← België

Arrest 208033 - Tucht (openbaar ambt) - 11/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.033 Rolnummer: A. 176390/IX-5417 Zaak: Arrest 208033 - Tucht (openbaar ambt) - 11/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.033 van 11 oktober 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.033 van 11 oktober 2010 in de zaak A. 176.390/IX-5417 In zake : Charly COX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de politiezone BERLAAR-NIJLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 29 juni 2006 van het politiecollege van de politiezone Berlaar-Nijlen waarbij aan Charly Cox de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 202.457 van 29 maart 2010 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-5417-1/27 Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is inspecteur van politie in de (lokale) politiezone Berlaar-Nijlen. De feiten die aanleiding hebben gegeven tot de hier bestreden tuchtsanctie hebben betrekking op de wijze waarop de verzoeker en de collega die met hem ploeg vormt, op zondag 24 april 2005 hun dienstprestaties hebben vervuld. IX-5417-2/27 3.
  6. Op 29 april 2005 wordt de korpschef middels een bestuurlijk verslag van hoofdinspecteur (hierna: HINP) De Borger van deze feiten in kennis gesteld. Op 11 mei 2005 wijst de korpschef een voorafgaand onderzoeker aan. De verzoeker wordt op 19 juli 2005 verhoord en op 25 juli 2005 stelt de voorafgaand onderzoeker een informatieverslag op. 3.
  7. Op 5 oktober 2005 stelt de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, een inleidend verslag op. Onder punt 2 “Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen” wordt het volgende vermeld: AOp vrijdag 22 april 2005 werd het dienstblad voor het weekend van 23 en 24 april 2005 aan het daartoe bestemde bord op de geijkte manier uitgehangen. Op dit opdrachtenblad stonden, in overeenstemming met het dienstrooster voor zondag 24 april 2005, voor de piekploeg de inspecteurs Charly Cox en Tony Bervoets vermeld. In het vak ‘opmerkingen’ werd achter hun naam vermeld : ‘ca. 50% toezicht op festiviteit 150 jaar spoorwegen Statieplein Nijlen’. Over deze opdracht werd voorafgaand ook mondeling aan één der betrokkenen een weinig toelichting verstrekt door hoofdinspecteur Jozef De Borger. In het bakje MP2 werd ter informatie het draaiboek gedeponeerd met daarop een post-it met vermelding ‘PP-ploeg 24/4’. Het paarse ‘hycap/ordediensten’ briefje waarop hun initialen reeds waren ingevuld, werd aangehecht. In de dagorders nummer 18/05 die op 20 april 2005 zijn verschenen werd kennis gegeven van de viering ‘150 jaar spoorwegen in de Kempen’ en werden ook de uren vermeld wanneer de stoomtrein in de stations een stop van 5 minuten zou houden met verwachte verkeershinder tot gevolg (Nijlen om 10.02u., 12.51u., 14.02u., 16.51u. en Kessel om 9.52u., 13.01u., 13.52u. en 17.01u.). Op woensdag 27 april 2005 stelt HINP Jozef De Borger vast dat het draaiboek en ‘hycap-briefje’ nog steeds in het MP2 bakje liggen. Het hycap-briefje was niet ingevuld. HINP Jozef De Borger deed navraag bij de verantwoordelijke HINP Eddie Dieltiens en vernam dat er voor zondag 24 april door de betrokken inspecteurs geen hycap-briefje werd ingeleverd. Uit nazicht van het dienstverslag blijkt dat er maximaal tussen 16.05u. en 16.35u. toezicht gebeurde aan Nijlen-station terwijl er gedurende deze tijdspanne ook patrouille wijkwerking werd uitgevoerd. Uit het dienstverslag blijkt dat 's ochtends een bevel tot gevangenneming werd uitgevoerd, er 's middags gedurende 1.50u. nummerplaten werden genoteerd in Kessel en dat er na de middag in buitendienst ca. 2.30u. aan een aanrijding met een licht gekwetste werd gewerkt. Het uitvoeren van een bevel tot gevangenneming gebeurt bij voorkeur op dagen dat men een W-dienst heeft en niet op dagen dat men tot de piekploeg IX-5417-3/27 behoort. De betrokkenen hebben dit gedaan op afspraak en hebben het grondgebied verlaten zonder de officier van gerechtelijke politie in kennis te stellen. In de algemene mail van hoofdinspecteur Karl De Ceuster van 4 maart 2005 staat nochtans dat de piekploeg zich dient op te houden op het eigen grondgebied. Om welke reden er tussen 11 u. en 12.50u. in Kessel nummerplaten werden genoteerd, is niet bekend. Daarenboven moet worden vastgesteld dat in deze tijdspanne volgens de logging van de ANG noch door INP Bervoets, noch door INP Cox nummerplaten werden aangevraagd. Gedurende de ganse dag werden door hen slechts twee nummerplaten opgevraagd bij de DIV, met name door INP Bervoets te 15u
  8. Daarenboven lijkt 2.35u. besteden aan de vaststellingen van een aanrijding met een licht gekwetste bijzonder lang. Mogelijk hebben ze zich naar het hospitaal begeven maar dit had men eventueel ook op een later tijdstip of door de eerste ploeg kunnen laten uitvoeren. Ook van een vervanging op het evenement door de eerste ploeg is op geen van de dienstverslagen melding gemaakt. HINP Dieltiens controleerde de fleetlogger en hij constateerde dat er grote onregelmatigheden in de vermelde uren bleken te zijn. Blijkt dat men de buitendienst heeft aangevangen om 9.33u. in plaats van de vermelde 9.25u. Van 11.16u. tot 12.06u. (i.p.v. 11 u. tot 12.50u.) noteerde men nummerplaten. Uit de f1eetloggerregistratie tussen 12.06u. en 12.50u. kan men concluderen dat de piekploeg vermoedelijk op het bureel aanwezig was niettegenstaande hiervan geen melding is gemaakt. De vaststellingen van het verkeersongeval gebeurden van 12.50u. tot 15.01u. (i.p.v. 15.25u.). Mogelijk reed de piekploeg om 13.49u. over en weer naar het hospitaal gezien er tweemaal een verplaatsing van 11,8 km werd geregistreerd. Ze vertoefden er 54 minuten. Van 15.01u. tot 16.05u. waren de betrokken inspecteurs op het bureel waarna ‘patrouille wijkwerking toezicht evenementen te Nijlen statie’ werd uitgevoerd. Deze buitendienst gebeurde niet van 16.05u. tot 16.35u. zoals op het dienstverslag vermeld werd maar eindigde om 16.28u. Tijdens deze 23 minuten buitendienst registreerde de fleetlogger 12,2 km zodat mag worden aangenomen dat er weinig toezicht op de festiviteiten is gebeurd. Om enige speling te creëren werd de opdracht door HINP De Borger omschreven als "ca. 50% toezicht". Op een dienstprestatie van 8 uren zijn enkele minuten toezicht zeker onvoldoende. Op verschillende geijkte manieren werden de betrokken inspecteurs in kennis gesteld zodat zij zeker op de hoogte waren van hun opdracht. Ondanks de uitgevoerde taken hadden zij wel op regelmatige tijdstippen het voorgeschreven toezicht kunnen uitvoeren. Noch de OGP met wachtdienst, noch de officier van bestuurlijke politie werden door de piekploeg verwittigd.@ Onder punt 4 “Kwalificatie en toerekening van de feiten” vermeldt het verslag hetgeen volgt: IX-5417-4/27 “4.
