perceel.
- Op 27 januari 1988 stelt de stadsingenieur van de stad Brugge een proces-verbaal op ten laste van Kamiel Van Maele en “Luc Brouckaert - Van Maele” wegens het zonder vergunning oprichten van een dubbele garage, een grote berging, een kleine houten berging, een woning en een houten tuinhuis op het betrokken perceel.
- Op 25 maart 1988 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge de gevraagde vergunning.
- Op 26 januari 1989 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het door de eerste verzoeker ingestelde administratief beroep in en verleent de gevraagde vergunning.
- Bij besluit van 14 maart 1989 verwerpt de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening het door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge ingestelde administratief beroep en bevestigt de vergunningsbeslissing.
- Bij arrest nr. 125.070 van 5 november 2003 wordt het voornoemde besluit vernietigd op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, ingevoegd bij decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de aanvraag, bepaalde : ‘Artikel 45, § 2 van deze wet wordt aangevuld met de volgende leden : ‘Bij het verlenen van een gunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag strekt tot ver- of herbouwing of uitbreiding van bestaande vergunde gebouwen op dezelfde plaats, of tot het herbouwen of uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen binnen de onmiddellijke omgeving ervan, dit alles op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, zoals moet blijken uit de motivering van het desbetreffend advies. Voor de toepassing van deze bepaling dient onder onmiddellijke omgeving te worden verstaan de ruimte die onmiddellijk aansluit bij het X-13.016-3/11 bedoelde gebouw terwijl de afstand tussen het nieuwe gebouw en het bestaande gebouw maximaal dertig meter mag bedragen. Het herbouwen of uitbreiden van bestaande gebouwen kan wat woningen betreft maximaal leiden tot een bouwvolume van 800 m³ met een grondoppervlakte van 200 m². (...)’’; dat uit het voorgaande volgt dat het herbouwen van een bestaand gebouw dat niet beantwoordt aan de voorschriften van een gewestplan, op dezelfde plaats of binnen de onmiddellijke omgeving ervan, slechts mogelijk is voor zover dit gebouw ‘vergund’ is; dat onder een ‘bestaand vergund gebouw’ dient te worden verstaan een gebouw waarvoor een bouwvergunning overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw voorhanden is en dat overeenkomstig de voorschriften van deze vergunning werd opgetrokken; Overwegende dat op 7 september 1973 aan Kamiel VAN MAELE door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge een bouwvergunning werd verleend strekkende tot het ‘bouwen van een schuilhuisje’; dat het college, bij besluit van 22 december 1978, aan dezelfde persoon een bouwvergunning heeft afgegeven strekkende tot het ‘overbouwen van het bestaand terras’ op voormeld perceel; dat uit de bij deze aanvraag gevoegde plannen blijkt dat het voorwerp van deze twee vergunningen een ‘schuilhuisje (voor) vissers’ met een totale grondoppervlakte van circa 55 m² betreft, bestaande uit een grote ruimte, een bergplaats en een toilet; dat uit de bewoordingen van het proces-verbaal van 27 januari 1988, evenals uit de door de aanvrager voorgelegde plannen, blijkt dat op het betrokken perceel, zonder over de vereiste vergunning te beschikken, een dubbele garage, een grote berging, een kleine houten berging, een woning met zithoek, eethoek, keuken, terras, twee slaapkamers, een badkamer, gang, twee bergplaatsen, een wasplaats en een toilet, evenals een houten tuinhuis, werden opgericht; dat deze constructies niet overeenkomstig de voorschriften van de verleende bouwvergunningen van 7 september 1973 en 22 december 1978 werden opgetrokken; dat het bestreden besluit artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals ingevoegd bij decreet van 28 juni 1984, niet correct heeft toegepast; dat het middel gegrond is”.
