id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.977 Rolnummer: A. 188868/X-13832 Zaak: Arrest 207977 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:14 Fiche Arrest nr 207.977 van 7 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.977 van 7 oktober 2010 in de zaak A. 188.868/X-13.
- In zake: Emile SCHAMP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Kaat Decock kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de gemeente ANZEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Van Dorpe kantoor houdend te 8500 KORTRIJK Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 WAREGEM Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ gevestigd te 8790 WAREGEM Papegaaistraat 17 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Deketelaere kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Meir 24 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 juli 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 mei 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem waarbij aan de b.v.b.a. VERCAEMST Dirk - DEPREZ b.v.b.a. - BRANDSTOFFEN de vergunning wordt verleend voor “het bouwen van een pompstation, loods, burelen en appartement” op een terrein gelegen X-13.832-1/15 te Vichte (Anzegem), Oudenaardestraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 0572/p, 0572/r, 0573/c en 0583/a. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 september
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jonas Riemslagh, die loco advocaten Steve Ronse en Kaat Decock verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bruno Van Dorpe, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Yves François, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Mario De Ketelaere, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij beslissing van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-13.832-2/15 III. Feiten 3.
- Op 25 april 2007 (datum van het ontvangstbewijs) wordt namens de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ingediend voor het bouwen van een “loods, burelen, appartement en pompstation”, gelegen aan de Oudenaardestraat te Vichte (Anzegem), kadastraal bekend sectie A, nrs. 572/p, 572/r, 573/c en 583/a. 3.
- Het terrein is volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk gelegen in gebied voor milieubelastende industrie. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.
- De aanvraag wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek tijdens hetwelk één bezwaarschrift wordt ingediend door buurtbewoners. Het bezwaarschrift bevat de volgende grieven : “
- ONVERENIGBAARHEID MET DE WOONOMGEVING Wij willen er u op wijzen dat het ruimtelijk structuurplan van Anzegem de zone ‘Steverlynck Noord’ heel wat elementen te vinden zijn die het exploiteren van een dergelijke milieubelastende industrie afraadt. Uit het ruimtelijk structuurplan Anzegem 2005 Richtinggevend gedeelte p.10 Herstructureren van de hoofddorpen Vichte en Anzegem ‘De twee hoofddorpen Vichte en Anzegem worden - elk op hun eigen manier - gekenmerkt door een gefragmenteerde structuur, wat een sterke afbreuk doet aan hun centrumfunctie. Aan de hand van reconversie-, inbreiding- en uitbreidingsprojecten moeten zowel Anzegem als Vichte versterkt worden tot grote en levendige hoofddorpen, waar diverse functies in een geconcentreerd en beter gestructureerd patroon met elkaar verweven worden. De hinder door vrachtverkeer en dynamische economische activiteiten moet beperkt worden in functie van de woon- en leefomgeving binnen deze hoofddorpen’. Informatief gedeelte p. 95-96 Over de site Steverlynck Noord ‘Om te komen tot een duurzaam ruimtelijk-economisch beleid is het van cruciaal belang om de behoefte aan bijkomende industrie te toetsen aan de ruimtelijke context. Hiertoe dient voor iedere locatie de afweging te worden gemaakt tussen verschillende factoren. Enkele van deze factoren zijn voor de site): - Bereikbaarheid op macro-niveau (ligging langs een secundaire weg, vlot naar de E17): ongunstig - Ontsluiting op micro-niveau (directe ontsluitingsmogelijkheden naar een bovenlokale weg) : extra verkeersoverlast - Inpassing in het landschap: inname van waardevolle open en glooiend landschap - Afwatering: ongunstig’ X-13.832-3/15 De locaties ‘Uitbreiding Huttegem’ en ‘Steverlynck-noord’ zijn gebonden aan diverse nadelen en kunnen niet worden weerhouden (p.96). Het zou getuigen van inconsequente besluitvorming indien een dergelijke milieubelastende industrie op de site wordt toegelaten. Het recente besluit van de bestendige deputatie (11 juni 2007) moet dan ook als een aanmoediging worden gezien om de zone anders in te richten.
