id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.029 Rolnummer: A. 189966/IX-6097 Zaak: Arrest 208029 - Varia (economische zaken) - 11/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.029 van 11 oktober 2010 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.029 van 11 oktober 2010 in de zaak A. 189.966/IX-6097 In zake: de BVBA CYCLE SERVICE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas De Meese en Tina Van Poelvoorde kantoor houdend te Brussel Koningstraat 71 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 oktober 2008, strekt tot de nietigverklaring van “de impliciete weigering van de […] minister van Financiën […] om inzage en afschrift te geven van de kwalitatieve en kwantitatieve studie omtrent online loterijen waarvan sprake in het Bulletin van vragen en antwoorden van 18 maart 2008 […], door een verzoek tot heroverweging niet te beantwoorden”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 201.364 van 26 februari 2010 werden de debatten heropend en werd aan de verwerende partij de mogelijkheid geboden om een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie in te dienen. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-6097-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tina Van Poelvoorde, die verschijnt voor de verzoekende partij, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is ten tijde van de bestreden beslissing uitbater en eigenaar van een professionele wielerploeg. Zij heeft verschillende wielrenners onder contract en biedt aan sponsorende ondernemingen via deze wielerploeg een mediaplatform aan. In haar verzoekschrift stelt de verzoekende partij met betrekking tot haar activiteiten voorts dat zij “jarenlang als ‘paying agent’ een wielerploeg onder haar hoede [heeft] gehad, onder licentie van de UCI”, dat deze ploeg “geruime tijd [heeft] gereden onder de naam van haar oude hoofdsponsor, het Maltese bedrijf Unibet International Ltd.”, en dat “Unibet […] een buitenlandse aanbieder [is] van sportweddenschappen en gokspelen die via het internet worden aangeboden”. 3.
- De minister van Financiën antwoordt op 18 maart 2008 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op de vraag van een volksvertegenwoordiger over het aanbieden van kansspelen op het internet door de Nationale Loterij (Vr. en IX-6097-2/10 Antw. Kamer 2007-2008, 18 maart 2008, 2468 (vraag nr. 190)). De minister verwijst in zijn antwoord naar een kwalitatieve en kwantitatieve studie die door specialisten werd uitgevoerd op verzoek van de Nationale Loterij. Uit die studie blijkt volgens de minister “dat er wel degelijk vraag naar internetspelen is”. 3.
- De raadslieden van de verzoekende partij vragen met een aangetekende brief van 20 mei 2008 aan de minister van Financiën een afschrift van de kwalitatieve en kwantitatieve studie, waarvan sprake in het voormelde antwoord van de minister. In deze brief vermelden de raadslieden niet dat zij de aanvraag indienen in opdracht van de verzoekende partij. De minister van Financiën antwoordt met een brief van 19 juni 2008 dat hij het kwestieuze document niet in zijn bezit heeft. Hij adviseert de raadslieden van de verzoekende partij om een aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift in te dienen bij de diensten van de Nationale Loterij. 3.
- Met een aangetekende brief van 27 juni 2008 delen de raadslieden van de verzoekende partij aan de minister mee dat zij niet akkoord gaan met de impliciete afwijzing van hun verzoek tot het verkrijgen van een afschrift. Zij verwijzen naar het antwoord van de minister in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waaruit volgens hen blijkt dat hij zelf over de studie beschikt. Zij vragen om de afwijzing van hun aanvraag te heroverwegen. Met een aangetekende brief van diezelfde datum richten de raadslieden van de verzoekende partij zich tot de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten teneinde een advies te verkrijgen overeenkomstig artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (hierna: de wet van 11 april 1994). 3.
- De Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten verleent geen advies en de minister van Financiën neemt de zaak niet in heroverweging. IX-6097-3/10 Krachtens artikel 8, § 2, derde lid, van de wet van 11 april 1994 moet de minister worden geacht een stilzwijgende afwijzende beslissing te hebben genomen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Eveneens met een aangetekende brief van 27 juni 2008 vragen de raadslieden van de verzoekende partij aan de Nationale Loterij om hen een afschrift van de studie te laten geworden. Omdat binnen de termijn van 30 dagen bepaald in artikel 6, § 5, van de wet van 11 april 1994 geen afschrift van de studie wordt overgemaakt, dienen de raadslieden van de verzoekende partij met aangetekende brieven van 14 augustus 2008 een verzoek tot heroverweging in bij de Nationale Loterij en vragen zij het advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten. 3.
