id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.836 Rolnummer: A. 187796/X-13729 Zaak: Arrest 207836 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-08 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:13 Fiche Arrest nr 207.836 van 4 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.836 van 4 oktober 2010 in de zaak A. 187.796/X-13.
- In zake:
- Herman VAN RIET
- Jos DE NEVE
- Jos LIEKENS
- Peggy DE DECKER
- Peter GOVAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Keuster kantoor houdend te 2970 SCHILDE Eekhoornlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. INTERCOMMUNALE HAVILAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Sebreghts en Floris Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 april 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 18 januari 2008 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 februari
- X-13.729-1/22 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 186.559 van 29 september 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk De Keuster, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hugo Sebreghts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-13.729-2/22 III. Feiten
- Wat betreft de feiten kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 186.559 van 29 september
- IV. Ontvankelijkheid
- De tussenkomende partij betwist in haar memorie het belang van de verzoekende partijen op de volgende wijze: “V.2 BELANG VAN DE VERZOEKENDE PARTIJEN
- De regel is dat hoewel het aan de verzoekende partij toekomt het bestaan van een belang aan te tonen, geen regel er die partij toe verplicht, reeds in haar verzoekschrift uiteen te zetten op welk belang zij zich beroept bij de nietigverklaring. Dit belang kan namelijk impliciet maar zeker blijken uit de uiteenzetting van de feiten en uit de aangevoerde middelen. Doch, wordt dit belang door de andere partijen betwist dan komt het de verzoekende partij toe iedere twijfel op dit punt weg te nemen. Wijlen Prof. William LAMBRECHTS omschrijft het belang ‘als het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van het nadeel dat voor hem is ontstaan uit het bestreden besluit, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging’. Het is een vaste rechtspraak van Uw Raad dat een verzoeker een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelen.
- De vernietiging van de aangevochten akte moet aan de verzoekende partijen derhalve ook een voordeel verschaffen, ze moet een nuttig effect ressorteren. Blijkt dat de eventueel tussen te komen vernietiging de verzoeker geen nuttig gevolg oplevert, dan zal het beroep bij gebrek aan belang worden afgewezen. Om van het wettelijke vereiste belang te doen blijken, moeten de verzoekers aantonen dat zij ofwel nadeel lijden door de bestreden handeling en dat nadeel wegvalt in geval van vernietiging van die beslissing, ofwel dat zij een direct, persoonlijk voordeel halen uit die vernietiging.
- In casu stelt tussenkomende partij dat verzoekers tot vernietiging geen voldoende belang hebben bij hun vordering.
- Tussenkomende partij neemt kennis van het standpunt in het schorsingsarrest dat stelt dat verzoekende partijen wel degelijk belang zouden hebben bij de vordering tot schorsing, nu zij blijkens het standpunt van de Raad doen blijken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, ‘en dan ook a fortiori het vereiste belang hebben bij de voorliggende vordering’ (zijnde deze tot schorsing).
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat de uitspraak in de schorsingsprocedure gebeurd ‘op eerste zicht’, en dus een marginale toetsing betreft, niet ‘ten gronde’. Verder stelt tussenkomende partij vast dat de raad in haar schorsingsarrest louter stelt dat: ‘De bestreden beslissing maakt het mogelijk dat in de onmiddellijke omgeving van de woningen van verzoekende partijen een nieuw ‘ongelijkvloers’ op- en afrittencomplex op de A12 wordt opgericht, en een nieuwe toegangsweg wordt aangelegd naar het bedrijventerrein. Dit alles dreigt voor de verzoekende partijen een ernstige bijkomende aantasting van hun woon- en leefklimaat te veroorzaken, ook al X-13.729-3/22 ondergaan die partijen thans reeds de hinder veroorzaakt door het verkeer op de A12.’ (...)
- Waar die stelling in een schorsingsprocedure (op eerste zicht) mogelijke voldoende motivering betreft, lijkt zulks niet het geval te kunnen zijn in een vernietigingsprocedure (ten gronde). Het standpunt beperkt zich namelijk tot een loutere stelling, zonder nadere motivering, en zonder dat op enigerlei wijze wordt ingegaan op de argumentatie van tussenkomende partij die stelt dat hierbij minstens mee in rekening moet worden gebracht dat het bestreden besluit de bestemming van het plangebied niet wijzigt
(1), dat het bestreden besluit net uitvoerige milderende maatregelen voorziet die nu niet voorzien zijn
(2), en net voor wat betreft die verkeerswisselaar, deze geenszins ‘in de onmiddellijke omgeving van de woningen van verzoekende partijen’ ligt, zoals door de raad in haar schorsingsarrest wordt voorgehouden
(3).
- De Raad stelt dus dat het bestreden besluit mogelijk maakt dat dergelijke verkeerswisselaar in de onmiddellijk omgeving van de woningen van verzoekende partijen wordt gebouwd, nu het daarvoor de rechtsgrond zal zijn.
- In stedenbouwzaken is de vraag echter tot op welke afstand de bewoner van een wijk een persoonlijk belang heeft bij de schorsing en/of vernietiging van een beslissing waarbij de oprichting van een gebouw of constructie zou worden vergund.
- In principe heeft ieder persoon belang bij de ruimtelijke ordening van zijn wijk, net zoals iedere constructie in principe iedere buur aanbelangt. De vraag is evenwel wie buur is van een constructie. In dit verband aanvaardt de Raad van State dat de verzoeker die op deugdelijke wijze aantoont dat hij eigenaar of bewoner is van een pand of een perceel, dat paalt aan, of gelegen is naast, ofwel gelegen is tegenover datgene waarvoor een bouwvergunning zou worden verleend, of die, in het algemeen in de onmiddellijke nabijheid woont van het perceel waarvoor een bouwvergunning zou worden afgegeven, daardoor alleen al doet blijken van het wettelijke vereiste belang bij de vernietiging van de bouwvergunning voor die constructie.
- Het bestaan van een persoonlijk belang wordt m.a.w. als het ware ‘vermoed’ in hoofde van verzoekers die aantonen dat zijn in de onmiddellijke nabijheid wonen van het perceel waarvoor de bestreden bouwvergunning is verleend. Wat begrepen dient te worden onder ‘onmiddellijke nabijheid’ is een feitenkwestie. Uit die rechtspraak van de Raad van State kan evenwel worden afgeleid dat dit ‘vlakbij’ moet zijn, waarbij een kring van ongeveer 100m aanvaardbaar lijkt te zijn.’
- Wat andere verzoekers betreft, zijnde zij die niet in de onmiddellijk nabijheid van het kwestieuze terrein wonen, moeten zij laten kennen welk hun persoonlijk en rechtstreeks belang is, m.a.w., op welke manier de bestreden beslissing voor hen griefhoudend is. Faalt dit dan is hun beroep niet-ontvankelijk.
- Tussenkomende partij stelt echter vast dat elk van de verzoekende partijen conform voorgaande rechtspraak van de raad, geenszins ‘in de onmiddellijke omgeving’ van de verkeerswisselaar woont. Vierde en vijfde verzoeker wonen immers op een afstand van 114, resp. 155m van de toegangsweg tussen de verkeerswisselaar en het bedrijventerrein, en zelfs enkele honderden meters van de plaats waar de verkeerswisselaar zou worden ingepland. Voor de andere verzoekende partijen (1e, 2e en 3e verzoekende partij), geldt zulks a priori, nu deze nog veel verder verwijderd wonen. Eén en ander blijkt uit onderstaand fotomateriaal: (...)
