← België

Arrest 207831 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.831 Rolnummer: A. 180911/X-13180 Zaak: Arrest 207831 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:13 Fiche Arrest nr 207.831 van 1 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.831 van 1 oktober 2010 in de zaak A. 180.911/X-13.

  1. In zake:
  2. Aurel DESNOUCK
  3. Vicky DESNOUCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Coppens kantoor houdend te 8800 ROESELARE Westlaan 358 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 OOSTENDE Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. BELGACOM MOBILE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Herman De Bauw, Caroline Heeren en Sara Van Hoecke kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 8 februari 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 juli 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. Belgacom Mobile de vergunning wordt verleend voor het installeren van een basisstation te Izegem, Manestraat 47-1, kadastraal bekend sectie B, nr. 615/f/
  5. X-13.180-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 juli
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
  8. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alain Coppens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Rudy Verschraegen, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Sara Van Hoecke, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. Op 16 maart 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige X-13.180-2/13 vergunning voor het installeren van een basisstation op een terrein gelegen aan de Manestraat 47-1 te 8870 Izegem, kadastraal bekend sectie B, nr. 615/f/
  11. Het bouwperceel is volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of van een vergunde verkaveling. De eerste verzoeker is eigenaar van een perceel grond dat grenst aan het bouwterrein. De tweede verzoekster woont in de Manestraat
  12. Van 4 april 2006 tot 4 mei 2006 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over de aanvraag. Er worden 25 bezwaarschriften ingediend, onder meer door de verzoekende partijen.
  13. Op 20 maart 2006 laat de afdeling Monumenten en Landschappen weten geen bezwaar te hebben tegen de gevraagde vergunning.
  14. Op 7 april 2006 geeft de FOD Mobiliteit en Vervoer een voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag.
  15. Op 9 mei 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem een ongunstig advies. Dit advies is onder meer als volgt gemotiveerd: “Evaluatie bezwaren De aanvraag is weliswaar gelegen in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen en het perceel is reeds bebouwd met een gebouw met een gevelhoogte van 3.90 m en een nokhoogte van 7 m, maar de pyloon + antenne heeft een hoogte van 24 m in een anders relatief open landschap. Naast het voorbehoud voor de gezondheidsrisico’s kan dan ook gesteld worden dat een dergelijke constructie niet past binnen de omliggende ruimtelijke context. (...) Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Voor wat betreft de bestemming en in toepassing van artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen zou (de) stedenbouwkundige vergunning kunnen gunstig geadviseerd worden. De omgeving is echter gekenmerkt door een relatief open agrarisch gebied waarbinnen een pyloon + antenne zich ruimtelijk niet inpast. De aanvraag betekent dan ook een overschrijding van de ruimtelijke draagkracht van het gebied. Algemene conclusie Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag niet in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met X-13.180-3/13 de wettelijke bepalingen, noch met de goede plaatselijke ordening en met de onmiddellijke omgeving”.