- BRANDGEVAAR In de onmiddellijke omgeving van het bedrijf bevinden zich tientallen woningen waaronder de onze. Wij maken ons zorgen omtrent de veiligheid van onze woningen indien in het bedrijf brand uitbreekt. Is het eigenlijk wel verantwoord dat, een dergelijk bedrijf met (...) zes bovengrondse opslagplaatsen van elk 40000 liter stookolie wordt toegelaten waar zovele woningen geconcentreerd staan?
- MOBILITEIT Net zoals bij de argumentatie voor de betoncentrale waarbij de mobiliteit, ook door de bestendige deputatie van West-Vlaanderen, als een belangrijk element werd aangevoerd om de vergunning te weigeren (besluit van 11 juni 2007) menen wij dat hier ook het element telt. Het benzinestation heeft tot doel industriële klanten te bedienen. Op die manier wordt de Oudenaardestraat nogmaals de aantrekkingspool voor extra zwaar verkeer. In de Oudenaardestraat is er nu al verkeersoverlast door het extra verkeer van de Heirweg (Betoncentrale Douterloigne nu CRH), verkeer van Termote Van Halst uit Waregem, uit KMO-zone Huttegem, en de verkeersas Vichte-Anzegem waar zich ook tal van bedrijven bevinden. Opnieuw is het Anzegemse Ruimtelijk Structuurplan, voor wat betreft het herinrichten van de Oudenaardestraat tot echte centrumstraat, erg duidelijk. Alle activiteiten die in tegenspraak zijn met deze visie moeten worden geweerd. Wij citeren hier uit uw Structuurplan (deel 2 richtinggevend gedeelte p.56) : ‘Door de herinrichting van het openbaar domein met verkeersremmende elementen (zoals ‘poorten’, verkeersplateau’s, bermen...) en met veilige fietsvoorzieningen en voetpaden moet de verblijfsfunctie langs deze wegen verhoogd worden. Vooral de Oudenaardestraat-Heirbaan én het kruispunt met de Waregemstraat-Bosstraat zouden grondig heringericht moeten worden...De centrumfunctie van het noordoostelijke kwadrant, dat aansluit bij de wijk ‘Nieuw Centrum’ dient te worden behouden. De Oudenaardestraat dient als een echte centrumstraat te worden heringericht’. Besluit. Gelet op de recente weigering van de milieuvergunning door de bestendige deputatie, die op deze wijze aangeeft het ruimtelijk structuurplan van Anzegem versie 2005 te willen volgen, lijkt dit o.i. de meest voor de hand liggende visie voor de uiteindelijke bestemming van de site Steverlynck-Noord. Een handel/opslagplaats in en voor brandstoffen hoort er geenszins thuis”. 3.
- Op 12 september 2007 brengt de eerste verwerende partij een ongunstig preadvies uit. In haar motivering vermeldt zij het volgende : “(...) - Gelet op het eerder uitgebrachte ongunstige advies betreffende de milieuvergunningsaanvraag, d.d. 4 juli 2007, luidende als volgt: ‘overwegende dat het niet aangewezen is een klasse-1-inrichting te exploiteren op die locatie, aangezien deze zone voorzien is als bedrijventerrein voor lokale bedrijvigheid met aangepaste economische activiteiten met respect voor een aanvaardbaar draagvlak op niveau van de kern Vichte; dat het onderdeel grootschalige X-13.832-4/15 brandstofhandel niet verenigbaar is met de gewenste ontwikkelingen voor bedoeld gebied; dat de gevolgen van een dergelijke exploitatie niet bestaanbaar zijn voor de directe woonomgeving; dat de uitbating van een tankstation in strijd is met huidige planologische voorschriften; (...)”. 3.
