← België

Arrest 207984 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.984 Rolnummer: A. 186885/X-13641 Zaak: Arrest 207984 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 207.984 van 7 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.984 van 7 oktober 2010 in de zaak A. 186.885/X-13.641. In zake: 1. Pierre FONTAINE 2. Grazia LAPADURA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 BRUSSEL Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de gemeente BEERSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Carine VAN VEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Judith Swerts kantoor houdend te 1180 BRUSSEL Winston Churchilllaan 149 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 januari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 november 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel waarbij aan Carine VAN VEER de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een woning en het bouwen van een afzonderlijke tuinberging te Beersel (Lot), Emiel Debusscherstraat 32, kadastraal bekend sectie A, nr. 18/s7. X-13.641-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 182.508 van 28 april 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 juli 2008. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Judith Swerts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-13.641-2/14 III. Feiten 3. Op 17 juli 2007 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt Carine Van Veer aan het gemeentebestuur van Beersel een vergunning voor “uitbreiding van bestaande keuken en slaapkamer op verdieping en een tuinberging achteraan” op een perceel te Beersel (Lot), Emiel Debusscherstraat 32, kadastraal bekend als sectie A, nr. 18/s7. De volgende motivering voor de aanvraag wordt gegeven: “De woning is gelegen in een woonzone. De bestaande woning begin vorige eeuw einde 19de eeuw gebouwd voldoet niet aan de hedendaagse noden en normen op gebied van huisvesting en wooncomfort. Het hoofdvolume van het gebouw wordt achteraan uitgebreid met een extra zitruimte voor slaapkamer 1, deze nieuwe ruimte bevindt zich op het te behouden gedeelte van de bestaande keuken. Door deze uitbreiding van de slaapkamer wordt de bouwdiepte van het hoofdgebouw van 8,06m naar 10,98m gebracht in overstemming en verenigbaarheid met de wettelijke en ruimtelijke context. De bestaande berging keuken eetplaats achteraan wordt volledig afgebroken, en vervangen door een volledig nieuw gedeelte dat voldoet aan de hedendaagse noden en normen op gebied van huisvesting, wooncomfort en isolatiewaarden. De achterbouwlijn van de uitbreiding keuken gelijkvloers bevindt zich op 15m bouwdiepte van de bouwlijn vooraan. En de tussenafstand van de achterbouwlijn van het hoofdgebouw en de achterbouwlijn van de aanbouw keuken gelijkvloers bedraagt 4,02m wat eveneens comform is met de voorschriften (die) een bouwdiepte van 5m toestaan vanaf het hoofdgebouw. De aanbouwzone achter het hoofdgebouw wordt voor 100% bebouwd, hiervoor wordt een afwijking gevraagd op de vigerende BPA voorschriften. De verbouwing wordt verder opgetrokken in traditionele materialen die terug te vinden zijn in de woning en zijn directe omgeving. De nieuwe achtergevel van het hoofdgebouw wordt uitgevoerd in bruin paramentmetselwerk en de aanbouwzone van keuken wordt in dezelfde gevelsteen opgetrokken om een dezelfde architectuur te bekomen met het hoofdgebouw. Er zal een volledig nieuwe scheidingsmuur worden opgetrokken tpv de bestaande scheidingsmuur van de gebuur rechts met een luchtspouw van 2cm tussen de beide scheidingsmuren om contact te vermijden. Hetzelfde geldt voor de nieuwe scheidingsmuren van de tuinberging achteraan. De grootte van de tuinberging is 10% van de rest ruimte achteraan. De tuinberging is volledig opgetrokken in paramentmetselwerk. Hierdoor is er een overstemming en een verenigbaarheid met de wettelijke en ruimtelijke context van de verbouwing met zijn directe omgeving”. 