  16. Op 12 juli 2006 verleent de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning. Het bestreden besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: “Evaluatie bezwaren Ons bestuur sluit zich niet aan bij de behandeling van de bezwaren door het college van burgemeester en schepenen. * visuele hinder/ vervuiling van de GSM installatie De aanvraag voorziet een buispyloon met geïntegreerde antennes. Op deze wijze sluit de mast met het uitzicht van een schoorsteen qua typologie aan bij het industriële karakter van de ambachtelijke bedrijfsgebouwen op de site. Een historische bedrijfssite die in deze landelijke omgeving met verspreide bebouwing bevestigd werd in het gewestplan van
  17. Daarnaast betreft het, waar gangbaar met een vakwerkmast wordt gewerkt die een grotere visuele impact heeft, een slanke constructie waardoor de visuele en landschappelijke impact beperkt wordt. Het bezwaar is niet gegrond. * gevaar voor de gezondheid Met betrekking tot de gezondheidsimpact kan integraal verwezen worden naar het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, hieronder weergegeven. Bijgevolg is dit geen aspect dat in het kader van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag dient beoordeeld te worden. Het bezwaar is niet gegrond. * de procedure van het openbare onderzoek werd niet correct uitgevoerd. De voorgeschreven procedure werd gevolgd, cfr. het uittreksel uit het notulenboek van het college van burgemeester en schepenen dd. 9/5/2006 werd deze aanvraag openbaar gemaakt overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsaanvragen. Daarnaast dient opgemerkt dat door het indienen van het bezwaarschrift de klager aangeeft dat hij in kennis is van de inhoud en aard [ van de ] aangevraagde werken. Het bezwaar is niet gegrond. * Deze mast hoort thuis op een industriezone, waarom wordt deze niet voorzien op de industriezone Mandeldal, Ardovries, Begro-Dickogel Vanuit radiotechnisch oogpunt dienen GSM-masten ingeplant te worden met een voldoende fijnmazigheid om voldoende dekking te kunnen garanderen. Uit het aanvraagdossier blijkt dat naar alternatieve locaties werd gezocht in de omgeving, maar ook verderop gelegen ruime industriezones werden in overweging genomen. Deze konden evenwel onvoldoende dekking geven voor UMTS en bij uitbreiding GSM-technologie zodat deze locaties niet werden weerhouden. Het bezwaar is niet gegrond. * problemen op de site : beperking van de milieuvergunning, de afwatering richting Ardooie. De site is gelegen in een bestemmingszone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s volgens het gewestplan. Een ambachtelijke bedrijvigheid is principieel bestaanbaar binnen deze zonering. Evenwel dient opgemerkt dat een milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning twee aparte procedures zijn. Het al dan niet respecteren van de milieuvergunning en opgelegde voorwaarden is een zaak die moet worden bekeken in het kader van de handhaving van de milieuwetgeving. Met betrekking tot de ‘afwatering richting Ardooie’ is het bezwaar algemeen en onduidelijk geformuleerd. Het basisstation heeft een beperkte oppervlakte en zodat in alle redelijkheid dient X-13.180-4/13 geoordeeld te worden dat deze geen impact heeft m.b.t. de afwatering. Het bezwaar is niet gegrond. * er is geen bijkomend basisstation nodig vermits er geen probleem inzake bereikbaarheid is voor de omwonenden met hun toestellen. Bijkomende GSM-masten worden onder meer aangevraagd en zijn noodzakelijk i.f.v. nieuwe GSM-technologieën zoals UMTS. Het bezwaar is niet gegrond. (...) Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Bouwwerken (van beperkte omvang) voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken gebied (art. 20 van het K.B. van 28/12/1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen). De infrastructuur voor mobiele telecommunicatie wordt niet op het niveau van het gewestplan aangegeven. De GSM-installatie kan beschouwd worden als een gemeenschapsvoorziening en deze voldoet aan de bovenvermelde principes om in aanmerking te komen voor toepassing van art.
  18. Gelet op het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen en de aangehaalde bezwaren in het kader van het openbaar onderzoek. Overwegende dat de bezwaren door ons bestuur niet als gegrond worden beschouwd.(...) Gelet op de noodzaak van de mast vanuit radiotechnisch oogpunt zoals aangegeven door de aanvrager. Uit het aanvraagdossier blijkt dat naar alternatieve locaties werd gezocht in de omgeving, maar ook verderop gelegen ruime industriezones werden in overweging genomen. Deze konden evenwel onvoldoende dekking geven voor UMTS en bij uitbreiding GSM-technologie zodat deze locaties niet werden weerhouden. In deze landelijke omgeving met verspreide woonbebouwing zijn geen bestaande hoge structuren aanwezig zodat het enig alternatief het plaatsen van een nieuwe mast is. De inplanting van de mast op een historische bedrijvenzone, op die manier aansluitend bij de bestaande bebouwing, waardoor de visuele impact op het landschap, mede gelet op de slankheid van de mast, maximaal beperkt wordt. Overwegende dat de mast de inplanting op ± 60 meter van de dichtst bijgelegen woning is gelegen, dat gelet op de totale hoogte van 24 meter en de slankheid van de constructie vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen hinder te verwachten valt voor de woonomgeving”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  19. De tussenkomende partij betwist de tijdigheid van het door de verzoekende partijen ingestelde beroep. Het bestreden besluit dateert van 12 juli
  20. De verzoekende partijen hebben hun bezwaren ingediend op 27 april
  21. Gelet op de “plicht tot waakzaamheid” moesten de verzoekende partijen reeds veel eerder contact opnemen met het gemeentebestuur om de nodige informatie in te winnen. Het op 8 februari 2007, ruim zes maanden na het nemen van het bestreden besluit ingestelde beroep is onontvankelijk, nu de verzoekende partijen niet aantonen dat zij eerst op 3 januari 2007 kennis kregen van het bestreden besluit. X-13.180-5/13
  22. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het algemeen procedurereglement), de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van het algemeen procedurereglement ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat.
