id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:201
§1
van Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Bij elk nieuw initiatief waarvoor er een vergunning nodig is (een stedenbouwkundige, een milieuvergunning of een andere) en elk plan of programma, moet een watertoets worden uitgevoerd. Alleen wanneer er in geen geval schadelijke effecten voor water te verwachten zijn, dan zegt het gezond verstand dat de watertoets zonder voorwerp is. Indien de watertoets aantoont dat het initiatief significante schade kan veroorzaken, dan moeten er alternatieve of compensatiemaatregelen worden gezocht. De beslissende overheid legt in de eerste plaats voorwaarden op om de schade te vermijden of zoveel mogelijk te beperken. Als dat niet kan, zal de beslissende overheid de maatregelen richten op herstellen van de schade. In elke vergunning verdient de vergunningsverlenende overheid een waterparagraaf op te nemen. In de waterparagraaf vermeldt de vergunningverlener op een gemotiveerde manier of er schade aan het watersysteem zou kunnen ontstaan. Indien er schadelijke effecten worden verwacht, dan beschrijft de vergunningverlener welke voorwaarden opgelegd worden aan de vergunning, het plan of het programma om die effecten te vermijden, te herstellen of te compenseren. Blijkt er geen significante schade aan het watersysteem te ontstaan dan is een korte formulering voldoende.(...) X-13.350-9/18 Verzoekende partijen halen aan dat concluante deze decretaal opgelegde verplichtingen niet zou hebben nageleefd. Niets is minder waar. Bij de wijziging van de verkavelingsvergunning wordt expliciet verwezen naar de watertoets (...). In de algemene conclusie van de wijziging van de verkavelingsvergunning wordt de verkavelingswijziging planologisch en stedenbouwkundig - architecturaal verantwoord geacht om ‘bovenvermelde redenen’. Aangezien de watertoets expliciet vermeld wordt, slaat deze zinsnede zonder enige twijfel ook op de watertoets. In het beschikkend gedeelte van de wijziging van de verkavelingsvergunning wordt een positief advies verleend, dus ook een positief advies betreffende de watertoets. Bovendien wordt aangehaald dat alle overige voorschriften onverminderd van toepassing blijven. Hiermee doelt men onder meer op de oorspronkelijke verkavelingsvergunning d.d. 20/08/1968 waarin het volgende staat vermeld: ‘Gunstig onder de volgende voorwaarden: 3. Afwateringssysteem: Het afwateringssysteem van de verkaveling, dat zou uitmonden op de waterafvoerinrichting van de rijksweg (openbaar domein) moet in detail aan de voorafgaandelijke goedkeuring van het Bestuur van Bruggen en Wegen, Directie Wegen Brabant, voorgelegd worden (met plans, berekeningsnota’s, enz.) Indien het lozen der afvalwaters geschiedt naar de waterafvoerinrichting van de rijksweg (openbaar domein) dienen de vereiste maatregelen te worden getroffen opdat geen ongezonde of hinderlijke toestand ontstaat door slijkvormende of in ontbindingtredende afvalstoffen. De wetten en verordeningen inzake openbare hygiëne alsmede eventuele plaatselijke politieverordeningen dienen stipt nageleefd te worden.’ Het is duidelijk dat er wel degelijk werd nagegaan of er geen potentieel schadelijk effect kon voortvloeien uit de wijziging van de verkavelingsvergunning. De voorwaarden betreffende het afwateringssysteem werden bepaald bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning en werden voldoende geacht om een schadelijk effect te voorkomen bij de huidige wijziging van de verkavelingsvergunning. In casu is dit zeker het geval. Er werden reeds verschillende gebouwen opgericht op de naburige kavels en op geen enkele manier brachten deze schade toe aan het watersysteem. Het is dan ook evident dat een bijkomende bebouwing, een dubbele garage en geen volledige woning, geen betekenisvolle verandering aan het watersysteem zal veroorzaken. Daarenboven blijkt uit de adviezen van de Milieu- en Natuurraad Vlaanderen (MINA) en de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen (SERV) dat de waterparagraaf enkel dient te worden uitgevoerd als uit de ‘toets van het gezond verstand’ blijkt dat er een mogelijk schadelijk effect zou optreden: ‘De watertoets en de daaraan verbonden verplichting van een uitgebreide waterparagraaf in de vergunning is slechts van toepassing indien de overheid die voor de vergunning moet beslissen, vaststelt dat er een schadelijk effect wordt veroorzaakt. Wordt geen dergelijk effect veroorzaakt, dan vervalt de verplichting tot het opnemen van een uitgebreide waterparagraaf. In dat geval kan de overheid volstaan met een korte standaardformulering dat de aanvraag geen schadelijk effect veroorzaakt. Dit is de logica zelf, die overigens volgt uit de trapsgewijze toepassing van de watertoets die is verwoord in artikel 2 van het voorontwerp’ De hierboven aangehaalde ‘toets van het gezond verstand’ houdt in dat in bepaalde gevallen, uit de omstandigheden, overduidelijk kan worden afgeleid X-13.350-10/18 dat er geen significante schade aan het watersysteem kan worden toegebracht. