← België

Arrest 207830 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.830 Rolnummer: A. 171117/X-12745 Zaak: Arrest 207830 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-08 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:13 Fiche Arrest nr 207.830 van 1 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.830 van 1 oktober 2010 in de zaak A. 171.117/X-12.

  1. In zake: Edilbert ROOMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de stad SINT-NIKLAAS
  3. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 17 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 november 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas waarbij aan Peter Baudenelle de regularisatievergunning wordt verleend voor het ontbossen van een perceel gelegen te Sint-Niklaas (Belsele), Nauwstraat 119, kadastraal bekend sectie B, nr. 781/L. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 201.877 van 15 maart 2010 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. Auditeur Sofie De Doncker heeft een aanvullend verslag opgesteld. X-12.745-1/12 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een aanvullende laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
  6. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Van Lommel, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Wat betreft de feiten kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 201.877 van 15 maart
  9. IV. Onderzoek van de overige middelen A. Tweede middel Uiteenzetting 4.
  10. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, alsmede van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Hij zet dit middel uiteen als volgt: X-12.745-2/12 “TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
  11. De via het huidig verzoekschrift bestreden beslissing dateert van 21 november
  12. Uit het bezwaarschrift dat werd ingediend door verzoekende partij, blijkt dat aanzienlijke vrees bestaat voor wateroverlast voor de naburige percelen, ingevolge de ontbossing die middels de bestreden beslissing wordt geregulariseerd.
  13. Het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid (Belgisch Staatsblad 14 november 2003) legt nochtans in hoofdstuk III, afdeling I, bepaalde verplichtingen op, die de watertoets worden genoemd. Artikel 8 van dat decreet luidt: ‘Art.
  14. §
  15. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. (...) §
  16. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. §
  17. (...) §
  18. (...) §
  19. (...)’
  20. In de parlementaire voorbereiding wordt over het hiervoor geciteerde artikel 8 het volgende overwogen: ‘Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een ‘watertoets’ onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze ‘watertoets’ kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de ‘watertoets’ ook als een belangrijk preventief instrument.
  21. Artikel 8 legt aldus bepaalde verplichtingen op aan iedere planologische en vergunningverlenende overheid. Zij moet steeds onderzoeken bij de beoordeling van een plan, dan wel van een vergunningsaanvraag of er al dan niet een betekenisvol nadelig effect op het milieu ontstaat dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan. Om zulks te vermijden dient de overheid elk plan en elke vergunningsaanvraag te onderwerpen aan een ‘watertoets’. De watertoets is een concretisering van het beginsel van preventief handelen zoals verwoord in art. 6, 2 van het decreet integraal waterbeleid. Het preventiebeginsel houdt in dat opgetreden moet worden om schadelijke effecten te voorkomen, veeleer dan die achteraf te X-12.745-3/12 moeten herstellen. Middels artikel 8 wordt het waterbeleid geïntegreerd in het proces van de planologie en vergunningverlening.
  22. Centraal in voornoemd artikel 8 staat voorts het begrip ‘schadelijk effect’. Hieronder wordt verstaan: ‘ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen’.
  23. Verschillende bepalingen dienen nadere uitwerking te krijgen in uitvoeringsbesluiten. Deze zijn er momenteel nog niet, zodat aangevoerd zou kunnen worden dat voormelde artikelen nog niet in werking getreden zouden zijn. Er wordt echter aangenomen dat het decreet voldoende duidelijk is om nu al effect te kunnen ressorteren. Dit blijkt ontegensprekelijk uit het navolgende.
  24. Op haar website geeft de administratie zelf volgende waarschuwing en raadgeving aan de steden en gemeenten: ‘Het lijkt bijgevolg aangewezen om in elke vergunning die afgegeven wordt na 24 november 2003 (de inwerkingtreding van het decreet) de resultaten van de watertoets te vermelden, zelfs als manifest duidelijk is dat de vergunde werken geen enkele invloed op de waterhuishouding hebben’.
