id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.030 Rolnummer: A. 190473/IX-6129 Zaak: Arrest 208030 - Varia (economische zaken) - 11/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-20 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.030 van 11 oktober 2010 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.030 van 11 oktober 2010 in de zaak A. 190.473/IX-6129 In zake: de BVBA CYCLE SERVICE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas De Meese en Tina Van Poelvoorde kantoor houdend te Brussel Koningstraat 71 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV NATIONALE LOTERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vlaemminck kantoor houdend te Brussel Louizalaan 480 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 november 2008, strekt tot de nietigverklaring van “de impliciete weigering van de Nationale Loterij om inzage en afschrift te geven van de kwalitatieve en kwantitatieve studie omtrent online loterijen waarvan sprake in het Bulletin van vragen en antwoorden van 18 maart 2008 […], door niet binnen de wettelijk gestelde termijnen te antwoorden op de vragen gesteld in het verzoek tot heroverweging”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6129-1/14 Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tina Van Poelvoorde, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yves T’Jampens, die loco advocaat Philippe Vlaemminck verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is ten tijde van de bestreden beslissing uitbater en eigenaar van een professionele wielerploeg. Zij heeft verschillende wielrenners onder contract en biedt aan sponsorende ondernemingen via deze wielerploeg een mediaplatform aan. In haar verzoekschrift stelt de verzoekende partij met betrekking tot haar activiteiten voorts dat zij “jarenlang als ‘paying agent’ een wielerploeg onder haar hoede [heeft] gehad, onder licentie van de UCI”, dat deze ploeg “geruime tijd [heeft] gereden onder de naam van haar oude hoofdsponsor, het Maltese bedrijf Unibet International Ltd.”, en dat “Unibet […] IX-6129-2/14 een buitenlandse aanbieder [is] van sportweddenschappen en gokspelen die via het internet worden aangeboden”. 3.
- De minister van Financiën antwoordt op 18 maart 2008 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op de vraag van een volksvertegenwoordiger over het aanbieden van kansspelen op het internet door de Nationale Loterij (Vr. en Antw. Kamer 2007-2008, 18 maart 2008, 2468 (vraag nr. 190)). De minister verwijst in zijn antwoord naar een kwalitatieve en kwantitatieve studie die door specialisten werd uitgevoerd op verzoek van de Nationale Loterij. Uit die studie blijkt volgens de minister “dat er wel degelijk vraag naar internetspelen is”. 3.
- De raadslieden van de verzoekende partij vragen met een aangetekende brief van 20 mei 2008 aan de minister van Financiën een afschrift van de kwalitatieve en kwantitatieve studie, waarvan sprake in het voormelde antwoord van de minister. In deze brief vermelden de raadslieden niet dat zij de aanvraag indienen in opdracht van de verzoekende partij. De minister van Financiën antwoordt met een brief van 19 juni 2008 dat hij het kwestieuze document niet in zijn bezit heeft. Hij adviseert de raadslieden van de verzoekende partij om een aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift in te dienen bij de diensten van de Nationale Loterij. 3.
- Met een aangetekende brief van 27 juni 2008 delen de raadslieden van de verzoekende partij aan de minister mee dat zij niet akkoord gaan met de impliciete afwijzing van hun verzoek tot het verkrijgen van een afschrift. Zij verwijzen naar het antwoord van de minister in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waaruit volgens hen blijkt dat hij zelf over de studie beschikt. Zij vragen om de afwijzing van hun aanvraag te heroverwegen. Met een aangetekende brief van diezelfde datum richten de raadslieden van de verzoekende partij zich tot de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten teneinde een advies te verkrijgen overeenkomstig IX-6129-3/14 artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (hierna: de wet van 11 april 1994). 3.
- De Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten verleent geen advies en de minister van Financiën neemt de zaak niet in heroverweging. Krachtens artikel 8, § 2, derde lid, van de wet van 11 april 1994 moet de minister worden geacht een stilzwijgende afwijzende beslissing te hebben genomen. De verzoekende partij stelt tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 189.966/IX-6097). 3.
