← België

Arrest 207841 - Onteigeningen - 04/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.841 Rolnummer: A. 184684/X-13393 Zaak: Arrest 207841 - Onteigeningen - 04/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:13 Fiche Arrest nr 207.841 van 4 oktober 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.841 van 4 oktober 2010 in de zaak A. 184.684/X-13.

  1. In zake: de n.v. INTERMECA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 BRUSSEL Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Sebreghts en Floris Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 6 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 juni 2007 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur en van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering waarbij wordt vastgesteld dat in het algemeen belang voor het omvormen van de A12 tot autosnelweg, fase complex Londerzeel-Zuid, de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeenten Meise en Londerzeel onmiddellijk in bezit moeten worden genomen. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 195.789 van 7 september 2009 worden de debatten heropend en wordt de zaak volgens de gewone procedure voortgezet. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. X-13.393-1/11 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart
  4. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die loco advocaat Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Hugo Sebreghts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij is eigenaar van de gronden waarop de n.v. FUCHS, de verzoekende partij in de zaak A. 184.685/X-13.394 gericht tegen hetzelfde besluit, haar vestiging heeft. Deze gronden zijn gelegen te Meise, kadastraal bekend sectie B, nrs. 106/w en 108/c. 3.
  7. Bij besluit van 7 juni 2007 beslissen de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur en de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering dat in het algemeen belang voor het omvormen van de A12 tot autosnelweg, fase complex Londerzeel- Zuid, de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeenten Meise en Londerzeel onmiddellijk in bezit moeten worden genomen, volgens de bijgaande plannen waarop die goederen geel ingekleurd zijn en dat die goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. X-13.393-2/11 Dit is het bestreden besluit. Naar luid van dit besluit worden onder meer de innemingen 36b en 37, vermeld op het plan 16DB G 000320A1 00, onteigend ten laste van de Vlaamse overheid. Die innemingen betreffen de voormelde kadastrale percelen. Volgens het voorontwerp op- en afrittencomplex A12 Londerzeel- Westrode zullen de voornoemde innemingen deel uitmaken van dit op- en afrittencomplex. 3.
  8. Op 23 maart 2007 werd voor het gebied waarop ook het bestreden besluit betrekking heeft het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel voorlopig vastgesteld door de Vlaamse regering. Op 18 januari 2008 wordt dit GRUP definitief vastgesteld. Dit GRUP werd vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 207.836 van heden. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. De verzoekende partij voert in het eerste middel het volgende aan: “Schending van artikel 16 G.W., artikel 1 van de Wet van 26 juli betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat Het bestreden besluit stelt dat de onteigening noodzakelijk is voor het wegwerken van de gevaarlijke punten en wegvakken in Vlaanderen - in casu - het gevaarlijk punt 2010 te Meise/Londerzeel. Dat het punt voorkomt op de lijst gevaarlijke punten van het jaarprogramma 2005 van TV3V en dat gezien de problematiek van de verkeersonveiligheid op dit punt, dewelke in het recente verleden aanleiding gegeven heeft tot verkeersslachtoffers, bij hoogdringendheid een herinrichting van het gevaarlijk punt vereist is. Dat het bestreden besluit verder nog stelt dat de onteigeningen nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg - fase complex ‘Londerzeel-Zuid’; dat de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’ voorzien is ter ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode. Dat deze onteigeningen een dringend karakter hebben, vermits de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’ waarvoor ze noodzakelijk zijn, prioritair dient te worden voltooid. Terwijl X-13.393-3/11 Om toepassing te maken van de Wet van 26 juli 1962 de ministers de noodzaak tot onmiddellijke inbezitname van de te onteigenen gronden moeten aantonen. Dat de ministers inzake het doel van de onteigening verwijzen naar twee verschillende doelstellingen: het wegwerken van een gevaarlijk kruispunt en de ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode. Dat inzake de eerste doelstelling verwezen wordt naar het grote aantal verkeersslachtoffers die in het verleden zijn gevallen en die een onmiddellijke inbezitname van de te onteigenen percelen zouden verantwoorden. Dat inzake de tweede doelstelling simpel weg wordt verwezen (naar) de realisatie van het complex ‘Londerzeel- Zuid’ dat prioritair dient te worden voltooid. Dat de noodzaak tot onmiddellijke inbezitname van de te onteigenen percelen in het licht van de tweede aangehaalde doelstelling dus niet naar genoegen van recht wordt gemotiveerd. Dat de ministers evenmin aangeven welke percelen onteigend dienen te worden in het licht van de eerste doelstelling en welke onteigend dienen te worden in het licht van de tweede. Dat de ministers moesten aangeven voor welke percelen de onteigening wordt doorgevoerd in functie van de eerste doelstelling en voor welke in functie voor de tweede. Dat door dat niet te doen de ministers zowel het algemeen nut, in functie waarvan de onteigening wordt doorgevoerd, als de noodzaak tot onmiddellijke inbezitname in functie van dat algemeen nut, niet naar genoegen van recht motiveren. Zodat Het bestreden besluit artikel 16 G.W., artikel 1 van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur schendt”. Beoordeling 5.
