id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.944 Rolnummer: A. 133347/X-11318 Zaak: Arrest 207944 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-14 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:14 Fiche Arrest nr 207.944 van 6 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.944 van 6 oktober 2010 in de zaak A. 133.347/X-11.
- In zake:
- de v.z.w. WATERSTRAATSE VELDEN
- Jan VAN GEEL
- Madeleine DE POTTER
- Maria VAN DER FLAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Vanosselaer kantoor houdend te 2800 MECHELEN Veemarkt 37/A2 Tussenkomende partij: de n.v. IMVAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Erreygers en Yves Loix kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 februari 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 februari 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende inwilliging van het beroep van de n.v. Imvap, ingesteld tegen het besluit van 19 februari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel tot weigering van de vergunning tot het wijzigen van de bouwvergunning van 6 april 1998 in verband met het bouwen van een opslagplaats voor bouwmaterialen op een perceel gelegen te Zoersel, Kwikaard, kadastraal bekend sectie I, nrs. 310/a en 309/b. X-11.318-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 194.964 van 30 juni 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Auditeur Tom De Waele heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Robert Vanosselaer, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hugo Sebreghts, die loco advocaten Dirk Erreygers en Yves Loix verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Voor wat betreft de uiteenzetting van de feiten kan worden verwezen naar het tussenarrest nr. 194.964 van 30 juni
- X-11.318-2/10 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ratione temporis 4.1.
- In het verzoekschrift voeren de verzoekende partijen het volgende aan met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep: “Verzoekster sub 1 werd door haar raadsman eind december 2003 ingelicht dat op de zitting dd. 23 december 2002 van de 1C kamer van de Correctionele Rechtbank door de raadsman van nv Imvap werd gesteld dat een bestendige deputatie op 7 februari 2002 een wijzigende bouwvergunning werd toegekend. Bij brief van 6 januari 2002 werd de bouwvergunning aan het openbaar ministerie en aan de raadsman van verzoekster sub 1 toegezonden. De raadsman van verzoekster heeft deze stukken onmiddellijk doorgezonden aan verzoekster sub 1 bij brief van 9 januari jl.”. 4.1.
- De verwerende partij doet gelden dat het beroep laattijdig is, vermits de verzoekende partijen “weet hadden van de bouwvergunning sedert minstens 23 december 2002, waarschijnlijk eerder na ontvangst van de kennisgeving voor de zitting van 23 december 2002 en inzage van het strafdossier”. 4.1.
- Ook de tussenkomende partij argumenteert dat het beroep laattijdig is. Ze voert aan dat de beroepstermijn is beginnen te lopen “vanaf het ogenblik dat een zeer zichtbaar gedeelte van de in huidige procedure aangevochten vergunning, met name de bouw van de bakken voor minerale stoffen, werd gerealiseerd” en dat “het (...) verzoekende partijen (moet) zijn opgevallen wanneer deze bakken door tussenkomende partij in de periode einde maart-begin april 2002 gebouwd en voltooid zijn”. 4.1.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden te worden betekend, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij de mogelijkheid heeft kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het X-11.318-3/10 voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse worden gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft en dat aan het voormelde artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengt met zich mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te dienen een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. Volgens de verzoekende partijen namen zij eerst kennis van de afgifte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning bij brief van 9 januari 2003 van hun raadsman, waarbij hen het schrijven van 6 januari 2003 van de raadsman van de tussenkomende partij aan het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen werd meegedeeld. Een kopie van dit schrijven aan het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen wordt voorgelegd. De verwerende en de tussenkomende partijen tonen niet aan dat de verzoekende partijen eerder kennis hadden of konden hebben van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Het betoog dat “het (...) verzoekende partijen (moet) zijn opgevallen wanneer deze bakken door tussenkomende partij in de periode einde maart-begin april 2002 gebouwd en voltooid zijn” wordt niet gestaafd aan de hand van enig voldoende concreet of bewijskrachtig gegeven en is derhalve niet van aard de laattijdigheid van het beroep aan te tonen. De exceptie wordt verworpen. X-11.318-4/10 B. Belang 4.2.
- De tweede en de vierde verzoekende partijen voeren aan dat ze elk een woning bewonen gelegen aan de overzijde van de insteekweg die leidt naar de ingang van de percelen van de tussenkomende partij. De derde verzoekster voert aan dat ze op ongeveer 100m van de percelen van de tussenkomende partij woont. Volgens de verzoekende partijen hebben ze er als bewoners van “een rustige en residentiële wijk” belang bij dat “de ambachtelijke en K.M.O.-zone waaraan hun wijk paalt, niet tot een ruimte wordt omgevormd die niet aansluit bij de overige gebieden”. Ze voeren aan dat de vergunde constructie hun woonomgeving in ernstige mate aantast en de verkeershinder zal doen toenemen. Voorts wijzen ze op geluidsoverlast door onder meer zware vrachtwagens en de werking van een geluidsproducerende centrale en op het mogelijk toenemen van de visuele hinder door het bouwen van torenhoge installaties voor betoncentrales. 4.2.
- Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen bij het beroep. De verwerende partij voert aan dat de verzoekende partijen nalaten de nodige stukken voor te leggen, zodat het onmogelijk is om hun belang te onderzoeken. De tussenkomende partij sluit zich hierbij aan en stelt nog dat “op geen enkele wijze is aangetoond dat de vermeende hinder (...) een gevolg zou zijn van de inrichting, waarvoor tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning verkreeg”. Met betrekking tot de eerste verzoekende partij voert zij aan dat haar belang niet blijkt uit de statuten. Het belang in hoofde van de eerste verzoekende partij 4.2.
- Verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel X-11.318-5/10 niet samenvalt met het behartigen van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 4.2.
- Luidens artikel 3 van de statuten heeft de eerste verzoekende partij als doel: “op te treden als vertegenwoordiger van de buurtbewoners van de gemeente Schilde voor het gebied zich uitstrekkende ten noorden van het Antitankkanaal (Kleine Waterstraat, Noordelijke Oude baan, Riemstraat, Brabolaan, Boskant, Schietboog, De Roskam, Noorderlaan, Schildedreef, Strikkelaar en omgeving, welke invloed hebben op de doelstellingen van de v.z.w.) met als opzet de algemene belangen van haar leden te behartigen inzake het vrijwaren van het karakter eigen aan het woonparkgebied en de leefbaarheid van de omgeving; (...) de verkeersveiligheid van het gebied te bevorderen, oplossingen ter zake te bestuderen en aan de bevoegde instanties voor te stellen; (...)”. Tot de gebiedsomschrijving behoort dus ook de Waterstraat en een deel van het verkeer voor het bedrijventerrein verloopt via de Waterstraat. Dit wordt niet betwist. 4.2.
- Het ingestelde beroep kan wel degelijk worden ingepast in het doel dat de eerste verzoekende partij zich heeft gesteld. Gelet op het beperkte actieterrein van de eerste verzoekende partij, bestaat er tevens een voldoende band van evenredigheid tussen, enerzijds, het materieel en territoriaal actieterrein van de eerste verzoekende partij, en anderzijds, de draagwijdte van het bestreden besluit. De exceptie wordt verworpen. Het belang in hoofde van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partijen 4.2.
- De tweede, de derde en de vierde verzoekende partijen stellen in de onmiddellijke omgeving te wonen van de percelen waarvoor de stedenbouwkundige vergunning werd verleend. Zij doen alleen daardoor reeds in principe blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. Het tegendeel wordt niet aangetoond. De loutere stelling dat de verzoekende partijen nalaten de nodige stukken bij te brengen, volstaat alleszins niet om hen het belang bij het beroep te ontzeggen, zeker nu de ligging van de woningen van de X-11.318-6/10 verzoekende partijen in de zaak A. 144.266/X-11.651, waarin de tussenkomende partij eveneens tussenkomt, niet wordt betwist. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.1.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de “schending van artikel 2 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, het gewestplan Turnhout (K.B. 30/9/77) en artikel 8 2.1.
- van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen alsook het beginsel van de goede ruimtelijke ordening”. Daarin voeren ze een aantal elementen aan waaruit ze afleiden dat de geplande inrichting niet thuishoort in de door het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout aangeduide ambachtelijke KMO-zone, waardoor het bestreden besluit het voormelde gewestplan schendt. Vooreerst verwijzen ze naar de ligging van de betrokken KMO-zone, die langs twee zijden omsloten wordt door landelijke woongebieden en voorts aansluit bij zuiver residentiële woonzones, alsook bij een nog homogeen landschappelijk waardevol gebied, waar “zij (...) feitelijk deel van uit(maakt)”. Ze betogen dat de gevraagde toevoeging en uitbreiding niet thuishoren in een ambachtelijke zone omgeven door zuiver residentiële woonzones en landelijke woongebieden. Vervolgens doen ze onder meer gelden dat de percelen waarvoor de bestreden stedenbouwkundige vergunning werd verleend, de helft van de oppervlakte van de KMO-zone uitmaken, dat een grote opslagplaats zoals in casu niet thuishoort in een KMO-gebied, dat uit het aantal voorziene parkeerplaatsen blijkt dat er een intense kleinhandelsactiviteit in bouwmaterialen zal plaatsvinden en dat de voorziene inplanting niet aansluit bij de enkele reeds gevestigde kleine ambachtelijke bedrijven. Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat de ruimtelijke draagkracht van het omliggend gebied door de deels gerealiseerde en vergunde inrichting manifest wordt overschreden en dat de bestaande verkeersinfrastructuur geenszins geschikt is voor het voorziene vrachtwagenverkeer. Ter ondersteuning van deze stelling verwijzen ze naar het advies van 26 september 2000 van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL. Tevens voeren ze aan dat het advies van AHROM, waarin gesteld wordt dat “een handel in bouwmaterialen X-11.318-7/10 en beton in een KMO-zone mag ingeplant worden, zeker wanneer geen industriegebied binnen een straal van 6 à 7 km kan worden gevonden”, weinig ernstig is, vermits er volgens de verzoekende partijen binnen een straal van 15km wel industriegebieden zijn. De verzoekende partijen besluiten dat “de zeer grote opslagplaats in gesloten magazijnen en in openlucht, de voorziene handelsactiviteit die in een dienstverleningsgebied normaal dient te geschieden (en) de inbeslagname van 3/4 van de ambachtelijke zone door een industriële opslagplaats (aan)duiden (...) dat de geplande bestemming niet in overeenstemming te brengen (is) met de bestemming van de percelen, aangegeven in het gewestplan en de goede ruimtelijke ordening” en dat “hieraan een betoncentrale toevoegen en de bestaande opslagplaats uitbreiden” te beschouwen is als “een moord plegen op het gewestplan”. Beoordeling 5.1.