- Eveneens met een aangetekende brief van 27 juni 2008 vragen de raadslieden van de verzoekende partij aan de Nationale Loterij om hen een afschrift van de studie te laten geworden. In deze brief vermelden de raadslieden van de verzoekende partij evenmin dat zij de aanvraag indienen in opdracht van de verzoekende partij. Op 30 juni 2008 bevestigt de gedelegeerd bestuurder van de Nationale Loterij de ontvangst van de voormelde aanvraag. 3.
- Met een brief van 30 juli 2008 vraagt de chief executive officer van de Nationale Loterij aan de raadslieden van de verzoekende partij om te verduidelijken wie hun opdrachtgever is en of de aanvraag al dan niet gebeurt in het kader van een procedure. De raadslieden beantwoorden deze vraag met een aangetekende brief van 14 augustus 2008, waarin zij onder meer stellen dat leden van het kantoor publicaties en voordrachten op hun naam hebben over de regulering van gokactiviteiten, dat het kantoor de belangen behartigt van diverse partijen in een strafprocedure en dat de vraag tot inzage mede wordt gedaan namens de NV Telebet, de NV ICT Service, de BVBA Cycle Service, de BVBA Zitaluna en de IX-6129-4/14 BVBA Quality Horses en dat het kantoor de belangen behartigt van Unibet International. 3.
- Omdat binnen de termijn van 30 dagen bepaald in artikel 6, § 5, van de wet van 11 april 1994 geen afschrift van de studie wordt overgemaakt, dienen de raadslieden van de verzoekende partij een verzoek tot heroverweging in bij de Nationale Loterij en vragen zij het advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten. 3.
- De Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten verleent geen advies en de Nationale Loterij neemt de zaak niet in heroverweging. Krachtens artikel 8, § 2, derde lid, van de wet van 11 april 1994 moet de Nationale Loterij worden geacht een stilzwijgende afwijzende beslissing te hebben genomen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft haar laatste memorie buiten de reglementair bepaalde termijn ingediend. Met toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt ze ambtshalve uit de debatten geweerd. V. Bevoegdheid van de Raad van State Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij voert aan dat zij geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij IX-6129-5/14 argumenteert in dat verband dat in het licht van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij, de diverse uitvoeringsbepalingen en het beheerscontract tussen haar en de Belgische Staat, weliswaar gewag kan worden gemaakt van controle die zij ondergaat vanwege de Belgische Staat, maar dat haar geenszins de bevoegdheid is opgedragen om ten aanzien van derden eenzijdig bindende beslissingen te nemen. De verwerende partij besluit daaruit dat tegen de bestreden beslissing geen beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden ingesteld.
- De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de stelling van de verwerende partij geen steun vindt in de rechtspraak van de Raad van State. Zij betoogt dat het leerstuk met betrekking tot de “hoedanigheid” van overheidsbedrijven genuanceerder is dan wat de verwerende partij laat uitschijnen. Enkel wanneer de verwerende partij louter privaatrechtelijke handelingen stelt, wat te dezen niet het geval is, ontsnapt haar handelen aan de controle van de Raad van State. De bevoegdheid om eenzijdig bindende beslissingen te kunnen nemen ten aanzien van derden is volgens de verzoekende partij geen noodzakelijk criterium om onder de toepassing van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en bijgevolg onder het toepassingsgebied van de wet van 11 april 1994 te kunnen vallen. Beoordeling