  10. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de onteigeningen volgens de plans ‘16 DB G 000320 Al 00: Brussel - Boom - Antwerpen - Bergenop-Zoom (NL) van boskant tot Kerkhofstraat kmpt. 11.200 tot 12.450 - te Meise’ en ‘16 DB G 000320 Bl 00: Brussel - Boom - Antwerpen - Bergen-op-Zoom (NL) van Kerkhofstraat tot Eeckhout kmpt. 11.450 tot 13.000 - te Londerzeel’ nodig zijn voor het wegwerken van de Gevaarlijke Punten en Wegvakken in Vlaanderen - in casu het gevaarlijk punt 2010 te Meise/Londerzeel; Overwegende dat het punt voorkomt op de lijst van gevaarlijke punten van het jaarprogramma 2005 van TV3V en dat gezien de problematiek van de verkeersonveiligheid op dit punt, dewelke in het recente verleden aanleiding gegeven heeft tot verkeersslachtoffers, bij hoogdringendheid een herinrichting van het gevaarlijk punt vereist is, bewijze de prioriteitsfactor van 36; Overwegende dat door de voorgestelde ingrepen enerzijds de verkeersveiligheid voor de weggebruikers verbeterd wordt en dat anderzijds conflictsituaties vermeden worden; Overwegende dat de weerhouden oplossing het resultaat is van een uitvoerige studie die zowel vanuit een analyse van de ongevallen als vanuit verkeersplanologisch, verkeerstechnisch en ruimtelijk oogpunt benaderd werd, waarbij de verschillende mogelijke alternatieven wel overwogen werden, zoals blijkt uit de startnota die op 20 december 2005 op commissievergadering gebracht is, evenals uit het verslag van deze vergadering; X-13.393-4/11 Overwegende dat volgens studie: ‘2010-startnota PCV 09/11/05’ en rekenschap gevende aan diverse oplossingen door TV3V onderzocht, de volgende opties goedgekeurd volgens de PCV-vergadering van 20/12/05: De beveiliging van een lichtengeregeld kruispunt, mits volgende aandachtspunten: - Conflictvrije regeling met portieken en pijllichten boven iedere rijstrook van de A
  11. - Compacter maken van het kruisingsvlak door loodrechte aansluiting van de zijstraten Londerzeelsesteenweg (Meise) en Kerkhofstraat (Londerzeel). - Aanleg van afslagstroken van 150 meter op A
  12. - op 300 meter voor het kruispunt de snelheid verlagen en de breedte van de rijvakken versmallen naar 3,30 meter. - Middenberm verbreden zodat de fietsers en voetgangers in twee keer kunnen oversteken over de A
  13. - In de zijstraten (Londerzeelsesteenweg + Kerkhofstraat) dubbele opstelstroken te voorzien. - Aandacht voor zwakke weggebruiker verhogen door aangepaste infrastructuur en lichten op aanvraag. Overwegende dat volgens het verslag van de commissievergadering de vergadering besloten heeft volgende maatregelen extra toe te volgen: • Aanleg van een westelijke bedieningsweg vanaf de nieuwe aansluiting Kerkhofstraat tot aan woning nr. 18 (richting Antwerpen), gezien gewezen woningen nu nog rechtstreeks aansluiten op A
  14. • Een extra strikte timing te voorzien, in kader van de werkzaamheden voor een duurzame oplossing met ongelijkvloerse kruising en een ‘hollands’ complex; Overwegende dat de onteigeningen volgens de plans 16DB G 000320A1 00 en Bl 00 nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg - fase complex ‘Londerzeel - Zuid’; Overwegende dat de realisatie van het complex ‘Londerzeel - Zuid’ voorzien is ter ontsluiting van het bedrijventerrein Westrode; Overwegende dat deze onteigeningen een dringend karakter hebben, vermits de realisatie van het complex ‘Londerzeel - Zuid’ waarvoor ze noodzakelijk zijn, prioritair dient voltooid; Overwegende het Strategisch Actieplan voor de Reconversie en Tewerkstelling - luchthavenregio