- Op 8 februari 2008 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een gunstig advies over de aanvraag. Daarbij is de evaluatie van de bezwaren als volgt : “De bezwaarindiener wenst een andere invulling van de bestemming ter plaatse te zien dan deze zoals vastgelegd bij de goedkeuring van het gewestplan. De bestemmingsvoorschriften van het gewestplan voor milieubelastende industrie zijn hier echter weldegelijk van toepassing. Het bezwaar kan niet gevolgd worden”. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar beoordeelt de goede ruimtelijke ordening als volgt : “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening De aanvraag is gelegen binnen een gebied voor milieubelastende industrie. De aanvraag wordt beschouwd als zijnde in overeenstemming met deze bestemming, gelet op de schaal en aard van de verkeersbewegingen die de aanvraag met zich meebrengt. Het bedrijf levert met 7 vrachtwagens stookolie, voorziet in grootschalige brandstoffenhandel evenals het uitbaten van een tankstation, een werkplaats voor de vrachtwagens en het opslaan van grote hoeveelheden brandstoffen. Het ontworpen bedrijfsgebouw is qua bestemming, schaal, typologie en inplanting in overeenstemming met de vastgelegde ordening. Bij de aanvraag is een groenbuffer voorzien. De bijhorende buitenaanleg en het gebouw worden op een aangepaste wijze ingekleed met streekeigen groen”. 3.
- De eerste verwerende partij verleent op 7 mei 2008 voorwaardelijk de gevraagde vergunning, waarbij zij het eensluidend advies van “de gemachtigde ambtenaar” (lees : de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar) bijtreedt. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De tweede verwerende partij werpt de volgende exceptie op aangaande het belang van de verzoeker : X-13.832-5/15 “2.1 Verzoekende partij put zijn belang uitsluitend uit zijn beweerd nabuurschap. Hij stelt dat zijn woning op ‘amper 50 meter van het perceel van de geplande exploitatie’ gelegen is. De stukken van het dossier spreken dat tegen. Uit het plan 2/2 dat bij het administratief dossier gevoegd is, blijkt dat er ongeveer 160 m tussen de woning van verzoekende partij en de geplande bouwwerken zit. Verder geven de foto’s bij de aanvraag, meer bepaald de foto’s 3 en 6 een beeld van de omgeving in de richting van de woning van verzoekende partij. Uit die foto’s blijkt dat er zich nog aanzienlijke weilanden tussen de 2 bouwwerken bevinden en de woning van verzoekende partij blijkbaar is afgeschermd door een dikke rij hoogstammige bomen (…). Ook zal er rondom het vergunde project een groenscherm aangelegd worden dat de site eveneens aan het zicht van de omwonenden zal onttrekken. 2.2 Verzoekende partij zal derhalve geen enkel zicht hebben op de bouwwerken in kwestie en ondervindt derhalve geen enkel nadeel van de vergunde werken. Een belang geput uit de exploitatie is in casu uiteraard niet aan de orde aangezien de exploitatie door het bestreden besluit op zich niet toegelaten wordt. Dergelijk belang kan hoogstens relevant zijn bij de annulatieprocedure tegen de milieuvergunning. Nu het niet bewezen is dat verzoekende partij rechtstreeks zicht op het bouwwerk zal hebben en hij daarenboven op verre afstand woont, heeft hij geen enkel persoonlijk belang (…). Het verzoekschrift is onontvankelijkheid bij gebrek aan persoonlijk belang”.