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het bijbouwen van een verdieping op een gebouw. (...) In casu is dit zeker het geval. Er werden reeds verschillende gebouwen opgericht op de naburige kavels en op geen enkele manier brachten deze schade toe aan het watersysteem. Het is dan ook evident dat een bijkomende bebouwing, een dubbele garage en geen volledige woning, geen betekenisvolle verandering aan het watersysteem zal veroorzaken. Concluante leefde de decretale verplichtingen nauwgezet na en er kan haar dan ook geen schending van artikel 8 §§ 1 en 2 van het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de artikelen 2,
§ 1
van Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor adviesprocedure bij de watertoets, worden verweten. Verzoekende partijen halen aan dat in de beslissing tot wijziging van de verkavelingsvergunning reeds diende rekening te worden gehouden met een bijkomende verharding van het bouwperceel. Dit is een absurde redenering. De verkavelingsvergunning en de bouwvergunning zijn aparte vergunningen en bij het verlenen van de bouwvergunning werd te gepasten tijde door concluante rekening gehouden met de bijkomende verharding van het perceel door het op te richten bouwwerk. Zij diende dit niet reeds te doen bij de daaraan voorafgaande wijziging van de verkavelingsvergunning. Immers, is er slechts een mogelijke invloed op de grond indien er effectief een gebouw wordt op geplaatst en niet bij de verkaveling, of de wijziging ervan. HET EERSTE MIDDEL IS NIET ERNSTIG EN ONGEGROND IN AL ZIJN ONDERDELEN”. 5.
- De tweede verwerende partij repliceert: “In het eerste middel geeft de verzoekende partij aan dat t.a.v. de verkavelingwijziging geen ‘watertoets’ werd uitgevoerd. De vergunningverlenende overheid diende nochtans voor élke vergunningsaanvraag de watertoets uit te voeren en in een afzonderlijke ‘waterparagraaf’ in de motivering te voorzien. Het college van burgemeester en schepenen heeft op geen enkel ogenblik het schadelijk effect van de verkavelingwijziging op de lokale waterhuishouding beoordeeld, aldus de verzoekende partij. Volgens §1 van artikel 8 van het Decreet betreffende het integraal waterbeleid wordt de watertoets toegepast op alle overheidsbeslissingen inzake vergunningen, plannen of programma’s. Onder het begrip ‘vergunning’ dient o.a. de stedenbouwkundige vergunning, de verkavelingvergunning en de milieuvergunning te worden begrepen. De aanvraag om een verkavelingvergunning wordt geregeld in artikel 101 e.v. van het Ruimtelijke Ordeningsdecreet. De regelgeving m.b.t. de aanvraag om een wijziging van de verkavelingvergunning wordt weergegeven in artikel 132 van het Ruimtelijke Ordeningsdecreet. Los van de vraag of een aanvraag om verkavelingwijziging valt onder vermeld artikel 8 (n.v.d.r. artikel 8 werd immers gewijzigd bij decreet van 25.05.2007 waarbij §5 werd ingevoegd stellende dat ‘de verkavelingvergunning als vermeld in artikel 101’ ‘in ieder geval’ dient onderworpen te worden aan de watertoets), dient er vastgesteld te worden dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gooik bij de beoordeling van de aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning de watertoets heeft uitgevoerd. ‘(...) X-13.350-11/18 Watertoets: het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Dit wordt gecompenseerd door de plaatsing van een hemelwaterput (inhoud 7.500 l.), overeenkomstig de normen vastgelegd in de geldende gewestelijke/provinciale/gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.’ Het normdoel, nl. de beoordeling van de schadelijke effecten voor het water, werd gehaald. Een schadelijk effect wordt gedefinieerd als: ‘ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen’. Het eerste middel is ongegrond”. 5.