  23. De tussenkomende partij toont niet aan dat de verzoekende partijen eerder kennis konden hebben van het feit dat een vergunning zou kunnen zijn verleend dan bij de aanvang van de werken met betrekking tot de vergunde constructie. Zij betwist evenmin dat die werken einde december 2006 werden aangevat en dat de verzoekende partijen op 3 januari 2007 bij het gemeentebestuur X-13.180-6/13 kennis hebben genomen van het bestreden besluit. In die omstandigheden is het op 8 februari 2007 ingestelde beroep tot nietigverklaring niet laattijdig. Het feit dat de verzoekende partijen een bezwaarschrift hebben ingediend impliceert nog niet dat zij kennis hadden of konden hebben van de eventuele latere afgifte van een vergunning. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  24. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit). Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat tevens de schending van de artikelen 19, derde lid, en 20 van het inrichtingsbesluit en van het vertrouwensbeginsel en van het rechtszekerheidsbeginsel wordt aangevoerd. De verzoekende partijen argumenteren in een eerste onderdeel dat de bestreden vergunning strijdig is met de gewestplanbestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen, aangezien de vergunde constructie geen ambachtelijke bedrijvigheid betreft. De beoordeling van de goede plaatselijke ordening overeenkomstig artikel 19, derde lid van het inrichtingsbesluit, alsook de toepasselijkheid van artikel 20 van het inrichtingsbesluit komen in het bestreden besluit slechts zijdelings en zeer onvolledig aan bod. Het ongunstig advies van 9 mei 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem wordt niet weerlegd of ontmoet. Evenmin wordt voorzien in een bufferzone overeenkomstig artikel 7, 2.0 van het inrichtingsbesluit. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de beoordeling in het bestreden besluit algemeen, vaag en tautologisch is en niet strookt met hetgeen ter plaatse kan worden waargenomen. Dat er geen afzonderlijke gewestplanbestemming bestaat voor de vergunde installatie, dat de plaatsing noodzakelijk is en dat andere locaties niet voldeden, zijn louter technische X-13.180-7/13 argumenten die geen verband houden met de ruimtelijke ordening. De overweging dat er in de landelijke omgeving geen bestaande hoge structuren aanwezig zijn, is zelfs een motief om de aanvraag te weigeren, veeleer dan ze in te willigen. De overweging dat de vergunde constructie aansluit bij de bestaande bebouwing op een historische bedrijvenzone gaat voorbij aan het feit dat de ambachtelijke zone bijzonder klein is en gericht was op een inmiddels verdwenen fabriek van een meubelbedrijf. De mast wordt opgericht aan de rand van deze bedrijvenzone en wordt omgeven door ongerept en onbebouwd landbouwgebied. Op de bedrijvenzone is er enkel een loods met een nokhoogte van 7 meter en enkele andere gebouwen, waar buiten het stockeren van allerhande materialen geen bedrijfsactiviteit is. Het bestreden besluit motiveert enkel op negatieve wijze dat de visuele impact beperkt blijft, zonder de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening en met de algemene bestemming en het architectonische karakter van het gebied te motiveren. De in het bestreden besluit vermelde gegevens met betrekking tot de afstand tot de nabij gelegen woningen zijn niet correct. Blijkens een reeds afgeleverde verkavelingsvergunning zal in de toekomst zelfs op minder dan 20 meter van de vergunde constructie een woning worden opgericht. De in het bestreden besluit vermelde “slankheid” van de mast doet niets af aan de hoogte ervan en aan het feit dat er antennes aan de buitenzijde van de mast worden bevestigd. Beoordeling