- De tussenkomende partij stelt dienaangaande het volgende : “Verzoekende partij geeft geen blijk van het rechtens vereiste belang. De verzoekende partij motiveert zijn belang door aan te stippen dat hij ‘in de onmiddellijke omgeving van de bestreden vergunde exploitatie een woonhuis bezit’ en dat ‘hun woning inderdaad op amper 50 meter van het perceel van de geplande exploitatie (ligt)’. In werkelijkheid zal het tankstation met luifel ingeplant worden op een afstand van minstens 150 meter van de woning van verzoeker. Verzoekende partij heeft vanuit zijn woning geenszins rechtstreeks uitzicht op de geplande inrichting en exploitatie van de inrichting van tussenkomende partij. Verder wordt rondom de inrichting een groenbuffer voorzien waardoor deze hoe dan ook aan het zicht van verzoeker zal on(t)trokken zijn. Blijkbaar is de woning van verzoekende partij ook zonevreemd, want niet gelegen in woongebied, terwijl het perceel waarop de exploitatie vergund wordt, bestemmingstechnisch volkomen correct gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrie. Verzoekende partij streeft eigenlijk de bestendiging na van een eigen toestand die strijdig is met de ruimtelijke bestemmingsvoorschriften en wel op een dergelijke wijze dat deze tot een verbod zou moeten leiden om op een perceel gelegen in de daartoe vereiste ruimtelijke bestemmingszone (gebied voor milieubelastende industrie) principieel toegelaten stedenbouwkundig vergunningsplichtige werken én milieuvergunningsplichtige activiteiten te verrichten en/of uit te oefenen. Bovendien ligt het voor de hand dat de bedrijvigheid in een gebied voor milieubelastende industrie per definitie enige hinder kan teweegbrengen, en dat men die tot op zekere hoogte ook moet tolereren. Meer bepaald is een gebied X-13.832-6/15 voor milieubelastende industrie in principe bestemd voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd, en waarin uiteraard meer hinder moet worden getolereerd dan in een woongebied. Deze vaststelling geldt in het bijzonder in casu én in hoofde van de verzoekende partij : zijn woning ligt niet in woongebied of een daarmee vergelijkbaar gebied. Verder dient opgemerkt dat het belang van verzoekende partij niet kan gestoeld zijn op de vergunde exploitatie. Deze maakt immers het voorwerp uit van de verleende milieuvergunning en niet van de door verzoekende partij thans aangevochten stedenbouwkundige vergunning (die een toelating verleent tot het bouwen van bepaalde constructies). Tenslotte dient ook vastgesteld dat verzoekende partij geen opmerkingen of bezwaren heeft ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat over de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid”. Beoordeling
- De verzoeker steunt zijn belang op het feit dat hij “in de onmiddellijke omgeving” van de bestreden vergunde exploitatie een woonhuis bezit dat door hem wordt bewoond.
- Uit de door de verzoeker bijgebrachte koopakte blijkt dat hij sinds 29 maart 2007, samen met zijn echtgenote, eigenaar is van een “woonhuis met afhangen en erve” gelegen te Anzegem aan de Oudenaardestraat
- Uit de stukken van het dossier blijkt dat de kortste afstand tussen de woning van de verzoeker en het terrein waarop de bestreden vergunning betrekking heeft, bij benadering 154 meter bedraagt. Tussen het bouwperceel en de woning van de verzoeker blijkt zich geen bebouwing te bevinden. Hij doet hierdoor alleen al blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De tweede verwerende partij noch de tussenkomende partij brengen gegevens aan die zouden leiden tot een ander oordeel. De bewering dat de verzoeker “geenszins rechtstreeks uitzicht” zou hebben op de vergunde bouwwerken vermag geen afbreuk te doen aan het belang van de verzoeker. Evenmin ontneemt het -gebeurlijk- zonevreemd zijn van de woning van de verzoeker op zichzelf beschouwd hem zijn belang bij de gevraagde vernietiging. Ook het loutere feit dat de verzoeker “geen opmerkingen of bezwaren heeft ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek”, is van die aard om hem het vereiste belang bij het voorliggende beroep te ontnemen. De exceptie wordt verworpen. X-13.832-7/15 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker zet het eerste middel als volgt uiteen : “A 1 Eerste middel: schending van de artikelen 3 en 4 van de formele motiveringswet en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
- Verzoekende partij stelt vast dat het college van burgemeester en schepenen initieel een negatief advies verleende op 12 september 2007 (...). Bijzonder opvallend is dat in casu verwerende partij haar visie compleet wijzigde na het ontvangen van het gunstig advies van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur (…).