- Bij het bestreden besluit van 12 juli 2006 spreekt de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening zich opnieuw uit over het door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge ingestelde administratief beroep. Hij willigt het beroep in en weigert de gevraagde vergunning op grond van de volgende overwegingen: “Overwegende dat de aanvraag wordt voorgesteld als strekkende tot het bouwen van een woning waarbij de bestaande woning en garage dienen te worden afgebroken; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen is in een natuurgebied én in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut; dat het te slopen pand en de op te richten woning zich evenwel volledig in het natuurgebied bevinden; dat overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden, die de bossen, X-13.016-4/11 wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten, bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu; dat in die gebieden enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; Overwegende dat uit de stukken van het dossier volgende voorgeschiedenis blijkt: - op 7 september 1973 werd aan de heer K. Van Maele door het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning verleend strekkende tot het bouwen van een schuilhuisje; - hetzelfde college heeft op 22 december 1978 aan dezelfde persoon een bouwvergunning verleend voor het overbouwen van een bestaand terras; - de heer L. Bouckaert diende op 25 januari 1988 een aanvraag in tot het afbreken van een bestaande woning en garage en het bouwen van een nieuwe woning op het voornoemde perceel; de gevraagde vergunning werd verleend door de bestendige deputatie van West-Vlaanderen op 26 januari 1989; het door het college van burgemeester en schepenen ingestelde hoger beroep werd bij ministerieel besluit van 14 maart 1989 verworpen; - uit het proces-verbaal van 27 januari 1988 blijkt dat op het betrokken perceel, zonder over de vereiste vergunning te beschikken, een dubbele garage, een kleine houten berging, een woning met zithoek, eethoek, keuken, terras, twee slaapkamers, een badkamer, gang, twee bergplaatsen, een wasplaats en een toilet, evenals een houten tuinhuis, werden opgericht; Overwegende dat de grond gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied en derhalve, conform het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de adviesverlening inzake aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 2002, het verplichtend advies van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Natuur werd ingewonnen; dat het d.d. 21 juni 2005 uitgebrachte advies luidt als volgt: ‘Adviesbepalingen De aanvraag betreft percelen gelegen in ‘natuurgebied’ (zie gewestplan Brugge-Oostkust en BPA Chartreuse Oost). De percelen zijn biologisch minder waardevol (Biologische Waarderingskaart versie 2.1.). De woning is op vandaag gelegen in natuurgebied. Het uitbreiden van de woning heeft volgens de afdeling Natuur ongunstige gevolgen op de natuurlijke waarden van het gebied. De afdeling Natuur merkt ook op dat momenteel een planologische procedure lopende is betreffende het herbestemmen van het gebied. Het lijkt ons niet logisch dit dossier gunstig te adviseren alvorens voormelde procedure doorlopen is. De afdeling Natuur merkt op dat het voorlopig vastgestelde RUP slechts mogelijkheden voorziet voor hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woningen, ook wat de functie betreft. Wij menen af te leiden uit het arrest dat het hier niet om een vergunde woning gaat. Conclusie De afdeling Natuur heeft bezwaar tegen de bovenvermelde aanvraag.’; Overwegende dat gezien voorgaande historiek van het goed de op het plan als af te breken woning met garage geenszins als vergund kan worden beschouwd; dat de huidig voorkomende constructie op geen enkele wijze nog verwijst naar het vergunde schuilhuisje en overdekt terras; dat de thans voorkomende woonst met garage, sinds het invoegetreden van de stedenbouwwetgeving van 29 maart 1962, zonder meer vergunningsplichtig is en er hiervoor destijds geenszins een vergunning werd verleend; dat derhalve X-13.016-5/11 de aanvraag moet beschouwd worden als het slopen van een wederrechtelijk opgerichte woonst met garage en het oprichten van een nieuwe woning; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat wordt aangereikt in het