id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.973 Rolnummer: A. 195111/XII-6076 Zaak: Arrest 207973 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 07/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 12:44 Fiche Arrest nr 207.973 van 7 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 207.973 van 7 oktober 2010 in de zaak A. 195.111/XII-6076 In zake: Soumaya EL MESBAHI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 1040 Brussel Galliërslaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HOGESCHOOL VOOR WETENSCHAP EN KUNST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 4 januari 2010, strekt tot de nietigverklaring van het besluit nr. 2009/116 van 8 december 2009 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft de voortzetting van de procedure gevraagd. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september
- XII-6076-1\8 Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Steve Ronse, die loco advocaat Konstantijn Roelandt verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten gegeven: “3.
- Verzoekende partij was tijdens het academiejaar 2008-2009 ingeschre- ven met een geïndividualiseerd studietraject in de bachelor in de industriële wetenschappen – chemie. 3.
- Verzoekende partij stelde op datum van 30 september 2009 een eerste intern beroep in bij de onderwijsinstelling tegen de examenbeslissing van 8 september
- Verwerende partij achtte dit beroep niet ontvankelijk op grond van laattijdigheid. Bij aangetekend schrijven van 19 oktober 2009 diende verzoekende partij een eerste verzoekschrift in bij de Raad. De Raad besliste bij besluit van 12 november 2009(R.stvb.2009/098) dat het beroep in de hierna aangegeven mate gegrond was: ‘Op grond van artikel 35 van het Openbaarheidsdecreet is de termijn van intern beroep niet gaan lopen ten aanzien van de verzoekende partij, zodat de bestreden beslissing op intern beroep het intern beroep van de verzoekende partij ten onrechte wegens laattijdigheid niet ontvankelijk heeft verklaard.’ ‘In zoverre het middel betrekking heeft op het gebrek aan motivering van de examenresultaten, is het gegrond, nu de Raad uit geen door de verwerende partij bijgebracht stuk kan opmaken hoe de betwiste resultaten tot stand zijn gekomen, en de verzoekende partij ook in haar intern beroep dit euvel reeds aanklaagde.’. 3.
- Huidig beroep betreft de examenbeslissing van 18 november 2009 voor de opleidingsonderdelen ‘Informatica 1’, ‘Chemische thermodynamica’ en XII-6076-2\8 ‘Electronica’. Deze examenbeslissing werd genomen in opvolging van het hoger vermelde vernietigingsbesluit (R.stvb.2009/098). Na onderzoek besliste de examencommissie om haar oorspronkelijke beslissing van 8 september 2009 niet te wijzigen. Verzoekende partij werd voorafgaandelijk gehoord op datum van 16 november
- Zij kreeg de kans om in aanwezigheid van de ombudsman haar drie examens die voorwerp uitmaken van de betwisting in te kijken. 3.
- Bij aangetekend schrijven van 23 november 2009 diende verzoekende partij tegen deze examenbeslissing van 18 november 2009 een verzoekschrift in bij de Raad.” IV. Onderzoek van de middelen
- Verzoekster voert twee middelen aan. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het inleidend verzoekschrift voert verzoekster als eerste middel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In de memorie van wederantwoord doet verzoekster nog enkel gelden dat de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet schendt. Volgens verzoekster valt niet uit die beslissing af te leiden welke feitelijke elementen precies hebben meegespeeld bij het oordeel van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen om te besluiten dat de appreciatie van de examinator niet kennelijk onredelijk of niet objectief zou zijn. Zij meent voorts dat uit niets blijkt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbe- slissingen een degelijk onderzoek heeft gevoerd naar de kritieken die verzoekster heeft geuit en de elementen die zij heeft aangereikt en die volgens haar nochtans toelaten om te besluiten dat de beoordeling van de verwerende partij kennelijk onredelijk is gebeurd. Verzoekster noemt het een “nietszeggende uitleg” wanneer de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen haar argumentatie als een “persoonsgebonden appreciatie” inschat, hetgeen volgens verzoekster niet XII-6076-3\8 aantoont dat de aangedragen kritieken daadwerkelijk en concreet werden onder- zocht. Beoordeling
- Luidens artikel 14 van het cassatieprocedurereglement heeft de memorie van wederantwoord de vorm van een samenvattende memorie en doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie. Dit betekent dat over het middelonderdeel met betrekking tot de beweerde schending van artikel 6 EVRM, dat niet in deze samenvatting is opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan.