- In de bestreden beslissing luidt het laconiek als volgt : ‘Het College van Burgemeester en Schepenen motiveert zijn standpunt als volgt : het kan het hierboven vermeld eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar bijtreden. Dit advies wordt ook als haar standpunt beschouwd.’
- Verwerende partij beperkt zich zodoende tot het zonder meer volgen van het advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. Van een eigen motivering, zeker met betrekking tot de behoorlijke plaatselijke aanleg, is in de bestreden beslissing evenwel geen sprake. Nochtans is verwerende partij als lokaal bestuur het beste geplaatst om de aanvraag te toetsen aan de goede ruimtelijke ordening en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. Door niet te voorzien in een eigen motivering op dit punt schendt verwerende partij de hierboven genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van een zorgvuldige overheid mag immers worden verwacht dat er een afdoende toets gebeurt met de onmiddellijke omgeving. Deze toets dient ook formeel weergegeven te worden in de genomen administratieve beslissing. Zulks is in casu echter niet het geval.
- Eén en ander wringt des te meer nu verwerende partij op 12 september 2007 een negatief advies verleende met betrekking tot de ingediende bouwaanvraag. Deze wijziging in de ruimtelijke visie vanwege verwerende partij is zeker niet afdoende gemotiveerd in de bestreden beslissing met het zich eenvoudigweg aansluiten bij het (beknopte) advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar.
- Het eerste middel is gegrond”. Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, X-13.832-8/15 in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem “motiveert zijn standpunt als volgt: Het kan het hierboven vermeld eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar (lees : gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar) bijtreden. Dit advies wordt ook als haar standpunt beschouwd”. Nog luidens het bestreden besluit is dit advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar als bijlage gevoegd bij het besluit en maakt het er “integraal deel van” uit.
- Door zich ter motivering van haar besluit uitdrukkelijk aan te sluiten bij het gunstig advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar maakt de eerste verwerende partij zich tevens de motieven van dit advies eigen. De motieven van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar om de aanvraag gunstig te adviseren worden aldus de motieven waarop de eerste verwerende partij zich steunt om de gevraagde vergunning te verlenen. Het is daarbij niet vereist dat zij motiveert waarom zij deze motieven tot de hare maakt. De eerste verwerende partij heeft derhalve een eigen motivering gegeven in het bestreden besluit. Het feit dat het gunstig advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar niet bindend is, doet, in tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt, aan de voormelde vaststelling geen afbreuk.
- Het dient te worden vastgesteld dat in het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening is opgenomen. De verzoeker beperkt zich in het eerste middel tot de stelling dat de in het bestreden besluit weergegeven motivering niet afdoende is, en toont dus niet aan dat het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zelf niet afdoende gemotiveerd is, of dat hij niet bekend is met de inhoud van dat advies. Waar de verzoeker voor het eerst in zijn laatste memorie nog ingaat op de motivering van het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, is deze kritiek laattijdig en dus niet ontvankelijk.