  25. Er worden zelfs voorbeelden gegeven van passages die in een vergunning of plan zouden kunnen worden opgenomen: Watertoets: Het voorliggende project heeft een beperkte oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat geen schadelijk effect wordt veroorzaakt. Watertoets: Het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Dit wordt gecompenseerd door de plaatsing van een hemelwaterput, overeenkomstig de normen vastgelegd in de geldende gewestelijke / provinciale / gemeentelijke stedenbouwkundige verordening. Watertoets: Het voorliggende project heeft een eerder beperkte oppervlakte, maar ligt wel in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is tot de veiligheid van het vergunde project zelf. Enige invloed op het watersysteem of de veiligheid van overige vergunde of vergund geachte constructies is, gelet op de geringe oppervlakte, niet te verwachten. De veiligheid van de aangevraagde constructie kan worden verhoogd door het opleggen van een gepaste voorwaarde, namelijk, het bouwen van deze constructie op een hoogte van XXX centimeter boven het huidige maaiveld. Het project voorziet niet in de bouw van ondergrondse ruimten.
  26. Het voorgaande geeft duidelijk aan dat bij iedere vergunning, alsmede in elke situatie waarin een plan wordt opgesteld, de zogenaamde watertoets dient doorgevoerd te worden. Hierover kan geen discussie bestaan. Hoewel artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 strictu sensu nog niet van toepassing X-12.745-4/12 is, had de watertoets doorgevoerd moeten worden. De zorgvuldigheid in hoofde van het planologische bestuur vereist dit ontegensprekelijk!
  27. In het bestreden besluit wordt op geen enkele wijze aandacht besteed aan de ‘watertoets’. In het bestreden besluit ontbreekt terzake iedere bespreking. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003, minstens wordt de zorgvuldigheidsverplichting geschonden. Het middel is gegrond.
  28. Enkel in advies van de gemeente dd. 26 september 2005 wordt, ter beantwoording van het bezwaar van verzoeker, de ‘afwateringsproblematiek’ besproken. Deze bespreking kan onmogelijk beschouwd worden als de vereiste watertoets. Terzake dringen zich overigens enkele cruciale vaststellingen op. Door het college wordt overwogen: ‘Tot slot valt op te merken dat de bezwaarindieners geen bewijzen aan het dossier hebben toegevoegd van de waterschade en evenmin een expert hebben aangesteld om het oorzakelijk verband tussen de ophoging van de paardenweide en de wateroverlast in hun tuin en woning vast te stellen. Er zijn daarom niet voldoende gegevens in het dossier die het aannemelijk maken dat de ontbossing en ophoging van de paardenweide inderdaad te beschouwen is als de oorzaak van de beweerde wateroverlast en waterschade op het terrein van de bezwaarindieners’. (...)
  29. Verzoeker kan met voorgaande redenering niet akkoord gaan. Het is, in het licht van het voorgaande, niet de taak van verzoeker als bezwaarindiener, om een studie te maken van de gevolgen van de vergunningsaanvraag op de waterhuishouding. Het advies van de gemeente erkent bovendien uitdrukkelijk dat de gemeente niet beschikt over voldoende gegevens om de eventuele wateroverlast te beoordelen. De gemeente erkent hiermede uitdrukkelijk dat de watertoets niet kon uitvoeren, en dus ook niet uitgevoerd werd. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003, minstens wordt de zorgvuldigheidsverplichting geschonden. Het middel is gegrond.
  30. Het advies van het college dd. 26 september 2005 beschrijft enkele maatregelen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van wateroverlast. Verzoeker kan terzake verwijzen naar de uiteenzetting van het eerste middel. Deze maatregelen werden niet opgelegd middels het bestreden besluit. M.a.w., zelfs indien Uw Raad zou oordelen dat de watertoets op 26 september heeft plaatsgevonden, werd met de resultaten hiervan geen rekening gehouden. Het middel is ook om deze redenen gegrond”. Beoordeling 4.