- Tussenkomende partij stelt dan ook vast dat haar exceptie van belang werd verworpen door verwijzing naar het MTHEN dat werd weerhouden, terwijl dit MTHEN enkel gebaseerd is op de ‘op eerste zicht mogelijke) dreiging van hinder uit de verkeerswisselaar en de toegangsweg naar het X-13.729-4/22 bedrijventerrein, terwijl zelf daar de afstand meer dan 100m toe bedraagt, en men dus volgens de rechtspraak van de raad niet vermoed kan worden in de onmiddellijke nabijheid van de constructie te wonen, en men aldus zijn belang nader zal moeten motiveren en aantonen.
- Tussenkomende partij komt m.a.w. tot de vaststelling dat de afstand tot de voorgehouden mogelijk bron van dreiging tot hinder niet kan worden beschouwd als zijnde ‘in de onmiddellijk omgeving’ en bijgevolg het wettelijk vereiste belang niet kan worden ‘vermoed’. Bijgevolg dienen verzoekende partijen, vermits ze niet in de onmiddellijke nabijheid van het kwestieuze terrein gevestigd zijn, volgens de rechtspraak van de Raad van State aan te tonen welk hun persoonlijk en rechtstreeks belang is.
- De vernietiging van de aangevochten akte moet aan de verzoekende partijen een voordeel verschaffen, ze moet een nuttig effect ressorteren. Blijkt dat de eventueel tussen te komen vernietiging de verzoeker geen nuttig gevolg oplevert, dan zal het beroep bij gebrek aan belang worden afgewezen. Om van het wettelijke vereiste belang te doen blijken, moeten de verzoekers aantonen dat zij ofwel nadeel lijden door de bestreden handeling en dat nadeel wegvalt in geval van vernietiging van die beslissing, ofwel dat zij een direct, persoonlijk voordeel halen uit die vernietiging.
- In casu stelt tussenkomende partij dan ook vast dat verzoekers tot vernietiging geen voldoende belang hebben bij hun vordering, nu er geen voordeel uit kunnen halen, en het bestreden besluit hen geen nadeel oplevert, doch wel net een voordeel door te voorzien in allerhande milderende maatregelen die op heden, ondanks gelijkaardige bestemming, niet voorzien zijn. Vooreerst is duidelijk dat zij geen voordeel kunnen verwachten uit de vernietiging van het bestreen GRUP. INTEGENDEEL! Er kan verwezen worden naar de bestemmingen van de bedoelde percelen zoals die bestonden voor de opmaak en goedkeuring van het GRUP. Zowat het ganse plangebied bestond uit industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding. (...)
- In die zin kan de vernietiging verzoekers geen voordeel opleveren. De bestemming die alsdan terug herleeft, is deze van industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding, waarbij identieke verdere ontwikkeling van het plangebied mogelijk is, zonder dat er echter duidelijke flankerende maatregelen ter beschikking zijn binnen dewelke men nu wel zekerheid heeft omtrent de te verwachten ontwikkeling.
- Het voorgaande maakt duidelijk dat er niet enkel geen voordeel te verwachten valt uit de vernietiging van het bestreden plan in hoofde van de verzoekende partijen. Integendeel kan hierdoor enkel een groter nadeel ontstaan in hoofde van die partijen, nu men in die hypothese terugvalt op de algemene gewestplanbestemming, zonder verdere stedenbouwkundige voorschriften, en dus zonder garanties naar buffering toe, zonder vaststaande voorschriften, ... terwijl men die zekerheden met voorliggend GRUP wel heeft.
- Voorts kan verwezen worden naar een tweede - hiermee direct samenhangend aspect - dat betrekking heeft op het gebrek aan belang in hoofde van verzoekende partijen. Een verzoeker wiens gronden zijn gelegen binnen de omschrijving van een plan van aanleg, heeft belang om de nietigverklaring te vorderen van een bestemmingsvoorschrift ervan dat hem grieft. In casu stelt echter geen van de verzoekende partijen eigendommen te hebben binnen het plangebied waarop het bestreden GRUP betrekking heeft. In deze zin kan men dan ook niet voorhouden belang te hebben bij de procedure.
- Voor verzoekers, die bij uw Raad een plan willen aanvechten waarbij zij geen eigendommen hebben binnen dit plangebied, is het weerhouden van het vereiste belang bij dergelijke procedure niet vaststaand, meer nog, geenszins vanzelfsprekend. X-13.729-5/22
- Zo oordeelde de Raad eerder reeds dat een verzoeker die geen eigenaar blijkt te zijn van gronden gelegen binnen het beheersplan van het betrokken plan van aanleg, geen belang heeft bij het beroep tegen een besluit tot herziening ervan. In casu kan naar analogie hetzelfde besloten worden. Dit geldt des te meer gekoppeld aan voorgaande uiteenzetting die aantoonde dat de vernietiging geen voordeel zal opleveren, gezien de bestemming waarop men terugvalt, identiek is qua draagwijdte en aldus een zelfde ontwikkeling in die hypothese mogelijk zal zijn maar zonder specifieke stedenbouwkundige voorschriften. Geen van de verzoekers heeft destijds overigens deze bestemming aangevochten bij de goedkeuring van het gewestplan. Ook in die zin ontbeert men het vereiste belang.
- Ten slotte bevestigt het volgende voorgaande stelling: - ofwel woonden verzoekers reeds op de betreffende plaats bij de goedkeuring van het gewestplan. Nu ze deze niet aanvochten, hebben ze evenmin belang bij de aanvechting van het bestreden GRUP welke een quasi identieke bestemming vaststelt, en hierbij duidelijke voorschriften formuleert die de rechtsonzekerheid - die er tot nu toe op dat vlak was gezien het uitsluitend bestaan van de gewestplanbestemming - wegneemt. - ofwel woonden verzoekers nog niet op hun huidige woonplaats, en had men op dat ogenblik niet met een aanleiding tot aanvechting van het gewestplan en zijn bestemming. Maar dan is wel duidelijk dat zij op de bedoelde locaties zijn komen wonen nadat de bedoelde bestemmingen reeds voor de betreffende percelen binnen het plangebied van het bestreden GRUP vastgesteld werden, zodat men bezwaarlijk kan voorhouden hiervan op vandaag plots hinder te kunnen verwachten. De bestemmingen en hun potentieel nadeel bestonden reeds zeer lang. Hieraan wordt niets gewijzigd met het bestreden besluit. Men kan voordeel verwachten door de vernietiging zodat men het vereiste belang bij de procedure ontbeert.
- Verzoekende partijen wijzen erop dat zij allen bewoners zijn ‘wiens tuin grenst aan het bedrijventerrein’. Ze hebben dus geen eigendommen binnen het plangebied. In die zin is reeds duidelijk dat de voorgehouden hinder, indien die er al zou zijn, geneutraliseerd zal worden door de milderende maatregelen die voorzien worden.
