id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.839 Rolnummer: A. 197037/IX-6869 Zaak: Arrest 207839 - Arbeids- en beroepskaarten - 04/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:13 Fiche Arrest nr 207.839 van 4 oktober 2010 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 207.839 van 4 oktober 2010 in de zaak A. 197.037/IX-6869 In zake : Pawan SOHAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Martens kantoor houdend te Sint-Michiels Walakker 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Zelfstandigen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 29 juni 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 16 april 2010 van de minister van Zelfstandigen, waarbij het beroep van Pawan Sohal tegen de beslissing van 11 december 2009 van de Algemene Directie KMO-beleid, Economische vergunningen, Beroepskaarten van de FOD Economie tot weigering van het toekennen van een beroepskaart voor vreemdelingen wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-6869-1/11 Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Barbara Spapen, die loco advocaat Patrick Martens verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens, gemachtigd om ter zitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker heeft de Indiase nationaliteit. Hij verkreeg in 2008 een beroepskaart om als vreemdeling een zelfstandige activiteit uit te oefenen in België. Die is geldig tot 15 september
- Op dat ogenblik verblijft de verzoeker in Polen. Met deze beroepskaart heeft hij een visum type D verkregen bij de Belgische diplomatieke diensten te Warchau. Na aankomst in België verkrijgt hij een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister voor tijdelijk verblijf (elektronische vreemdelingenkaart type A) dat geldig was tot 16 oktober
- 3.
- De verzoeker wenst zijn beroepskaart te verlengen en dient op 16 oktober 2009 via het ondernemersloket een aanvraag in voor de hernieuwing met het oog op het uitoefenen van de activiteit van zaakvoerder van de bvba R&N IX-6869-2/11 die als activiteit heeft: het uitbaten van een computerwinkel, verlenen van IT-diensten en het kopen, verbouwen en verhuren van woningen. 3.
- Op 11 december 2009 beslist de Algemene Directie KMO-beleid -Economische vergunningen- Beroepskaarten van de FOD Economie de aanvraag te weigeren. In de beslissing wordt overwogen: “Overwegende dat de betrokkene een beroepskaart wenst te bekomen als zaakvoerder van de BVBA R&N voor het uitbaten van een computerwinkel, het verlenen van IT-diensten, het kopen, verbouwen en verhuren van woningen; Overwegende dat op basis van de economische gegevens van het dossier de economische meerwaarde van de voorgenomen economische activiteit niet bewezen is; dat de door betrokkene verschafte inlichtingen slechts getuigen van geringe economische activiteit en dito inkomsten; dat een belangrijk deel van deze inkomsten bovendien activiteiten in opdracht van de Belgische Distributiedienst NV (krantenbedeling) betreffen; Na onderzoek van het dossier in rechte en in de feiten, en na afweging van de positieve en negatieve elementen ervan, heeft de afgevaardigde ambtenaar door de Minister van Middenstand aangewezen, vastgesteld dat de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden tot hernieuwing van de beroepskaart; Om deze redenen wordt beslist de beroepskaart te weigeren aan de heer SOHAL Pawan.” 3.
- Op 18 januari 2010 dient de verzoeker beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Hij argumenteert: “(…) Hij beroept zich hiervoor op het feit dat hij slechts een paar maanden heeft kunnen zijn winkel uitbaten door een gerechtelijke twist met de vorige huurder. Het gebouw werd aangekocht door de BVBA waar hij zaakvoerder is maar de huurder weigerde het pand te verlaten.. Dit werd gerechtelijk geregeld. Sinds dan is het pand grondig onder handen genomen en worden er nu 2 appartementen verhuurd boven de winkel. Deze huur brengt maandelijks 700 euro op. Ondertussen heeft hij een naam gemaakt als hersteller van computers en netwerken. Hij krijgt steeds meer werk en werk samen met een tweedehands IX-6869-3/11 winkel in zijn straat. Hij stelt de computer af of hersteld ze en die winkel verkoopt ze. De inkomsten van de computerwinkel zijn dus de laatste tijd danig gestegen dat hij nu stilaan de krantenronde kan afbouwen. De nodige bewijsstukken zullen u in de loop deze week bezorgd door mr. Pawan zelf.” 3.