  9. De onvolledige uitvoering van een opdracht gegeven door een meerdere op 24.04.05 Uit het dienstverslag blijkt dat niet de opgedragen tijd - met name circa 50 % - werd besteed aan het toezicht op de festiviteiten rond 150 jaar spoorwegen. Een aantal minuten op een dienstprestatie van 8 uur beantwoordt hier zeker niet aan. Deze feiten kunnen inspecteur Cox worden toegerekend doordat het dienstblad op de geijkte manier werd uitgehangen en hij dus had moeten weten dat hij 50 % van zijn tijd aan het toezicht op de festiviteiten rond 150 jaar spoorwegen had moeten besteden. Hij wordt bovendien geacht kennis te nemen van de dagorders. 4.
  10. Het niet naar waarheid opstellen van het dienstverslag dd. 24.04.05 Uit de controle van de fleetlogger blijkt dat er onregelmatigheden in het dienstverslag zijn. De buitendienst werd aangevangen om 9.33u in plaats van de vermelde 9.25u. Van 11.16u. tot 12.06u. (i.p.v. 11u. tot 12.50u.) noteerde men nummerplaten. Uit de fleetloggerregistratie tussen 12.06u. en 12.50u. kan men concluderen dat de piekploeg vermoedelijk op het bureel aanwezig was niettegenstaande hiervan geen melding is gemaakt. De vaststellingen van het verkeersongeval gebeurden van 12.50u. tot 15.01u. (i.p.v. 15.25u.). Mogelijk reed de piekploeg om 13.49u. over en weer naar het hospital gezien er tweemaal een verplaatsing van 11,8 km werd geregistreerd. Ze vertoefden er 54 minuten. Van 15.01u. tot 16.05u. waren de betrokken inspecteurs op het bureel waarna ‘patrouille wijkwerking toezicht evenementen te Nijlen statie’ werd uitgevoerd. Deze buitendienst gebeurde niet van 16.05u. tot 16.35u. zoals op het dienstverslag vermeld werd maar eindigde om 16.28u. 4.
  11. Het niet naleven van de korpsrichtlijnen rond het takenpakket van de piekploeg op 24.04.05 Inspecteur Cox heeft de zone verlaten in tegenstelling tot de korpsonder- richtingen desbetreffend vervat in de dagorders van 22 februari 2005 en de algemene mail van hoofdinspecteur Karl De Ceuster van 4 maart
  12. Deze feiten kunnen hem worden toegerekend, daar hij geacht wordt kennis te nemen van de dagorders en de algemene mails.” IX-5417-5/27 Aangezien de korpschef van oordeel is dat deze feiten mogelijks tot een zware tuchtstraf kunnen leiden beslist hij in zijn inleidend verslag om de hogere tuchtoverheid te adiëren. 3.
  13. Op 17 oktober 2005 stelt het politiecollege, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, op zijn beurt een inleidend verslag op waarin dezelfde feiten aan de verzoeker toegerekend worden en als tuchtvergrijp gekwalificeerd worden. Er wordt voorgesteld aan de verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde met 10 % gedurende 1 maand op te leggen. Dit inleidend verslag wordt door de verzoeker op 24 oktober 2005 voor kennisneming en ontvangst ondertekend. 3.
  14. De verzoeker vraagt op 22 november 2005 om gehoord te worden. Dat gebeurt op 5 december
  15. Op 7 december 2005 formuleert het politiecollege het voorstel van zware tuchtstraf, met name de inhouding van wedde van 10 % gedurende 1 maand. 3.
  16. Op 14 december 2005 richt de verzoeker een verzoek tot heroverweging tot de tuchtraad. Het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie wordt uitgebracht op 6 maart
  17. Met betrekking tot de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bevat het verslag de volgende overwegingen: “2.1 Tenlastelegging (heromschreven) INP Charly COX heeft de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht door handelingen en gedragingen die een tekortkoming uitmaken aan de beroepsplichten door in casu: IX-5417-6/27 Feit 1 ‘nagelaten te hebben op 24 april 2005 circa 50% van de opgedragen tijd te besteden aan het toezicht op de festiviteiten rond 150 jaar spoorwegen aan het Statieplein te Nijlen’; Feit 2 ‘Het niet naar waarheid opstellen van het dienstverslag van 24 april 2005’; Feit 3 ‘Op 24 april 2005 het grondgebied te hebben verlaten in strijd met de korpsrichtlijnen rond het takenpakket van de piekploeg’. Betreffende feit 1 Het lijdt geen twijfel dat INP COX samen met collega BERVOETS op 24 april 2005 met dienst belast waren als piekploeg van 08.00 uur tot 17.00 uur. Uit het dienstplanning blijkt dat de piekploeg circa 50% toezicht diende uit te oefenen op festiviteit 150 jaar spoorwegen Statieplein Nijlen. Op het dienstverslag van de INP'S BERVOETS en COX kan afgeleid worden dat 30 minuten besteed werd aan een patrouille wijkwerking toezicht evenement te Nijlen Statie. Door belanghebbende wordt in zijn administratief verhoor erkend maar 30 minuten te hebben besteed aan dit evenement. Door INP COX wordt verklaard dat zij niet meer tijd konden besteden aan deze opdracht gelet op de andere opdrachten, met name het uitvoeren van een kantschrift, het opnemen van een verkeersongeval en het noteren en controleren van de nummerplaten. HINP DE WIT die op 24/04/2005 als OGP met wacht werd teruggeroepen, verklaart aan de INP'S COX en BERVOETS de opdracht te hebben gegeven om nazicht te doen naar eventueel een gestolen voertuig. Bij het in ontvangst nemen van deze opdracht werd HINP DE WIT door belanghebbende ingelicht dat zij nog een bevel tot gevangenneming diende uit te voeren. HINP DE WIT verklaart dat hij meende dat beide opdrachten uitvoerbaar waren door de piekploeg. Uit het dienstverslag blijkt bovendien dat de piekploeg ambtsplichten heeft uitgevoerd in het kader van een verkeersongeval met een gekwetste. De piekploeg kan niet verweten worden noch de opgedragen opdracht van HINP DE WIT te hebben uitgevoerd noch haar ambtsverrichtingen te hebben uitgevoerd in het kader van het verkeersongeval. IX-5417-7/27 De door de piekploeg uitgevoerde opdracht in het kader van een bevel tot gevangenneming kan bezwaarlijk aanvaardbaar zijn binnen het takenpakket van de piekploeg, gelet op de inhoud van het dagorder van 22/02/2005 en de mail van HINP DE CEUSTER. Op geen enkel ogenblik wordt in concreto aangetoond dat het bevel tot gevangenneming een dringende en noodzakelijke opdracht uitmaakte voor de piekploeg COX-BERVOETS. De initiële opdracht werd in het gedrang