- De verzoekende partijen sub 1, 2, 4 en 5 wonen in de Patatestraat die rechtstreeks zal worden aangesloten op de verkeerswisselaar. Derde verzoekende partij woont aan de Papenboskant. Volgens verzoekende partijen ‘spreekt het voor zich’ dat zij ernstige milieuhinder zullen ondervinden van dit geplande bedrijvenpark. Zo houden zij voor dat hun woonklimaat sterk zal worden aangetast en dat tevens hun levensverwachtingen sterk negatief beïnvloed (zullen) worden door de bijkomende hoeveelheid luchtverontreiniging. Nochtans kan van de loutere planbestemming zoals die in het RUP wordt voorzien, niet meer of andere hinder uitgaan dan van degene die geldt ingevolge de gewestplanbepaling
- Verder is duidelijk dat de ontwikkeling van het plangebied zal aanvangen met de nutsinfrastructuur en de milderende maatregelen die voorzien worden.
- Zo wordt enerzijds een groenbuffer voorzien van 20 tot 55m diep. Verder wordt hierbij een geluidswal voorzien rond het gehele plangebied. Deze zal op zich 6 meter hoog (= 2 verdiepingen) (zijn), en zal aangeplant worden met groen. Er wordt tevens hoogstammig groen voorzien, dat op zich tevens dienst zal doen als buffer tegen lawaai, zicht en eventueel stof.
- Onderstaande voorstelling van deze maatregelen maakt duidelijk dat verzoekende partijen geen nadeel kunnen voorhouden als gevolg van het bestreden besluit, doch er in tegendeel een voordeel uit zullen putten ten opzicht van de bestaande situatie met zelfde bestemming die een ontwikkeling toelaat zonder zekerheid op verordende voorschriften die milderende X-13.729-6/22 maatregelen voorzien. Indien er al nadelen verbonden zouden zijn aan de planning - quod non - worden deze door de milderende maatregelen vermeden: (...)
- Het is duidelijk dat de bedoelde buffers effectief zullen zijn. Zowel de geluidshinder als ev. lichthinder of stof zullen door de buffers vermeden worden. Verder is duidelijk, dat tevens gebouwen binnen het plangebied op zich reeds een bijkomende buffer zullen vormen.
- Bovendien moet gewezen worden op het feit dat geen mobiliteit aan de buitenzijde van het plangebied voorzien wordt, waartoe men op heden geen zekerheid heeft zonder het bestreden plan! Alle mobiliteit is voorzien in een centrale as, waar ook het laden en lossen van de vrachtwagens moet gebeuren. Dit gebeurt niet aan de rand van het plangebied. Er mag zelfs geen opslag in openlucht gebeuren aan de rand ervan. Dit alles om hinder voor de omwonenden te vermijden. Het zijn belangrijke waarborgen.
- Wie buiten de buffers woont, zal aldus geen hinder ondervinden. Moest die er al zijn, wordt die in elk geval in redelijkheid tot een aanvaardbaar niveau herleid door het geheel van de voorziene milderende maatregelen. Het tegendeel wordt niet aangetoond. Verder kan verwezen worden naar het feit dat tevens specifieke aandacht wordt besteed aan de bezonningsmogelijkheden van de omwonenden, en dit in relatie tot de hoogte van de gebouwen binnen het plangebied. Dit was tevens een aandachtspunt in het advies van de VLACORO (o.a. 45/-regel).
- Wat specifiek de gezondheidstoestand van verzoekende partijen betreft, kan opnieuw verwezen worden naar wat hoger aangehaald werd. Ofwel woonde men er al voor de vaststelling van het gewestplan, en kende men aldus de bestemming van de percelen en de daardoor mogelijke gevolgen ervan, zonder dat die bestemming eerder werd aangevochten bij uw Raad (dit geldt minstens voor derde verzoekende partij die er reeds sinds 1973 woont). Ofwel kwam men er pas nadien wonen, en kende men evenzeer de bestemming met haar mogelijke gevolgen. Men kan zich louter op basis van het bestreden besluit, dat daarvan een verdere invulling is, niet op hinder beroepen. Bovendien kan verwezen worden naar de weerlegging van het vijfde middel waar de ongegrondheid van dat aspect wordt aangehaald op basis van recente rechtspraak.
- Wat betreft de verwijzing naar de hogere kans op gezondheidsproblemen en de dalende levensverwachting die men voorhoudt, geldt tevens dat deze niet het rechtstreeks gevolg is van het bestreden besluit, doch wel van de bestemming die het plangebied reeds eerder had en die in de toekomst verder gerealiseerd zal worden. Bovendien zijn de aangehaalde cijfers weinigzeggend. Zo zou het bedrijvenpark een bijkomend risico op overlijden aan een hartkwaal met 38% tot gevolg hebben, zou het risico op hart- en vaatziekten met 12% stijgen, en de kans op een hersentrombose met 17.5%. Andere zaken kunnen een zelfde stijging teweegbrengen. Er kan verwezen worden naar het wonen langs de Al2, waarvoor men zelf gekozen heeft. Mogelijks zijn er bij verzoekende partijen rokers ...? Hoe zit het met de eet- en sportgewoonten van verzoekende partijen en hun kinderen? Ook die kunnen aanleiding zijn tot gelijkaardige cijfers zoals men ze nu voorbrengt. Het zijn zaken die men echter zelf in de hand heeft. Vraag is echter of verzoekers aan die zaken een zelfde belang hechten en even consequent handelen op die vlakken? Uit een grootschalige studie van de Gentse universiteit (...) blijkt dat het voedingspatroon van kleuters te wensen overlaat. De onderzoekers luiden de alarmbel... Eén en ander toont de relativiteit van de aangehaalde cijfers (en hun voorgehouden oorzaak) aan. Verzoekers zelf tonen niet aan dat zij aan de aangehaalde punten de nodige aandacht besteden ten einde een gelijkaardige dalende levensverwachting en gezondheidsproblemen te vermijden. In die zin X-13.729-7/22 kan men bezwaarlijk zonder meer voorhouden dat het voorgehouden nadeel ernstig is. Het is niet bewezen.
- Het belang van voornoemde cijfers is bovendien klein op dit ogenblik gelet op het gebrek aan rechtsreeks verband tussen het bestreden besluit en de voorgehouden hinder, temeer nu de bestemming op zich ook verordenend bestaat, en dus tevens de mogelijke realisatie van dat plangebied, waaraan de vernietiging van het bestreden besluit geen verandering kan brengen.
- Bijkomend kan verwezen worden naar het zeer uitvoerige MER dat werd opgemaakt. Het is een wetenschappelijk document, opgemaakt door een door de overheid erkende deskundige. Indien men het niet eens is met de daarin gedane vaststellingen, dient men ze wetenschappelijk te weerleggen. Dit gebeurt niet. Verder zijn er de ruime milderende maatregelen, (ruime groenbuffer, geluidsbuffer, geen opslag in open lucht, mobiliteit enkel via de centrale as, weg van de rand van het plangebied en dus weg van de omwonenden, ...).