4. Het voormelde perceel is overeenkomstig het op 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in woongebied. Het is tevens gelegen binnen de grenzen van het op 3 oktober 1995 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) nr. 1B “Blokbos”. Het BPA brengt de bouwplaats onder in een zone nr. 10 voor eengezinswoningen in aaneengesloten bebouwing. Het X-13.641-3/14 betrokken perceel is niet gelegen binnen het gebied van een vergunde verkaveling of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 5. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag, dat plaatsvindt van 19 juli 2007 tot 17 augustus 2007, dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “De agent, gelast met het verstrekken van de nodige informatie weigerde mij een copij te overhandigen van hogervermeld dossier. Ik kan bijgevolg geen enkel bijkomend onderzoek verrichten en verzoek u beleefd een copij te kunnen bekomen van het, tot op heden, samengesteld dossier. Het gaat hier immers over de indiening van een aanvraag tot Stedenbouwkundige vergunning voor een gebouw met gemeenschappelijke muur (mitoyen) dat ik bewoon en waarvan ik eigenaar ben. Als gevolg van de werken die zouden uitgevoerd worden aan het gebouw, gelegen E. Debusscherstraat 32 te 1651 Lot, zal ik zeker enorme lasten ondervinden : verlies van natuurlijk daglicht en zicht op beplantingen en groen, schending van de aangrenzende eigendom, zonder nog te spreken van de wijzigingen van de aanpalende bouwstructuren. Ik zou dus willen melding maken van mijn grieven en verzoek u vriendelijk voor een onderhoud met de Schepen van Openbare Werken & Urbanisme teneinde samen tot een passende oplossing te komen, zowel voor wat betreft de ingediende aanvraag door Mevrouw VAN VEER als voor de problemen die mij aanbelangen. Ik blijf ter uwer beschikking voor een spoedige afspraak”. 6. Op 17 augustus 2007 meldt de gemeente Beersel in een brief aan de verzoekende partijen dat zij de documenten van het aanvraagdossier enkel ter inzage kan voorleggen. 7. Op 24 september 2007 verwerpt het college van burgemeester en schepenen van Beersel het bezwaarschrift en doet het een voorstel om af te wijken van het BPA-voorschrift dat een maximale bebouwing van 75% oplegt in de aanbouwzone achter het hoofdgebouw. Hierbij wordt onder meer het volgende gesteld: “Bespreking van het bezwaarschrift.: De bouwaanvraag is in onderzoek. Tijdens het openbaar onderzoek worden stukken uit het aanvraagdossier ter inzage gelegd van belanghebbenden; de regelgeving terzake stelt nergens dat kopijen uit het aanvraagdossier ter beschikking moeten gesteld worden van derden. De plannen zijn ten andere eigendom van de aanvrager. De klager kan zich in verbinding stellen met de betrokken architect om zo nodig planuittreksels te bekomen. Op het gelijkvloers wordt tot tegen de gemene perceelsgrens gebouwd; de ontworpen constructie sluit aan op de wachtgevel van de bestaande achterbouw op de eigendom van de klager, en dit binnen een normaal aanvaardbare X-13.641-4/14 bouwdiepte in een gesloten woningbouw. De uitbreiding op verdiep gebeurt op minstens 3m van de gemene perceelsgrens aan de oostzijde van de eigendom van de klager, en zal bijgevolg weinig zon- en daglicht ontnemen. Het bezwaar toont nergens aan waar er schending van eigendom bestaat; de beoordeling van het project kan bijgevolg enkel gebeuren aan de hand van de door de architect beschikbaar gestelde informatie. Mogelijke problemen met de stabiliteit van het gebouw ingevolge de uitvoering van de bouwwerken is geen stedenbouwkundig aspect, en kan bovendien niet beoordeeld worden aan de hand van de ingediende bouwplannen. De klager dient dit aspect rechtstreeks te regelen