- De Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten verleent geen advies en de Nationale Loterij neemt de zaak niet in heroverweging. Krachtens artikel 8, § 2, derde lid, van de wet van 11 april 1994 moet de Nationale Loterij worden geacht een stilzwijgende afwijzende beslissing te hebben genomen. De verzoekende partij heeft ook tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingesteld (zaak A. 190.473/IX-6129). IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift tot nietigverklaring ter verantwoording van haar belang bij het voorliggende beroep aan dat zij noodgedwongen een nieuwe sponsor heeft moeten zoeken omwille van het feit dat de internetspelen die door haar voormalige hoofdsponsor werden IX-6097-4/10 aangeboden, als illegaal werden beschouwd. Het spreekt volgens haar voor zich dat zij er belang bij heeft inzage te verkrijgen van iedere studie die op dergelijke spelen betrekking heeft. Zulke studie kan immers worden gebruikt om na te gaan of de Belgische wetgeving inzake kansspelen en loterijen al dan niet gerechtvaardigd is in het licht van artikel 49 van het EG-Verdrag. De verzoekende partij laat voorts gelden dat het krachtens artikel 4 van de wet van 11 april 1994 niet vereist is dat de rechtszoekende die inzage wil krijgen van een bestuursdocument, blijk geeft van een belang. Dat is enkel wel het geval voor bestuursdocumenten van persoonlijke aard, maar te dezen heeft haar vraag tot inzage geen betrekking op dergelijke documenten.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij. Zij wijst erop dat artikel 5 van de wet van 11 april 1994 bepaalt dat de inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument gebeurt op aanvraag. De verwerende partij laat gelden dat zij vanwege de verzoekende partij nooit een dergelijke aanvraag heeft ontvangen, noch een verzoek dat namens of voor de verzoekende partij zou zijn ingediend. De brief van 20 mei 2008 gaat, aldus de verwerende partij, immers uit van de advocaten Christoph De Preter en Benito Boone, zonder dat uit de gevoerde briefwisseling blijkt dat zij optraden als raadslieden van de verzoekende partij. Vermits de verzoekende partij zelf niet heeft gevraagd om een afschrift te verkrijgen van de studie, is er ook geen impliciete beslissing waarmee haar een afschrift zou zijn geweigerd, zodat het voorliggende beroep tot nietigverklaring geen voorwerp heeft. Minstens toont de verzoekende partij niet aan dat zij over het rechtens vereiste belang beschikt. Daarbij aansluitend werpt de verwerende partij een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het niet uitputten van de voorafgaande beroepsprocedure. De verwerende partij stelt nooit een IX-6097-5/10 verzoek tot heroverweging uitgaande van de verzoekende partij te hebben ontvangen.
- De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de beide door de verwerende partij opgeworpen excepties manifest ongegrond zijn. Zij laat vooreerst gelden dat de verwerende partij niet ernstig kan voorhouden dat het verzoek tot inzage “in eigen naam” van de raadslieden van de verzoekende partij werd ingediend, aangezien alleen al uit het gebruik van het briefpapier van het advocatenkantoor blijkt dat de genoemde raadslieden zijn opgetreden in opdracht van een cliënt. Het is bovendien irrelevant dat de verzoekende partij via haar raadslieden een aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift van de studie heeft ingediend zonder dat die raadslieden haar identiteit hebben meegedeeld, aangezien een aanvrager geen specifiek belang moet laten blijken om van een bestuursdocument inzage te kunnen verkrijgen. Met betrekking tot het argument van de verwerende partij dat zij nooit enig verzoek tot heroverweging vanwege de verzoekende partij heeft ontvangen, laat de verzoekende partij gelden dat in haar aangetekende brief van 27 juni 2008 houdende het verzoek tot heroverweging aan de minister, duidelijk werd meegedeeld dat de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten eveneens werd gevat. Met een aangetekende brief van diezelfde datum werd aan de genoemde commissie advies gevraagd. Aldus werd de georganiseerde beroepsprocedure wel degelijk uitgeput voorafgaand aan het instellen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
- De verwerende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat het in het kader van de openbaarheid van bestuur noodzakelijk is dat de overheid de identiteit van de aanvrager kent, opdat zij zou kunnen nagaan of er grond is om de aanvraag te weigeren met toepassing van de artikelen 4, 6 en 9 van de wet van 11 april
- De verwerende partij herhaalt voorts dat de aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift niet door de verzoekende partij, noch namens de verzoekende partij, werd ingediend. IX-6097-6/10 Beoordeling
- De beide door de verwerende partij opgeworpen excepties gaan ervan uit dat de aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift op grond van de wet van 11 april 1994 niet is ingediend door of namens de verzoekende partij. Volgens de verwerende partij werd die aanvraag door de raadslieden van de verzoekende partij louter in eigen naam ingediend. Uit het administratief dossier blijkt dat de advocaten Christophe De Preter en Benito Boone op 20 mei 2008, gebruik makend van het briefpapier van de advocatenassociatie waarbij zij werkzaam zijn, een verzoek tot openbaarheid op grond van de wet van 11 april 1994 hebben gericht aan de verwerende partij. In dit verzoekschrift wordt geen melding gemaakt van de identiteit van de verzoekende partij in de voorliggende zaak. Evenmin wordt aan de verwerende partij meegedeeld dat de openbaarheid wordt aangevraagd namens een cliënt. Er wordt enkel vermeld dat de studie waarvan een afschrift wordt aangevraagd, valt onder de ruime definitie van de term “bestuursdocument” in artikel 1, tweede lid, 2°, van de wet van 11 april 1994 en dat een dergelijk bestuursdocument openbaar is, zodat iedere burger er toegang toe heeft zonder daartoe een belang te moeten aantonen.