gebracht door het uitvoeren van een bevel tot gevangenneming, dat niet tot het normale takenpakket behoort van de piekploeg waardoor het materieel niet langer mogelijk was om de voorziene tijd te besteden om toezicht uit te oefenen op het evenement. Om deze redenen wordt geoordeeld dat feit 1 bewezen is. Betreffende feit 2 Het lijdt geen twijfel dat de gegevens van de fleetlogging niet in overeenstemming zijn met de gegevens van het dienstverslag. De finaliteit van een fleetloggingsysteem is wezenlijk verschillend van deze van het dienstverslag. Zoals blijkt uit het dagorder van 07 juli 2003 bestaat de bedoeling van een fleetlogging erin een overzicht van een efficiënt voertuigengebruik te behouden. De gegevens van de fleetlogging kunnen onmogelijk zondermeer een volledige weergave zijn van de werkelijk uitgevoerde dienst. De voorbereidingstijd en de nazorg die aan een welbepaalde opdracht wordt geschonken wordt door de fleetlogging immers niet in aanmerking genomen. Om deze redenen wordt geoordeeld dat feit 2 niet bewezen is. Betreffende feit 3 Door belanghebbende wordt niet ontkend het bevel tot gevangenneming te hebben uitgevoerd en hierbij het eigen grondgebied te hebben verlaten. De korpsonderrichtingen vervat in het dagorder van 22 februari 2005 en de mail van HINP DE CEUSTER van 04 maart 2005 bepalen de nadere gegevens m.b.t. de taakstelling van de piekploeg. Zo bepaalt het dagorder van 22 februari 2005 ondermeer dat het gewone patrouillegebied de eigen zone betreft. Volgens de mail van HINP DE CEUSTER zal de piekploeg zich ophouden op het eigen grondgebied behoudens een voorafgaandelijke opdracht waarbij het grondgebied verlaten kan worden. De verdediging toont niet aan dat de uitvoering van het bevel tot gevangenneming een ernstige en dringende opdracht uitmaakt die het verlaten van het grondgebied noodzaakte. IX-5417-8/27 Om deze redenen wordt geoordeeld dat feit 3 bewezen is.” 3.
  18. Op 8 mei 2006 brengt de tuchtraad zijn eindadvies uit. In dit advies worden de tenlasteleggingen ten gronde als volgt beoordeeld: AA. HET BESTAAN VAN DE FEITEN EN DE TOEREKENING ERVAN (...) Bespreking tenlastelegging 1: Met dienst belast op 24 april 2005 heeft INP Cox verzuimd een opdracht gegeven door een meerdere volledig uit te voeren. Aan INP Cox wordt in concreto verweten geen 50 % van de diensttijd besteed te hebben aan toezicht op de festiviteit 150 jaar spoorwegen Statieplein Nijlen. De hogere tuchtoverheid baseert zich hiervoor op het dienstverslag waarop deze activiteit staat vermeld van 16.05 uur tot 16.35 uur. Volgens de hogere tuchtoverheid moest 50 % van de volledige diensttijd (dienst van 09.00 uur tot 17.00 uur) besteed geweest zijn aan dit evenement. In hoofdzaak komt het verwijt neer op het gegeven dat de hogere tuchtoverheid geen vrede kan nemen met volgende opdrachten uitgevoerd door INP Cox: a. het uitvoeren van een vrijheidsberoving en de overbrenging van de betrokkene naar de gevangenis te Mechelen; b. de vaststelling van een verkeersongeval met gekwetsten; c. het uitvoeren van een gerechtelijke opdracht (inbegrepen het opvragen van nummerplaten naar aanleiding van een misdrijf). - de vrijheidsberoving: Het werd ter zitting niet tegengesproken (en het blijkt ook niet uit het dossier) dat het uitvoeren van een bevel tot gevangenneming behoort tot de taken van de wijkagenten, zijnde de uitvoering van kantschriften. In de dienstnota van HINP De Ceuster staat te lezen dat de piekploeg wordt samengesteld uit wijkwerkers om hen de mogelijkheid te bieden bepaalde stukken af te werken waarvan tijdens de normale diensturen de betrokkene niet is te bereiken. In casu valt de uitvoering van de gevangenneming duidelijk onder de opdracht van INP Cox. IX-5417-9/27 Indien betrokkene dit uitvoert onmiddellijk bij de aanvang van de dienst (en blijkbaar met succes want de betrokkene die volgens het gebeurtenisregister geseind was in de zone Schengen, werd aangetroffen en gevat) dan kan dit geen hypotheek leggen op de voorgeschreven opdracht. Daarenboven waren volgens de gegevens van het draaiboek de activiteiten van het evenement ‘150 jaar Spoorwegen’ maar voorzien vanaf 10 uur. De enkele omstandigheid dat de gevatte persoon uiteindelijk niet werd opgesloten kan niet ten kwade worden geduid aan INP Cox, met andere woorden de door hem geleverde prestaties kunnen hierdoor niet aan waarde inboeten. Ten overvloede moet hieraan toegevoegd worden dat uit de door de verdediging voorgelegde stukken ook blijkt dat de OGP met wacht, met name HINP De Wit, op de hoogte was gebracht van de uitvoering van deze taak. HINP De Wit voegt aan zijn verklaring toe dat hij meende dat deze opdracht uitvoerbaar was door deze piekploeg, verklaring waaruit duidelijk blijkt dat hij als OGP met wacht zijn volledige goedkeuring gaf aan deze dienstinvulling. De tuchtraad deelt niet de visie van de inspecteur-generaal wanneer deze de uitvoering van het bevel tot gevangenneming niet aanvaardt als toegelaten binnen het takenpakket van de piekploeg omdat deze geen dringend en noodzakelijk karakter vertoonde. Volgens de tuchtraad kan dit criterium alleen niet bepalend zijn. In casu was er de toelating en de goedkeuring van de OGP met wacht, hetgeen impliceert dat er een beoordeling van prioriteiten is geweest van een meerdere, waaruit mag afgeleid worden dat vanaf dat ogenblik het argument van het dringend en noodzakelijk karakter geen beletsel meer kon zijn voor INP Cox. Daarenboven stelt de tuchtraad zich de vraag in welke mate de gevangenneming bij het aantreffen van een geseind persoon kan worden beschouwd als ‘niet dringend en niet noodzakelijk’. De tuchtraad is de mening toegedaan dat de uitvoering van een titel van gevangenneming van een (in het Schengengebied !) geseind persoon als prioritair kan worden beschouwd, zeker bij aanvang dienst én rekening houdende met de andere normaal voorziene opdrachten, die op dat moment hierdoor nog niet zijn gehypothekeerd. De tuchtraad stelt ook vast dat de OGP met wacht HINP De Wit door de tuchtoverheid nooit werd bevraagd met betrekking tot dit feit. Het