- Ten slotte blijkt de verzoeker uit te gaan van een partiële lezing van het bestreden besluit. Hij gaat immers voorbij aan de daarin opgenomen overwegingen waarin de eerste verwerende partij de redenen aangeeft waarom zij terugkomt op het door haar eerder verleende ongunstig advies. In het bestreden besluit wordt dienaangaande het volgende overwogen : X-13.832-9/15 “- Gelet op het ongunstig advies d.d. 12 september 2007 uitgebracht door het College van Burgemeester en Schepenen; - Overwegende dat de motieven van dit advies volledig weerleg(d) worden door de adviezen van hogere bevoegde besturen, dat het ongunstig advies derhalve niet kan weerhouden worden”. De stelling van de verzoeker dat de “wijziging in de ruimtelijke visie vanwege verwerende partij (...) zeker niet afdoende gemotiveerd (is) in de bestreden beslissing”, kan niet worden bijgetreden nu de verzoeker zich ter zake beperkt tot het louter poneren van een stelling, zonder daarbij concreet in te gaan op de aangehaalde motivering die daaromtrent in het bestreden besluit wordt gegeven. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt dat de eerste verwerende partij bij de totstandkoming van het bestreden besluit het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het tweede middel het volgende aan : “A 2 Ondergeschikt. Schending van de materiële motiveringsplicht, schending van het rechtzekerheidsbeginsel; schending van het redelijkheidsbeginsel Eerste onderdeel
- In het onmogelijk geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat het eerste middel ongegrond is en dat de bestreden beslissing zodoende noch de formele motiveringsplicht en noch het zorgvuldigheidsbeginsel terzake schendt, ten zeerste quod non, is verzoekende partij van oordeel dat ook de motivering van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar bijzonder onsamenhangend is. Indien Uw Raad inderdaad zou menen dat het zich eigen maken van het advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een voldoende formele motivering vormt, dient verzoekende partij na te gaan in hoeverre dit advies de bestreden beslissing afdoende motiveert.
- De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar gaf in casu volgende beoordeling van de goede ruimtelijke ordening (…): ‘De aanvraag is gelegen binnen een gebied voor milieubelastende industrie. De aanvraag wordt beschouwd als zijnde in overeenstemming met deze bestemming, gelet op de schaal en aard van de verkeersbewegingen die de aanvraag met zich meebrengt. Het bedrijf levert met 7 vrachtwagens stookolie, voorziet in grootschalige brandstoffenhandel evenals het uitbaten van een tankstation, een werkplaats voor de vrachtwagens en het opslaan van grote hoeveelheden brandstoffen. Het ontworpen bedrijfsgebouw is qua bestemming, schaal, typologie en inplanting in overeenstemming met de vastgelegde ordening. Bij de aanvraag is een groenbuffer X-13.832-10/15 voorzien. De bijhorende buitenaanleg en het gebouw worden op een aangepaste wijze ingekleed met streekeigen groen.’ (...)
- Van enige vorm van concrete aftoetsing met de onmiddellijk - op amper 50 meter - nabije woning van verzoekende partij is in het geheel geen sprake in hoger genoemd advies. Van een vermelding van deze woning is zelfs helemaal geen sprake in het advies.
- Niet onbelangrijk in dit kader is ook de voorgeschiedenis van de betrokken percelen. Er werd immers in het verleden net een stedenbouwkundige vergunning geweigerd aan een eerdere aanvrager die een betoncentrale wou bouwen. Zowel verwerende partij als de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen motiveerden deze weigeringen door te wijzen op het mobiliteitsaspect (…). Ook de milieuvergunning werd aan deze eerdere aanvrager geweigerd door zowel de Bestendige Deputatie als de bevoegde Vlaamse minister omwille van mobiliteitsredenen (…). De Deputatie poneerde onder meer in haar beslissing (…) : ‘Met de vestiging van een betonfabriek op deze locatie wordt de bestaande stroom van zwaar verkeer door het dorpscentrum van Vichte echter verder opgebouwd. De veruit kortste weg naar de El7 loopt immers over deze dorpskern. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Anzegem wordt de optie genomen, in het richtinggevend gedeelte, om binnen de centrumgebieden te streven naar bedrijvigheid die integreerbaar is in de woonomgeving, waarbij bijzondere aandacht gaat naar leefbare mobiliteit’. In haar recente beslissing van 11 januari 2008 bevestigd de Vlaamse minister de weigeringsbeslissing van de Deputatie en wordt het beroep in naam van de nv Ann - Sophie onontvankelijk verklaard (…). De voornaamste redenen voor het weigeren waren eveneens de ernstige verkeershinder in combinatie met de aard van de onmiddellijke omgeving. Bovendien maakt de Vlaamse minister terecht de opmerking dat de site waarop de aanvraag betrekking had, direct aansluit op de dorpskern van Vichte en dat er in de onmidde(l)lijke nabije omgeving heel wat woningen zijn gelegen.