- Wat betreft de voorgehouden geluidshinder, is duidelijk dat deze niet volgt uit het bestreden plan. Deze kan enkel - eventueel - volgen uit de exploitaties die naderhand vergund zouden worden binnen het plangebied... of nu reeds vanuit de A
- Het is op het ogenblik - bij de verlening van de vergunningen voor bepaalde activiteiten en gebouwen - dat dergelijke zaken een bijkomende rol zullen spelen. Op dat ogenblik kan pas de beoordeling gebeuren. De bedrijven zullen zich hierbij aan de geldende normen moeten houden. Zoniet kan op dat ogenblik handhavend opgetreden worden.
- De hinder die nu wordt voorgehouden, is slechts louter hypothetisch en niet aangetoond. Bovendien houdt men voor dat de geldende normen overschreden zullen worden, wat pas beoordeeld kan worden op het ogenblik van specifieke aanvragen tot exploitatie. Die hinder / de voorgehouden nadelen zijn dus geenszins actueel. Bovendien kan verwezen worden naar de geluidswal die hieraan zal verhelpen (...).
- Wat betreft de voorgehouden waterproblematiek, kan verwezen worden naar de zeer uitvoerige behandeling ervan in het MER, alsook de specifieke watertoets in het bestreden besluit. Het voorgehouden nadeel is geenszins ernstig. Bovendien is het niet moeilijk te herstellen. Bij de verlening van individuele vergunningen kan hieraan indien nodig bijkomend de nodige aandacht besteed worden. Zulks is overigens verplicht gezien de noodzakelijke watertoets.
- In het algemeen kan ter weerlegging van het ganse voorgehouden MTHEN, nog verwezen worden naar alle flankerende maatregelen. Naast de laanbeplanting tussen de bedrijfspercelen langs de interne ontsluiting wordt rond het gehele bedrijventerrein als het ware een landschapsbuffer voorzien zijnde een hoogstammige buffer deels op aarden bermen gelegen. Bij de aanplanting van deze buffer is het de bedoeling de bedrijvenzone voldoende af te zonderen en tegelijkertijd deze aanplanting dusdanig te voorzien dat nog voldoende bezonning van de residentiële percelen mogelijk is. In het noorden wordt het Leefdaalbos als het ware visueel over de A12 doorgetrokken als bos tot tegen het Waterbekken. Op vraag van de gemeente Meise wordt de noordoostelijke plangrens parallel aan de Patatestraat zoveel mogelijk als een rechte lijn aangehouden, waardoor het plangebied - en het inrichtingsconcept - op bepaalde delen ruim buiten de feitelijke residentiële tuinen valt en de gewestplanbestemming van buffergebied behouden blijft. Aan de Papenboskant is in een beperkt deel van de parallel zuidwestelijke buffer een leidingenstraat voorzien. Deze zal volledig binnen deze overdruk van buffer komen te liggen, naast een aarden berm en gelegen aan de binnenzijde van het specifiek regionaal bedrijventerrein.
- Het bestreden GRUP op zich zal geen rechtstreekse oorzaak zijn van de voorgehouden schade. Bovendien kan de realisatie van het bestreden GRUP X-13.729-8/22 slechts doorgang vinden mits de nodige stedenbouwkundige vergunningen worden verleend voor de nodige infrastructuurwerken. De aanvraag die hiertoe werd ingediend door Haviland, zal rekening houdende met de ingediende bezwaren, en in de mate van het mogelijke herzien worden om beter tegemoet te komen aan de bestaande verzuchtingen.
- In die zin zal Haviland binnen dezelfde vergunningsaanvraag met kenmerk 186/TW/300234/07-MAANV (ref R.O. Vlaams-Brabant) dd. 16/07/2007 aangepaste plannen indienen die voorwerp zullen uitmaken van een nieuw openbaar onderzoek. De aanpassing van deze plannen zal maximaal rekening houden met de bezwaarschriften geformuleerd onder het negatief advies van de gemeente Meise. Hieromtrent heeft de Haviland een schrijven gericht naar AROHM Leuven met kopie naar de gemeente Meise.
- De overheidsopdracht die bekendgemaakt zou zijn volgens verzoekende partijen, had geenszins betrekking op de infrastructuurwerken zoals men tracht voor te houden. Enerzijds was er deze gericht op de organisatie van een architectuurwedstrijd in de rand van het project, namelijk het voorzien van een landmark met wegenis die voor de zwakke weggebruikers en het openbaar vervoer de verbinding met de andere zijde van de Al2 moet voorzien. Anderzijds was er de opdracht die louter betrekking had op het noodzakelijke archeologisch onderzoek en de afbraak van een woning binnen het plangebied. Enkel dat archeologisch onderzoek zal na de gunning ervan reeds maanden tot een jaar in beslag nemen.
- Er moet besloten worden dat er geen aanzienlijke aantasting van het woonklimaat verwacht kan worden gezien de milderende maatregelen die worden genomen
(1). Bovendien wordt het voorgehouden nadeel niet bewezen
(2)en het vloeit zulks geenszins voort uit het bestreden besluit
(3)doch slechts uit de latere ontwikkeling van het plangebied en de vergunningen die alsdan verleend zullen worden aan bepaalde bedrijven. Er is geen causaal verband. 62. In die zin (dat) het voorgehouden nadeel geenszins ernstig is, en dat op basis van dit gegeven moet besloten worden dat verzoekers niet over het door uw Raad vereiste belang beschikken voor de vernietiging. Hun vordering is om die reden onontvankelijk”. 5. De verzoekende partijen stellen in het verzoekschrift dienaangaande dat zij het geplande bedrijvenpark “met zijn oppervlakte van 75 ha” “letterlijk in hun achtertuin” krijgen, dat zij “directe hinder zullen ondervinden van de activiteiten op het bedrijvenpark” en dat zij, aangezien hun woning is gelegen “in de ‘onmiddellijke omgeving’ van het bestreden GRUP” over het rechtens vereiste belang beschikken. In de memorie van wederantwoord voegen zij daar nog aan toe dat de “ruimtelijke ingrepen” van het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) “in casu bijzonder ernstig (zijn)”. Zij verwijzen daarvoor naar de te verwachten verkeersstromen, ten behoeve waarvan “een nieuwe verkeerswisselaar (wordt) aangelegd op de A-12”. Zij stellen ten slotte dat “de hinder zich veel verder (zal) uitstrijken dan over een afstand van 100-meter”. 6.1. Het betoog van de tussenkomende partij verwart in hoge mate het belang bij het beroep met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bij de vordering tot schorsing. X-13.729-9/22 6.2. Het bestreden GRUP beoogt de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein Westrode te Meise, met daaraan gekoppeld, deels ten behoeve van de ontsluiting van het voormelde bedrijventerrein, deels ter oplossing van het probleem van de verkeersveiligheid, een gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, voor het grootste gedeelte in overdruk bestemd tot gebied voor “ongelijkvloerse” verkeers- en vervoersinfrastructuur (op- en afrittencomplex). De verzoekende partijen wonen allen, blijkens de gegevens van het dossier, in de dichte omgeving van deze geplande, nieuwe verkeersinfrastructuren en het geplande bedrijventerrein. De in het bestreden plan vastgestelde bestemmingen laten ingrepen en constructies toe die, gelet op hun aard, een aanzienlijke impact zullen hebben op het woon- en leefklimaat in een ruime omgeving. De in het vooruitzicht gestelde milderende maatregelen zijn minstens niet van dien aard om te doen besluiten dat het bestreden plan geen nadelige impact kan hebben voor de verzoekende partijen. De verzoekende partijen doen in de gegeven omstandigheden blijken van een voldoende belang. Het loutere feit dat de verzoekende partijen niet allen binnen een perimeter van 100 meter van de grens van het gebied dat door het bestreden plan wordt bestreken zouden wonen, ontneemt hen niet het vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. Evenmin doet de omstandigheid dat geen van de verzoekende partijen eigendommen heeft binnen het plangebied, afbreuk aan dit belang. Elke buurtbewoner heeft immers een belang bij de goede ruimtelijke ordening van zijn onmiddellijke leefomgeving. 