komt voor dat de tuchtoverheid een essentiële onderzoeksdaad niet heeft gesteld. De ondervraging van de verantwoordelijke en directe chef van betrokkene is in die mate relevant dat zij aangeeft of bepaalde handelingen al dan niet aan betrokkene kunnen aangerekend worden. Dergelijke werkwijze waarbij het aan de betrokkene wordt overgelaten om zelf essentiële beoordelingselementen te verzamelen doet ernstig afbreuk aan de degelijkheid en betrouwbaarheid van het gevoerde tuchtonderzoek. IX-5417-10/27 In zijn verslag aan de korpschef schrijft HINP De Borger op 29 april 2005 ‘voor zover mij op heden is gekend werden noch de OGP met wachtdienst, noch de officier van bestuurlijke politie, door de piekploeg verwittigd’. Blijkbaar heeft HINP De Borger geen navraag gedaan alvorens dit op papier te zetten. De voorafgaande onderzoeker heeft de OGP met wachtdienst nooit gehoord. In het inleidend verslag en in het strafvoorstel staat in verband met dezelfde problematiek te lezen ‘Noch de OGP met wachtdienst, noch de officier van bestuurlijke politie, werden door de piekploeg verwittigd’. Volgens de bevindingen van de tuchtraad komen deze beschouwingen niet overeen met de gegevens van deze zaak zoals deze ter zitting van de tuchtraad naar voor zijn gekomen en zoals deze thans blijken op grond van stukken die door de verdediging zijn bijgebracht. - de vaststelling van het verkeersongeval: Uit het dossier blijkt dat INP Cox op 24 april 2005 werd opgeroepen voor de vaststelling van een verkeersongeval met gekwetsten. Volgens de gegevens van het dienstverslag namen deze vaststellingen aanvang om 12.50 uur om te eindigen te 15.25 uur. Het bestuurlijk verslag van HINP De Borger van 29 april 2005 laat impliciet uitschijnen dat de tijd besteed aan het verkeersongeval met lichtgekwetsten mogelijk overdreven is en dat aldus onvoldoende tijd aan het spoorwegevenement werd besteed. Opmerkelijk is wel dat de voorafgaande onderzoeker geen concreet onderzoek heeft gevoerd met betrekking tot dit feit. Nog meer opvallend is dat de tuchtoverheid de hypothetische beschouwingen van HINP De Borger letterlijk overneemt in het inleidend verslag en in het strafvoorstel (‘Mogelijk reed de piekploeg op 13.49 u over en weer naar het hospitaal gezien er tweemaal een verplaatsing van 11,8 km werd geregistreerd. Ze vertoefden er 54 minuten’). Door de voorafgaande onderzoeker werd INP Cox niet ondervraagd met betrekking tot het verkeersongeval zelf, alsof dit geen belang zou hebben gehad! Nochtans was dit noodzakelijk geweest om te verduidelijken in welke mate het tijdsgebruik hier verantwoord was geweest ten nadele van 'de voorgeschreven 50 %'. Zo was de voorafgaande onderzoeker en de tuchtoverheid er van op de hoogte dat INP Cox ‘mogelijk’ naar het hospitaal was gereden en dat hij aldaar 54 minuten heeft besteed aan het onderzoek ter plaatse. Desbetreffend wordt geen verduidelijking aangebracht. Nochtans zou de tijdsbesteding van het heen IX-5417-11/27 en weer rijden en de tijdsbesteding ter plaatse reeds een gerechtvaardige verklaring (kunnen) zijn voor de duur besteed aan dit ongeval (ook in aanmerking nemend dat hiervoor een proces-verbaal werd opgesteld, dat niet aan het dossier is gevoegd zodat ook de tuchtraad niet bij machte is zich uit te spreken over de tijdsbesteding aan dit stuk). De tuchtraad is de mening toegedaan dat aan INP Cox niet verweten kan worden dat hij is tussengekomen bij de vaststelling van het verkeersongeval en dat niet is aangetoond dat hij deze vaststellingen (in de ruime betekenis van het woord) heeft vertraagd met de bedoeling de andere gegeven opdrachten niet te moeten uitvoeren. In dit verband kan ook worden verwezen naar het verslag van de inspecteur-generaal die stelt dat het de piekploeg niet kan verweten worden de opgedragen opdracht van HINP De Wit (verkeersongeval met gekwetste) te hebben uitgevoerd. Het is nochtans een basisvereiste dat de ten laste gelegde feiten onbetwistbaar vaststaan en kunnen toegerekend worden aan de betrokkene. Veronderstellingen en zelfs ernstige vermoedens geven aan dat de tuchtoverheid zelf over onvoldoende elementen beschikt om de juistheid van de feiten hard te maken. - het opvragen van nummerplaten: Uit de reeds geciteerde verklaring van HINP De Wit blijkt ontegensprekelijk dat de OGP met wacht aan de piekploeg opdracht gaf ‘in de buurt van de verschillende inbraken nazicht te doen om na te gaan dat er geen gestolen voertuig was achtergebleven’. Er wordt niet betwist dat onder deze opdracht ressorteerde ‘het opvragen van nummerplaten’. Tijdens het verhoor van INP Bervoets op 19 juli 2005 verklaart deze dat hij niet meer wist in opdracht van wie de nummerplaten werden genoteerd. Nochtans wist de ondervrager van INP Bervoets dat deze omstreeks 11 uur vermoedelijk van de OGP met wachtdienst, de opdracht had gekregen om alle nummerplaten te noteren van de voertuigen die geparkeerd stonden op de Kesselsesteenweg ... . Niettegenstaande vermeldt de voorafgaande onderzoeker in zijn verslag van 25 juli 2005 dat ‘HINP De Borger in zijn verslag van 29 april 2005 te kennen geeft dat hem geen reden bekend is hieromtrent’. Meer nog de voorafgaande onderzoeker verwijst verder naar informatie van HINP Heremans zonder deze te verhoren en zijn verklaringen aldus voorwerp te maken van tegenspraak! In fine van zijn verslag vermeldt de voorafgaande onderzoeker dat ‘dit mogelijk een eigen initiatief was’. IX-5417-12/27 De tuchtraad stelt vast dat de debatten ter zitting onmiddellijk meer duidelijkheid hebben bijgebracht. De ‘mogelijkheid’ naar dewelke de voorafgaande onderzoeker verwijst, was door hem zonder problemen te onderzoeken geweest door het verhoor van HINP De Wit. Uit deze verklaring blijkt onmiddellijk dat er geen twijfel mogelijk was: in zijn opdracht hebben zij een gerechtelijke opdracht uitgevoerd. Daarenboven is ter zitting gebleken dat zij effectief op 24 april 2005 nummerplaten hebben aangevraagd. De enige twijfel die nog overblijft is de vraag of het inderdaad zo is dat de registratie van hun aanvraag de datum draagt van 25 april om reden