met de aanvrager, en kan zich zo nodig laten bijstaan door een deskundige. Het college heeft op datum van heden terzake beraadslaagd en heeft de klacht ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Er dient niet op het bezwaar ingegaan gezien het bovenstaande. (...) Beoordeling van de ruimtelijke ordening Door de vorm en afmetingen van het perceel, en door het samengaan met de omringende percelen, is het voorgestelde aanvaardbaar. De ontworpen verbouwing voorziet in betere woonkwaliteiten en een grondige sanering van het terrein door de afbraak van minderwaardige bijgebouwen. Het ontwerp voldoet aan de vigerende normen en is voldoende aangepast aan de gebouwen in de onmiddellijke omgeving. Het ontwerp is in overeenstemming met de geldende BPA-voorschriften, behalve wat betreft de benutting van de oppervlakte van de aanbouwzone, 5m achter het hoofdgebouw tot een bouwdiepte van 15m, dat volledig wordt bebouwd i.p.v. maximaal 75% van de oppervlakte. Algemene conclusie Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake ruimtelijke ordening, alsook dat het voorgestelde ontwerp bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening, en met zijn onmiddellijke omgeving. Het schepencollege opteert om een afwijking op de BPA-voorschriften, in toepassing van artikel 49 van het Coördinatiedecreet, voor te stellen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundig Ambtenaar, met betrekking tot de volledige bebouwing van de aanbouwzone i.p.v. 75% van het oppervlak”. 8. Op 17 oktober 2007 keurt de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar het afwijkingsvoorstel om de volgende redenen goed: “Het afwijkingsvoorstel is conform met de formele bepalingen van artikel 49. Het afwijkingsvoorstel is inhoudelijk aanvaardbaar gezien het voldoet aan volgende criteria: 1. Het geeft geen aanleiding tot een oneigenlijke wijziging van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg of de verkavelingsvergunning. 2. De algemene strekking van het plan of de verkaveling blijft geëerbiedigd. 3. De afwijking is niet strijdig met de goede ruimtelijke aanleg van het gebied. Gelet op het feit dat de aanbouwzone kan beschouwd worden zonder specifieke gegevens omtrent afstanden tot perceelsgrenzen is het voorgelegd ontwerp stedenbouwkundig aanvaardbaar. (...) De draagkracht van het perceel wordt niet overschreden daar de voorgestelde bouwdiepte voldoet aan de X-13.641-5/14 gangbare normen en inzichten. Het oorspronkelijk opzet en de openheid van het bpa blijven behouden”. 9. Op 7 november 2007 verleent het college de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit, waarin dezelfde motivering wordt gebruikt als in het advies van 24 september 2007 (nr. 7). IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. Het eerste middel wordt als volgt uiteengezet: “5.1 Eerste middel : ‘schending van de wet van 29 juli 1991 op de formele motivering van administratieve akten (artikel 3)’ Overwegende dat het past het College van Burgemeester en Schepenen in herinnering te brengen dat de wet van 29 juli 1991 sinds 1 januari 1992 de algemene verplichting oplegt om op adequate wijze de individuele akten te motiveren die tot doel hebben juridische effecten voort te brengen; Dat dit principe eveneens gehuldigd wordt door de Europese normen en meer bepaald het recht op informatie opgenomen in artikel 10 van de Europese Conventie van de Rechten van de Mens en de bepaling volgens de welke ‘wanneer een administratieve akte van die aard is om zijn rechten, zijn vrijheden of zijn belangen in gedrang te brengen, wordt de burger op de hoogte gebracht van de motieven waarop deze akte gegrond is’. ( Resolutie n/ 77 / 31 van het Comité van de Raad van Ministers van Europa aangenomen op 28 september 1977); Dat de wet van 29 juli 1991 ook van toepassing is op beslissingen