6.3. De bewering van de tussenkomende partij dat de bestemmingen en voorschriften van het bestreden GRUP voor de verzoekende partijen voordeliger zouden zijn dan de gewestplanvoorschriften, kan niet worden bijgetreden. Het bestreden GRUP voorziet immers, in vergelijking met het gewestplan, voor een omvangrijk gebied ten noorden van het geplande bedrijventerrein ook een nieuwe bestemming als gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, voor het grootste gedeelte in overdruk bestemd tot gebied voor “ongelijkvloerse” verkeers- en vervoersinfrastructuur (op- en afrittencomplex). Bovendien komt het aan de verzoekende partijen en niet aan de tussenkomende partij toe te beoordelen of de nieuwe bestemmingen al dan niet nadeliger zijn voor de verzoekende partijen. 6.4. Het leefpatroon, noch de voedingsgewoonten van de verzoekende partijen hebben enige weerslag op de nadelige effecten die de projecten die door het bestreden plan worden mogelijk gemaakt, gebeurlijk kunnen veroorzaken. X-13.729-10/22 6.5. Evenmin kan de tussenkomende partij worden gevolgd waar zij in de laatste memorie stelt dat “wanneer duidelijk is dat het openbaar belang van de gemeenschap i.f.v. de veiligheid de heraanleg van een verkeerswisselaar vereist” het “openbaar belang en (
- de)veiligheid (...) hoe dan ook voorrang (hebben) op privaat belang”. Uit het loutere feit dat met het bestreden GRUP een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd, volgt niet dat de verzoekende partijen in geschillen met betrekking tot de ruimtelijke ordening van het betrokken gebied zich niet meer op een persoonlijk belang zouden kunnen beroepen om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen. 6.6. Waar de tussenkomende partij ten slotte in de laatste memorie, onder verwijzing naar de nieuwe “Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”, het actueel belang van de verzoekende partijen betwist, vermag de Raad van State niet vooruit te lopen op de beslissingen die de plannende overheid zou nemen na een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit. De exceptie wordt verworpen. IV. Gegrondheid Standpunten van de partijen 7.1. De verzoekende partijen voeren in het eerste onderdeel van het eerste middel en van het tweede middel het volgende aan : “Eerste Middel Schending van de artikelen 19, §2 en 41, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna ‘DRO’) Het bestreden GRUP wijkt af van bindende bepalingen van het RSV. Eerste onderdeel Het bedrijventerrein waarvoor het bestreden GRUP is opgesteld, valt niet binnen een economisch knooppunt. Buiten een economisch knooppunt is enkel nog de ontwikkeling van bedrijven-terreinen mogelijk voor historisch gegroeide bedrijven. (...) Toelichting bij het Middel 14. De bindende bepalingen van het RSV zijn bindend voor de Vlaamse regering bij het goedkeuren van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het RSV stelt hierbij zelf het volgende : ‘De bindende bepalingen zijn de spil tussen de in het richtinggevend gedeelte uitgewerkte gewenste ruimtelijke structuur en de realisatie ervan. Hun functie bestaat erin het dwingend kader aan te geven voor de uitvoering van het ruimtelijk structuurplan via uitvoerende instrumenten. Overeenkomstig art. 7§2 van het decreet zijn deze bepalingen bindend voor het Vlaamse Gewest, de diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die afhangen X-13.729-11/22 van het Vlaamse Gewest, de besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de vennootschappen die een erkenning hebben van betrokken instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest. De bindende bepalingen zijn inhoudelijk samenhangend en concreet, en worden beperkt tot essentiële elementen. De uitvoering ervan moet immers duidelijk toetsbaar (verifieerbaar) zijn. Een uitgebreide en te weinig precieze invulling ondermijnt de slagkracht en de geloofwaardigheid van de bindende bepalingen.’ Een rechter kan een uitvoeringsplan toetsen aan de bindende bepalingen van het structuurplan (...). Eerste Onderdeel 15. Het bindend gedeelte van het RSV duidt op pagina 587 limitatief de economische knooppunten aan : ‘1. Selectie van economische knooppunten De volgende economische knooppunten worden geselecteerd. Deze selectie is limitatief. 1.1. Stedelijke gebieden Alle geselecteerde stedelijke gebieden (grootstedelijke gebieden, regionaalstedelijke gebieden, structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau) zijn economische knooppunten. Stedelijke gebieden kunnen één of meer gemeenten of delen ervan bevatten. 1.2. Economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal Volgende gemeenten zijn economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal. Naast de gemeenten reeds genoemd binnen de stedelijke gebieden Antwerpen, Bilzen, Geel, Hasselt-Genk en Herentals, worden ook de gemeenten (...), Grobbendonk, Ham, Heusden-Zolder, Laakdal, Lanaken, Lummen, Meerhout, Olen, Ranst, Schilde, Schoten, Tessenderlo, Westerlo, Zandhoven en Zutendaal als economisch knooppunt geselecteerd. ((15( gemeenten) (geschrapt respectievelijk vervangen bij herziening van 12 december 2003) 1.3. Economische knooppunten buiten de stedelijke gebieden en buiten het economisch netwerk van het Albertkanaal Naast de stedelijke gebieden en de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal worden de volgende gemeenten weerhouden als economisch knooppunt: Aalter, Alken, Anzegem, Ardooie, Arendonk, Bornem, Duffel, Hamont-Achel, Hooglede, Houthalen-Helchteren, Kortemark, Londerzeel, Malle, Meulebeke, Nazareth, Puurs, Staden, Ternat, Wielsbeke, Willebroek, Wingene en Zele. In het kader van het Europees regionaal beleid worden aanvullend volgende gemeenten als economisch knooppunt geselecteerd: Avelgem, Balen, Dilsen-Stokkem, Kluisbergen, Maldegem, Nieuwpoort, Opglabbeek en Wervik. (30 gemeenten).’ De Gemeente Meise behoort niet tot de economische knooppunten. Het bindend gedeelte van het RSV bepaalt vervolgens op (pagina 589) dat in de gemeenten buiten de economische knooppunten enkel maximaal 500 ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven kunnen worden afgebakend. ‘4. Afbakening van bedrijventerreinen De behoefte aan uit te rusten bedrijventerreinen wordt vastgesteld op 10.000 ha tot 2007. Hiervan zal in aanlegplannen 6.000 ha worden X-13.729-12/22 afgebakend als bedrijventerrein en 4.000 ha als reservebedrijventerrein. [...] (geschrapt bij herziening van 12 december 2003) De verhouding naar categorie en naar locatie van de af te bakenen nieuwe bedrijventerreinen is als volgt: - 80-85 % als lokale en regionale bedrijventerreinen of bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven in de economische knooppunten; - 15-20 % als lokale bedrijventerreinen en als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven in gemeenten buiten de economische knooppunten. In gemeenten buiten de economische knooppunten kunnen maximaal 500 ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven worden afgebakend. De verdeling binnen iedere provincie van de bovenvermelde verhouding is als volgt: Antwerpen 83-88 12-17; Limburg 84-89 11-16; Oost-Vlaanderen 77-82 18-23; Vlaams-Brabant 71-76 24-29; West-Vlaanderen 76-81 19-24; Vlaanderen 80-85 15-20. De regionale bedrijventerreinen in de grootstedelijke- en de regionaalstedelijke gebieden en in de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, en de bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau en in de overige economische knooppunten worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaams Gewest in de gewestplannen afgebakend.’