- Naar aanleiding van het beoordelen van de wettigheid van de aan de tussenkomende partij verleende milieuvergunning, had de Raad van State in het arrest nr. 190.641 van 19 februari 2009 reeds de gelegenheid een in nagenoeg gelijkluidende bewoordingen geformuleerd middel ten gronde te bespreken. De Raad van State oordeelde destijds onder meer dat de verenigbaarheid van de inrichting met de omgevende bestemmingszones geen bijzonder aandachtspunt diende te zijn nu bij het opmaken van het betrokken gewestplan kennelijk was geoordeeld dat de verschillende zones konden samengaan en de personen die zich in het betreffende woongebied vestigen ook goed weten dat zij zich vlakbij een zone bevinden waarvan een zekere hinder kan uitgaan, dat de reglementering nergens verbiedt dat één bedrijf de helft van de oppervlakte van een KMO-zone inneemt, dat slechts een gedeelte van de bedrijfsoppervlakte effectief bebouwd blijkt te zijn, dat het niet onredelijk is aan te nemen dat de opslag van bouwmaterialen een KMO-karakter vertoont en de omvang daarvan niet noodzakelijk als decisief te aanzien is, dat de omstandigheid dat bouwmaterialen aan particulieren verkocht worden niet impliceert dat het niet meer zou gaan om KMO- activiteiten, dat de verzoekende partijen niet aangeven waarom de vestiging van de tussenkomende partij niet zou “aansluiten bij” de overige bedrijven in de zone, dat niet aangetoond wordt waarom de bereikbaarheid van het bedrijf problematisch zou zijn, dat ook een betoncentrale met bijbehorende opslag niet onverenigbaar is met de geldende gewestplanbestemming en dat niet aangetoond wordt dat de hinder die daarvan uitgaat dusdanig is dat een dergelijke inrichting niet in een KMO-zone zou thuishoren. X-11.318-8/10 Het middel in de voorliggende zaak bevat geen elementen die tot een ander oordeel nopen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in de laatste memorie voorhouden, betreft deze beoordeling niet enkel de exploitatie van de inrichting, doch ook de in het middel aangevoerde stedenbouwkundige aspecten ervan. Voorts leiden de in de laatste memorie bijkomend aangevoerde elementen evenmin tot een andere conclusie. 5.1.
- In zoverre de verzoekende partijen in de laatste memorie nog een schending aanvoeren van het gelijkheidsbeginsel, is het middel onontvankelijk. Middelen, ook indien deze de openbare orde raken, moeten, teneinde de rechten van verdediging van de andere partijen te vrijwaren, in het verzoekschrift worden ontwikkeld, tenzij de grondslag ervan pas nadien aan het licht is kunnen komen, in welk geval die middelen ten laatste in het eerst mogelijke in de procedureregeling voorziene processtuk moeten worden opgeworpen. Te dezen kon de schending van het gelijkheidsbeginsel reeds in het verzoekschrift worden aangevoerd. 5.1.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.2.
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat “de bestreden beslissing (...) onwettig (is) daar zij een uitbreiding en toevoeging is van de vergunning verleend bij beslissing van 6 april 1998 die zelf door machtsoverschrijding is aangetast”. Beoordeling 5.2.
- Bij ’s Raads arresten nrs. 160.443 en 160.444 van 22 juni 2006 werden de door derden ingestelde annulatieberoepen tegen de voormelde vergunning van 6 april 1998 verworpen. Aldus is deze bouwvergunning van 6 april 1998 als individuele rechtshandeling met rechtsgevolgen definitief geworden en kan zij ook voor de Raad van State niet meer worden betwist bij wege van exceptie van onwettigheid naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het bestreden besluit. De door de verzoekende partijen gevraagde vaststelling van de onwettigheid is bijgevolg niet meer mogelijk. Evenmin kan “dit principe (...) X-11.318-9/10 beperkt worden tot de mate waarin deze onwettige beslissing subjectieve rechten heeft doen ontstaan” zodat “de onwettigheid ervan wel nog (kan) worden opgeworpen teneinde tegen te gaan dat op basis van dergelijke onwettige vergunning bijkomende subjectieve rechten worden verleend”, zoals de verzoekende partijen in de laatste memorie voorstellen. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor een vierde. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.318-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.944 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.964 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div