← België

Arrest 207948 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.948 Rolnummer: A. 183883/X-13323 Zaak: Arrest 207948 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:14 Fiche Arrest nr 207.948 van 6 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.948 van 6 oktober 2010 in de zaak A. 183.883/X-13.323. In zake: 1. Suzanne HANSSENS-DECORTE 2. Bart BREUGHE 3. Werner BAEKELANDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 GENT Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 WAREGEM Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de gemeente WEVELGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 23 maart 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan het gemeentebestuur Wevelgem van de stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van een toegangsweg naar het gemeentelijk depot op een perceel gelegen te Wevelgem, Koningin Fabiolastraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 127/e. X-13.323-1/9 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 augustus 2007. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Yves François, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jo Goethals, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 8 april 1994 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gemeente Wevelgem de vergunning voor het bouwen van gemeentelijke werkplaatsen en een stapelplaats. Gelijktijdig met het uitvoeren van deze werken in de jaren 1994- 1995 wordt een toegangsweg aangelegd naar dit gemeentelijk depot “Bilgenboom”. X-13.323-2/9 4. Op 14 december 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het regulariseren van de wegeniswerken aan de toegangsweg gelegen Koningin Fabiolastraat te Wevelgem, op een perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 127/e. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk ligt het betrokken perceel in gebied voor dagrecreatie. Sinds de inwerkingtreding op 28 februari 2006 van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening regionaalstedelijk gebied Kortrijk” ligt het perceel eveneens binnen het plangebied stedelijk woongebied 7b “IJzerpoort”. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 5. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem verleent op 28 november 2006 een gunstig advies. 6. Op 19 januari 2007 verleent de dienst Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen van het agentschap Ruimtelijke Ordening Vlaanderen een gunstig advies. 7. Op 23 maart 2007 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning. Dit is de bestreden beslissing waarin, onder meer, het volgende wordt overwogen: “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gelet dat in een zone ‘stedelijk woongebied’ binnen het RUP waar: openbare, private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, kantoren en diensten, parkeer en openbare vervoervoorzieningen, openbare groene en verharde ruimten mogelijk zijn en toegelaten kunnen worden. Gelet dat de aanvraag in overeenstemming is met de bepalingen en voorschriften van het geldende gewestelijk RUP. Gelet op het gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen Gelet op het gunstig advies van onroerend erfgoed. Gelet dat de aanvraag door groenstroken ingekaderd wordt en visueel niet storend overkomt. Gelet dat de aanvraag kadert binnen de ruimere aanleg en ontsluiting van bestaande achterliggende gemeentelijke diensten. Gelet dat de aanvraag de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengt”. X-13.323-3/9 IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 8. De memorie van de tussenkomende partij werd laattijdig ingediend en wordt bijgevolg uit de debatten geweerd. Er kan dan ook geen rekening worden gehouden met de laatste memorie van die partij, in zoverre ze argumenten bevat die in de memorie hadden kunnen worden ontwikkeld. V. Ontvankelijkheid van het beroep en van de tussenkomst 9. De verzoekende partijen stellen in het verzoekschrift aangaande hun belang bij het annulatieberoep dat zij buurtbewoners zijn die in de onmiddellijke omgeving van de toegangsweg van de gemeentelijke werk- en stapelplaatsen wonen. Meer bepaald woont de tweede verzoeker “vlak naast deze weg, gezien vanaf de toegang tot die weg, links ervan (dus westelijk)”. Naast hem woont de derde verzoeker en “minst dicht bij die weg, op ong. 30 meter” woont de eerste verzoekster. Zij stellen dat “zowel de geregulariseerde aanleg van de weg als het gebruik van de weg en bijbehoren (...) erg storend (zijn) binnen de directe omgeving waarbinnen verzoekers wonen (...) zowel visueel-stedenbouwkundig als naar gebruik toe”, onder meer “enkele honderden verkeersbewegingen per dag”. Door de afwezigheid van buffering tussen de weg en hun tuinen stellen zij als aanpalende eigenaars, samen met hun familie, gestoord te worden in “de rust, het tuingenot en wooncomfort en leefmilieu in ruime zin”. 10. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van een persoonlijk en rechtmatig belang. Meer bepaald stelt zij dat enkel de tweede verzoeker een aanpalende eigenaar is, doch dat dit “geenszins (impliceert) dat hij automatisch een persoonlijk en rechtmatig belang heeft”. Volgens haar ondervindt de tweede verzoeker geen nadeel door de geregulariseerde toegangsweg aangezien hij zelf gebruiker is van deze weg die toegang biedt “tot zijn garages die achteraan zijn perceel gelegen zijn” en zonder dewelke hij zijn garages niet meer kan bereiken. De eerste en de derde verzoekende partijen hebben volgens de verwerende partij evenmin een persoonlijk en rechtmatig belang bij het beroep aangezien zij “op verdere afstand (wonen) en (...) geen zicht (hebben) op de toegangsweg”. Tot slot stelt de verwerende partij dat “de verzoekende partijen geen acties (hebben) ondernomen tegen de bouw van het gemeentelijk depot dat er X-13.323-4/9 ondertussen toch al 13 jaar staat” en dat “op een ingesloten perceel (

  1. is)gelegen, zodat het krachtens het (artikel 682) B.W. een recht van uitweg heeft”. Door het annulatieberoep trachten de verzoekende partijen volgens haar “de continuïteit van de openbare dienst te verhinderen, wat geen rechtmatig belang is”. 11. De verzoekende partijen vragen in de memorie van wederantwoord een ambtshalve onderzoek van het belang van de tussenkomende partij en vragen zich af: “Is de beslissing wettig genomen? Diende de gemeenteraad niet mede betrokken bij de beslissing tot de procedure, nu het gaat om een zaak van wegenissen op eigendom van de gemeente? Heeft de gemeente een wettig belang, vermits zij via die weg de exploitatie wil instandhouden van illegaal in het dagrecreatiegebied gebouwde loodsen/werkplaatsen? Heeft zij wel een rechtmatig en geoorloofd belang, cfr. de rechtsspreuk ‘nemo auditur suam turpitudinem allegans’ en de vereiste van het geoorloofd belang”. 12. In de laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat het beroep onontvankelijk is ten aanzien van de tweede verzoeker die inmiddels is verhuisd na het verkopen van zijn woning. 13. De verzoekende partijen stellen in de laatste memorie dat het gegeven “dat de tweede verzoekende partij inmiddels verhuisd is (...) de vereiste van het persoonlijk belang (...) niet (aantast), vermits dit aanwezig was bij het indienen van het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, zijnde de verplicht en tijdig in te dienen procedurestukken”. Zij voegen er nog aan toe dat er bovendien “ook nu nog een voldoende belang aanwezig (is), vermits de recente verhuis juist ook een gevolg (
  2. is)van de slechte milieusituatie”. 14. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kunnen de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van die wetten voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Dit veronderstelt dat de verzoekende partij door het bestreden besluit is benadeeld en dat dit nadeel persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel is. Daarenboven is vereist dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing de verzoekende partij een rechtstreeks voordeel verschaft. X-13.323-5/9 15. Het belang waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en die partij moet dat belang ook nog bezitten op het ogenblik van de uitspraak. Ten aanzien van de tweede verzoeker dient te worden vastgesteld dat hij niet meer over het rechtens vereiste belang beschikt, waar niet wordt betwist dat hij zijn eigendom heeft verkocht en is verhuisd. De exceptie is gegrond ten aanzien van de tweede verzoeker. 16. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de eigendommen van de eerste en de derde verzoekende partijen in de onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, op respectievelijk 30 en 10 meter afstand van de betrokken toegangsweg. Daardoor doen zij in principe blijken van het rechtens vereiste belang. De argumentatie van de verwerende partij doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de eerste en de derde verzoekende partijen door de kwestieuze toegangsweg in hun woongenot kunnen worden gestoord. De exceptie wordt verworpen. Als verder in het arrest wordt verwezen naar de verzoekende partijen, worden hiermee de eerste en de derde verzoekende partijen bedoeld. 17. Vragen zoals opgeworpen door de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord kunnen niet worden beschouwd als excepties. De Raad van State ziet geen reden om ambtshalve tot de niet-ontvankelijkheid van de tussenkomst van de begunstigde van de bestreden beslissing te besluiten. VI. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 18. De verzoekende partijen putten een eerste middel uit de schending van de artikelen 2 en 3, §3, 3/ en 5/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, alsmede uit machts- en bevoegdheidsoverschrijding. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden vergunning artikel 42 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 (hierna: het gemeentedecreet) schendt omdat de bevoegdheid van de gemeenteraad X-13.323-6/9 wordt miskend, “terwijl zij de volheid van bevoegdheid heeft”. Volgens hen heeft de verwerende partij haar bevoegdheid overschreden doordat het agentschap Ruimtelijke Ordening zich heeft uitgesproken over de aanvraag zonder dat het beschikte over de machtiging of de “deelneming” van de gemeenteraad, terwijl “de aanleg zowel als de regularisatie van een gemeenteweg(enis) (...) bij uitstek een zaak van gemeentelijk belang (is)”. 19. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord aangaande het tweede onderdeel dat “de toegangsweg geen openbare weg is” omdat “hij (...) geen straatnaam (heeft)” en “niet (valt) binnen een verkaveling zodat artikel 133 DRO niet van toepassing is”. Volgens haar is de weg “een oprit met een privaat karakter zodat de gemeenteraad zich geenszins over het tracé diende uit te spreken”. 20. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat het irrelevant is of de toegangsweg een oprit met privaat karakter, dan wel een openbare weg is omdat de weg zich bevindt “op eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon en aansluit met de Koningin Fabiolastraat” en de gemeenteraad in beide gevallen ten volle bevoegd blijft inzake de wegen. Beoordeling 21. Artikel 42 van het gemeentedecreet, zoals van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen, beschikt de gemeenteraad over de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, bepaald in artikel 2. § 2. De gemeenteraad bepaalt het beleid van de gemeente en kan daartoe algemene regels vaststellen. § 3. De gemeenteraad stelt de gemeentelijke reglementen vast. Onverminderd de federale wetgeving in verband met de bevoegdheid van de gemeenteraad tot het vaststellen van politieverordeningen, kunnen de reglementen onder meer betrekking hebben op het gemeentelijk beleid, de gemeentelijke belastingen en retributies, en op het inwendige bestuur van de gemeente. Een afschrift van elk reglement waarin een strafbepaling of een administratieve sanctie wordt opgenomen, wordt dadelijk verzonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank”. X-13.323-7/9 Artikel 2 van het gemeentedecreet luidt als volgt: “De gemeenten beogen om op het lokale niveau bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied. Overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet zijn ze bevoegd voor de aangelegenheden van gemeentelijk belang voor de verwezenlijking waarvan ze alle initiatieven kunnen nemen. Overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 46 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en met toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, oefenen de gemeenten ook de bevoegdheden uit die hen door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd. Enkel als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen”. De gemeenteraad bezit op grond van artikel 42 van het gemeentedecreet op gemeentelijk vlak de volheid van bevoegdheid. De gemeenteraad is derhalve bevoegd telkens de wet een bepaalde aangelegenheid niet aan de beslissingsmacht van een ander gemeentelijk orgaan heeft opgedragen. Inzonderheid behoren besluiten over de aanleg van gemeentewegenis tot de bevoegdheid van de gemeenteraad. Een beslissing ter zake moet noodzakelijk voorafgaan aan de afgifte van een vergunning waarin het aanleggen van wegenis die een openbare of quasi-openbare bestemming kan krijgen wordt voorzien. De vraag of de in de vergunningsaanvraag voorziene wegenis een openbare of een quasi-openbare bestemming kan krijgen, moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens van het dossier. 22. Uit de gegevens van het dossier blijkt niet dat onderzocht is of de in de vergunningsaanvraag voorziene wegenis een openbare of een quasi-openbare bestemming kan krijgen. De bestreden vergunning bevat evenmin een motivering dienaangaande. 23. Noch de verwerende, noch de tussenkomende partij brengt elementen naar voor waaruit blijkt dat de kwestieuze weg een louter private bestemming heeft. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep in hoofde van de tweede verzoekende partij. X-13.323-8/9 2. De Raad van State vernietigt het besluit van 23 maart 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan het gemeentebestuur Wevelgem van de stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van een toegangsweg naar het gemeentelijk depot op een perceel gelegen te Wevelgem, Koningin Fabiolastraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 127/e. 3. De tweede verzoekende partij wordt verwezen in een derde van de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De verwerende partij wordt verwezen in twee derde van de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.323-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.