- Groot is dan ook de verbazing van verzoekende partij dat de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar net wijst op ‘de schaal en de aard van de verkeersbewegingen die de aanvraag met zich meebrengt’ om een gunstig advies af te leveren. Zulks is bijzonder tegenstrijdig met eerdere afwegingen door zowel het college van burgemeester en schepenen van Anzegem, de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen en de bevoegde Vlaamse minister. Terzake is de materiële motiveringsplicht zonder meer geschonden. Het louter voorzien in een buffering is in elk geval flagrant onvoldoende nu dit maar weinig relevant is t.a.v. het op- en afrijdende zwaar verkeer (met allerhande vormen van hinder die het louter visuele overstijgen).
- Ook het rechtzekerheidsbeginsel is manifest geschonden nu verzoekende partij gelet op de hierboven genoemde weigeringsbeslissingen van een sterk verkeersgenererende activiteit erop mocht vertrouwen dat een gelijkaardige activiteit, die ook gericht is op zwaar verkeer, nimmer kon worden vergund in de onmiddellijke omgeving van zijn huis.
- Maar er is meer. Door net te wijzen op het verkeersgenererende effect van de grootschalige brandstoffenhandel en in alle talen te zwijgen over de op 50 m. nabijgelegen woning van verzoekende partij (…) staat vast dat verwerende partij ook het X-13.832-11/15 redelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het is immers kennelijk onredelijk om de schaal en de aard van de te verwachten verkeersbewegingen als een pluspunt te beschouwen en de aanwezige vergunde woning van verzoekende partij zonder meer te negeren in de vergunningsprocedure.
- Het eerste onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Verzoekende partij benadrukt ten slotte nog dat er in het advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar enkel sprake is van het feit dat het bedrijf levert met 7 vrachtwagens stookolie en dat het voorziet ‘in [een] grootschalige brandstoffenhandel evenals het uitbaten van een tankstation, een werkplaats voor de vrachtwagens en het opslaan van grote hoeveelheden brandstoffen.’ Van enige motivering met betrekking tot de voorziene loods, burelen en het appartement, zoals vervat in de stedenbouwkundige aanvraag, is er geen sprake.
- Hierdoor kan ook het advies - evenals de bestreden beslissing - onmogelijk een afdoende motivering uitmaken ten aanzien van de aanwezigheid van de woning van verzoekende partij.
- Het tweede onderdeel is gegrond”. Beoordeling Eerste onderdeel
- Aangezien, zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel, de motivering van het bestreden besluit gebeurt door verwijzing naar het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, moet, om na te gaan of het bestreden besluit afdoende gemotiveerd is wat de goede ruimtelijke ordening betreft, rekening worden gehouden met de motivering dienaangaande opgenomen in het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- In zijn uiteenzetting houdt de verzoeker enkel rekening met hetgeen de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar vermeldt in zijn advies onder de titel “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening”. Aangezien de eerste verwerende partij in het bestreden besluit, zoals gesteld, uitdrukkelijk aangeeft het eensluidend advies van de “gemachtigde ambtenaar” (lees : gewestelijke X-13.832-12/15 stedenbouwkundige ambtenaar) bij te treden, dient rekening te worden gehouden met alle daarin opgenomen overwegingen. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar gaat immers ook in op het bezwaarschrift dat ingediend werd tijdens het openbaar onderzoek. In het bezwaarschrift wordt gesteld dat er zich “in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf (…) tientallen woningen (bevinden)”, en de bezwaarindiener, verwijzend naar het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij, is van oordeel dat de Oudenaardestraat moet worden ingericht als “echte centrumstraat”, waar milieubelastende industrie en bijkomende hinder door het vrachtverkeer moeten beperkt worden “in functie van de woon- en leefomgeving”. De bezwaarindiener concludeert dat “een handel/opslagplaats in en voor brandstoffen (…) er geenszins thuis(hoort)”. De bezwaarindiener is aldus van oordeel dat de woonfunctie in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf minstens gevrijwaard moet worden en dat de inrichting van milieubelastende industrie moet worden gemeden. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar evalueert dit bezwaar zoals weergegeven onder punt 3.