- De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen verleent een ongunstig advies op grond van volgende overwegingen: “(…) Overwegende dat de Raad, na betrokkene gehoord te hebben, vastgesteld heeft dat met de beperkte financiële informatie waarover de Raad beschikt, het duidelijk is dat er geen economisch verantwoord en levensvatbaar project binnen de BVBA R&N kan worden voorgehouden; Overwegende dat uit het onderzoek ter zitting blijkt dat de verzoeker geen voldragen toekomstvisie op de computeractiviteit van de vennootschap heeft. Bovendien zijn tot op heden de ontwikkelde activiteiten niet in overeenstemming met het financiële plan dat destijds bij de originele aanvraag werd ingediend. Bovendien heeft de Raad ter zitting vastgesteld dat het voornaamste deel van de beperkte inkomsten van de vennootschap afkomstig zijn van de activiteiten die de broer van de aanvrager uitvoert bij de NV Belgische Distributie; activiteiten die niet in overeenstemming zijn met het doel van de vennootschap. Ten slotte sluit de Raad zich aan bij de beweegredenen zoals geformuleerd in de bestreden beslissing genomen door de gevolmachtigde ambtenaar d.d. 11 december 2009, en maakt deze motivering de hare” 3.
- Op 16 april 2010 beslist de minister van Zelfstandigen om het beroep van de verzoeker tegen de weigeringsbeslissing tot afgifte van een beroepskaart te verwerpen. In het besluit wordt verwezen naar de weigeringsbeslissing van 11 december 2009 en naar het op 26 februari 2010 verleende negatieve advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen. IX-6869-4/11 Dit besluit vormt het voorwerp van de onderhavige vordering. Het is aan de verzoeker betekend op 6 mei
- IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie van de verwerende partij
- De verwerende partij werpt op dat de verzoeker geen belang heeft om de schorsing te vragen van de bestreden beslissing, aangezien de verzoeker op het ogenblik van de aanvraag van zijn beroepskaart niet over een geldige verblijfsvergunning beschikte, terwijl dit een grondvoorwaarde is voor het verkrijgen van een beroepskaart. De beslissing over zijn aanvraag had dan ook niet anders kunnen zijn indien de beweerde schending van de rechtsregel en rechtsbeginselen, waarnaar de verzoeker in zijn middel verwijst, niet was begaan. Beoordeling
- Artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen bepaalt: “ §
- De beroepskaart mag slechts worden afgegeven aan de vreemdeling die vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen.” Zoals de verwerende partij terecht aangeeft, volgt uit artikel 4, § 1, van de wet van 19 februari 1965 dat de betrokkene op het ogenblik van de aanvraag van een beroepskaart moet beschikken over een vergunning om wettig op het grondgebied te verblijven. De verzoeker beschikte over een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister model A dat geldig was tot 16 oktober
- Dit houdt in dat de verzoeker op het ogenblik van de aanvraag tot hernieuwing van zijn beroepskaart, dit is op 16 oktober 2009, beschikte over een geldige vergunning om wettig op het grondgebied te verblijven. De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-6869-5/11 V. De voorwaarden van de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, ' 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van het enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen. De verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen dat voormelde bepalingen en beginselen werden geschonden doordat in de bestreden beslissing niet ingegaan wordt op de argumentatie die hij ontwikkelde in zijn beroep tegen de weigeringsbeslissing. De verzoeker heeft nochtans in zijn beroepsschrift de redenen voor de geringe economische inkomsten omstandig uiteengezet met staving van de nodige bewijsstukken. Uit de bestreden beslissing blijkt echter niet dat rekening werd gehouden met de opstartproblemen die het jonge bedrijf bvba R&N heeft gekend. De opstartproblemen waren te wijten aan het feit dat het pand dat werd aangekocht om de zaak te vestigen, niet onmiddellijk kon worden aangewend doordat de huurders weigerden de woning te verlaten; er dienden gerechtelijke stappen ondernomen te worden. Nadien dienden nog herstellingen te worden uitgevoerd waardoor de zaak slechts in mei 2009 kon starten in plaats van in september
- In de bestreden beslissing wordt vermeld dat de economische meerwaarde van de voorgenomen economische activiteiten niet bewezen is, terwijl dit een loutere bewering is waarbij niet wordt verwezen naar objectieve IX-6869-6/11 stukken. Daarbij wordt in de bestreden beslissing geen rekening gehouden met de gegevens die werden naar voor gebracht door de verzoeker met name, het gebrek aan winkels voor computeronderhoud en -herstel in Oostende, de grote inkomsten die het bedrijf genereert uit haar vastgoedactiviteiten, het onderhoudscontract dat werd afgesloten met bvba Immodot en het sterke financiële plan van de verzoeker.