advies van de afdeling Natuur, de grond niet gelegen is binnen de zonering van het bijzonder plan van aanleg ‘Chartreuseweg-Oost’; Overwegende dat de aanvraag anderzijds wél gelegen is binnen de zonering van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Chartreuse’, zoals bij besluit van de Vlaamse regering van 31 maart 2006 goedgekeurd; dat dit besluit op 24 april 2006 in het Belgisch staatsblad is verschenen en 14 dagen later in werking treedt; dat dit thans vigerende plan de grond situeert in een parkgebied met natuurverweving en onderdeel is van het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk, in de zin van het decreet inzake het Natuurbehoud (Lac Loppem en Chartreuse); dat luidens de stedenbouwkundige voorschriften het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van bestaande woningen, waarbij de woning op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot is (de woning wordt beschouwd als zijnde verkrot indien ze niet voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen), toegelaten is doch de woning hoofdzakelijk vergund moet zijn of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft; dat verder opgelegd wordt dat zo de woning niet aangesloten is op een riolering, de vergunningsaanvraag afhankelijk gemaakt wordt van de aanleg van een installatie voor het behandelen van afvalwater; Overwegende dat de bestaande constructies geenszins als vergund kunnen worden beschouwd en evenmin de functie er vergund is; dat derhalve de aanvraag niet voldoet aan de modaliteiten, zoals vervat in het voornoemde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; Overwegende dat om deze redenen de aanvraag niet in aanmerking kan komen voor een stedenbouwkundige vergunning; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen dient te worden ingewilligd”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Hoedanigheid van de tweede en de derde verzoekende partijen
- Een weigering van een stedenbouwkundige vergunning kan alleen worden aangevochten door degene die de aanvraag heeft ingediend, of namens wie de aanvraag werd ingediend. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de betrokken aanvraag uitsluitend door de eerste verzoeker werd ingediend. Er wordt bijgevolg ambtshalve vastgesteld dat de tweede en de derde verzoekende partijen niet over de vereiste hoedanigheid beschikken om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. Het beroep is bijgevolg slechts ontvankelijk in hoofde van de eerste verzoeker. Wanneer hierna wordt verwezen naar de verzoeker, wordt dan ook enkel de eerste verzoeker bedoeld. X-13.016-6/11 B. Belang van de verzoeker
- De verwerende partij betwist het belang in hoofde van de verzoeker. In een eerste onderdeel stelt ze dat de verzoeker niet de verweermogelijkheden heeft aangewend die hem in het kader van het administratief beroep ter beschikking stonden. Zo is hij niet tussengekomen in de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 125.070 van 5 november
- Hij heeft evenmin derdenverzet aangetekend tegen dit arrest. De verzoeker heeft de verwerende partij evenmin gevraagd om het door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge ingestelde administratief beroep onontvankelijk te verklaren om de reden die hij thans in zijn eerste middel aanvoert. In een tweede onderdeel argumenteert de verwerende partij dat zij gebonden is door het gezag van gewijsde van het voormelde arrest, waarin werd gesteld dat het besluit van 14 maart 1989 onterecht toepassing had gemaakt van artikel 79 van het decreet van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, omdat in deze bepaling geen rechtsgrond te vinden was voor de gevraagde vergunning. De verwerende partij kon bijgevolg de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen niet meer bevestigen. In een derde onderdeel stelt de verwerende partij dat de bestemming van het betrokken perceel door het bij besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Chartreuse” inmiddels is gewijzigd tot parkgebied met natuurverweving, waardoor een stedenbouwkundige vergunning slechts kan worden afgeleverd indien de woning vergund is of geacht wordt vergund te zijn. Dit is, gelet op de historiek en de rechterlijke beslissingen, niet het geval. De gevraagde stedenbouwkundige vergunning kan bijgevolg niet meer worden verleend.