  25. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, gaat het bestreden besluit wel degelijk in op de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening, bedoeld in artikel 19, derde lid van het inrichtingsbesluit, alsook op de toepasselijkheid van artikel 20 van het inrichtingsbesluit. Op grond van de laatstgenoemde bepaling vermocht het bestreden besluit de aanvraag in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen in te willigen. De motivering ter zake wordt door de verzoekende partijen bovendien niet bekritiseerd in dit middelonderdeel. Het bestreden besluit komt op grond van een eigen redengeving tot een andere conclusie dan het ongunstige advies van 9 mei 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem. De argumentatie van het college dat de mast ruimtelijk niet kan worden ingepast in het relatief open agrarisch gebied en dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden, wordt in het bestreden besluit wel degelijk weerlegd op grond van een motivering die aan bod komt in het tweede middelonderdeel. X-13.180-8/13 Naar luid van artikel 7, 2.0 van het inrichtingsbesluit omvatten industriële of ambachtelijke bedrijven die gevestigd worden in industriegebieden, een bufferzone. De verzoekende partijen tonen evenwel niet aan dat de vergunde constructie als een industrieel of ambachtelijk bedrijf moet worden beschouwd, derwijze dat het niet voorzien in een bufferzone de wettigheid van het bestreden besluit zou aantasten. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.
  26. In het bestreden besluit worden vooreerst een aantal redenen uiteengezet waarom andere locaties niet in aanmerking konden komen, hetzij om technische, hetzij om visuele redenen. De door de verzoekende partijen aangevoerde bereidheid van een naburig schilderbedrijf om de vergunde mast op zijn terrein te laten plaatsen is niet van aard om deze bevindingen te weerleggen. Vervolgens wordt gesteld dat de oprichting van de mast op een historische bedrijvenzone de visuele impact ervan op het landschap maximaal beperkt, mede gelet op de slankheid van de mast. Het feit dat de nokhoogte van de loods op deze bedrijvenzone slechts 7 meter bedraagt, brengt op zich beschouwd de pertinentie van deze beoordeling niet in het gedrang, aangezien de vergunningverlenende overheid vermocht te oordelen dat de nabijheid bij de gebouwen in deze bedrijvenzone al in voldoende mate de visuele impact beperkt van de vergunde mast. Dat de afstand tot het dichtstbijzijnde bestaande gebouw niet op “ongeveer 60 meter”, maar 53 meter zou bedragen, brengt de pertinentie van dat onderdeel van de motivering niet in het gedrang, evenmin als het feit dat op 29 september 2004 aan de eerste verzoeker een verkavelingsvergunning werd verleend op grond waarvan in de toekomst al dan niet een stedenbouwkundige vergunning zou kunnen worden afgeleverd om dichter bij de mast een woning op te richten. De slankheid van de mast is een objectief en visueel gegeven waarmee de vergunningverlenende overheid wel degelijk rekening kan houden bij het verlenen van de bestreden vergunning. Uit de gegevens van het dossier blijkt voorts dat de antennes ingekapseld zijn in de mast, veeleer dan aan de mast te zijn bevestigd. De verzoekende partijen tonen bijgevolg niet aan dat de motivering van het bestreden besluit kennelijk onredelijk is of gebaseerd op onjuiste gegevens. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. X-13.180-9/13
  27. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  28. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 127, § 1 DRO en van de artikelen 3, 4/ en 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsaanvragen, alsook van de artikelen 19 en 20 van het inrichtingsbesluit. De verzoekende partijen argumenteren dat in de 25 ingediende bezwaarschriften wordt gesteld dat het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft, gelegen is in een landelijke woonkorrel waar onder meer jonge gezinnen wonen en dat de bezwaarindieners de aangename en gezonde leefomgeving met een landelijk karakter willen bewaren. Uit het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de beschrijving van de ambachtelijke zone in de omgeving niet strookt met de werkelijkheid en dat slechts een uiterst summiere feitenvinding