- De verwerende partij wijst er in haar nota op dat uit de bestreden beslissing blijkt dat wel rekening werd gehouden met de argumenten van de verzoeker maar dat de verwerende partij uiteindelijk van oordeel was dat de economische meerwaarde van de voorgenomen economische activiteit niet bewezen was, dat de door verzoeker verschafte inlichtingen slechts getuigen van geringe economische activiteiten en inkomsten, dat een belangrijk deel van de inkomsten bovendien uit krantenbedeling bestond die de broer uitvoerde, dat de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen na verhoor toch vastgesteld heeft over beperkte financiële informatie te beschikken, dat er in die omstandigheden geen economisch verantwoord en levensvatbaar project voorlag, dat uit het onderzoek ter zitting bleek dat de verzoeker geen voldragen toekomstvisie op de computeractiviteit van de vennootschap heeft, dat de ontwikkelde activiteiten niet in overeenstemming zijn met het financiële plan en dat de inkomsten voornamelijk afkomstig zijn van de krantenbedeling. De verzoeker toont niet aan dat deze elementen manifest onjuist zouden zijn.
- De rechtvaardiging voor de opstartproblemen die de verzoeker geeft, spreken de motivering van de bestreden beslissing niet tegen. De verzoeker kan niet betwisten dat de activiteit niet rendabel is, hetgeen ook duidelijk blijkt uit de stukken. De enige inkomsten die blijken uit de stukken, komen voort uit de krantenbedeling, hetgeen niet in het statutair doel van de vennootschap is begrepen. Van de beweerde huurinkomsten wordt geen enkel bewijs bijgebracht. De argumentatie over de nood aan een zaak voor computeronderhoud in Oostende en de daaruit voortvloeiende hoge inkomsten wordt niet onderbouwd met harde cijfers. Verder kan er geen rekening worden gehouden met het contract dat met bvba Immodot werd afgesloten nu dit een arbeidscontract is dat bijgevolg vreemd is aan de zelfstandige activiteit, dat bovendien pas werd afgesloten op 25 januari IX-6869-7/11 2010 en waarbij geen bewijs wordt geleverd van de inkomsten. Het financiële plan dat de verzoeker bij zijn verzoekschrift voegde, werd niet gevoegd bij zijn beroep zodat de verwerende partij er bezwaarlijk rekening kon mee houden. Beoordeling
- De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking genomen kunnen worden. De feiten waarop de beslissing wordt gesteund, dienen met de vereiste zorgvuldigheid te worden vastgesteld en verzameld. De motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen moeten deze ook naar redelijkheid kunnen dragen. Bij de toetsing van de redelijkheid van een beslissing beschikt de Raad van State slechts over een marginaal toetsingsrecht, waarbij slechts beslissingen die kennelijk onredelijk zijn, dit zijn beslissingen die door geen enkele andere overheid op die gronden zouden genomen zijn, vernietigd kunnen worden. De Raad van State mag zich daarbij niet in de plaats stellen van het bestuur.