- Vooraleer op ontvankelijke wijze een beroep tot nietigverklaring te kunnen instellen bij de Raad van State, moeten de georganiseerde administratieve beroepsmogelijkheden uitgeput zijn. De omstandigheid dat de verzoeker daarbij geen gebruik heeft gemaakt van de in die administratieve beroepsprocedure bestaande verweermogelijkheden, ontneemt hem evenwel niet het belang om de nietigverklaring te vragen van de bestreden weigeringsbeslissing. X-13.016-7/11 Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep komt het besluit van de bevoegde minister in de plaats van de beslissing van de bestendige deputatie, waardoor deze laatste beslissing geacht wordt niet meer te bestaan. De nietigverklaring van het besluit van de bevoegde minister door de Raad van State heeft tot gevolg dat de betrokken minister zich opnieuw moet uitspreken over de vergunningsaanvraag en dat hij daarbij rekening moet houden met het motief van de nietigverklaring, alsook met de op het ogenblik van het nemen van het nieuwe besluit geldende rechtsregels. Hieruit vloeit evenwel nog niet noodzakelijk voort, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, dat de betrokken minister de gevraagde vergunning moet weigeren. De argumentatie van de verwerende partij met betrekking tot de bestemmingswijziging van het betrokken perceel houdt verband met de grond van de zaak, met name het derde middel. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53, § 2, tweede lid, 1° van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). De verzoeker stelt dat het beroepschrift van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge niet aan hem werd betekend, evenmin als de bijlagen die de argumenten in dat beroepschrift moeten ondersteunen. De aangevoerde decretale bepaling, die in werking is getreden op 8 februari 2004, is ook van toepassing op beroepen waarover opnieuw moet worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State en bijgevolg ook op het administratief beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge, ingesteld op 27 februari
- Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge moet aantonen dat het voldoet aan de in de aangevoerde bepaling voorgeschreven substantiële pleegvorm. Een loutere mededeling bij brief van het feit dat het administratief beroep werd ingesteld kan niet worden gelijkgesteld met een eensluidend afschrift van het beroepschrift en volstaat bijgevolg niet, zodat de verzoeker niet op geldige wijze betrokken is geweest bij de beoordeling van de aanvraag en hij niet op voet van gelijkheid met het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge is behandeld. X-13.016-8/11
- De verwerende partij argumenteert dat het arrest nr. 125.070 van 5 november 2003 geen schending heeft vastgesteld van de regeling vervat in artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet, in de versie die dateert van voor de wijziging door het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het gecoördineerde decreet. Het na die wijziging ingevoegde derde lid verwijst naar gevallen waarin in rechterlijke beslissingen de schending van vormvoorschriften wordt vastgesteld, maar gelet op het voorgaande vermocht de verwerende partij de voorheen geldende regeling toe te passen. Voorts heeft de verzoeker geen wettig belang om zich thans nog te beroepen op de schending van een vormvoorschrift. Het bestreden besluit beoogt immers het uitwerken van een rechterlijke uitspraak en kan geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van deze uitspraak. Beoordeling
- Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet als volgt: “§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: 1° op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2° en 3°, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State”. X-13.016-9/11 Het tweede en het derde lid werden evenwel eerst ingevoegd bij het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en zijn in werking getreden op 8 februari 2004, overeenkomstig artikel 70 van het voormelde decreet van 21 november
- In het arrest nr. 125.070 van 5 november 2003 heeft de Raad van State geen schending van vormvoorschriften vastgesteld, zoals de verwerende partij terecht voorhoudt. Het betrokken arrest kan bijgevolg niet worden begrepen als een “definitieve rechterlijke beslissing(...) waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld”, zoals bedoeld in het derde lid van de aangehaalde decretale bepaling. Aangezien het aangevoerde arrest geen uitspraak doet over de ontvankelijkheid van het administratief beroep dat heeft geleid tot het nemen van het in dat arrest vernietigde besluit, gaat de ontvankelijkheidsexceptie van de verwerende partij niet op. Ingevolge het aangehaalde vernietigingsarrest kwam het de administratieve beroepsinstantie toe opnieuw te beslissen over de ontvankelijkheid en desgevallend de gegrondheid van het bij haar ingestelde administratief beroep. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker bij een aangetekend schrijven van 27 februari 1989 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge enkel op de hoogte werd gebracht van het feit dat het college administratief beroep had ingesteld. In deze brief worden niet de redenen vermeld waarop het beroep is gegrond, hetgeen door de verwerende partij ook niet wordt betwist. Daargelaten de vraag of te dezen artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet in de versie voor de wijziging door het voormelde decreet van 21 november 2003 van toepassing was, dan wel artikel 53, § 2 in de versie na die wijziging, ligt in elk geval een schending voor van de decretale bepaling die de kennisgeving van het administratief beroep aan de aanvrager regelt. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep in hoofde van de tweede en de derde verzoekende partijen. X-13.016-10/11
- De Raad van State vernietigt het besluit van 12 juli 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge wordt ingewilligd en waarbij de beslissing van 26 januari 1989 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende toekenning aan Luc Brouckaert van een vergunning voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Brugge, Chartreuseweg, kadastraal bekend sectie A, nrs. 696/a en 696/e, wordt vernietigd.
- De tweede en de derde verzoekende partijen worden verwezen in twee derde van de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De verwerende partij wordt verwezen in een derde van de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.016-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.802 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div