dat het informaticasysteem hun aanvraag pas registreerde op 25 april. Algemeen besluit: De tuchtraad oordeelt dat INP Cox door de uitvoering van de drie voormelde activiteiten niet te kort is gekomen aan de hem oorspronkelijk opgedragen taken. Om deze redenen, adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, dat de tenlastelegging 1 niet bewezen is. Bespreking tenlastelegging 2: INP Cox heeft het dienstverslag van 24 april 2005 niet naar waarheid opgesteld. De tuchtoverheid komt tot deze vaststelling op grond van de vergelijking tussen de registratiegegevens van de fleetlogger en de vermeldingen op het dienstverslag. Zo verwijst de tuchtoverheid naar de vermelding dat INP Cox de gevangenneming en overbrenging zou hebben aangevangen om 9.25 uur, terwijl de registratie van de fleetlogger 9.33 uur aanduidt. Vooreerst stelt de tuchtraad vast dat de fleetlogger geen geijkte registratie uitmaakt. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat er geen objectieve reden voor handen is om te besluiten dat deze registratiegegevens meer geloofwaardig zijn dan de gegevens vermeld op het dienstverslag. Daarenboven gaat de tuchtraad ervan uit dat de vermelding op het dienstblad in hoofdzaak een weergave is van het geheel van de activiteiten die worden voorbehouden aan een bepaalde opdracht. De registratiegegevens van de fleetlogger betreffen enkel en uitsluitend de bewegingen van het voertuig IX-5417-13/27 met betrekking tot een verplaatsing uitgevoerd naar aanleiding van een opdracht. Terecht vermeldt de afgevaardigde van de inspecteur-generaal dat de gegevens van de fleetlogger niet bruikbaar zijn als weergave van de werkelijk uitgevoerde dienst. Ook hij wijst op de voorbereiding en de nazorg die aan een opdracht worden besteed. Uit niets blijkt volgens de tuchtraad dat INP Cox de bedoeling heeft gehad zijn tijdsgebruik te verdoezelen en een niet waarheidsgetrouw verslag op te stellen. Om deze redenen, adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, overeenkomstig het eensluidend verslag van de inspecteur-generaal, dat de tenlastelegging 2 niet bewezen is. Bespreking tenlastelegging 3: Met dienst belast op 24 april 2005 heeft INP Cox verzuimd de korpsrichtlijnen na te leven betreffende het takenpakket van de piekploeg. In feite wordt INP Cox verweten de zone te hebben verlaten in tegenstelling tot de korpsonderrichtingen. De tuchtraad verwijst naar de overwegingen aangevoerd met betrekking tot de tenlastelegging
  19. De uitvoering van het bevel tot gevangenneming impliceert dat bij vatting van de aangehoudene de zone moet worden verlaten. Indien INP Cox onder goedkeuring van de OGP met wacht de vatting uitvoerde, dan betekent dit ook dat INP Cox met goedkeuring van de OGP met wacht de zone heeft verlaten. Om deze redenen; adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, dat de tenlastelegging 3 niet bewezen is.@ 3.
  20. Op 30 mei 2006 formuleert de verwerende partij haar intentie om af te wijken van het advies van de tuchtraad en de verzoeker de tuchtstraf van de blaam op te leggen. Deze beslissing wordt op 31 mei 2006 door de verzoeker voor kennisneming en ontvangst ondertekend. Inzake het bewijs van de feiten wordt het volgende gesteld: IX-5417-14/27 AVoor de bewijsvoering doen wij een beroep op het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie van 6 maart
  21. Volgende argumenten doen ons besluiten dat de feiten bewezen zijn: De onvolledige uitvoering van een opdracht gegeven door een meerdere op 24 april 2005 : De door de piekploeg uitgevoerde opdracht in het kader van een bevel tot gevangenneming kan bezwaarlijk aanvaardbaar zijn binnen het takenpakket van de piekenploeg, gelet op de inhoud van het dagorder van 22/02/2005 en de mail van hoofdinspecteur De Ceuster. Op geen enkel ogenblik wordt in concreto aangetoond dat het bevel tot gevangenneming een dringende en noodzakelijke opdracht uitmaakte voor de piekploeg BERVOETS-COX. De initiële opdracht werd in het gedrang gebracht door het uitvoeren van een bevel tot gevangenneming, dat niet tot het normale takenpakket behoort van de piekploeg waardoor het materieel niet langer mogelijk was om de voorziene tijd te besteden om toezicht uit te oefenen op het evenement. Het niet naleven van de korpsrichtlijnen rond het takenpakket van de piekploeg op 24 april 2005 : Door belanghebbende wordt niet ontkend het bevel tot gevangenneming te hebben uitgevoerd en hierbij het eigen grondgebied te hebben verlaten. De korpsonderrichtingen vervat in het dagorder van 22 februari 2005 en de mail van hoofdinspecteur De Ceuster van 4 maart 2005 bepalen de nadere gegevens m.b.t. de taakstelling van de piekploeg. Zo bepaalt het dagorder van 22 februari 2005 onder meer dat het gewone patrouillegebied de eigen zone betreft. Volgens de mail van hoofdinspecteur De Ceuster zal de piekploeg zich ophouden op het eigen grondgebied behoudens een voorafgaandelijke opdracht waarbij het grondgebied verlaten kan worden. De verdediging toont niet aan dat de uitvoering van het bevel tot gevangenneming een ernstige en dringende opdracht uitmaakt die het verlaten van het grondgebied noodzaakte.@ 3.
  22. Op 8 juni 2006 dient de verzoeker een verweerschrift tegen de intentie om af te wijken van het advies van de tuchtraad in. Inzake de feiten voert de verzoeker hierin onder meer aan dat het argument dat de piekploeg de opdracht ontving van HINP De Wit, door de tuchtoverheid gewoon genegeerd wordt en dat hij gevolg gegeven heeft aan een wettelijk bevel van een hiërarchische overste, hetgeen nooit als een tekortkoming kan omschreven worden. Het is niet aan de verzoeker om een eigen beoordeling te geven aan wettig gegeven bevelen. Inzake de intentie tot afwijking van het advies van de tuchtraad stelt de verzoeker ook nog IX-5417-15/27 dat dit gebeurt zonder enig nieuw element of enige nieuwe motivering, terwijl alle argumenten door de tuchtraad grondig onderzocht werden. Het kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn dat een tuchtoverheid zonder meer het advies van de tuchtraad naast zich neerlegt. 3.