is gebeurd. Een pyloon van 24 meter hoog kan niet aansluiten op een loods met een gevelhoogte van slechts 3,90 meter. Het feit dat de pyloon wordt opgericht op een hoek van een ambachtelijke zone neemt niet weg dat de site omgeven is door een open agrarisch gebied en naast een woongebied met landelijk karakter ligt. Voor het overige wordt niet ingegaan op de argumentatie van de bezwaarindieners. Ten slotte wordt in het bestreden besluit ten onrechte voorgehouden dat alternatieve locaties werden gezocht, maar dat er geen voldoende dekking was op deze locaties. In werkelijkheid bleken de eigenaars van twee alternatieve sites niet geïnteresseerd. Beoordeling
  29. In de mate dat het middel betrekking heeft op de beoordeling van de goede plaatselijke ordening en die beoordeling afwijkt van wat ter zake in de bezwaarschriften wordt betoogd, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel. Voor wat betreft de kritiek op de mate waarin het bestreden besluit rekening houdt met de ambachtelijke zone en de overige omliggende bestemmingsgebieden, kan uit de beschrijving in het bestreden besluit niet worden opgemaakt dat de verwerende partij deze gebieden op foutieve of op kennelijk onredelijke wijze karakteriseert. Uit de verwijzing naar de “historische” X-13.180-10/13 bedrijvenzone kan worden opgemaakt dat de verwerende partij wel degelijk rekening hield met de actuele aard van dit gebied. Uit de vermelding van de “landelijke omgeving met verspreide woonbebouwing” blijkt tevens dat de eigenheid van de omliggende gebieden eveneens bij de beoordeling werd betrokken. In de beschrijvende nota bij de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit wordt uiteengezet, mede aan de hand van kaartmateriaal, dat alternatieve sites geen adequate dekking boden voor het betrokken doelgebied. Dat de eigenaars van (sommige van) deze sites niet geïnteresseerd zouden zijn, doet niets af aan de pertinentie van de argumentatie in de beschrijvende nota en in de bestreden beslissing over de onvoldoende dekking die andere sites bieden en die als dusdanig ook niet wordt betwist door de verzoekende partijen. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  30. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In een eerste onderdeel argumenteren de verzoekende partijen dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom wordt afgeweken van het ongunstige advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem van 9 mei
  31. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing hetzij stijlformules bevat, hetzij argumenten waarom alternatieve sites geen soelaas bieden. Nergens wordt de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke aanleg, de schoonheidswaarde van het landschap, de goede ruimtelijke ordening in het algemeen en de overschrijding van de ruimtelijke draagkracht beoordeeld. Beoordeling
  32. Uit de bespreking van het eerste en het tweede middel is reeds gebleken dat de beoordeling van de goede plaatselijke ordening, mede in het licht van het ongunstige advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem van 9 mei 2006 en van de ingediende bezwaarschriften, wel X-13.180-11/13 degelijk op een afdoende wijze is weergegeven in de bestreden beslissing. Er ligt in die omstandigheden geen schending voor van de aangehaalde wetsbepalingen. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel
  33. Eerst in hun laatste memorie verwijzen de partijen naar het reeds in het verzoekschrift (bij de adstructie van het belang) aangehaalde “risico op schade voor de gezondheid van twee kleine kinderen” van de tweede verzoekster. Zij verwijzen daarbij naar artikel 23, tweede lid, 4/ van de Grondwet, dat zij geschonden achten door de bestreden beslissing. Aangezien dit middel voor het eerst in de laatste memorie wordt aangevoerd is het laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.180-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.180-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.