Zaventem d.d. 10 december 2004 en de vergadering van de Vlaamse regering d.d. 25 maart 2005 betreffende een geïntegreerde stand van zaken en principiële opties met betrekking tot het START project; Overwegende dat de A12 een verbindende functie heeft tussen de stedelijke gebieden van Antwerpen en Brussel; Overwegende dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de A12 is opgenomen als primaire weg I en de voorziene werken worden uitgevoerd conform de streefbeeldstudie; Overwegende dat door de realisatie van het complex Londerzeel - Zuid deze verbindende functie zal ondersteund worden met een gegarandeerde doorstroming en een beperkt aantal verknopingen; Overwegende dat de ontsluitingen van regionale en bovenregionale economische concentraties zo rechtstreeks mogelijk dienen te worden georganiseerd, in het bijzonder de bedrijvenzone Westrode; Overwegende dat een aansluiting van de bedrijvenzone Westrode langs de A12 de voordeligste oplossing is omdat slechts een beperkt aantal onteigeningen dient te worden uitgevoerd; Overwegende dat deze werken opgenomen zijn op het investeringsprogramma 2007 van het Agentschap Infrastructuur; X-13.393-5/11 Overwegende dat voor het onteigeningsplan 16DB G 000320A1 00 de innemingen 13 en 14 uit de tabel MVG dienen opgenomen te worden in de tabel TV3V en dat de inneming 36a uit de tabel TV3V dient opgenomen in de tabel MVG; Overwegende de principiële beslissing van de Vlaamse regering over de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein Westrode te Meise d.d. 03 december 2004; Overwegende dat het oprichten van een hoogwaardig logistiek regionaal bedrijvencentrum Westrode door de Vlaamse regering prioritair wordt beschouwd; Overwegende dat de ontwikkeling van het bedrijvencentrum Westrode opgenomen is in het Strategisch Actieplan voor de Reconversie en Tewerkstelling (START) voor de luchthavenregio van Zaventem; Overwegende dat het creëren van bijkomende bedrijfsgronden een belangrijk element is om de werkgelegenheidsgraad in de Vlaamse Rand rond Brussel te verbeteren; Overwegende dat in de randvoorwaarden van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorzien wordt dat de economische activiteiten zoveel mogelijk dienen geconcentreerd te worden in economische knooppunten, of zoals in dit geval aansluitend bij het ‘specifiek economisch knooppunt Londerzeel’ wat een taakstelling impliceert in de regio; Overwegende dat voor deze zone een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan in opmaak is; Overwegende dat het bedrijventerrein gelijktijdig dient gerealiseerd te worden met de herinrichtingswerken aan de A12; Overwegende dat verschillende bedrijven zich op het bedrijventerrein willen vestigen en deze gronden reeds hebben verworven, en dat de verkoop van de overige kavels nakende is, waardoor het bedrijventerrein zo spoedig mogelijk dient te worden ontsloten”. 5.
  15. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat met de betrokken onteigening beoogd wordt een aantal problemen gezamenlijk en globaal op te lossen: met name het verkeersveilig maken van het gevaarlijk bevonden kruispunt 2010 te Meise/Londerzeel, het omvormen van de A12 tot autosnelweg fase “complex Londerzeel-Zuid” en het ontsluiten van het bedrijventerrein Westrode. De verzoekende partij kan dan ook, gelet op het feit dat het onteigeningsbesluit een antwoord wil geven op een aantal samenhangende problemen, niet worden gevolgd in zoverre zij aanvoert dat dient te worden aangegeven welk individueel motief voor welk specifiek perceel geldt. 5.