  23. Op 29 juni 2006 beslist de verwerende partij om de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt door de verzoeker op 5 juli 2006 voor ontvangst ondertekend. Inzake het “vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten” is de beslissing als volgt gemotiveerd: AA. De onvolledige uitvoering van een opdracht gegeven door een meerdere op 24.04.05 Uit het dienstverslag blijkt dat niet de opgedragen tijd - met name circa 50% werd besteed aan het toezicht op de festiviteiten rond 150 jaar spoorwegen. Een aantal minuten op een dienstprestatie van 8 uur beantwoordt hier zeker niet aan. Deze feiten kunnen U worden toegerekend doordat het dienstblad op de geijkte manier werd uitgehangen en u dus had moeten weten dat u 50% van uw tijd aan het toezicht op de festiviteiten rond 150 jaar spoorwegen had moeten besteden. Dit feit wordt ten gronde overigens niet betwist. Tijdens de hoorzitting bracht u naar voor dat er geen specifieke onderrichting is over wat moet worden verstaan onder de geijkte manier van werken. Vanaf de opstart van de zone worden de buitengewone opdrachten op dezelfde plaats opgehangen, waardoor iedere inspecteur geacht wordt dit te weten. Tijdens de hoorzitting vroeg u eveneens waarom de opdrachten niet eerder bekend gemaakt werden. Dit achten wij niet relevant, daar de opdracht wel degelijk op voorhand werd bekend gemaakt en geen reden wordt aangevoerd waarom het tijdstip van de opdracht een invloed zou hebben gehad op het gebrek aan een behoorlijke uitvoering van de opdracht. De opdracht diende uitgevoerd te worden ongeacht het tijdstip waarop ze meegedeeld werd. U wordt bovendien geacht kennis te nemen van de dagorders. Het feit dat u voordien wel reeds opdrachten uitvoerde die op dezelfde manier werden bekend gemaakt, toont aan dat U met deze manier van werken vertrouwd bent. Daarenboven toont u geen redenen aan die het absoluut onmogelijk zouden hebben gemaakt meer tijd te besteden aan deze opdracht. U baseert zich enkel op een aantal losse beweringen over andere uitgevoerde taken, echter niet ondersteund door enig concreet gegeven, en die voordien, o.m. tijdens het administratief verhoor, niet concreet ter sprake werden gebracht. IX-5417-16/27 Het bewezen zijn van dit eerste feit vindt overigens steun in het deskundigenverslag dat door de inspecteur-generaal voor de tuchtraad werd uitgebracht. Wij delen de mening dat U niet kwalijk kan worden genomen de opdracht van HINP De Wit te hebben uitgevoerd, noch het nodige te hebben gedaan in het raam van het verkeersongeval. Het deskundigenverslag is evenwel net zoals wij van mening dat de opdracht in het kader van een bevel tot gevangenneming niet tot het takenpakket van de piekploeg behoorde, gelet op de inhoud van het dagorder van 22.02.2005 en de mail van HINP De Ceuster. Op geen enkel ogenblik wordt in concreto aangetoond dat het bevel tot gevangenneming een dringende en noodzakelijke opdracht uitmaakte. De initiële opdracht werd in het gedrang gebracht door het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming, dat niet tot het normale takenpakket van de piekploeg behoort. De tuchtraad vergist zich waar hij verwijst naar de hoedanigheid van wijkagent, maar daarbij uit het oog verliest dat U hier deel uitmaakte van de piekploeg en er duidelijke richtlijnen bestaan over de taken van de piekploeg. Uit de context van de gevangenneming blijkt overigens dat dit helemaal niet zo'n dringende taak was als de tuchtraad aanneemt, wanneer het mogelijk is om enkele dagen op voorhand een ‘afspraak’ hiervoor te maken met de betrokkene. Deze gevangenneming werd wel terloops gemeld aan HINP De Wit, doch deze gaf hiervoor zeker niet uitdrukkelijk de toelating, noch de opdracht. Uit niets blijkt overigens dat deze op voorhand zou hebben geweten hoeveel tijd dit zou in beslag nemen. B. Het niet naleven van de korpsrichtlijnen rond het takenpakket van de piekploeg op 24.04.05 U heeft de zone verlaten in tegenstelling tot de korpsonderrichtingen desbetreffend vervat in de dagorders van 22 februari 2005 en de algemene mail van hoofdinspecteur Karl De Ceuster van 4 maart
  24. De overbrenging van een gevangene naar Mechelen kan niet worden beschouwd als een dermate ernstige en dringende opdracht, zoals bedoeld in de dienstrichtlijnen inzake de piekploegen, die het noodzakelijk zou maken het grondgebied te verlaten. Dergelijke opdrachten dienen overeenkomstig de richtlijnen immers bij voorkeur te worden uitgevoerd op dagen met W-dienst. Deze feiten kunnen u worden toegerekend, daar U geacht wordt kennis te nemen van de dagorders en de algemene mails. Wij stellen overigens vast dat het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal voor de tuchtraad eveneens tot de conclusie komt dat dit feit bewezen is, daar U niet aantoont dat de uitvoering van het bevel tot gevangenneming een ernstige en dringende opdracht uitmaakt die het verlaten van heet grondgebied noodzaakte. De tuchtraad verwijst hier ten onrechte naar IX-5417-17/27 de beweerde goedkeuring door HINP De Wit, terwijl de uitvoering van de gevangenneming slechts terloops werd gemeld, doch op dat ogenblik niet uitdrukkelijk werd goedgekeurd door HINP De Wit. Daarenboven negeert de tuchtraad totaal de geldende richtlijnen binnen het korps inzake het verlaten van de zone. Het negeren van deze richtlijnen kan niet worden geduld, gelet op de mogelijke ernstige gevolgen indien de piekploeg wordt opgeroepen voor een dringende tussenkomst.@ IV. Onderzoek van het achtste en het negende middel Standpunt van de partijen
  25. De verzoeker ontleent een achtste middel aan de “schending van de beginselen van de bewijsvoering”, “het niet bewijzen door de tuchtoverheid van de feiten die verzoeker worden ten laste gelegd” en schending van de zorgvuldigheidsplicht. Hij voert aan dat het tuchtdossier niet toeliet de feiten voor bewezen te houden. Ter adstructie van zijn stelling voert de verzoeker vooreerst aan dat de “fleetlogger” geen geijkt systeem is, waardoor het geen bewijs kan vormen van het opzettelijk foutief invullen van het dienstblad. Voorts stelt hij dat er geen onderzoek is gevoerd naar de vaststelling van het verkeersongeval met gekwetsten en dat het proces-verbaal van dat ongeval niet bij het dossier is gevoegd zodat niet kan ingeschat worden hoeveel tijd de verzoeker hiervoor nodig heeft gehad. In het informatieverslag van de voorafgaand onderzoeker dat nadien overgenomen werd door de tuchtoverheid worden vermoedens geuit maar er worden geen bewijzen bijgebracht. In het negende middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele motiveringswet), van de materiële motiveringsplicht en van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), dat onder meer voorschrijft dat beslissingen van de hogere tuchtoverheid formeel moeten worden gemotiveerd. De verzoeker stelt in essentie dat de tuchtoverheid het gemotiveerd advies van de tuchtraad volledig naast zich IX-5417-18/27 neerlegt. In de bestreden beslissing wordt dezelfde motivering aangehaald die voordien reeds aan de tuchtraad was voorgelegd.