- De Nationale Loterij is sinds de inwerkingtreding van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij op 16 juli 2002 een naamloze vennootschap van publiek recht. Een dergelijke vennootschap is een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer zij, zoals te dezen, beslissingen neemt die kaderen in de “opdrachten van openbare dienst” waarmee zij is belast. Het door de verwerende partij aangevoerde criterium van de IX-6129-6/14 bevoegdheid om ten aanzien van derden eenzijdig bindende beslissingen te nemen is dan niet dienstig. De exceptie is niet gegrond. VI. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift tot nietigverklaring ter verantwoording van haar belang bij het voorliggende beroep aan dat zij noodgedwongen een nieuwe sponsor heeft moeten zoeken omwille van het feit dat de internetspelen die door haar voormalige hoofdsponsor werden aangeboden, als illegaal werden beschouwd. Het spreekt volgens haar voor zich dat zij er belang bij heeft inzage te verkrijgen van iedere studie die op dergelijke spelen betrekking heeft. Zulke studie kan immers worden gebruikt om na te gaan of de Belgische wetgeving inzake kansspelen en loterijen al dan niet gerechtvaardigd is in het licht van artikel 49 van het EG-Verdrag. De verzoekende partij laat voorts gelden dat het krachtens artikel 4 van de wet van 11 april 1994 niet vereist is dat de rechtszoekende die inzage wil krijgen van een bestuursdocument, blijk geeft van een belang. Dat is enkel wel het geval voor bestuursdocumenten van persoonlijke aard, maar te dezen heeft haar vraag tot inzage geen betrekking op dergelijke documenten
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het gebrek aan “kwaliteit” in hoofde van de verzoekende partij. Zij laat gelden dat de verzoekende partij niet de volledige administratieve procedure heeft doorlopen alvorens zich te wenden tot de Raad van State. Zij wijst erop dat zij vanwege de verzoekende partij geen verzoek tot inzage of afschrift heeft ontvangen. Wel heeft zij een aanvraag ontvangen vanwege het advocatenkantoor van de raadslieden van de verzoekende IX-6129-7/14 partij. In het licht van deze aanvraag moet volgens de verwerende partij ook het verzoek tot heroverweging worden geacht uit te gaan van het genoemde advocatenkantoor, ook al wordt daarin vermeld dat de aanvraag onder meer werd gedaan in het belang van de verzoekende partij. Hoogstens zou kunnen worden aangenomen dat het verzoek tot heroverweging, dat van 14 augustus 2008 dateert, tegelijkertijd kan gelden als een eerste verzoek tot afschrift dat uitgaat van de daarin genoemde cliënten van het advocatenkantoor. Hoe dan ook werd de aanvraag van 27 juni 2008 tot afschrift niet gedaan door de verzoekende partij. Ook het verzoek tot het verkrijgen van een advies, gericht aan de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, is uitgegaan van het advocatenkantoor en niet van de verzoekende partij. De verwerende partij besluit dat niet kan worden aangenomen dat een rechtszoekende zich zou kunnen beroepen op stappen die in een administratieve procedure werden ondernomen door een andere rechtszoekende, zelfs al bestaat er een zekere band tussen beiden.
- De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de titularis van het recht op openbaarheid krachtens de wet van 11 april 1994 geen belang dient aan te tonen om inzage of afschrift te verkrijgen van documenten die niet van persoonlijke aard zijn, zodat het niet noodzakelijk is dat een raadsman kenbaar maakt voor welke cliënt hij een aanvraag tot openbaarheid indient. De wet van 11 april 1994 stelt bovendien nergens dat een aanvraag tot openbaarheid van bestuur onontvankelijk is indien deze aanvraag wordt ingediend in opdracht van een niet-gepreciseerde opdrachtgever. De verzoekende partij stelt voorts dat de verwerende partij zelf geen enkel belang heeft bij het opwerpen van de exceptie, aangezien de identiteit van de partijen voor wie het bestuursdocument werd opgevraagd, werd kenbaar gemaakt in het verzoek tot heroverweging.