die stedenbouwkundige vergunningen toekennen en deze wet is geschonden als een beslissing tot toekenning van een vergunning niet de wettelijke en feitelijke motieven opsomt die haar gronden en dit op adequate wijze (...); Dat verzoekers eveneens opmerken dat de wet van 29 juli 1991 oplegt dat de gedane motivering concreet, duidelijk, juist, pertinent en adequaat moet zijn (...); Dat zoals de Heren Joël Van Ypersele en Bernard Louveaux het terecht verduidelijken in ‘Le Droit de l’urbanisme en Belgique et dans ses trois régions’, 2de uitgave-Larcier 2006, beantwoorden stijlclausules (...) of alledaagse beweringen zoals ‘de bouw is in overeenstemming met de onmiddellijke buren’ in geen opzicht aan deze wettelijke verplichtingen (...); Dat dit de motivering was die opgenomen staat in de bestreden akte; Dat deze zelfde auteurs sterk de nadruk leggen op het feit dat een vergunning zich niet mag beperken in haar inleiding om de wettelijke bepalingen en de toepasbare reglementen te beogen; Dat dit eveneens in onderhavige zaak het geval was; Dat de auteurs uiteindelijk de houding in herinnering brengen die opgelegd wordt door de Raad van State (...) : ‘Een akte van de administratie moet in regel niet beantwoorden aan alle bedenkingen die gemaakt werden in de loop van de procedure die geleid hebben tot het aannemen ervan. Maar wanneer in de loop X-13.641-6/14 van het openbaar onderzoek duidelijke opmerkingen gemaakt worden waarvan de juistheid en de gepastheid versterkt worden door het dossier, kan de afgeleverde vergunning niet beschouwd worden als adequaat gemotiveerd daar ze niet toelaat om te begrijpen waarom de overheid, tenminste gedeeltelijk, niet antwoordt op deze opmerkingen (...); Dat dezelfde auteurs terecht er aan toevoegen: ‘Het recht van betrokkenen om grieven en opmerkingen te uiten tijdens het openbaar onderzoek (...) heeft tot gevolg dat de bevoegde overheden die belast worden om respectievelijk een advies te geven en recht te doen over een verzoek tot een vergunning de verplichting hebben om zeer nauwkeurig de grieven te onderzoeken en te beoordelen die gemaakt werden en het antwoord te geven op deze argumenten in de eigenlijke akte’ (...); Dat deze auteurs trouwens verduidelijken dat: ‘de overheid, indien nodig, moet ambtshalve onderzoeken of het project dat haar wordt voorgelegd beantwoordt aan de vereiste van verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en, indien zij van oordeel is dat dit het geval is, moet zij de redenen opsommen, hetzij door eigen motivering, hetzij door te verwijzen naar het advies van de afgevaardigd ambtenaar, die haar geleid hebben tot dit besluit.’; (...), met opmerkingen van J.F. Neuray dewelke verduidelijkt dat de thesis van het arrest van 10 mei 1995 meer in overeenstemming lijkt met de geest van de wet van 29 juli 1991: ‘de bedoeling van de wetgever was niet alleen om de burger toe te laten om in de akte de motieven terug te vinden die ze ondersteunen. Het was ook om de auteur te verplichten zich uit te drukken zodat de overweging noodzakelijkerwijze de vordering zou voorafgaan. Het tweede doel is niet bereikt als het bestuur zich beperkt om in haar beslissing slaafs een advies te geven, zelfs indien dit zeer uitgebreid is.’ Dat over de vraag inzake de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, de Raad van State geoordeeld heeft : ‘de stedenbouwkundige vergunning of het advies van de afgevaardigd ambtenaar dat ze weergeeft moet de redenen laten blijken waarom het project verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving zonder de bestemming van de zone in gedrang te brengen. In dit geval omvat het advies van de afgevaardigd ambtenaar een motivering die zich leent tot een stijlclausule en de vergunning omvat geen enkele adequate motivering (...): Dat het in onderhavig geval