- Vooreerst dient erop te worden gewezen dat de verzoekende partij terecht stelt dat artikel 4 van de wet van 11 april 1994 in principe niet vereist dat de aanvrager moet doen blijken van een belang om de openbaarheid van een bestuursdocument te verkrijgen. Integendeel kan éénieder een dergelijk document inzien, uitleg erover krijgen en een afschrift ervan ontvangen. De aanvrager zal enkel een belang moeten hebben, indien hij de openbaarheid wenst van een document van persoonlijke aard. Te dezen had de aanvraag geen betrekking op een document van persoonlijke aard, zodat de aanvrager geen blijk diende te geven van een belang. IX-6097-7/10
- Voorts dient te worden vastgesteld dat volgens de opvatting van de verzoekende partij de aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift werd ingediend door haar raadslieden op grond van een contract van lastgeving. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt evenwel dat de identiteit van de lastgever door de raadslieden niet werd vermeld, terwijl evenmin werd gesteld dat de raadslieden optraden namens en voor rekening van een derde. Voor zover zou kunnen worden aangenomen dat een lasthebber bevoegd kan zijn om in eigen naam, doch met vermelding van zijn hoedanigheid, qualitate qua op te treden voor rekening van een derde zonder de identiteit van deze lastgever te vermelden, dient het openlijke karakter van de vertegenwoordiging te worden gerespecteerd. Te dezen bleef de lastgeving voor de verwerende partij echter verborgen en vermocht deze partij ervan uit te gaan dat het verzoek tot het verkrijgen van een afschrift van de kwalitatieve en kwantitatieve studie over online loterijen, waarvan sprake in het Bulletin van vragen en antwoorden van 18 maart 2008, werd ingediend door de advocaten Christophe De Preter en Benito Boone, die optraden in eigen naam en voor eigen rekening. De aanvraag tot inzage van de studie en het verzoek tot heroverweging van de stilzwijgende afwijzende beslissing moeten derhalve worden geacht te zijn uitgegaan van de raadslieden zelf en niet van de verzoekende partij.
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang dat aldus van de verzoekende partij wordt vereist, houdt onder meer in dat deze partij ingevolge de bestreden akte of het bestreden reglement een rechtstreeks, persoonlijk en zeker nadeel moet lijden, waaraan de vernietiging van die akte of dat reglement kan verhelpen. IX-6097-8/10 Het rechtstreekse karakter van het belang houdt in dat een direct causaal verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en het nadeel dat de verzoekende partij lijdt. Er is voorts slechts sprake van een persoonlijk belang wanneer een voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de verzoekende partij en de bestreden beslissing.
- Nu vaststaat dat de aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift van de kwalitatieve en kwantitatieve studie over online loterijen, waarvan sprake in het Bulletin van vragen en antwoorden van 18 maart 2008, niet werd ingediend namens de verzoekende partij, dient te worden vastgesteld dat geen voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de thans bestreden beslissing en de verzoekende partij. Derhalve is het beroep onontvankelijk bij gebrek aan belang. De beide excepties zijn gegrond.
- Meer zelfs, aangezien de verzoekende partij geen aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift van de genoemde studie bij de verwerende partij heeft ingediend, moet ambtshalve worden vastgesteld dat zij de vereiste kwaliteit of hoedanigheid mist voor het instellen van het voorliggende beroep. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-6097-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6097-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.029 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.364 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div