- In haar laatste memorie betoogt de verzoekende partij dat de stilzwijgende lastgevings- en naamleningsovereenkomst die tussen haarzelf en haar raadslieden bestond, op 18 februari 2010 werd bekrachtigd overeenkomstig IX-6129-8/14 artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek. Zij stelt dat deze bekrachtiging tot gevolg heeft dat de raadslieden die het verzoek tot openbaarheid hebben ingediend, retroactief worden geacht over de vereiste vertegenwoordigingsmacht te beschikken voor de bekrachtigde handelingen. Op grond van deze bekrachtiging dient volgens de verzoekende partij te worden geoordeeld dat het wel degelijk zijzelf is die de volledige administratieve procedure heeft doorlopen, eerder dan haar raadslieden. Weliswaar is het zo dat het verzoek tot inzage, het verzoek tot heroverweging en de aanvraag van het advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten werden ingediend door de raadslieden van de verzoekende partij in eigen naam, maar dit gebeurde van meet af aan voor rekening van de verzoekende partij op grond van de voormelde lastgevingsovereenkomst. De verzoekende partij herhaalt vervolgens dat de wet van 11 april 1994 geen bepaling bevat die een verzoeker ertoe verplicht om steeds in eigen naam op te treden of die een verzoeker verbiedt om zich te laten vertegenwoordigen door een lasthebber. Doordat de wet van 11 april 1994 evenmin een definitie geeft van het begrip “verzoeker”, dient te worden aangenomen dat de algemene regels inzake de vertegenwoordiging van toepassing zijn op de procedure zoals beschreven in artikel 8 van die wet, met uitzondering van het vierde lid van dit artikel dat betrekking heeft op het beroep bij de Raad van State. De voormelde interpretatie van artikel 8 van de wet 11 april 1994 niet aannemen, zou volgens de verzoekende partij in strijd zijn met de geest en de letter van deze wet, die niet verbiedt dat een verzoeker om de openbaarheid van bestuursdocumenten vraagt door toedoen van een lasthebber, die ook niet voorschrijft dat een verzoeker zijn identiteit steeds bekend moet maken en evenmin erin voorziet dat een verzoeker blijk dient te geven van een belang bij het opvragen van documenten die niet van persoonlijke aard zijn. In dat geval zouden bijkomende voorwaarden worden toegevoegd aan de wet van 11 april 1994 die een onredelijke beperking van de toegang tot bestuursdocumenten zouden inhouden. IX-6129-9/14 De verzoekende partij merkt in dit verband ook op dat de ontvankelijkheidsvereisten voor de Raad van State niet zo mogen worden uitgelegd dat zij van toepassing zouden zijn op andere administratieve procedures of handelingen. Er anders over oordelen zou volgens haar een schending van de scheiding der machten inhouden. De verzoekende partij stelt ten slotte dat de toegang tot bestuursdocumenten een grondwettelijk beschermd recht betreft dat ten allen tijde dient te worden beschermd, en dat indien de Raad van State zou besluiten tot de onontvankelijkheid van het voorliggende beroep, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag dient te worden gesteld betreffende de verenigbaarheid van artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Beoordeling
- De verwerende partij laat in essentie gelden dat de verzoekende partij geen verzoek tot openbaarheid zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 11 april 1994 heeft ingediend, aangezien dit verzoek werd ingediend door de raadslieden van de verzoekende partij die niet zijn opgetreden namens de verzoekende partij. Volgens de verwerende partij werd die aanvraag door de raadslieden van de verzoekende partij louter in eigen naam ingediend. Uit het administratief dossier blijkt dat de advocaten Christophe De Preter en Benito Boone op 27 juni 2008, gebruik makend van het briefpapier van de advocatenassociatie waarbij zij werkzaam zijn, een verzoek tot openbaarheid op grond van de wet van 11 april 1994 hebben gericht aan de verwerende partij. In dit verzoekschrift wordt geen melding gemaakt van de identiteit van de verzoekende partij in de voorliggende zaak. Evenmin wordt aan de verwerende partij meegedeeld dat de openbaarheid wordt aangevraagd namens een cliënt. Er wordt enkel vermeld dat de studie waarvan een afschrift wordt aangevraagd, valt onder de ruime definitie van de term “bestuursdocument” in IX-6129-10/14 artikel 1, tweede lid, 2°, van de wet van 11 april 1994 en dat een dergelijk bestuursdocument openbaar is, zodat iedere burger er toegang toe heeft zonder daartoe een belang te moeten aantonen.
- Vooreerst dient erop te worden gewezen dat de verzoekende partij terecht stelt dat artikel 4 van de wet van 11 april 1994 in principe niet vereist dat de aanvrager moet doen blijken van een belang om de openbaarheid van een bestuursdocument te verkrijgen. Integendeel kan éénieder een dergelijk document inzien, uitleg erover krijgen en een afschrift ervan ontvangen. De aanvrager zal enkel een belang moeten hebben, indien hij de openbaarheid wenst van een document van persoonlijke aard. Te dezen had de aanvraag geen betrekking op een document van persoonlijke aard, zodat de aanvrager geen blijk diende te geven van een belang.