- De wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen stelt geen criteria vast waaraan het bevoegde bestuur een aanvraag tot het verkrijgen of verlengen van een beroepskaart voor het uitoefenen van een zelfstandige activiteit door een vreemdeling moet toetsen. Het bevoegde bestuur beschikt daarbij bijgevolg over een ruime discretionaire bevoegdheid.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister bij zijn beslissing omtrent de aanvraag van de verzoeker het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen van 26 februari 2010 uitvoerig heeft betrokken. De Raad voor Economisch Onderzoek zelf heeft in zijn advies duidelijk melding gemaakt van de hoorzitting waarop de verzoeker de gelegenheid heeft gekregen zijn zaak uiteen te zetten. De Raad heeft blijkens het advies ook rekening gehouden met de argumenten die de verzoeker naar voor heeft gebracht, IX-6869-8/11 maar heeft geoordeeld dat het verweer en de argumenten die de verzoeker aanbracht onvoldoende financiële informatie bevatten om te besluiten dat er een economisch verantwoord project voorlag. De Raad oordeelde verder dat uit het onderzoek ter zitting bleek dat de verzoeker geen voldragen toekomstvisie heeft op de computeractiviteit van de vennootschap en dat de voornaamste inkomsten voortkomen uit activiteiten van krantenbedeling door de broer van de verzoeker, hetgeen niet in overeenstemming is met het doel van de vennootschap. De minister heeft zich deze overwegingen eigen gemaakt. Daarnaast nam de minister ook de overwegingen uit de weigeringsbeslissing van de gevolmachtigde ambtenaar van 11 december 2009 over waarin wordt geoordeeld dat op basis van de gegevens van het dossier de economische meerwaarde van de voorgenomen activiteiten niet bewezen is. Op grond hiervan heeft de minister besloten dat aan de verzoeker geen nieuwe beroepskaart kon worden toegekend. De verzoeker toont niet aan dat de gegevens waarop de verwerende partij deze motieven steunt foutief zouden zijn. De verzoeker ontkent met name niet dat er op het ogenblik van de beslissing inderdaad geen economische meerwaarde kon worden aangetoond in hoofde van de vennootschap. Zoals de verwerende partij terecht aangeeft, doet de argumentatie van de verzoeker omtrent de problemen om het winkelpand te betrekken, niets af aan de vaststelling dat er op het ogenblik van de bestreden beslissing geen rendabele activiteit was. Over de aangevoerde rechtvaardigheidsgronden beslist het bestuur discretionair. Het kan in ieder geval niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd dat de minister op grond van de feiten zoals ze hem voorlagen, tot het oordeel kwam dat de activiteiten van verzoeker in het kader van het doel van de vennootschap, onvoldoende rendabel waren om een economische meerwaarde aan te tonen en op grond daarvan de beroepskaart heeft geweigerd.
- De verzoeker toont verder niet aan welke andere relevante stukken en relevante informatie de verwerende partij bijkomend in haar beoordeling had dienen te betrekken. Met de stukken die door de verzoeker naar voor worden gebracht en die dateren van na de bestreden beslissing, kan uiteraard IX-6869-9/11 geen rekening worden gehouden. Uit deze stukken blijkt bovendien ook niet dat de activiteiten volgens het doel van de vennootschap waarvoor de verzoeker een beroepskaart heeft aangevraagd, met name het uitbaten van een computerwinkel, verlenen van IT-diensten, en het kopen, verbouwen en verhuren van woningen, rendabel zijn. Met het door de verzoeker aangevoerde verweer werd bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden. Er kan dan ook niet worden besloten dat de bestreden beslissing een schending zou inhouden van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- Er valt ook niet in te zien op welke wijze de bestreden beslissing de wet van 19 februari 1965 zou schenden. De verzoeker geeft ook nergens aan welke bepalingen van deze wet geschonden zouden zijn. Het enig middel is niet ernstig.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, ' 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-6869-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6869-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.839 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div