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis “met redenen [is] omkleed”, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. De regel geldt voor elk contentieus college. Deze bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
- Te dezen heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen, na verzoeksters standpunt te hebben uiteengezet, inzonderheid haar “verschillende bedenkingen bij de verbetering van de examens en de uitleg die haar bij de inzage van de examens werd verschaft”, onder meer geoordeeld: “De wijze van de puntentoekenning behoort tot de bevoegdheid van de examencommissie. De Raad kan in de beoordeling niet tussenkomen behalve wanneer kan worden aangetoond dat het een foutieve of manifest onredelijke beoordeling betreft. Na inzage van haar voorbereiding op de mondelinge examens en haar kopij van het schriftelijk examen heeft verzoekende partij wel een aantal bedenkingen bij de puntentoekenning maar de Raad is van oordeel dat die bemerkingen ingegeven zijn door een persoonsgebonden appreciatie en XII-6076-4\8 niet aantonen dat de beoordeling in strijd is met de geldende voorschriften of manifest onredelijk zou zijn. Dat er geen modelantwoorden werden voorgelegd, betekent niet dat de verbetering niet objectief is gebeurd. De examencommissie heeft naar aanleiding van de behandeling van het intern beroep, verzoekende partij gehoord en heeft haar beslissing uitvoerig en puntsgewijze verantwoord.” Indachtig dat inzake examenbeoordelingen een vermoeden van deskundigheid en objectiviteit geldt ten gunste van de examinator en dat het aan de verzoekende partij toevalt om dit vermoeden aantoonbaar aan het wankelen te brengen, is daarmee het besluit regelmatig met redenen omkleed en heeft de bodemrechter voldaan aan het vormvereiste, bedoeld bij artikel 149 van de Grondwet. De motivering toont immers aan waarop de rechter steunt -de bedenking- en die verzoekster uit in haar verzoekschrift- en welke gedachtegang hij volgt om zijn beslissing te nemen -de bodemrechter kwalificeert die bedenkingen als slechts een “persoonsgebonden appreciatie” van verzoekster, die niet vermag aan te tonen dat het een foutieve of manifest onredelijke examenbeoordeling betreft-, zodat de partijen kunnen nagaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden en zodat de Raad van State in voorkomend geval zijn opdracht als cassatierechter naar behoren kan uitoefenen en nagaan of de wet correct werd toegepast. De in het middel aangevoerde grondwetsbepaling vereist van de feitenrechter voorts niet dat hij alsnog zelf een “concreet onderzoek” zou voeren naar de wijze van beoordeling door de verwerende partij, eenmaal hij heeft vastgesteld dat de door verzoekster geleverde kritiek niet de minimaal vereiste overtuigingskracht vertoont om het hiervoor in herinnering gebracht vermoeden te weerleggen.
- Het middel wordt niet aangenomen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is geput uit de schending van de artikelen II.6, § 1, II.8, eerste lid en II.21 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs XII-6076-5\8 in Vlaanderen (kortweg: het aanvullingsdecreet) en van de artikelen 11, 11, 24 en 149 van de Grondwet. In de memorie van antwoord herneemt verzoekster deze bepalingen niet meer uitdrukkelijk en verwijst zij enkel nog naar “de ingeroepen bepalingen”. Blijkens die memorie van wederantwoord voert verzoekster in het tweede middel aan dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen “bevoegd/verplicht” is om te onderzoeken of een examinator bij de puntentoekenning de studenten op een gelijke wijze heeft behandeld. Verzoekster ziet die bevoegdheid c.q. verplichting in de bepalingen van het aanvullingsdecreet die de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen opleggen erover te waken dat de studievoortgangsbeslissingen “in overeenstemming zijn met de decretale bepalingen”, waaronder de bepalingen die voorschrijven dat de studenten gelijk zijn en zonder vooringenomenheid worden behandeld (artikelen II.6 en II.8 van het aanvullingsdecreet). Verzoekster geeft aan, ernstige vragen te hebben gesteld bij de wijze van puntentoekenning door bepaalde examinatoren en de beoordeling door de examencommissie. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft volgens verzoekster geen inzage genomen van het examen informatica, zodat hij onmogelijk de hem opgedragen taak heeft kunnen vervullen. Bijgevolg meent verzoekster dat het bestreden besluit “de ingeroepen artikelen” schendt. Verzoekster geeft tevens aan, de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen te hebben gevraagd om een concreet examen te vergelijken met de examens van de andere studenten, doch die Raad zou zich hiervoor -ten onrechte volgens verzoekster- onbevoegd hebben geacht. Beoordeling
- Opdat een rechter een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel -of een decretale toepassing van dat beginsel- zou onderzoeken, komt het de verzoekende partij toe die schending met concrete en precieze gegevens aan te tonen. Het beginsel raakt immers niet de openbare orde. Te dezen heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen echter geoordeeld dat “[hij] geen redenen [ziet] om aan te nemen dat de beoordeling van de verzoekende partij niet objectief zou zijn gebeurd”, XII-6076-6\8 waarmee hij aangeeft dat verzoekster er volgens hem niet is in geslaagd om die concrete en precieze gegevens aan te leveren. Dat oordeel volstond om die vraag van verzoekster af te wijzen. Ook de in het tweede middel aangevoerde bepalingen leggen de feitenrechter niet op dat hij alsnog zelf een vergelijking van examenkopij- en zou uitvoeren naar de wijze van gelijke beoordeling door de verwerende partij, eenmaal hij heeft vastgesteld dat verzoekster er niet in slaagt met minimaal vereiste overtuigingskracht een aanzet te geven die het vertrouwen in de objectiviteit van de examinatoren vermag te doen wankelen.
- Dat de bodemrechter, daarenboven, aangeeft geen bepaling te zien die een inzagerecht in en een onderzoeksrecht van examens van andere studenten voorschrijft, is niet meer dan een motief ten overvloede. Verzoekster heeft geen belang bij een middel dat de cassatierechter ertoe brengt motieven ten overvloede te onderzoeken.
- Ook het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 oktober 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter XII-6076-7\8 Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-6076-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.973 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.