id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.945 Rolnummer: A. 144266/X-11651 Zaak: Arrest 207945 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-14 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:14 Fiche Arrest nr 207.945 van 6 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.945 van 6 oktober 2010 in de zaak A. 144.266/X-11.
- In zake:
- de v.z.w. WATERSTRAATSE VELDEN
- Jan VAN GEEL
- Madeleine DE POTTER
- Maria VAN DER FLAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de gemeente ZOERSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stany Wens kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Quinten Matsijslei 34 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. IMVAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 november 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 augustus 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel waarbij aan de n.v. Imvap de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het wijzigen van de X-11.651-1/13 bouwvergunning in verband met aanpassing van de betoncentrale op een perceel gelegen te Zoersel, Kwikaard, kadastraal bekend sectie I, nr. 310/a en volgende. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 194.965 van 30 juni 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Auditeur Tom De Waele heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karolien Descheemaeker, die loco advocaat Stany Wens verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Anneleen Claes, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Hugo Sebreghts, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-11.651-2/13 III. Feiten
- Voor wat betreft de uiteenzetting van de feiten kan worden verwezen naar het tussenarrest nr. 194.965 van 30 juni
- IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- Wat betreft haar belang bij het beroep, verwijst de eerste verzoekende partij naar haar statutair doel, dat er onder meer in bestaat de verkeersveiligheid van het gebied te bevorderen. Ze voert aan dat het zware vrachtverkeer naar het bedrijf van de tussenkomende partij steeds via de Waterstraat/Raymond Delbekestraat dient te passeren, waardoor afbreuk wordt gedaan aan haar statutair doel. Daarnaast doet ze gelden dat ook het aantasten van het groene karakter van de residentiële omgeving aan haar statutair doel raakt. De tweede en de derde verzoekende partijen voeren aan dat ze elk een woning bewonen die gelegen is aan de overzijde van de insteekweg die leidt naar de ingang van de percelen van de tussenkomende partij. De vierde verzoekster voert aan dat ze op ongeveer 100m van de percelen van de tussenkomende partij woont. Volgens de verzoekende partijen hebben ze er als bewoners van “een rustige en residentiële wijk” belang bij dat “de ambachtelijke en K.M.O.-zone waaraan hun wijk paalt, niet tot een ruimte wordt omgevormd die niet aansluit bij de overige gebieden”. Ze voeren aan dat de vergunde constructie hun woonomgeving in ernstige mate aantast en de verkeershinder zal doen toenemen. Voorts wijzen ze op geluidsoverlast door onder meer zware vrachtwagens en de werking van een geluidsproducerende centrale en op het mogelijk toenemen van de visuele hinder door het bouwen van torenhoge installaties voor betoncentrales. 4.
- Zowel de verwerende partijen als de tussenkomende partij betwisten het belang van de verzoekende partijen bij het beroep. Met betrekking tot de eerste verzoekende partij voeren ze aan dat haar belang niet blijkt uit de statuten. Wat de tweede, de derde en de vierde verzoekende partijen betreft, stellen ze dat hun belang niet voldoende wordt geconcretiseerd en dat het causaal verband tussen de voorgehouden hinder en de bestreden beslissing niet wordt aangetoond. Voorts betogen ze dat, zelfs indien er hinder zou zijn, deze geenszins voortvloeit uit de bestreden beslissing, maar wel uit de exploitatie van de centrale. X-11.651-3/13 Het belang in hoofde van de eerste verzoekende partij 4.
- Verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met het behartigen van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Luidens artikel 3 van de statuten heeft de eerste verzoekende partij als doel: “op te treden als vertegenwoordiger van de buurtbewoners van de gemeente Schilde voor het gebied zich uitstrekkende ten noorden van het Antitankkanaal (Kleine Waterstraat, Noordelijke Oude baan, Riemstraat, Brabolaan, Boskant, Schietboog, De Roskam, Noorderlaan, Schildedreef, Strikkelaar en omgeving, welke invloed hebben op de doelstellingen van de v.z.w.) met als opzet de algemene belangen van haar leden te behartigen inzake het vrijwaren van het karakter eigen aan het woonparkgebied en de leefbaarheid van de omgeving; (...) de verkeersveiligheid van het gebied te bevorderen, oplossingen ter zake te bestuderen en aan de bevoegde instanties voor te stellen; (...)”. Tot de gebiedsomschrijving behoort dus ook de Waterstraat en een deel van het verkeer voor het bedrijventerrein verloopt via de Waterstraat. Dit wordt niet betwist. Het ingestelde beroep kan wel degelijk worden ingepast in het doel dat de eerste verzoekende partij zich heeft gesteld. Gelet op het beperkte actieterrein van de eerste verzoekende partij, bestaat er tevens een voldoende band van evenredigheid tussen, enerzijds, het materieel en territoriaal actieterrein van de eerste verzoekende partij, en anderzijds, de draagwijdte van het bestreden besluit. De exceptie wordt verworpen. X-11.651-4/13 Het belang in hoofde van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partijen 4.