  16. Het geheel van de motivering van het bestreden besluit maakt afdoende duidelijk waarom elk van de drie voormelde doelstellingen van algemeen nut is en waarom de onteigening hoogdringend is. De kritiek van de verzoekende partij betreft specifiek de motivering van het bestreden besluit, in zoverre het betrekking heeft op het ontsluiten van het bedrijventerrein Westrode. Die partij stelt X-13.393-6/11 evenwel ten onrechte dat ter zake “simpel weg wordt verwezen (naar) de realisatie van het complex ‘Londerzeel-Zuid’ dat prioritair dient te worden voltooid”. Het bestreden besluit overweegt in dit verband immers -onder meer- ook dat het ontsluiten van, in het algemeen, regionale en bovenregionale economische concentraties, en in het bijzonder van de bedrijvenzone Westrode, zo rechtstreeks mogelijk dient te worden georganiseerd, dat het aansluiten van die zone langs de A12 de voordeligste oplossing is en waarom, dat het een hoogwaardig logistiek regionaal bedrijvencentrum betreft, dat de ontwikkeling ervan is opgenomen in het Strategisch Actieplan voor de Reconversie en Tewerkstelling voor de luchthavenregio van Zaventem, dat het creëren van bijkomende bedrijfsgronden een belangrijk element is ter verbetering van de werkgelegenheidsgraad in de Vlaamse rand rond Brussel, dat het bedrijventerrein gelijktijdig dient te worden gerealiseerd met de herinrichtingswerken aan de A12, dat verschillende bedrijven zich op het bedrijventerrein willen vestigen en deze gronden reeds hebben verworven en dat de verkoop van de overige kavels nakende is, waardoor het bedrijventerrein zo spoedig mogelijk dient te worden ontsloten. Dit vormt een afdoende motivering voor het bestreden besluit. 5.
  17. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  18. De verzoekende partij voert in het tweede middel aan wat volgt: “Schending van artikel 16 G.W., artikel 2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 37 tot en met 43 en de artikelen 69 tot en met 75 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, het KB van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Doordat het bestreden besluit stelt dat de onteigeningen nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg. Dat verder nog wordt gesteld dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de A12 is opgenomen als primaire weg I en de voorziene werken worden uitgevoerd conform de streefbeeldstudie. Dat in de randvoorwaarden van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorzien wordt dat de economische activiteiten zoveel mogelijk dienen geconcentreerd te worden in economische knooppunten, of zoals in dit geval aansluitend bij het ‘specifiek economisch knooppunt Londerzeel’ wat taakstelling impliceert in de regio. Dat voor deze zone een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in opmaak is. Terwijl Eerste onderdeel X-13.393-7/11 Om tot de desbetreffende onteigeningen over te gaan eerst moest worden overgegaan tot de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat de grote wegen zijn uitgetekend op het gewestplan. Dat voor het heraanleggen van deze wegen buiten de lijnen op het gewestplan, in casu de aanleg van het geplande afrittencomplex, het gewestplan moest worden aangepast. Dat deze wijziging eveneens doorgevoerd had kunnen worden door het aannemen van een ruimtelijke uitvoeringsplan. Dat dit ruimtelijk uitvoeringsplan momenteel nog in opmaak is. Dat het bestreden besluit alzo de verbindende kracht van het bestaande gewestplan schendt. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 16 G.W. kan worden onteigend onder de voorwaarden en in de gevallen door de wet bepaald. Dat overeenkomstig artikel 69 DRO kan worden onteigend voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat de Vlaamse Regering in haar besluit dd. 3 december 2004 stelt dat de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein Westrode te Meise moet gebeuren door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat in casu rechtstreeks wordt onteigend ter realisering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Zodat het bestreden besluit artikel 16 G.W., artikel 2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en de artikelen 37 tot en met 43 en de artikelen 69 tot en met 75 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het KB van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde- Asse schendt”. Beoordeling 7.
  19. Wat het eerste onderdeel betreft, dient te worden vastgesteld dat, zelfs indien met de verzoekende partij kan worden aangenomen dat de geplande aanleg van het op- en afrittencomplex A12 Londerzeel-Westrode slechts mogelijk zou zijn indien daartoe vooraf wordt overgegaan tot het opmaken van een ruimtelijk uitvoeringsplan of het wijzigen van een gewestplan, de geschonden geachte bepalingen op zich niet beletten dat een onteigeningsbesluit wordt genomen voorafgaand aan het opmaken van een ruimtelijk uitvoeringsplan of het wijzigen van een gewestplan. Nu het bestreden besluit enkel een onteigening inhoudt en dus op zich geen machtiging, toelating of vergunning uitmaakt om, na onteigening, de voorgenomen werken te realiseren, zijn artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en de artikelen 37 tot en met 43 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) niet geschonden. Het eerste onderdeel van het tweede middel is bijgevolg niet gegrond. X-13.393-8/11 7.2.
  20. Wat het tweede onderdeel betreft, dient te worden vastgesteld dat de artikelen 69 tot en met 75 DRO niet de verplichting inhouden om, wanneer, zoals te dezen, het aanleggen van een op- en afrittencomplex noodzaakt tot onteigening en wanneer voor het realiseren van die aanleg tevens het voorafgaand opmaken van een ruimtelijk uitvoeringsplan vereist zou zijn, die onteigening en het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan gezamenlijk te realiseren. 7.2.