  26. De verwerende partij antwoordt op het achtste middel dat de tuchtstraf enkel voor het eerste en het derde tuchtfeit werd opgelegd en dat verzoekers uiteenzetting in verband met de fleetlogger bijgevolg “zonder voorwerp” is, want die slaat op de tweede tuchtbetichting. Zij is ook van oordeel dat de verzoeker zich vergist waar hij stelt dat de tuchtbeslissing de gegevens van het informatieverslag letterlijk overneemt, hetgeen alleen al blijkt uit het feit dat de tweede tuchtbetichting niet werd weerhouden. Onder verwijzing naar de letterlijke bewoordingen van de bestreden beslissing (supra 3.10.) stelt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing zelf gemotiveerd wordt waarom het eerste en het derde tuchtfeit wel bewezen zijn en als tuchtfeiten worden gekwalificeerd. Zij merkt op dat de verzoeker deze motieven niet in concreto weerlegt, maar zich beperkt tot de algemene stelling dat de feiten niet bewezen zijn. Bovendien is de Algemene Inspectie in zijn deskundigenverslag met betrekking tot het bewezen zijn van het eerste en het derde tuchtfeit tot dezelfde conclusie als de verwerende partij gekomen. Nopens het negende middel merkt de verwerende partij op dat het advies van de tuchtraad niet bindend is en dat de tuchtwet voorziet in de mogelijkheid voor de tuchtoverheid om van het advies van de tuchtraad af te wijken. Artikel 54 van de tuchtwet bepaalt dat de hogere tuchtoverheid de redenen moet aangeven waarom ze van het advies van de tuchtraad wil afwijken en deze redenen aan de betrokkene ter kennis moet brengen en ter uitvoering van deze verplichting heeft de hogere tuchtoverheid op 30 mei 2006 het voornemen geformuleerd om af te wijken van het advies van de tuchtraad en de verzoeker heeft hiervan kennis genomen op 31 mei
  27. De verwerende partij is van oordeel dat de wettelijke procedure wel degelijk werd gevolgd.
  28. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker nopens het achtste middel dat in de bestreden beslissing niet geantwoord wordt op IX-5417-19/27 de argumenten die hij te zijner verdediging naar voor heeft gebracht. Omtrent de betichting dat hij een onvolledige uitvoering zou hebben gegeven aan een opdracht van een meerdere heeft de verzoeker gesteld dat hij de bewuste opdracht wel degelijk heeft uitgevoerd, dat er dienaangaande geen specifieke onderrichtingen waren en dat hij die dag ook nog andere opdrachten heeft uitgevoerd. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing wel dat deze uitgevoerde taken niet bewezen zouden zijn, of minstens niet gesteund door enig concreet gegeven maar hij heeft wel degelijk al zijn uitgevoerde opdrachten naar voor gebracht. De beoordeling of deze opdrachten minder belangrijk waren is een beoordeling die in het slechtste geval een beoordelingsfout kan inhouden, doch geen tuchtinbreuk aangezien er geen specifieke onderrichtingen voor handen waren en de teamleiding zich akkoord verklaard heeft met de wijze van uitvoeren. Omtrent het tweede tuchtfeit –het niet naleven van de korpsrichtlijnen rond het takenpakket- is door de verzoeker naar voor gebracht dat de feiten niet bewezen waren en dat HINP De Wit deze uitvoering goedkeurde. Nergens wordt gemotiveerd dat dit niet zo zou zijn. Aangaande het negende middel stelt de verzoeker nog dat de argumentatie van de verwerende partij niet antwoordt op de argumenten die hij naar voor heeft gebracht.
  29. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat de middelen niet gegrond zijn, enerzijds omdat in de bestreden beslissing aanvaard wordt dat het doen van vaststellingen bij een verkeersongeval en het opvragen van nummerplaten wel een verantwoording kan bieden voor het niet uitvoeren van de toezichtsopdracht in Nijlen, maar de tijd die deze opdrachten in beslag hebben genomen niet in rekening gebracht wordt bij de beoordeling van de vraag of de verzoeker al dan niet voldoende tijd heeft besteed aan die toezichtsopdracht en anderzijds omdat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat het bevel tot gevangenneming werd uitgevoerd zonder opdracht of toelating van de officier van gerechtelijke politie (hierna: OGP) met wacht, HINP De Wit, terwijl deze hier nooit over werd bevraagd. Zij stelt, onder verwijzing naar het verhoor door de voorafgaand onderzoeker, dat de verzoeker op eigen initiatief het bevel tot IX-5417-20/27 gevangenneming heeft uitgevoerd en dat hij op het moment van zijn verhoor niet gemeld heeft dat deze opdracht aan de OGP met wacht werd gemeld of gevraagd, zodat er geen noodzaak bestond om HINP De Wit hierover toen te verhoren. Zij wijst er voorts op dat in het kader van het verzoek tot heroverweging voor de tuchtraad HINP De Wit een schriftelijke verklaring heeft afgelegd waarin hij met betrekking tot het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming het volgende heeft verklaard: “Bij het in ontvangst nemen van deze opdracht [het opvragen van nummerplaten] werd mij wel gezegd dat zij ook nog een bevel tot gevangenneming dienden uit te voeren. Ik meende dat beide opdrachten uitvoerbaar waren door deze piekploeg.” Deze verklaring rechtvaardigt het standpunt in de bestreden beslissing dat de OGP van wacht “zeker niet uitdrukkelijk de toelating, noch de opdracht” had gegeven tot het bevel tot gevangenneming. Het feit dat de OGP met wacht wist dat de verzoeker het bevel tot gevangenneming zou uitvoeren, doet geen afbreuk aan het tuchtfeit. Het initiatief voor het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming ging namelijk uitsluitend uit van de verzoeker en zijn collega en dit op een ogenblik dat zij kennis hadden van de dienstorders voor de bewuste werkdag. Voorts wijst de verwerende partij erop dat er geen enkele inconsequentie bestaat tussen enerzijds het als gerechtvaardigd beschouwen van de uitvoering van twee uitdrukkelijk gegeven opdrachten en het anderzijds niet als gerechtvaardigd beschouwen van de uitvoering van een derde opdracht, waartoe op eigen initiatief werd besloten, precies omdat door die opdracht de dagorders niet konden worden uitgevoerd. Ten slotte blijft de verwerende partij van oordeel dat de bestreden beslissing voldoende aangeeft waarom het advies van de tuchtraad niet is gevolgd. Beoordeling
  30. In zijn achtste middel voert de verzoeker in essentie aan dat de feiten die tot de hier bestreden tuchtsanctie geleid hebben niet bewezen zijn. In het negende middel voert de verzoeker aan dat niet blijkt waarom de tuchtoverheid afgeweken is van het advies van de tuchtraad. IX-5417-21/27
  31. Wanneer een verzoeker de hem ten laste gelegde feiten betwist, komt het niet aan de Raad van State toe om als rechter in hoger beroep uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd, maar enkel om na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar vaststelling van de feiten is gekomen en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die met die vaststelling onverenigbaar zijn. De bevoegdheid van de Raad om de feiten te toetsen is in die zin slechts marginaal, dit in tegenstelling tot de bevoegdheid van de tuchtraad die in zijn advies overeenkomstig artikel 52, eerste lid, 2°, van de tuchtwet een antwoord moet geven “op de vraag of de feiten een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 uitmaken voorzover zij bewezen worden geacht” en aldus beschikt -in het kader van zijn adviesbevoegdheid- over de volheid van bevoegdheid om de ware toedracht van de feiten vast te stellen. Het advies van de tuchtraad is niet bindend voor de hogere tuchtoverheid. Artikel 54 van de tuchtwet bepaalt wel dat wanneer de tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, zij de redenen hiertoe moet aangeven en deze ter kennis van de betrokkene moet brengen.