- De tussenkomende partij zet het volgende uiteen: “5 BETREFFENDE DE MIDDELEN 5.1 Betreffende het eerste middel (a) Samenvatting van het eerste middel
- Verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 8, § § 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna ‘het decreet van 18 juli 2003’) en de artikelen 2,
§1
van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna ‘het besluit van 20 juli 2006’). 12. Verzoekende partij ziet een schending van de voornoemde bepalingen in het feit dat
(1)in de eerste bestreden beslissing niet zou zijn nagegaan of zij een schadelijk effect in de zin van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid zou doen ontstaan en
(2)de eerste bestreden beslissing geen waterparagraaf in de zin van artikel 4 §1 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 zou bevatten. (
- b)Weerlegging (
- i)In hoofdorde: verzoekende partij heeft geen belang bij het middel 13. Overeenkomstig vaste rechtspraak van Uw Raad, is naast een belang bij de vordering tot nietigverklaring zelf, tevens vereist dat de verzoekende partij beschikt over een belang bij elk van de aangevoerde middelen (...). 14. In casu beschikt de verzoekende partij niet over het vereiste belang bij het eerste middel. Uit de tweede bestreden beslissing blijkt immers duidelijk dat de bouw van de garage als enige (overigens beperkte) effect heeft dat de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk wordt beperkt. Dit effect wordt volledig gecompenseerd door de plaatsing van een hemelwaterput. Deze hemelwaterput werd zelfs reeds op de plannen vermeld die gevoegd was bij de aanvraag van de eerste bestreden beslissing (...). De bestreden beslissing brengt aan verzoekende partij bijgevolg geen enkel nadeel toe. Als gevolg hiervan kan een eventuele nietigverklaring haar X-13.350-12/18 bijgevolg evenmin een voordeel opleveren. Verzoekende partij beschikt dan ook niet over het vereiste belang. (
- ii)In ondergeschikte orde: een wijziging van de verkavelingvergunning vereist geen watertoets 15. De eerste bestreden beslissing vermeldt onder het hoofdstuk ‘Watertoets’ het volgende: ‘In toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 (B.S. 31/10/2006) tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende integraal waterbeleid, is de vergunningverlenende overheid verantwoordelijk voor het uitvoeren van de watertoets aan de hand van de vastgestelde beoordelingsschema’s’. 16. Aan de hand van het vastgestelde beoordelingsschema diende evenwel geen watertoets te worden uitgevoerd. Artikel 3 van het besluit van 20 juli 2006 luidt immers als volgt: ‘Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, wordt de watertoets omtrent een vergunningsaanvraag die betrekking heeft op een of meer van de hierna vermelde ingrepen uitgevoerd aan de hand van de hierna opgesomde beoordelingsschema’s. Voorafgaand aan het onderzoek middels deze beoordelingsschema’s zal de vergunningverlenende overheid nagaan of er sprake kan zijn van een schadelijk effect zoals bedoeld in art. 3, 2, 17/ van het decreet. Wanneer blijkt dat bedoeld schadelijk effect er niet zal zijn, is het advies van de watertoets positief. Beoordelingsschema’s : 1/ als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het verkavelen van een stuk grond, het oprichten van een constructie, al dan niet gedeeltelijk of volledig ondergronds, of het aanleggen van een verharding, volgens het beoordelingsschema vastgesteld in bijlage I; ...’. Voorafgaand aan het onderzoek aan de hand van de beoordelingsschema’s werd vastgesteld dat er voor wat betreft de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning, geen sprake kan zijn van een schadelijk effect zoals bedoeld in art. 3, § 2, 17/ van het decreet van 18 juli 2003. De wijziging aan de verkavelingsvergunning kan immers onmogelijk leiden tot een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan. Het is immers niet de wijziging aan de verkavelingsvergunning, maar wel de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning in uitvoering van deze wijziging die mogelijks kan leiden tot een veranderen van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan. 17. Dit wordt trouwens bevestigd door het feit dat er voor een dergelijke wijziging aan een verkavelingsvergunning geen beoordelingsschema bestaat. Het beoordelingsschema vastgesteld in bijlage I is immers maar van toepassing als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het verkavelen van een stuk grond, het oprichten van een constructie, al dan niet gedeeltelijk of volledig ondergronds, of het aanleggen van een verharding. Dat is in casu niet het geval. Het verkavelen van de gronden gebeurde immers reeds door de verkavelingsvergunning van 14 oktober 1968 en de wijziging op zich geeft geen toelating om constructies op te richten of verhardingen aan te leggen. Het voorgaande is niet meer dan logisch. Indien te oordelen zou zijn dat een wijziging van een verkavelingsvergunning een ‘schadelijk effect’ zou kunnen veroorzaken, dan zou de watertoets in principe moeten geschieden aan de hand van de beoordelingsschema’s zoals gevoegd als bijlage I van het besluit van 20 juli 2006. Maar geen enkel van deze beoordelingsschema’s is van toepassing X-13.350-13/18 bij een wijziging van een verkavelingsvergunning, aangezien dergelijke wijziging geen verkaveling van een stuk grond, oprichting van constructies, al dan niet gedeeltelijk of volledig ondergronds, of aanleg van een verharding omvat. Er zou alsdan geen nuttige watertoets kunnen worden uitgevoerd. Het is slechts bij de beoordeling van de stedenbouwkundige vergunning dat op nuttige wijze een watertoets kan worden uitgevoerd, aan de hand van de concrete bouwplannen. 