- Het wordt niet betwist dat de tweede, de derde en de vierde verzoekende partijen in de onmiddellijke omgeving wonen van de percelen waarvoor de stedenbouwkundige vergunning werd verleend. Zij doen alleen daardoor reeds in principe blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. Het tegendeel wordt niet aangetoond. Ook de hinder veroorzaakt door de bestemming van het vergund bouwwerk komt als grief in aanmerking om het belang te onderbouwen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.1.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de “schending van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, zoals gewijzigd bij de besluiten van 7 juli 2000 en 8 maart 2002”. Ze doen gelden dat voor het verlenen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning geen openbaar onderzoek werd georganiseerd, hoewel dit vereist was, vermits het plaatsen van de transportband veronderstelt dat het terrein op ingrijpende wijze en zeer diep wordt uitgegraven en een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem overeenkomstig artikel 3, §3, 5/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, aan een openbaar onderzoek dient te worden onderworpen. Beoordeling 5.1.
- Het toentertijd geldende artikel 3, §3, 3/ en 5/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, bepaalde wat volgt: X-11.651-5/13 “De volgende aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning worden onderworpen aan een openbaar onderzoek: (...) 3/ het oprichten van gebouwen of constructies met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter; het verbouwen van kleinere gebouwen en constructies waardoor deze dezelfde oppervlakte bereiken; het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 500 vierkante meter. Deze verplichting geldt niet in een industriegebied in de ruime zin, zoals gebied voor vervuilende industrie, gebied voor milieubelastende industrie, gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, regionaal bedrijventerrein of lokaal bedrijventerrein; (...) 5/ het ontbossen, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen met een grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter. Deze verplichting geldt niet indien een openbaar onderzoek over hetzelfde project is gehouden in het kader van de regelgeving inzake de landinrichting of de natuurinrichting”. 5.1.
- Met de verwerende partijen en de tussenkomende partij dient vastgesteld te worden dat de door de verzoekende partijen aangevoerde reliëfwijziging noodzakelijk is voor het ingraven van de transportband van de betoncentrale. Aldus staat de reliëfwijziging in functie van de betoncentrale, die overeenkomstig artikel 3, § 3, 3/ van het voormelde besluit niet aan een openbaar onderzoek is onderworpen. In die omstandigheden bestond er geen verplichting tot het organiseren van een openbaar onderzoek voor de bedoelde reliëfwijziging. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.2.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de “schending motiveringsverplichting zoals voorgeschreven door de Wet van 29 juli 1991”. Daarin doen ze gelden dat de motivering van het bestreden besluit geenszins afdoende is, nu deze motivering louter bestaat uit het verwijzen naar de vorige vergunning waarvan de bestreden stedenbouwkundige vergunning een uitbreiding is. Ze voeren aan dat met betrekking tot elke nieuwe vergunningsaanvraag een nieuwe en zorgvuldige afweging dient te worden gemaakt. Volgens de verzoekende partijen is de wijziging van de vergunning bovendien niet zo vanzelfsprekend, vermits de vorige vergunning aanvankelijk door het college van burgemeester en X-11.651-6/13 schepenen van de gemeente Zoersel werd geweigerd en slechts na beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen werd verleend. Daarenboven maakt deze vergunning het voorwerp uit van een annulatieberoep bij de Raad van State. Volgens de verzoekende partijen diende de wijziging van deze vergunning dan ook “minstens zorgvuldig te worden gemotiveerd”. Daarnaast voeren ze nog aan dat ook het feit dat de vergunningsaanvraag “gevoelig ligt bij de inwoners van de gemeente” en dat deze vergunningen “juridisch (...) onder vuur staan”, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel tot een verhoogde zorgvuldigheid met betrekking tot de motivering noopte. Voorts betwisten de verzoekende partijen dat de betoncentrale verenigbaar is met de bestemming van het gebied als zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. Beoordeling 5.2.
- Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet “afdoende” zijn. 5.2.
- Het bestreden besluit bevat, naast een weergave van het advies van de gemachtigde ambtenaar, onder meer de volgende motivering: “Het goed is gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, volgens het vastgestelde gewestplan, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 30 september
- De aanvraag valt niet binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling. De aanvraag is principieel in overeenstemming met het van kracht zijnde gewestplan. I.G.E.A.N. verleende een gunstig advies op 12 februari 2003 onder kenmerk FVS/MB/1071/
- Het schepencollege verleende een gunstig advies in zitting van 17 februari
- De aanvraag betreft een wijziging van de stedenbouwkundige vergunning dd. 07.02.2002, afgeleverd door de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen. De ruimtelijke impact van de gevraagde wijzigingen is gering. De constructies worden op voldoende afstand van de perceelsgrenzen ingeplant. X-11.651-7/13 De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening en is stedenbouwkundig aanvaardbaar. De gemachtigde ambtenaar verleende een gunstig advies op 1 augustus 2003 onder kenmerk 389.257
(2). De bestendige deputatie heeft een milieuvergunning verleend op 23 november 2000 met als einddatum 3 juli
- De milieuvergunning is in toepassing van de Vlarem-wetgeving 14 maanden en 14 dagen, hetzij tot 7 februari 2002 opgeschort geweest, de datum waarop in beroep bouwvergunning werd verkregen van de Bestendige Deputatie. De einddatum van de milieuvergunning is bijgevolg verlengd tot 17 september 2004”. 5.2.
- Uit de geciteerde motivering blijkt dat de stelling van de verzoekende partijen dat de motivering van de bestreden beslissing louter bestaat uit “een enkele verwijzing naar de vorige vergunning”, feitelijke grondslag mist. Voorts valt niet in te zien waarom in de bestreden beslissing niet zou mogen worden verwezen naar de eerdere vergunning van 7 februari 2002, nu de huidige stedenbouwkundige vergunning slechts een aantal wijzigingen inhoudt ten aanzien van deze vergunning. Waar de verzoekende partijen stellen dat deze vergunning van 7 februari 2002 “juridisch (...) onder vuur (staat)”, kan worden verwezen naar het arrest nr. 207.944 van heden, waarbij het annulatieberoep van de verzoekende partijen tegen deze vergunning wordt verworpen. De verzoekende partijen maken dan ook niet aannemelijk dat de voormelde motivering niet afdoende zou zijn. Zoals zal blijken bij de bespreking van het derde middel, tonen de verzoekende partijen evenmin een schending aan van de geldende gewestplanvoorschriften. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 5.3.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van “artikel 2 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; het gewestplan Turnhout (K.B. 30 september 1977) en het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen (M.B. 10 juli 2001); de artikelen 8 2.1.2 en 8 2.1.3 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; alsook het beginsel van de goede ruimtelijke ordening”. In het middel doen de verzoekende partijen gelden dat het bedrijf van de tussenkomende partij niet thuishoort in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en X-11.651-8/13 middelgrote ondernemingen. Hiertoe voeren ze vooreerst aan dat het bedrijf niet beschouwd kan worden als een kleine en middelgrote onderneming overeenkomstig de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. In die zin verwijzen ze onder meer naar het groene karakter van de omgeving van het bedrijf, dat onder meer benadrukt wordt in het ruimtelijk structuurplan Antwerpen. Volgens de verzoekende partijen wordt deze omgeving zwaar belast door toedoen van het bedrijf, dat qua omvang de helft van de zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen inneemt. Ze wijzen onder meer op een onaanvaardbare verkeersimpact en een aanzienlijke visuele hinder die een waardevermindering van het natuurlijk landschap met zich meebrengt. Daarnaast zijn de andere bedrijven die aanwezig zijn in de zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen volgens de verzoekende partijen kleinschalig en ambachtelijk en sluit de voorziene inplanting van de betoncentrale hier in het geheel niet bij aan. De verzoekende partijen voeren tevens aan dat de opslagcapaciteit van de tussenkomende partij geenszins onder de noemer “kleine opslagplaats”, zoals bepaald in de voormelde omzendbrief van 8 juli 1997, valt, zodat deze niet thuishoort in de betrokken zone. Voorts betogen de verzoekende partijen dat er ten gevolge van de hinder “voldoende redenenen voorhanden (zijn) om te stellen dat het bedrijf om sociale redenen moet worden afgezonderd van zijn huidige omgeving”, zodat het eerder thuishoort in een gebied voor milieubelastende industrieën en “hiertoe (...) nog voldoende industriegebieden voorhanden (waren) in de nabije omgeving”. Voorts stellen de verzoekende partijen dat aan de industriële activiteit van het bedrijf ook nog eens de nodige commerciële activiteiten werden gekoppeld die evenmin thuishoren in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. De verzoekende partijen besluiten dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied ruimschoots wordt overschreden door de bestreden stedenbouwkundige vergunning en dat het bedrijf niet kan worden vergund in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen “omwille van de omvang, de aard, de hinder voor zijn omgeving en de ongeoorloofde verkeersimpact”. Beoordeling 5.3.