bewezen lijkt dat het College van Burgemeester en Schepenen het criterium van ‘goede inrichting van de plaatsen’ niet in overweging genomen heeft; dat dit criterium haar verplichte de verenigbaarheid te onderzoeken van het verzoek met de goede inrichting van het grondgebied (artikel 110, § 2 Vlaams Decreet); Dat de auteur Fr. HAUMONT (...) verduidelijkt dat dit principe ‘van goede inrichting’ in werkelijkheid samenvloeit met de notie van verenigbaarheid, van afwezigheid van negatieve impact of onaanvaardbare weerslagen op de lokale bebouwde of onbebouwde ruimtelijke ordening; de auteur Ph. COENRAETS (...) is van oordeel dat op algemene wijze, de goede inrichting van de plaatsen de integratie, de verenigbaarheid van een project met haar onmiddellijke bebouwde of onbebouwde omgeving bedoelt; Dat de beoordeling van de goede inrichting van de plaatsen kan gebeuren bij verwijzing naar verschillende elementen zoals de karakteristieken van de wijk (...), de impact op de buurt (...) enz... Dat het opportuun lijkt in herinnering te brengen dat de overheden waakzaam moeten zijn dat zij geen vergunning afgeven die in strijd zijn met de elementaire rechtsregels van het privaat recht namelijk deze inzake zicht en lichtinval daar deze regels niet volledig vreemd zijn aan een goede inrichting van de plaatsen; X-13.641-7/14 Dat in dit geval de vergunning de bouw toegelaten heeft van een bouwwerk waarbij de regels inzake lichtinval en zicht volstrekt niet geëerbiedigd werden; Dat zoals de auteurs Van Ypersele en Louveaux (...) het terecht opmerken: ‘het onderzoek van de verenigbaarheid van het project met een algemene bestemming van de bewuste zone en haar architecturaal karakter moet werkelijk zijn. Indien het bestuur het niet uitdrukkelijk vermeld heeft, kan ze niet voorhouden dat de voorwaarden die opgelegd worden in de vergunning dit werkelijk onderzoek uitmaken.’ (...); Dat het College van Burgemeester en Schepenen in onderhavig geval overduidelijk de situatie niet op redelijke wijze beoordeeld heeft ; Dat de raadsman van verzoekers inderdaad diende vast te stellen tijdens het onderzoek van het dossier aan het loket dat het dossier op zeer eigenaardige wijze slechts de beslissing bevatte die thans bestreden word(

  1. t)en de plannen; (neergelegd in het administratief dossier van 7 november 2007 ! ) en dat het College van Burgemeester en Schepenen tijdens de zitting van 7 november 2007 verklaard heeft (...): ‘De ontworpen constructies sluit(
  2. en)aan op de wachtgevel van de bestaande achterbouw op de eigendom van de klager (lees verzoekers) en dit binnen een normaal aanvaardbare bouwdiepte in een gesloten woningbouw. De uitbreiding op verdiep gebeurt op minstens 3 meter van de gemene perceelgrens aan de oostzijde van de eigendom van de klager en zal bijgevolg weinig zon en daglicht ontnemen. Het bezwaar toont nergens aan waar (e)en scheiding van eigendom bestaat; de beoordeling van het project kan bijgevolg enkel gebeuren aan de hand voor de door de architect beschikbaar gestelde informatie’. Wat het eventuele stabiliteitsproblemen betreft, aarzelt de Gemeente niet om te verklaren dat deze haar niet aanbelangen en dat ‘de klager dit aspect rechtstreeks dient te regelen met de aanvrager en kan zich zo spoedig laten bijstaan door een deskundige.’; Dat het College van Burgemeester en Schepenen uiteindelijk niet geantwoord heeft op de argumenten die terecht ontwikkeld werden door verzoekers in hun brief van 28 juli 2007, nooit zich waardig gevoeld heeft om te antwoorden op het verzoek tot een afspraak en zich nooit ter plaatse begeven heeft teneinde hen toe te laten het project visueel te beoordelen en de ovèrlast en morele (verlies aan zicht en licht) schade en financiële schade (onroerende minderwaarde) vast te stellen die veroorzaakt werd aan verzoekers Dat het middel gegrond is”. Beoordeling 11. Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de bezwaarindiener in de beslissing over zijn bezwaarschrift een afdoend antwoord kan vinden op zijn relevante bezwaren. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. X-13.641-8/14 12. Bij de beantwoording van het bezwaar van de verzoekende partijen wordt in het bestreden besluit overwogen dat “de ontworpen constructie (aan)sluit (...) op de wachtgevel van de bestaande achterbouw op de eigendom van de klager, en dit binnen een normaal aanvaardbare bouwdiepte in een gesloten woningbouw”. Daarnaast wordt gesteld dat de uitbreiding op de verdieping gebeurt op meer dan 3 m afstand van de perceelgrens en dat de “uitbreiding op verdiep (...) weinig zon- en daglicht zal ontnemen”. De verzoekende partijen kunnen dan ook niet gevolgd worden waar ze beweren dat het “bewezen lijkt dat het College van Burgemeester en Schepenen het criterium van ‘goede inrichting van de plaatsen’ niet in overweging genomen heeft”. Zij ontwikkelen voor het overige geen argumenten tegen de voormelde motivatie. 13. De verzoekende partijen gaan eraan voorbij dat stedenbouwkundige vergunningen worden verleend onder voorbehoud van de gebeurlijk geldende burgerlijke rechten. 14. Het blijkt dat de verzoekende partijen in hun bezwaarschrift het volgende hebben gesteld: “Ik (...) verzoek u vriendelijk voor een onderhoud met de Schepen van Openbare Werken & Urbanisme teneinde samen tot een passende oplossing te komen”. Deze vermelding kan niet worden beschouwd als een relevant bezwaar waarop op grond van de motiveringsplicht een afdoend antwoord moest worden gegeven in de beslissing over het bezwaarschrift. De verzoekende partijen tonen bovendien niet aan welke wettelijke of reglementaire grondslag de verwerende partij ertoe zou verplichten in te gaan op het verzoek tot een onderhoud of een plaatsbezoek te houden. 15. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat het bestreden besluit geen “uitzonderlijke redenen” bevat waarom een afwijking van de BPA-voorschriften gerechtvaardigd zou zijn, geven zij op onontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan hun middel. 16. Het eerste middel is ongegrond. X-13.641-9/14 B. Tweede, derde en vijfde middel Uiteenzetting van de middelen 17. Het tweede middel wordt als volgt uiteengezet: “‘Schending van artikel 32 van de Grondwet en van het Vlaams Decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur’ Overwegende dat het artikel 32 van de Grondwet zoals het Vlaams Decreet van 26 maart 2004 het principe van openbaarheid van bestuur onderschrijven door het recht in te richten om elk administratief document te consulteren en zich er een afschrift van te laten overhandigen; Krachtens deze juridische normen heeft het bestuur de verplichting tot openbaarheid hetgeen de burger een zo groot mogelijke toegang geeft tot informatie, in het bijzonder wat hem betreft; Dat bovendien en onder impuls van de Conventie van Aarthus (sic) en de richtlijn 2003/4/EC van het Europees Parlement en van de Raad van 28 januari 2003 betreffende de toegang van het publiek tot informatie inzake milieu, werden bijzondere wetgevingen in het leven geroepen die de toegang tot informatie inzake milieu organiseren (waaronder het Vlaams Decreet van 26 maart 2004); Dat hun toepassingsgebied, behalve in het Brussels Gewest, groot is en zowel de ruimtelijke ordening als de stedenbouw omvat; Dat noch verzoekers, noch hun raadsman toegang hebben gehad tot het volledige dossier; Dat het dossier dat in december 2007 geconsulteerd werd door de raadsman van verzoekers enkel de bewuste beslissing bevatte - klaarblijkelijk niet op een formulier ad hoc zoals artikel 112 van het Vlaams Decreet het op straffe van nietigheid oplegt - en plannen, deze laatsten werden bij het dossier gevoegd op 7 november 2007, de stempel van de Gemeente Beersel bewijst het, hetzij de dag zelf waarop het College de beslissing genomen heeft; Dat bij het onderzoek van het dossier, de vraag voor een vergunning niet gevoegd was hetgeen eigenaardig lijkt; Dat de middelen gegrond zijn”. 