(...) Het RSV stelt duidelijk dat regionale bedrijventerreinen enkel mogen worden aangelegd in economische knooppunten (stedelijke gebieden, economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, overige economische knooppunten) met uitzondering van deze voor historisch gegroeide bedrijven doch beperkt tot 500 ha voor gans Vlaanderen. Deze interpretatie sluit volledig aan bij het richtinggevend gedeelte van het RSV waarin op pagina 454 letterlijk wordt gesteld dat regionale bedrijventerreinen die nog niet effectief zijn ontwikkeld buiten de economische knooppunten niet meer kunnen worden aangesneden (...). Het regionaal bedrijventerrein dat het bestreden GRUP beoogt, heeft een totaal andere finaliteit dan de uitbreiding van een historisch gegroeid bedrijf (zie artikelen 1 en 2 van de stedenbouwkundige voorschriften). Het betreft, zowel in feite als in rechte, een volledig nieuw specifiek bedrijventerrein voor transport en distributie. Het regionaal bedrijventerrein kan derhalve niet worden ontwikkeld buiten een economisch knooppunt. Zoals reeds aangetoond onder randnummer 9 en zoals nog zal worden uitgediept onder de randnummers 18 e.v., tracht de Vlaamse regering deze tegenstrijdigheden te camoufleren door te stellen dat het een bestaand bedrijventerrein zou betreffen. Dit is noch in rechte noch in feite correct. Het bestreden GRUP schendt derhalve het bindend gedeelte van het RSV omdat het een regionaal bedrijventerrein voorziet buiten de economische knooppunten. Het eerste onderdeel is ernstig. X-13.729-13/22 (...) Tweede Middel Schending van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur in samenhang met een schending van de artikelen 19, §3 en 41, §2 DRO. Een voldoende materiële motivering voor de afwijkingen van het richtinggevend gedeelte van het RSV ontbreekt; de aanwezige motivering is zelfs manifest onjuist zodat ook het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Eerste Onderdeel Het bedrijvenpark kan geenszins worden beschouwd als een bestaand bedrijvenpark zodat overeenkomstig het richtinggevend gedeelte van het RSV geen bedrijventerrein kan ontwikkeld worden aangezien Meise behoort tot het buitengebied en geen economische knooppunt betreft. Toelichting bij het Middel 18. Indien Uw Raad van oordeel zou zijn, quod non, dat de bindende bepalingen van het RSV geen verbod zouden opleggen van de aanleg van nieuwe regionale bedrijventerreinen buiten de economische knooppunten, dan volgt dit zonder enige twijfel uit het richtinggevend gedeelte van het RSV. Hiervan mag de overheid niet afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen (artikel 19, §3 DRO) Uw Raad neemt aan dat de betrokken overheid over een ruime appreciatiemarge beschikt ten aanzien van het richtinggevend gedeelte van het RSV (...). Uw Raad stelde hierbij wel dat hij bevoegd is om na te gaan of de betrokken overheid is uitgegaan van feitelijke juiste gegevens: ‘Overwegende dat, bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte in een ruimtelijk uitvoeringsplan en inzonderheid bij het opnemen van een perceel in een dergelijk plan en het onderwerpen ervan aan een voorschrift van bestemming, inrichting en/of beheer, de bevoegde overheden daartoe, in het licht van de in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken; dat derhalve, wanneer een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt vastgesteld in uitvoering van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd lijkt na te gaan of de bevoegde overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.’ Eerste Onderdeel 19. Verzoekende partijen verwijzen hiervoor naar randnummer 9 van hun verzoekschrift, doch verwijzen ook naar pagina 454 van het RSV waarin nogmaals letterlijk wordt gesteld dat regionale bedrijventerrein enkel mogelijk zijn in economische knooppunten : ‘Regionaal bedrijventerrein Volgende principes gelden voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen: - lokalisatie uitsluitend in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten; - lokalisatie bij voorkeur aansluitend bij de bestaande bedrijventerreinen; - verantwoording vanuit een globale ruimtelijke visie op het economisch knooppunt en de positie van het economisch knooppunt in Vlaanderen en in de provincie; in het bijzonder wordt in ieder X-13.729-14/22 economisch knooppunt een gewenste ruimtelijk-economische structuur uitgewerkt; - afstemming van de oppervlakte van het regionaal bedrijventerrein op de reikwijdte en het belang van het economisch knooppunt en de spreiding van bedrijventerreinen in de overige economisch(
- e)knooppunten in de provincie; - afstemming van het bereikbaarheidsprofiel van de locatie op het mobiliteitsprofiel van de voorziene bedrijven (= locatiebeleid); naast de uitwerking van het locatiebeleid dienen ook de in te zetten instrumenten (waaronder ook niet-ruimtelijke instrumenten zoals het organiseren van openbaar en collectief vervoer) te worden aangegeven; - geen kleinhandelsbedrijven op regionale bedrijventerreinen, tenzij op deze die gedeeltelijk als kleinhandelszone zijn afgebakend; - ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen; - maximale algemene uitrusting (telecommunicatie, water, gas en electriciteitsvoorziening, waterzuivering en riolering) en maximale specifieke uitrusting voor de respectievelijke specifieke regionale bedrijventerreinen.’ Op pagina 440 stelt het RSV dat in gemeenten buiten de economische knooppunten enkel nog bedrijventerreinen zijn toegelaten voor familiale bedrijven en KMO’s: ‘In de gemeenten die niet als economisch knooppunt zijn geselecteerd blijven voor de bestaande economische activiteiten zoals KMO’s en/of familiale bedrijven, ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden gegarandeerd onder meer door de volgende maatregelen : - De ontwikkeling van een bestaand lokaal bedrijventerrein in de hoofddorpen voor de herlokalisatie van bestaande bedrijven door middel van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (c.q. een BPA) - De opmaak van een ‘sectoraal BPA’ voor de ontwikkeling en uitbreiding ter plaatse van bestaande bedrijven. - De ontwikkeling van bedrijventerreinen voor historische gegroeide bedrijven voor de herlokalisatie van bestaande historisch gegroeide bedrijven binnen de gemeente, aansluitend bij een hoofddorp en binnen de voorziene 500 ha.’ 20. De Vlaamse regering is zich bewust van dit probleem en tracht het probleem te omzeilen door te stellen dat het een bestaand bedrijventerrein zou betreffen. Het besluit bevat hieromtrent de volgende overweging: ‘Overwegende dat het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het gebied hoofdzakelijk bestemt als transport, distributie en logistieke zone op de locatie voorzien op het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse als industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding; dat de ontwikkeling van het specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport, distributie en logistiek ‘Westrode’ moet worden beschouwd als de ontwikkeling van een bestaand en bestemd bedrijventerrein, gelegen buiten de geselecteerde economische knooppunten, zoals richtinggevend bedoeld op pagina 434 van ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dat het regionaal bedrijventerrein ‘Westrode’ derhalve geen onderdeel is van het economisch knooppunt Londerzeel.’ (...) De Vlaamse regering tracht zich vast te klampen aan de passage op pagina 436 van het RSV dat bedrijventerreinen gelegen buiten de geselecteerde economische knelpunten die reeds zijn vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan en vandaag worden ontwikkeld, als een vaststaand gegeven worden beschouwd. X-13.729-15/22 Deze zinsnede op de wijze geïnterpreteerd door de Vlaamse regering, is op zich reeds strijdig met een hele reeks andere bepalingen van het richtinggevend- en bindend gedeelte van het RSV (...). Zo stelt het RSV op pagina 434 nergens dat een bestaand en bestemd bedrijventerrein kan worden ontwikkeld buiten de economische knooppunten. Op deze pagina staat het volgende vermeld: ‘Voor de herlokalisatie en uitbreiding van historisch gegroeide bedrijven kan ruimte worden voorzien in gemeenten buiten de economische knooppunten.’ Er is in casu noch sprake van enige herlokalisatie, noch van een uitbreiding van historisch gegroeide bedrijven. Op pagina 438 wordt gesteld dat het bedrijventerreinen dienen te betreffen die effectief in ontwikkeling zijn. Op pagina 545 wordt geen enkele uitzondering toegelaten voor regionale bedrijventerreinen buiten de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten. De doelstellingen van het RSV, zijnde ‘Vlaanderen stedelijk en open’ beogen een duidelijke trendbreuk met de bestaande toestand. Het loutere feit dat de zone ooit op een gewestplan gedeeltelijk is ingekleurd als industriezone, maakt van deze zone geenszins al een bestaand bedrijventerrein. Indien deze redenering zou worden gehanteerd, verliest het RSV haar doel. Zoals reeds aangetoond onder randnummer 9 is er in elk geval geen sprake, noch in rechte noch in feite, van een bedrijventerrein dat in ontwikkeling is. De stedenbouwkundige vergunningen zijn ofwel vervallen ofwel geweigerd. Het terrein ligt braak en is niet ontsloten. Dit motief is dan ook flagrant onjuist. Om die reden is zowel de materiële motiveringsplicht als de zorgvuldigheidsplicht geschonden. De Vlaamse regering is in het bestreden GRUP duidelijk uitgegaan van feitelijk onjuiste gegevens. Het bedrijventerrein waarvoor het bestreden GRUP is bedoeld, is niet effectief in ontwikkeling. Binnen het wettigheidstoezicht van Uw Raad, dient Uw Raad dan ook een schending vast te stellen van de artikelen 19, §3 DRO en 41, §2 DRO. Het eerste onderdeel is ernstig”. 7.2. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) op “pag. 434” voorziet dat bedrijventerreinen buiten de geselecteerde economische knooppunten, die reeds zijn opgenomen in bijvoorbeeld een gewestplan en die vandaag worden ontwikkeld, als vaststaand gegeven moeten worden beschouwd, dat die motivering ook in het bestreden besluit voorkomt, en dat de term “ontwikkeling” in de economische sector niet noodzakelijk “fysieke ingrepen” hoeft te impliceren, doch reeds “begint met de verwerving van de gronden om vervolgens met inrichtingsstudies en daarna (met) werkzaamheden e.d. te beginnen”. 7.3. De tussenkomende partij voert een gelijkaardig verweer, en verwijst bovendien naar de genomen onteigeningsbesluiten, de verwerving van een groot deel van de gronden, de bouwaanvraag voor de infrastructuurwerken, het continue overleg met de bevoegde overheden, en een bouwvergunning die in 1988 werd verleend aan “Eurosan NV en Araphar (lees: Arophar) (...) voor de bouw van een bedrijfsgebouw met kantoren”. Voor het “in ontwikkeling (...) zijn” van een X-13.729-16/22 bedrijventerrein zou volstaan dat met betrekking tot het gebied “een visie” wordt ontworpen en een streefdoel wordt gesteld. Tevens wijst de tussenkomende partij in ondergeschikte orde op een fragment op “p. 585 uit de bindende bepalingen van het RSV”, waar gesteld wordt dat indien na onderzoek blijkt dat de taakstelling met betrekking tot de invulling van de bedrijventerreinen in de economische knooppunten niet afdoende gerealiseerd kan worden, er een invulling kan gebeuren op nabijgelegen zones in een aangrenzende gemeente. Beoordeling 8.1. Luidens artikel 19, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) zijn de bindende onderdelen van het RSV onder meer bindend voor het Vlaamse Gewest. Overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 41, § 2 DRO worden de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen opgemaakt ter uitvoering van het RSV. 8.2. Zoals de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het eerste middel aangeven, is de gemeente Meise, waar het bestreden GRUP het regionaal bedrijventerrein afbakent, volgens de bindende bepalingen “in verband met de gebieden voor economische activiteiten” van het RSV niet geselecteerd als economisch knooppunt. Voorts vermeldt het bindend gedeelte van het RSV met betrekking tot de “afbakening van bedrijventerreinen” het volgende: “De behoefte aan uit te rusten bedrijventerreinen wordt vastgesteld op 10.000 ha tot 2007. Hiervan zal in aanlegplannen 6.000 ha worden afgebakend als bedrijventerrein en 4.000 ha als reservebedrijventerrein. (...) (geschrapt bij herziening van 12 december 2003) De verhouding naar categorie en naar locatie van de af te bakenen nieuwe bedrijventerreinen is als volgt: - 80-85 % als lokale en regionale bedrijventerreinen of bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven in de economische knooppunten - 15-20 % als lokale bedrijventerreinen en als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven in gemeenten buiten de economische knooppunten In gemeenten buiten de economische knooppunten kunnen maximaal 500 ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven worden afgebakend. De verdeling binnen iedere provincie van de bovenvermelde verhouding is als volgt: Antwerpen 83-88 12-17 Limburg 84-89 11-16 Oost-Vlaanderen 77-82 18-23 Vlaams-Brabant 71-76 24-29 X-13.729-17/22 West-Vlaanderen 76-81 19-24 Vlaanderen 80-85 15-20 De regionale bedrijventerreinen in de grootstedelijke- en de regionaalstedelijke gebieden en in de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, en de bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau en in de overige economische knooppunten worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaams Gewest in de gewestplannen afgebakend”. Tevens wordt nog bepaald dat in de gemeenten buiten de economische knooppunten maximaal 500 hectare bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven kunnen worden afgebakend. 