- Voorts dient te worden vastgesteld dat volgens de opvatting van de verzoekende partij de aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift werd ingediend door haar raadslieden op grond van een contract van lastgeving. Uit de stukken van het dossier blijkt evenwel dat de identiteit van de lastgever door de raadslieden niet werd vermeld, terwijl evenmin werd gesteld dat de raadslieden optraden namens en voor rekening van een derde. Voor zover zou kunnen worden aangenomen dat een lasthebber bevoegd kan zijn om in eigen naam, doch met vermelding van zijn hoedanigheid, qualitate qua op te treden voor rekening van een derde zonder de identiteit van deze lastgever te vermelden, dient het openlijke karakter van de vertegenwoordiging te worden gerespecteerd. Te dezen bleef de lastgeving voor de verwerende partij echter verborgen en vermocht deze partij ervan uit te gaan dat het verzoek tot het verkrijgen van een afschrift van de kwalitatieve en kwantitatieve studie over online loterijen, waarvan sprake in het Bulletin van vragen en antwoorden van 18 maart 2008, werd ingediend door de advocaten Christophe De Preter en Benito Boone, die optraden in eigen naam en voor eigen rekening. IX-6129-11/14 De aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift moet derhalve worden geacht te zijn uitgegaan van de raadslieden zelf en niet van de verzoekende partij. De omstandigheid dat de raadslieden van de verzoekende partij in hun schrijven van 14 augustus 2008, houdende het verzoek tot heroverweging, vermelden dat het verzoek mede werd ingediend in het belang van diverse cliënten, waaronder de verzoekende partij, doet daaraan geen afbreuk.
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang dat aldus van de verzoekende partij wordt vereist, houdt onder meer in dat deze partij ingevolge de bestreden akte of het bestreden reglement een rechtstreeks, persoonlijk en zeker nadeel moet lijden, waaraan de vernietiging van die akte of dat reglement kan verhelpen. Het rechtstreekse karakter van het belang houdt in dat een direct causaal verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en het nadeel dat de verzoekende partij lijdt. Er is voorts slechts sprake van een persoonlijk belang wanneer een voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de verzoekende partij en de bestreden beslissing.
- Nu vaststaat dat de aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift van de kwalitatieve en kwantitatieve studie over online loterijen, waarvan sprake in het Bulletin van vragen en antwoorden van 18 maart 2008, niet werd ingediend namens de verzoekende partij, dient te worden vastgesteld dat geen voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de thans bestreden beslissing en de verzoekende partij. Derhalve moet -voor zover als nodig ambtshalve- worden vastgesteld dat het voorliggende beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang. IX-6129-12/14
- Meer zelfs, aangezien de verzoekende partij geen aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift van de genoemde studie bij de verwerende partij heeft ingediend, moet worden vastgesteld dat zij de vereiste kwaliteit of hoedanigheid mist voor het instellen van het voorliggende beroep. De exceptie is gegrond.
- In haar laatste memorie vraagt de verzoekende partij dat aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld indien de Raad van State zou besluiten tot de onontvankelijkheid van het voorliggende beroep tot nietigverklaring: “Schendt artikel 8, § 2, vierde lid van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat het zo wordt geïnterpreteerd dat de ontvankelijkheidsvereisten inzake de hoedanigheid van een procespartij die op basis van dit artikel gelden ingevolge de toepassing van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973, ook op dezelfde manier zouden gelden voor het uitoefenen van het recht op inzage en afschrift van bestuursdocumenten, alsook het indienen van een verzoek tot heroverweging samen met een verzoek om advies van de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten zoals voorzien door dezelfde Wet van 11 april 1994, doordat hierdoor een onderscheid wordt gemaakt in de toegang tot de rechter zoals bedoeld in artikel 6 EVRM tussen rechtszoekenden die in het kader van de wet van 11 april 1994 wel in eigen naam en voor eigen rekening optreden en rechtszoekenden die niet in eigen naam optreden, maar hiertoe een lasthebber al dan niet stilzwijgend hebben belast?”
- Aangezien hiervóór tot de onontvankelijkheid van het voorliggende beroep wordt besloten om redenen die vreemd zijn aan de interpretatie van artikel 8, § 2, vierde lid, van de wet van 11 april 1994 die de verzoekende partij met de gesuggereerde prejudiciële vraag aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet getoetst wenst te zien, is de Raad van State er niet toe gehouden deze prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. IX-6129-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6129-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.