- Naar aanleiding van het beoordelen van de wettigheid van de aan de tussenkomende partij verleende milieuvergunning, had de Raad van State in het arrest nr. 190.641 van 19 februari 2009 reeds de gelegenheid een in nagenoeg gelijkluidende bewoordingen geformuleerd middel ten gronde te bespreken. X-11.651-9/13 De Raad van State oordeelde destijds onder meer dat de verenigbaarheid van de inrichting met de omgevende bestemmingszones geen bijzonder aandachtspunt diende te zijn nu bij het opmaken van het gewestplan kennelijk was geoordeeld dat de verschillende zones konden samengaan en de personen die zich in het betreffende woongebied vestigen ook goed weten dat zij zich vlakbij een zone bevinden waarvan een zekere hinder kan uitgaan, dat de reglementering nergens verbiedt dat één bedrijf de helft van de oppervlakte van een KMO-zone inneemt, dat slechts een gedeelte van de bedrijfsoppervlakte effectief bebouwd blijkt te zijn, dat het niet onredelijk is aan te nemen dat de opslag van bouwmaterialen een KMO-karakter vertoont en de omvang daarvan niet noodzakelijk als decisief te aanzien is, dat de omstandigheid dat bouwmaterialen aan particulieren verkocht worden niet impliceert dat het niet meer zou gaan om KMO-activiteiten, dat de verzoekende partijen niet aangeven waarom de vestiging van de tussenkomende partij niet zou “aansluiten bij” de overige bedrijven in de zone, dat niet aangetoond wordt waarom de bereikbaarheid van het bedrijf problematisch zou zijn, dat verklaringen die voorkomen in een gemeentelijk publicatieblad juridisch relevantie missen, dat ook een betoncentrale met bijbehorende opslag niet onverenigbaar is met de geldende gewestplanbestemming en dat niet aangetoond wordt dat de hinder die daarvan uitgaat dusdanig is dat een dergelijke inrichting niet in een KMO-zone zou thuishoren. Het middel in de voorliggende zaak bevat geen elementen die tot een ander oordeel nopen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in de laatste memorie voorhouden, betreft deze beoordeling niet enkel de exploitatie van de inrichting, doch ook de in het middel aangevoerde stedenbouwkundige aspecten ervan. Voorts leiden de in de laatste memorie bijkomend aangevoerde elementen evenmin tot een andere conclusie. 5.3.
- In zoverre de verzoekende partijen in de laatste memorie nog een schending aanvoeren van het gelijkheidsbeginsel, is het middel onontvankelijk. Middelen, ook indien deze de openbare orde zouden raken, moeten, teneinde de rechten van verdediging van de andere partijen te vrijwaren, in het verzoekschrift worden ontwikkeld, tenzij de grondslag ervan pas nadien aan het licht is kunnen komen, in welk geval die middelen ten laatste in het eerst mogelijke in de procedureregeling voorziene processtuk moeten worden opgeworpen. Te dezen kon de schending van het gelijkheidsbeginsel reeds in het verzoekschrift worden aangevoerd. 5.3.
- Het derde middel is ongegrond. X-11.651-10/13 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 5.4.