8.3. Deze bindende bepalingen bieden geen grondslag voor het bestreden besluit, waarmee de verwerende partij een regionaal bedrijventerrein afbakent op het grondgebied van een gemeente die niet geselecteerd is als economisch knooppunt. 8.4. De verwerende en de tussenkomende partij wijzen er evenwel op dat het bestreden besluit uitdrukkelijk is gesteund op een richtinggevende bepaling uit hetzelfde RSV, die opgenomen is in het hoofdstuk dat betrekking heeft op de selectie van de “economische knooppunten”, en die als volgt luidt: “de bedrijventerreinen gelegen buiten de geselecteerde economische knooppunten, die reeds zijn vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan (c.q. gewestplan, B.P.A.) en vandaag worden ontwikkeld, (worden) als vaststaand gegeven (...) beschouwd”. 8.5. Opdat deze bepaling toepasselijk weze is evenwel vereist dat het gaat om een bedrijventerrein dat “vandaag”, dit is ten tijde van het vaststellen van het RSV bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997, wordt “ontwikkeld”. Het bestreden besluit en de toelichtingsnota bij het GRUP doen niets meer dan poneren dat dit zo is. Hetzelfde geldt voor de - overigens niet neergelegde - “princiepsbeslissing” van 3 december 2004 van de Vlaamse regering, waarnaar de verwerende en de tussenkomende partijen verwijzen. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat het gebied, zelfs tot op heden, laat staan op 23 september 1997, werd “ontwikkeld”. X-13.729-18/22 Dat de tussenkomende partij doorheen de jaren in het bezit is gekomen van een groot deel van de gronden, betekent nog niet dat het terrein wordt “ontwikkeld” in de zin van de betreffende bepaling uit het RSV. Deze verwervingen gaan de eigenlijke ontwikkeling vooraf. Hetzelfde geldt voor het jarenlange overleg dat de tussenkomende partij stelt te hebben gehad met meerdere betrokken overheden. De initiatieven die werden genomen m.b.t. de voorzieningen en de infrastructuur binnen het gebied blijken niet voleindigd te zijn. Naar aanleiding van de bouwaanvraag die de tussenkomende partij zelf indiende, stelde de gemachtigde ambtenaar in zijn weigeringsbesluit van 2 juli 1998 dat de terreinen nog “onbebouwd en niet ontsloten” zijn. Ook de enkele bouwvergunning die in 1988 werd verleend aan de vennootschappen Arophar en Eurosan voor de oprichting van een bedrijfsgebouw met burelen, kan in dit opzicht niet volstaan ter staving van de bewering dat het bedrijventerrein “vandaag (wordt) ontwikkeld”. Er wordt overigens niet aangetoond dat deze vergunning kaderde in de ontwikkeling van het betreffende bedrijvengebied. Bovendien heeft de verwerende partij zelf bij de opmaak van het GRUP met dit gegeven geen rekening gehouden. 8.6. De voorlopige vaststelling op 18 december 2009 door de Vlaamse regering van een gedeeltelijke herziening van het RSV waarnaar de tussenkomende partij verwijst, kan niet dienstig worden ingeroepen om de wettigheid aan te tonen van het bestreden besluit van 18 januari 2008. Dat in die wijzigende tekst voor de toekomst een expliciete invulling zou worden gegeven aan het begrip “ontwikkeling” die het standpunt van de verwerende en de tussenkomende partij volgt, wijst er overigens veeleer op dat de hier toepasselijke bepaling die interpretatie niet toeliet. 8.7. De tussenkomende partij werpt “ondergeschikt” nog op dat het GRUP kan gesteund worden op een bindende bepaling van het RSV, die stelt dat indien na onderzoek blijkt dat de taakstelling met betrekking tot de invulling van de bedrijventerreinen in een economisch knooppunt niet afdoende gerealiseerd kan worden, er een invulling kan gebeuren op nabijgelegen zones in een aangrenzende gemeente. Dit argument kan niet worden aangenomen, al is het maar omdat de plannende overheid er zich zelf niet van heeft bediend, niet in de planopmaakprocedure en zelfs niet ten titel van verweer in de voorliggende procedure voor de Raad van State. X-13.729-19/22 Dergelijke optie staat volgens de betreffende passage uit het RSV ook enkel open indien daaraan een “onderzoek” voorafgaat. Weliswaar is in het opgestelde milieueffectenrapport (hierna: MER) een hoofdstuk gewijd aan locatiealternatieven voor het bedrijventerrein, doch nergens blijkt dat dit onderzoek door de plannende overheid ook in aanmerking is genomen in de planopmaakprocedure, en voorts wordt in het MER ook uitdrukkelijk aangegeven dat de criteria voor een degelijke en ernstige locatiekeuze “nog niet beschikbaar” zijn, en dat “daarom géén andere locatiealternatieven voor het bedrijventerrein onderzocht” werden. De beide middelonderdelen zijn gegrond. V. Omvang van de vernietiging Standpunt van de partijen 9.1. De verwerende partij vraagt, in ondergeschikte orde, om de vernietiging te beperken “tot het planonderdeel van het bedrijventerrein”, stellende dat de “weerhouden” middelen houdende strijdigheid met het RSV “alleszins niet gelden voor de verkeerswisselaar” en dat de handhaving van dit planonderdeel een “op zichzelf staand belang” heeft en “noodzakelijk (blijft) voor de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling van de bestaande bedrijven”. Zij stelt tevens dat een “eventuele vernietiging van het planonderdeel van het bedrijventerrein (...) de uitvoering van de verkeerswisselaar niet in de weg (staat) en vice versa”. 9.2. De verzoekende partijen verzetten zich tegen een gedeeltelijke vernietiging, beperkt tot het planonderdeel van het bedrijventerrein. Beoordeling 10.1. Een GRUP is in beginsel één en ondeelbaar. Een gedeeltelijke vernietiging is bijgevolg enkel mogelijk indien vaststaat dat het betreffende gebiedsdeel afgesplitst kan worden van de rest van het plan en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming, en niet tot vernietiging, van de beslissing X-13.729-20/22 waarvan het betreffende gebiedsdeel een onlosmakelijk onderdeel is, vermits het plan voor het overige hoe dan ook zou blijven bestaan. 10.2. Het bestreden GRUP beoogt de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein Westrode te Meise, met daaraan gekoppeld, deels ten behoeve van de ontsluiting van het voormelde bedrijventerrein, deels ter oplossing van het probleem van de verkeersveiligheid, een gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, zijnde luidens de toelichtingsnota bij het GRUP “een op- en afrittencomplex met een rechtstreekse ontsluitingsweg naar de bedrijvenzone”. Gelet op deze onderlinge verwevenheid van doelstellingen dient het GRUP te worden opgevat als één ondeelbaar geheel, waarvan de delen door de Raad State niet opgesplitst kunnen worden. Een partiële vernietiging is niet mogelijk zonder afbreuk te doen aan de algemene economie van het plan. Het bestreden besluit dient bijgevolg in zijn geheel te worden vernietigd. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 18 januari 2008 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 februari 2008. 2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1750 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.729-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.729-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.836 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div