- Uit de wijze waarop de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het bezwaar weerlegt, blijkt dat hij, gelet op de bestemmingsvoorschriften die gelden voor een gebied bestemd voor milieubelastende industrie, van oordeel is dat hij, net omwille van die bestemming, geen rekening moet houden met de woonfunctie in de omgeving. De verzoeker gaat in de uitwerking van dit middelonderdeel voorbij aan deze beoordeling van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, wat nochtans een verklaring vormt waarom de “nabije woning van verzoekende partij” niet vermeld wordt in zijn advies. Aangezien in het middelonderdeel niet concreet wordt ingegaan op het hierboven weergegeven standpunt van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ten aanzien van de woonfunctie in de omgeving, is het middel, in de gegeven omstandigheden, op dit punt onvoldoende ontwikkeld om tot de nietigverklaring van het bestreden besluit te kunnen leiden. De voor het eerst in de laatste memorie van de verzoeker geuite kritiek dienaangaande is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk.
- Voor zover de verzoeker in het eerste onderdeel wijst op “de voorgeschiedenis van de betrokken percelen”, waarbij hij in het bijzonder ingaat op een weigering van een eerdere aanvraag voor het bouwen van een betoncentrale, en X-13.832-13/15 in het verlenen van de thans bestreden vergunning een schending van het rechtszekerheidsbeginsel ontwaart, is die verwijzing niet dienstig. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de burger moet kunnen uitmaken welke gevolgen een bepaalde handeling naar redelijkheid zal hebben en dat de overheid niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken van de beleidslijnen die zij bij de toepassing van de reglementering aanhoudt. Opdat het bestreden besluit strijdig zou zijn met dit beginsel, moet onder meer voldoende concreet worden aangetoond wat in het betrokken gebied de bestaande beleidslijn inzake vergunningen was en in welke mate daarvan wordt afgeweken in het bestreden besluit. De verzoeker faalt in deze bewijslast, nu hij niet op grond van een concrete argumentatie aantoont dat de aanvraag voor de bouw van een betoncentrale vergelijkbaar is met de vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, in het bijzonder voor wat bijvoorbeeld de te verwachten “verkeersbewegingen” betreft. Dit laatste vormt nochtans een belangrijk element in de argumentatie die de verzoeker opbouwt. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Tweede onderdeel
- Het tweede onderdeel van het tweede middel steunt op de grief dat er “van enige motivering met betrekking tot de voorziene loods, burelen en het appartement, zoals vervat in de stedenbouwkundige aanvraag”, in het bestreden besluit geen sprake is.
- Het bestreden besluit vermeldt dat het een aanvraag betreft “tot het bouwen van een pompstation, loods, burelen en appartement”. In de beschrijvende nota vermeldt de aanvrager het volgende : “De functie van het gebouw (loods, burelen, appartement en pompstation) past in de ruimtelijke context”. Zodoende geeft de aanvrager aan dat de loods, de burelen, het appartement en het pompstation deel uitmaken van één gebouw. De bij de aanvraag gevoegde plannen bevestigen dat het om één gebouw gaat, waaraan een luifel is bevestigd. Het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, waar de eerste verwerende partij zich, zoals reeds vermeld, uitdrukkelijk bij aansluit, vermeldt het volgende : X-13.832-14/15 “Het ontworpen bedrijfsgebouw is qua bestemming, schaal, typologie en inplanting in overeenstemming met de vastgelegde ordening”. Uit het bovenstaande blijkt dat het bestreden besluit een beoordeling inhoudt met betrekking tot het (bedrijfs)gebouw, waarin een pompstation, een loods, burelen en een appartement geïntegreerd zijn. De grief van de verzoeker mist aldus feitelijke grondslag. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.832-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div