18. Het eerste middel is bijgevolg ongegrond. (iii) In meer ondergeschikte orde: de watertoets - voor zover deze noodzakelijk zou zijn, quod non, werd wel degelijk uitgevoerd 19. In ondergeschikte orde, en enkel in de mate dat Uw Raad van oordeel zou zijn dat voor het nemen van de eerste bestreden beslissing desalniettemin een watertoets zou vereist zijn - quod non - is op te merken dat deze toets in casu op voldoende wijze - en voor zoveel als nodig - werd uitgevoerd. 20. Overeenkomstig de handleiding voor vergunningverleners inzake de watertoets (...), dient eerst en vooral de ‘toets van het gezond verstand’ te worden toegepast. Indien een vergunning geen potentieel schadelijk effect heeft op het watersysteem, kan worden volstaan met deze vaststelling. In casu is vast te stellen dat de eerste bestreden beslissing, gelet op haar kleinschalig karakter, volgens de toets van het gezond verstand, geen schadelijk effect heeft op het watersysteem. Trouwens, het feit of de garage van tussenkomende partij nu op de perceelsgrens, dan wel op 4 meter van de perceelsgrens zal worden ingeplant, heeft geen enkele invloed op het watersysteem, laat staan een negatieve invloed. 21. En voor zover er toch een mogelijk schadelijk effect zou optreden, wordt ook dit behandeld in de eerste bestreden beslissing: ‘In toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 (B.S. 31/10/2006) tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende integraal waterbeleid, is de vergunningverlenende overheid verantwoordelijk voor het uitvoeren van de watertoets aan de hand van de vastgestelde beoordelingsschema’s. Externe adviezen De administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Vlaams-Brabant bracht op 24/10/2006 een gunstig advies uit met betrekking tot de inplanting langs de gewestweg. In het bovenvermelde advies werd een afwijking toegestaan om de constructie in te planten op 15,40m uit de as van de voorliggende weg. Openbaar onderzoek ... Teneinde tegemoet te komen aan een opmerking van de bezwaarindiener, zijnde de wateroverlast, afkomstig van het dak, werd het gabarit van de aan te bouwen garage 0,70 m boven het gabarit van de woning gebracht.’ Het advies van de afdeling Wegen en Verkeer vermeldt bovendien nog het volgende (...): ‘Het afwateringssysteem van de verkaveling, dat zou uitmonden in de waterafvoerinrichting van de gewestweg (openbaar domein), moet in detail aan de voorafgaande goedkeuring van de administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Vlaams-Brabant, Via Vitagebouw, Luchthavenlaan 4 te 1800 Vilvoorde, worden onderworpen met overlegging van plans, berekeningsnota’s, enz. Indien het afvalwater wordt geloosd in de waterafvoerinrichting van de gewestweg, (openbaar domein) dienen de vereiste maatregelen getroffen te worden opdat geen ongezonde of hinderlijke toestand ontstaat door slijkvormende of in ontbinding tredende afvalstoffen. X-13.350-14/18 De wetten en verordeningen inzake openbare hygiëne alsmede de eventuele plaatselijke politieverordeningen moeten stipt nageleefd worden.’ Uit het voorgaande blijkt dat er dus wel degelijk - voor zoveel als nodig, aangezien de watertoets naar het oordeel van tussenkomende partij bij een wijziging van verkavelingsvergunning niet is vereist - rekening is gehouden met een mogelijk schadelijk effect. 22. Uit de plannen die waren gevoegd bij de eerste bestreden beslissing blijkt tenslotte dat een hemelwaterput zou worden geplaatst, waardoor elk mogelijk nadelig effect voor het watersysteem dat later zou voortvloeien uit de bouw van de garage - en dus niet uit de wijziging van de verkavelingsvergunning - zou worden voorkomen. Tussenkomende partij liet een offerte opmaken voor de plaatsing van deze hemelwaterput (...). 23. Uit het voorgaande blijkt bijgevolg dat de watertoets - voor zoveel als nodig - wel degelijk reeds werd uitgevoerd bij de behandeling van de wijziging van de verkavelingsvergunning. Het eerste middel is ook om deze reden niet gegrond. (