  31. In hoofdorde voert de verzoeker aan dat in het bestreden besluit op geen enkele wijze aandacht wordt besteed aan de “watertoets”. Ondergeschikt stelt hij dat de bespreking in het advies van de gemeente van 26 september 2005 betreffende de “afwateringsproblematiek” onmogelijk beschouwd kan worden als de vereiste watertoets. 4.
  32. Artikel 8, § 1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIBW), zoals van toepassing op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, bepaalt: X-12.745-5/12 “De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren”. Artikel 8, § 2 DIWB bepaalt: “(...) De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst”. Artikel 3, § 2, 17/ D.I.W.B. luidt als volgt : “Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder: (...)
  33. schadelijk effect : ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. 4.
  34. In het advies van 26 september 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas wordt een afzonderlijke passage gewijd aan de afwateringsproblematiek en dit naar aanleiding van het door de verzoeker ingediende bezwaar. Dit wordt trouwens door de verzoeker niet betwist. Het college van burgemeester en schepenen motiveert zijn standpunt in het bestreden besluit als volgt: “zie weerlegging van bezwaar en uitgebracht advies in (de) afzonderlijke beslissing hierbij”. Zowel het advies van de gemachtigde ambtenaar als het advies van het college van burgemeester en X-12.745-6/12 schepenen waarnaar in dat advies wordt verwezen, zijn bij het bestreden besluit gevoegd en maken er aldus integraal deel van uit. De stelling van de verzoeker dat in het bestreden besluit “op geen enkele wijze aandacht (wordt) besteed aan de ‘watertoets’” mist derhalve feitelijke grondslag. 4.
  35. Voormeld advies van 26 september 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas luidt, wat de waterproblematiek betreft, als volgt : “(...) De bezwaarindieners beweren dat de ophoging van de paardenweide tot gevolg heeft dat het regenwater afvloeit in de richting van de woningen aan de Nauwstraat, waardoor de tuinen blank komen te staan en er vochtschade is aan hun woning. Tijdens het plaatsbezoek door de dienst ruimtelijke ordening op 13-05-2005 werd vastgesteld dat het water in de grachten in het gehele gebied vrij hoog stond, zowel in de gracht tussen de paardenweide en de woningen langs de Nauwstraat als in de gracht achter de paardenweide tussen de weg en de achterliggende akker. De gracht tussen de woningen langs de Nauwstraat en de paardenweide watert niet af op een natuurlijke wijze, maar via een overloop met diameter 7 cm die de aanvrager heeft aangelegd onder de paardenweide en die naar de achterkant van het terrein loopt. De ligging van die overloop is vastgesteld in een opmetingsplan dd. 11-08-2001 opgemaakt door beëdigd landmeter-expert P. Van Cauwenberghe (...), zodat er mag worden van uitgegaan dat deze gegevens correct zijn. Volgens datzelfde opmetingsplan blijkt trouwens dat de paardenweide slechts gedeeltelijk afwatert naar de richting van de Nauwstraat. Op basis van deze gegevens moet er worden geconcludeerd dat een deel van het hemelwater dat op de paardenweide terechtkomt afwatert naar de gracht tussen de paardenweide en de woningen aan de Nauwstraat, waarbij het teveel aan regenwater via de overloop naar de achterkant van de paardenweide wordt gebracht. De overloop kwam vroeger in de vijver terecht, maar nu de vijver gedempt is dient de overloop in de gracht achter het perceel van de aanvrager uit te komen. De aanvrager dient in te staan voor de goede werking van deze afwatering, wat als vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd. De bezwaarindiener beweert dat zijn tuin blank komt te staan wanneer de gracht overloopt. Het is echter aannemelijk dat minstens een deel van de wateroverlast van zijn eigen terrein afkomstig is, nl. van de verharding en garage die in zijn tuin werden aangelegd. Verder werd vastgesteld dat de tuin van de buren lager ligt dat de tuin van de bezwaarindieners, zodat zij eerder last zouden moeten ondervinden van een wateroverlast dan de bezwaarindieners. Tot slot valt op te merken dat de bezwaarindieners geen bewijzen aan het dossier hebben toegevoegd van de waterschade en evenmin een expert hebben aangesteld om het oorzakelijk verband tussen de ophoging van de paardenweide en de wateroverlast in hun tuin en woning vast te stellen. Er zijn daarom niet voldoende gegevens in het dossier die het aannemelijk maken dat de ontbossing en ophoging van de paardenweide inderdaad te beschouwen is als de oorzaak van de beweerde wateroverlast en waterschade op het terrein van de bezwaarindieners. De aanvrager dient uiteraard wel in te staan voor de goede werking van de afwatering en dient er m.a.w. voor te zorgen dat de overloop niet verstopt X-12.745-7/12 geraakt en er geen water naar de buren vloeit. Dit wordt als vergunningsvoorwaarde opgelegd”. 4.