  21. In de aanhef van het bestreden besluit wordt verwezen naar “het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en modaliteiten waarbij de Vlaamse regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden”. Overeenkomstig artikel 2 van dit decreet wordt de Vlaamse regering “gemachtigd over te gaan tot onteigeningen ten algemeen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen”. Tot die gewestelijke aangelegenheden behoren, overeenkomstig artikel 6 van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, de ruimtelijke ordening en de openbare werken en het vervoer, aangelegenheden waarop het bestreden besluit betrekking heeft. Het bestreden besluit kan aldus voldoende steun vinden in het voormelde decreet van 13 april
  22. Bovendien maakt de verzoekende partij haar standpunt niet aannemelijk als zou te dezen “rechtstreeks worden onteigend ter realisering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen”, evenmin als zou onteigend worden voor het verwezenlijken van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het bestreden besluit overweegt ter zake enkel dat “voor deze zone een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan in opmaak is”, wat niet ipso facto impliceert, en wat overigens ook niet wordt aangetoond, dat het bestreden besluit gesteund is op dit GRUP. De verzoekende partij kan dan ook niet worden gevolgd waar zij in de laatste memorie stelt dat de “onwettigheid van het Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Specifiek regionaal bedrijventerrein ‘transport, distributie en logistieke zone Westrode’ te Meise en Londerzeel’, zoals vastgesteld door de Raad van State, alzo de wettigheid van het ganse bestreden besluit aan(tast)”. Het tweede onderdeel van het tweede middel is bijgevolg ook niet gegrond. X-13.393-9/11 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  23. De verzoekende partij voert in het derde middel het volgende aan: “Schending van artikel 6, §1 van de Wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen juncto het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat het bestreden besluit stelt dat de onteigeningen volgens de plans 16DB G 00032A1 00 en B1 00 nodig zijn voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg - fase complex ‘Londerzeel-Zuid’. De plans 16DB G 00032A1 00, gevoegd bij het Ministerieel Besluit van 7 juni 2007 bevatten enkel een plan van de te onteigenen stroken langs de bestaande A12, doch dat is geen plan waarbij de aanleg van opritten en afritten wordt ingericht, noch een plan waarin stroken van 150 meter breed worden aangelegd voor de omvorming van de A12 tot autosnelweg. Terwijl artikel 6, §1 van de Wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen bepaalt dat perceelsgewijze plans, door de Koning goedgekeurd, stroken bepalen van ten hoogste 150 meter breed waarbinnen de autosnelwegen aangelegd en de bestaande wegen omgelegd zullen worden. Artikel 1 van de desbetreffende wet bepaalt dat de bij de wet ingestelde regeling van toepassing is op de openbare wegen die de Koning bij de categorie autosnelwegen indeelt en dat de voor de autosnelwegen dienende stationeerstroken alsmede de door de Koning bepaalde toegangswegen aan dezelfde regeling zijn onderworpen. Dat in casu het geplande afrittencomplex noch stroken van ten hoogste 150 meter breed worden aangegeven op de voornoemde plans. Zodat het bestreden besluit artikel 6, §1 van de Wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen juncto het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur schendt”. Beoordeling 9.
  24. Artikel 6, § 1 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen bepaalt het volgende: “Perceelsgewijze plans door de Koning goedgekeurd bepalen stroken ten hoogste 150 meter breed waarbinnen de autosnelwegen aangelegd en de bestaande wegen omgelegd zullen worden”. 9.
  25. Noch uit de tekst van artikel 6, § 1 van de voormelde wet van 12 juli 1956, noch anderszins blijkt dat de ingeroepen regel van toepassing is op onteigeningsbesluiten en de daarbij behorende onteigeningsplannen, zelfs indien deze betrekking hebben op het aanleggen van een autosnelweg. X-13.393-10/11 De verzoekende partij brengt evenmin argumenten aan waaruit zou kunnen blijken dat de ingeroepen beperking te dezen toepasselijk is op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat, zoals zij nog aanvoert in de laatste memorie, de plannen die voldoen aan het voorschrift neergelegd in artikel 6, § 1 van de voormelde wet van 12 juli 1956 zouden moeten zijn opgemaakt vooraleer het onteigeningsbesluit wordt genomen. Het derde middel is bijgevolg niet gegrond. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.393-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.841 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.789 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.