- iv)In uiterst ondergeschikte orde: het doel van de motiveringsplicht zoals opgelegd in artikel 4, § 1 van het besluit van 20 juli 2006, werd bereikt 24. In uiterst ondergeschikte orde, is op te merken dat artikel 4, § 1 van het besluit van 20 juli 2006 een vorm van formele motiveringsplicht oplegt aan de vergunningverlenende overheden. 25. Overeenkomstig vaste rechtspraak van Uw Raad heeft de formele motiveringsplicht als belangrijkste bestaansreden de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven mede te delen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep (en eventueel een vordering tot schorsing) te bestrijden (...). In casu blijkt dat aan bovenvermelde doelstellingen is voldaan. Verzoekende partij heeft immers met het indienen van het beroep tegen de eerste bestreden beslissing gewacht tot op het moment dat zij kennis had van de tweede bestreden beslissing en was bijgevolg op het moment dat het verzoek tot schorsing en nietigverklaring werd ingediend, volledig in kennis van de redenen waarom de bouw van de garage de watertoets doorstaat. In deze tweede bestreden beslissing wordt immers het volgende gesteld: ‘Watertoets: het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Dit wordt gecompenseerd door de plaatsing van een hemelwaterput (inhoud 7.500 l.), overeenkomstig de normen vastgelegd in de geldende gewestelijke/provinciale/gemeentelijke stedenbouwkundige verordening’. Verzoekende partij kon bijgevolg nagaan of verwerende partij bij het verlenen van de vergunningen is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of die gegevens door verwerende partij correct werden beoordeeld, en of verwerende partij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. Het doel van de formele motiveringsplicht die is opgenomen in artikel 4, § 1 van het besluit van 20 juli 2006 werd bijgevolg bereikt, zodat ook om deze reden het eerste middel niet ernstig is. 26. Verzoekende partij betwist bovendien niet dat voor de bouw van de garage wel degelijk een watertoets werd uitgevoerd. Evenmin betwist X-13.350-15/18 verzoekende partij dat deze watertoets om welke reden dan ook niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten. Ook om deze reden tenslotte is het eerste middel ongegrond”. Beoordeling 5.5. Het onderzoek van het belang bij het middel is te dezen begrepen in de beoordeling van de gegrondheid van dat middel. Artikel 8, § 1, eerste lid van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: het decreet integraal waterbeleid) bepaalt onder meer dat de overheid die, zoals te dezen, over een vergunning moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van de vergunning of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de watertoets impliceert dat wordt onderzocht of een voorgenomen vergunning een “schadelijk effect” in de zin van artikel 3, § 2, 17/ van het decreet integraal waterbeleid doet ontstaan. De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17/, te weten “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. Artikel 8, § 2, tweede lid van het voormelde decreet bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend, een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het voormelde decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/ van het voormelde decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen X-13.350-16/18 ontstaan, maar dat ze door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Daarbij mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Vermits die toets ook geldt voor verkavelingsvergunningen, kan hij niet worden uitgesteld tot de nadien te verlenen stedenbouwkundige vergunning. 5.6. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid, is in werking getreden op 1 november 2006. Aldus was het van toepassing op het ogenblik dat de bestreden besluiten werden genomen. 5.7. In het eerste bestreden besluit is aangaande de watertoets geen motivering opgenomen. Tevens dient te worden vastgesteld dat het advies van de afdeling Wegen en Verkeer van 24 oktober 2006 niet toelaat te besluiten dat aan de watertoets en de formele motiveringsplicht zoals vereist door artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet integraal waterbeleid is voldaan. Nog daargelaten de vraag of dit advies wel een watertoets bevat zoals voorzien in artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet integraal waterbeleid, dient te worden vastgesteld dat dit advies niet werd overgenomen in het thans bestreden eerste besluit, en dat dit advies evenmin bij het besluit werd gevoegd. 5.8. Gelet op het gegeven dat het tweede bestreden besluit stoelt op het eerste bestreden besluit, is ook het tweede bestreden besluit onwettig. 5.9. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt: 1. het besluit van 26 maart 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gooik houdende afgifte aan Sophie Vanslambrouck van de vergunning voor het wijzigen van de verkavelingsvergunning voor een perceel gelegen te Gooik, Ninoofsesteenweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 187/v en X-13.350-17/18 2. het besluit van 16 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gooik houdende afgifte aan Sophie Vanslambrouck van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een garage op een perceel gelegen te Gooik, Ninoofsesteenweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 187/v. 2. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.350-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.946 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.228 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div