  36. De watertoets strekt tot het onderzoeken van het causaal verband tussen de te verlenen vergunning en de “schadelijke effecten” in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17/ DIWB. De watertoets houdt niet in dat ook moet worden onderzocht hoe een voorgenomen vergunning, plan of programma kan remediëren aan een reeds bestaande toestand. 4.
  37. De kritiek van de verzoeker komt erop neer dat hij de uitgevoerde watertoets niet toereikend vindt. Zelf blijft hij evenwel in gebreke aan te geven op grond van welk element of gegeven de watertoets, zoals deze blijkt uit het voormelde advies, in twijfel zou kunnen worden getrokken. De verzoeker meent uit de passage “er zijn daarom niet voldoende gegevens in het dossier die het aannemelijk maken dat de ontbossing en ophoging van de paardenweide inderdaad te beschouwen is als de oorzaak van de beweerde wateroverlast en waterschade op het terrein van de bezwaarindieners” te kunnen afleiden dat de gemeente uitdrukkelijk erkent de watertoets niet te kunnen uitvoeren. 4.
  38. Deze argumentatie kan niet worden bijgetreden. Uit voormeld advies blijkt niet alleen dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas een watertoets heeft uitgevoerd, maar ook dat het college vaststelt dat de verzoeker zélf “geen bewijzen aan het dossier (heeft) toegevoegd van de waterschade en evenmin een expert (heeft) aangesteld om het oorzakelijk verband tussen de ophoging van de paardenweide en de wateroverlast in hun tuin en woning vast te stellen”, zodat op grond van de voorliggende gegevens niet aannemelijk wordt gemaakt dat de ontbossing en ophoging van de paardenweide te beschouwen is als de oorzaak van de beweerde wateroverlast en waterschade op zijn terrein, zoals door de verzoeker in zijn bezwaar aangevoerd. 4.
  39. Gelet op het voorgaande, maakt de verzoeker niet aannemelijk dat de in het bestreden besluit vermelde motivering met betrekking tot de watertoets vanuit het oogpunt van de geschonden geachte decretale bepalingen van het DIWB niet afdoende is. 4.
  40. Het tweede middel is ongegrond. X-12.745-8/12 B. Derde middel Uiteenzetting 4.
  41. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “
  42. De bestreden beslissing vertrekt vanuit de verkeerde veronderstelling dat de aanvrager van de bestreden beslissing middels zijn aanvraag tot ontbossing een paardenweide kon/mocht realiseren. In het advies van de gemeente dd. 26 september 2005 wordt overwogen: ‘De ontbossing van het naaldhoutbos en de aanleg van de paardenweide is niet als visueel hinderlijk te beschouwen’.