18. Het derde middel wordt als volgt uiteengezet: “onregelmatigheid van de procedure tot toekenning van de stedenbouwkundige vergunning ingeleid in het kader van het Vlaams Decreet strekkende tot de organisatie van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van 18 mei 1999 (Belgisch Staatsblad van 8 juni 1999), van het principe van tegenspraak en schending van de rechten van verdediging Overwegende dat de raadsman van verzoekers vastgesteld heeft dat de plannen neergelegd werden door Mevrouw VAN VEER of haar architect de Heer Patrick DONS op 7 november 2007 volgens de stempel aangebracht door de Gemeente zelf, hetzij de dag zelf van de zitting waarop de vergunning voorgelegd werd aan het College van Burgemeester en Schepenen; Dat het dossier van de rechtspleging dus tot op 7 november 2007 onvolledig was en dat dit juist de datum was waarop de beslissing tot toekenning van de vergunning genomen werd; X-13.641-10/14 Dat men dus terecht de vraag kan stellen hoe het College een beslissing heeft kunnen nemen de dag zelf van de neerlegging van de plannen van de gevraagde veranderingen!!! Dat het dossier dus leemtes vertoonde zodat het College zich niet kon uitspreken met volledige kennis van de zaak en de impact op de rechtstreekse omgeving in overweging kon nemen ; Dat de Raad van State in een arrest (...) geoordeeld heeft dat omwille van leemtes van het dossier dat gevoegd was aan het verzoek tot een vergunning, de gemeente niet op volledige en juiste wijze de gevolgen geëvalueerd heeft die de bouw van hangaar op één meter van de grens van de eigendom zou kunnen teweegbrengen; (...) Dat de Raad van State in een ander arrest uitgesproken op 12 december 1986 (...), geoordeeld heeft: ‘het openbaar onderzoek kan slechts plaats hebben gehad met een volledig dossier.’; Dat de Raad van State bovendien zeer terecht beslist heeft dat wanneer bouwwerken aangrenzend zijn, het aangewezen is dat de foto’s van de gebouwen rekenschap moeten kunnen geven van inplanting van de plaatsen: wanneer de woning van de buurman niet opgenomen staat op de foto van het dossier dat gevoegd werd aan het verzoek is het niet bewezen dat het dossier van het verzoek de overheid werkelijk in staat gesteld heeft om zich een juist idee te vormen van de werkelijkheid (...); Dat verzoekers foto’s neerleggen van de plaatsen en van hun woning in het dossier van huidige procedure teneinde de Raad van State toe te laten zich een idee te vormen van onvolledigheid van de beslissing die genomen werd door het College; Dat deze plannen zeer belangrijke documenten uitmaken waarop het College haar beslissing gegrond heeft maar waarvan verzoekers geen kennis hebben kunnen nemen en door de gang van zaken ook niet door hen onderzocht konden worden; Dat de vergunning bijgevolg vernietigd dient te worden; Dat de raadsman van verzoekers bovendien vastgesteld heeft dat er verschillende handgeschreven vermeldingen aangebracht werden op deze plannen en zeer eigenaardig drie vermeldingen, te weten: - voor akkoord: n/ 30 - voor akkoord: n/ 34 - voor akkoord: n/ 14 Dat verzoekers die woonachtig zijn op nummer 30 nooit ingestemd hebben met wat dan ook ; Dat deze vermelding schriftvervalsing is met een invloed op de beslissing... Dat het middel gegrond is”. 