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de “schending van het zorgvuldigheidsbeginsel” aan. Daarin doen ze gelden dat nergens uit de bestreden beslissing blijkt dat er “een degelijke belangenafweging” werd gemaakt “tussen de economische belangen van het bedrijf, de belangen van de buurtbewoners en het belang om de aanwezige groenstructuur te handhaven”, “zonder hierbij enige vooringenomenheid aan de dag te leggen”. Ze stellen dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning “een hele voorgeschiedenis” heeft en “bij de buurtbewoners uitermate gevoelig ligt”. In die zin wijzen ze er op dat tegen de drie stedenbouwkundige vergunningen die reeds werden afgeleverd, telkens een beroep tot nietigverklaring werd ingesteld bij de Raad van State en dat ook de milieuvergunningen “zeker niet onbetwist” zijn. Ze voeren aan dat “het (...) zorgvuldig (ware) geweest enige uitspraak van Uw Raad of van de Correctionele Rechtbank af te wachten of toch minstens de beslissing, gezien de betwistingen en het gevoelige karakter van het dossier, degelijk te motiveren”. Ze wijzen er op dat “het College van Burgemeester en Schepenen in het verleden zelf (heeft) geoordeeld dat deze hangende procedures een voldoende reden uitmaakten om een stedenbouwkundige vergunning te weigeren”. Beoordeling 5.4.
- De toepasselijke regelgeving, alsook het door de verzoekende partijen ingeroepen zorgvuldigheidsbeginsel, vereisen dat de eerste verwerende partij oordeelt over een bij haar ingediende stedenbouwkundige aanvraag. Dat een aantal andere en eerdere beslissingen het voorwerp vormen van betwisting en van procedures, kan op zich geen reden zijn om anders te handelen. De overheid kan en mag er niet van uit gaan dat deze vergunningen door de Raad van State zouden worden vernietigd. 5.4.
- Uit de bespreking van de voorgaande middelen is reeds gebleken dat niet is aangetoond dat de betrokken vergunning niet met schending van de toepasselijke wettelijke en reglementaire voorschriften werd verleend en dat de motiveringsplicht werd nageleefd. De verzoekende partijen tonen geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. X-11.651-11/13 5.4.
- Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 5.5.
- In een vijfde middel voeren de verzoekende partijen aan dat “de bestreden beslissing (...) onwettig (is) daar zij een uitbreiding en toevoeging is van de vergunning verleend bij beslissing van 6 april 1998 die werd gewijzigd bij de vergunning verleend bij beslissing van 7 februari 2002, vergunningen die zelf door machtsoverschrijding zijn aangetast”. Beoordeling 5.5.
- Bij ’s Raads arresten nrs. 160.443 en 160.444 van 22 juni 2006 werden de door derden ingestelde annulatieberoepen tegen de voormelde vergunning van 6 april 1998 verworpen. Aldus is deze bouwvergunning van 6 april 1998 als individuele rechtshandeling met rechtsgevolgen definitief geworden en kan zij ook voor de Raad van State niet meer worden betwist bij wege van exceptie van onwettigheid naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het bestreden besluit. De door de verzoekende partijen gevraagde vaststelling van de onwettigheid is bijgevolg niet meer mogelijk. Evenmin kan “dit principe (...) beperkt worden tot de mate waarin deze onwettige beslissing subjectieve rechten heeft doen ontstaan” zodat “de onwettigheid ervan wel nog (kan) worden opgeworpen teneinde tegen te gaan dat op basis van dergelijke onwettige vergunning bijkomende subjectieve rechten worden verleend”, zoals de verzoekende partijen in de laatste memorie voorstellen. Hetzelfde geldt voor de voormelde stedenbouwkundige vergunning van 7 februari 2002, nu het annulatieberoep dat door de verzoekende partijen tegen deze vergunning werd ingesteld, heden wordt verworpen bij arrest nr. 207.
- 5.5.
- In de laatste memorie vragen de verzoekende partijen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt art. 159 van de Grondwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het zo wordt geïnterpreteerd dat de hoven en rechtbanken, waaronder - in de zin van dit artikel - de Raad van State, met het oog op de rechtszekerheid, X-11.651-12/13 de onwettige algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen die individuele rechten verlenen moeten toepassen?”. Nog daargelaten de vraag of deze prejudiciële vraagstelling ontvankelijk in de laatste memorie kan worden geformuleerd, dient te worden vastgesteld dat artikel 159 van de Grondwet geen bepaling is die het Grondwettelijk Hof overeenkomstig artikel 26, §1 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vermag te toetsen. Er kan dan ook niet worden ingegaan op het verzoek tot prejudiciële vraagstelling. 5.5.
- Het vijfde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor een vierde. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.651-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.945 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.965 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div