  43. Indien de bestreden beslissing de aanleg van een paardenweide toelaat, is de bestreden beslissing alleszins onwettig. Het is correct dat de aanvrager na de ontbossing een paardenweide heeft gerealiseerd. Het is evenwel niet correct te stellen dat de ontbossing gelijk staat met de aanleg van een paardenweide. Voor de aanleg van de paardenweide werd een reliëfwijziging gerealiseerd. Indien de gemeente middels de bestreden beslissing tevens de aanleg van de paardenweide had willen vergunnen, diende zij

(1)uitdrukkelijk de hiervoor doorgevoerde reliëfwijziging te beoordelen,
(2)de bestemming paardenweide te toetsen aan de verordenende bepalingen van het gewestplan. Geen van beide zaken werd getoetst.
  1. Indien de bestreden beslissing de aanleg van een paardenweide toelaat, schendt dit besluit de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de formele motivering van bestuurshandelingen. Een stedenbouwkundige vergunning is immers slechts afdoende gemotiveerd, indien zowel de bestaanbaarheid van de aanvraag met de geldende regelgeving, alsmede de verenigbaarheid ervan met de onmiddellijke omgeving nagegaan worden (...). Aan geen van beide vereisten werd voldaan in de voorliggende vergunning.
  2. De bestreden beslissing besteedt op geen enkele wijze aandacht aan de aanleg van een paardenweide. De overeenstemming met het gewestplan wordt niet beoordeeld. Noch wordt nagegaan of de aanleg van een paardenweide in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving. Geen van beide noodzakelijke elementen werd getoetst.
  3. In zoverre de bestreden beslissing er toe strekt de aanleg van de paardenweide eveneens te vergunnen, is deze beslissing onwettig, nu de in de aanhef vermelde artikelen geschonden werden”. Beoordeling 4.
  4. Voor het gebied, waarin het betrokken bouwperceel is gelegen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Het maakt evenmin deel uit van een vergunde niet vervallen verkaveling. In dat geval is het de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede X-12.745-9/12 plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit het toentertijd geldende artikel 43, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), en dat eveneens uitdrukkelijk is opgenomen in de bepaling van artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.
  5. De verzoeker voert ter adstuctie van het middel aan dat de bestreden beslissing “vanuit de verkeerde veronderstelling vertrekt dat de aanvrager van de bestreden beslissing middels zijn aanvraag tot ontbossing een paardenweide kon/mocht realiseren”. 4.
  6. De bewering van de verzoeker, als zou het bestreden besluit de aanleg van een paardenweide toelaten, vindt geen steun in het administratief dossier. De aanvrager van de regularisatievergunning omschrijft het voorwerp van zijn aanvraag als volgt : “ik vraag een bouwvergunning aan voor (het) ontbossen (van een) perceel”. Ook het bestreden besluit omschrijft het voorwerp X-12.745-10/12 van de aanvraag als volgt : “Het betreft een aanvraag tot het ontbossen van een perceel (regularisatie)”. Uit de bij de aanvraag gevoegde nota blijkt eveneens dat de regularisatieaanvraag betrekking heeft op het ontbossen van een perceel. Het bestreden besluit vergunt geen reliëfwijziging. Uit de bewoordingen van het bestreden besluit kan niet worden afgeleid dat de verleende regularisatievergunning eveneens een reliëfwijziging voor de aanleg van een paardenweide toelaat. 4.
  7. De verzoeker verwijst ter ondersteuning van zijn middel naar de zin uit het advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 26 september 2005 waarin wordt gesteld: “De ontbossing van het naaldhoutbos en de aanleg van de paardenweide is niet als visueel hinderlijk te beschouwen”. Deze zin komt uit een passage ter weerlegging van het bezwaar van de verzoeker, doch hieruit kan, gelet op hetgeen voorafgaat, allerminst worden afgeleid dat het thans bestreden besluit enige reliëfwijziging vergunt. 4.
  8. Het derde middel faalt in feite. BESLISSING
  9. De Raad van State verwerpt het beroep.
  10. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.745-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van één oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.745-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.830 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.