19. In het vijfde middel wordt “niet gebruik van de ad hoc formulieren, voorgeschreven op straffe van nietigheid” aangevoerd. Als toelichting bij dit middel beperken de verzoekende partijen zich tot een verwijzing naar de vijfde paragraaf van hun tweede middel. Beoordeling 20. De vraag naar de inzage van het bestreden besluit en de bijhorende documenten staat los van de vraag naar de wettigheid van het bestreden besluit. De verzoekende partijen hebben in het kader van het openbaar onderzoek hun bezwaren X-13.641-11/14 geformuleerd. Deze zijn door de verwerende partij besproken. Zij hebben dan ook geen belang bij hun middelen in zoverre zij een gebrek in de openbaarmaking van de bouwaanvraag aanvoeren. 21. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt werd de vergunningsbeslissing wel degelijk op het door de reglementering voorgeschreven formulier genomen. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. 22. De datumstempel van 7 november 2007 op de bouwplannen, is deze die door het college voor visum wordt aangebracht “om gevoegd te worden bij zijn besluit van” dezelfde datum waarbij de vergunning wordt verleend. Anders dan de verzoekende partijen aannemen is 7 november 2007 niet de datum waarop de plannen neergelegd zijn. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. 23. De verzoekende partijen verwijten voorts de verwerende partij geen aandacht besteed te hebben aan hun aanpalende eigendom. Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt echter reeds dat in het bestreden besluit wel met de onmiddellijke omgeving en specifiek met hun eigendom rekening is gehouden. 24. Dat op de bouwplannen de vermelding “voor akkoord n/ 30” voorkomt, betekent dat het de bedoeling was dat de verzoekende partijen hun instemming zouden betuigen met de bouwplannen, en op die plaats hun handtekening zouden zetten. Zij hebben dit echter niet gedaan, reden waarom zij ook bezwaar hebben aangetekend, waardoor de vergunningverlenende overheid onmogelijk in de waan kon verkeren dat de verzoekende partijen akkoord zouden zijn gegaan met het project. Overigens behoort de betichting van valsheid tot de kennisneming van de gewone rechter en blijkt niet dat de verzoekende partijen een vordering wegens valsheid voor de gewone rechter hebben ingesteld. 25. Het tweede, derde en vijfde middel worden verworpen. X-13.641-12/14 C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 26. Het vierde middel wordt als volgt uiteengezet: “5.4 Vierde middel : ‘niet eerbiediging van de richtlijn 85/337 EEG en van het ‘Milieu Effectenrapport’ in het Vlaams Gewest’ Overwegende dat de richtlijn 85/337 aangeeft dat de evaluatie van de weerslag op het milieu op gepaste wijze de rechtstreekse en onrechtstreekse (ondergeschikte, cumulatieve) effecten op korte en lange termijn (voortdurend of tijdelijk), positieve of negatieve gevolgen van het project bepaalt, beschrijft en raamt op de volgende factoren: - de mens / de bevolking, de fauna en flora - de bodem, het water, de lucht, het klimaat en het landschap, enz Dat het feit dat de vergunning goedgekeurd werd onder de omstandigheden die wij kennen, staat ons toe te verklaren dat het College van Burgemeester en Schepenen van oordeel was dat verzoekers niet meer kunnen genieten van een vrij zich(
  3. t)noch van een zicht op een groen platteland; Dat de wettelijke bepalingen bedoeld in het 4de middel dus geschonden zijn; Dat het middel gegrond is”. Beoordeling 27. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt geven de verzoekende partijen nergens aan waarom over de aangevraagde werken een milieueffectenrapport zou moeten opgesteld worden. Bij gebreke aan voldoende duidelijke omschrijving van de wijze waarop de aangevoerde rechtsregel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden is het vierde middel onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.641-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.641-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.984 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.508 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.