  32. Met betrekking tot de vraag of de verwerende partij de feiten voor bewezen kon houden dient de problematiek zich aan als volgt: de bestreden beslissing steunt onder meer op de onvolledige uitvoering van een opdracht gegeven door een meerdere op 24 april
  33. De verwerende partij duidt het de verzoeker ten kwade dat hij de toezichtsopdracht bij het evenement in Nijlen niet correct heeft uitgevoerd en daarover geen verantwoording geeft. De verzoeker stelt ter verantwoording dat hij de opdracht wel heeft uitgevoerd, dat hierover geen precieze onderrichtingen bestonden en dat hij die dag nog drie andere opdrachten vervuld heeft, met name het uitvoeren van een bevel tot vrijheidsberoving, de vaststelling van een verkeersongeval en het opvragen van nummerplaten. De verwerende partij aanvaardt deze verantwoording niet. IX-5417-22/27 Onderzocht moet worden of de verantwoording wel aanvaardbaar is. Met betrekking tot de vraag of de hogere tuchtoverheid aan de verzoeker de motieven ter kennis gebracht heeft waarom zij wenste af te wijken van het advies van de tuchtraad, stelt de Raad van State vast dat de hogere tuchtoverheid het voornemen geformuleerd heeft om van dit advies af te wijken en dat de verzoeker daar op 31 mei 2006 kennis van genomen heeft. Te dien aanzien rijst de vraag of de motivering van de beslissing de afwijking terdege verantwoordt.
  34. De tuchtraad is in zijn eindadvies van oordeel dat de verzoeker door de uitvoering van de drie opdrachten niet te kort is gekomen aan de hem oorspronkelijk opdragen taken en dat het tuchtfeit niet bewezen is. De tuchtraad stelt inzonderheid met betrekking tot het uitvoeren van het bevel tot vrijheidsberoving dat de OGP met wacht -HINP De Wit- op de hoogte was van deze taak, dat hij verklaard heeft dat hij meende dat deze opdracht uitvoerbaar was door de piekploeg, dat daaruit kan worden afgeleid dat HINP De Wit zijn goedkeuring gaf aan deze dienstinvulling en dat er aldus een beoordeling van prioriteiten geweest is door de meerdere van de verzoeker. Met betrekking tot het vaststellen van het verkeersongeval overweegt de tuchtraad dat de verzoeker niet verweten kan worden de opdracht van HINP De Wit te hebben uitgevoerd. In verband met het opvragen van nummerplaten wordt gesteld dat dit ontegensprekelijk kaderde in de opdracht gegeven door HINP De Wit. Nochtans werd HINP De Wit met betrekking tot die opdrachten nooit verhoord, hetgeen volgens de tuchtraad betekent dat een essentiële onderzoeksdaad niet werd gesteld.
  35. Uit de beslissing van 30 mei 2006, waarin de intentie geformuleerd wordt om af te wijken van het advies van de tuchtraad, blijkt dat de verwerende partij zonder meer voorbijgaat aan de vaststelling van de tuchtraad dat de OGP met wacht nooit werd bevraagd, maar dat zij daarentegen de bewijslast voor het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming bij de verzoeker legt; zij stelt IX-5417-23/27 immers dat op geen enkel ogenblik concreet wordt aangetoond dat het bevel tot gevangenneming een dringende en noodzakelijke opdracht was. Aldus gaat de verwerende partij volledig voorbij aan de vaststelling door de tuchtraad dat deze opdracht met goedkeuring van de OGP met wacht zou zijn gebeurd, iets wat bij gebrek aan verhoor van deze niet met absolute zekerheid kan gesteld worden. Inzake de vaststelling van het verkeersongeval en het opvragen van de nummerplaten wordt in de beslissing van 30 mei 2006 zelfs niets gesteld.
  36. De hogere tuchtoverheid heeft aldus niet precies aangegeven waarom zij wenst af te wijken van het advies van de tuchtraad.
  37. Er is echter meer. De omstandigheid dat HINP De Wit met betrekking tot die opdrachten nooit verhoord is doet de vraag rijzen of de verwerende partij wel in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de feiten bewezen zijn en aan de verzoeker toegerekend kunnen worden. In de bestreden beslissing weerhoudt de verwerende partij het eerste tuchtfeit -de onvolledige uitvoering van een opdracht gegeven door een meerdere op 24 april 2005-. Zij stelt dat de verzoeker geen redenen aantoont die het hem absoluut onmogelijk gemaakt zouden hebben meer tijd te besteden aan deze opdracht en zich enkel baseert op een aantal losse beweringen over andere uitgevoerde taken, die evenwel niet ondersteund worden door enig concreet gegeven. Het bewezen zijn van het tuchtfeit vindt volgens de verwerende partij ook steun in het deskundigenverslag dat door de inspecteur-generaal voor de tuchtraad werd uitgebracht. Zij deelt de mening dat de verzoeker niet kwalijk kan worden genomen de opdracht van HINP De Wit te hebben uitgevoerd, noch het nodige te hebben gedaan in het raam van het verkeersongeval, maar is van oordeel dat de opdracht in het kader van een bevel tot gevangenneming niet tot het takenpakket van de piekploeg behoorde en dat de verzoeker op geen enkel ogenblik in concreto aantoont dat het bevel tot gevangenneming een dringende en noodzakelijke opdracht uitmaakte. Voorts stelt zij nog dat de gevangenneming terloops gemeld werd aan HINP De Wit, doch dat deze hiervoor zeker niet uitdrukkelijk de IX-5417-24/27 toelating, noch de opdracht gaf en dat uit niets blijkt dat HINP De Wit op voorhand zou geweten hebben hoeveel tijd dit in beslag zou nemen. Aldus komt de verwerende partij nu blijkbaar toch tot de conclusie dat zowel het uitvoeren van de opdracht van HINP De Wit (het opvragen van nummerplaten) als de vaststelling van het ongeval een verantwoording kan bieden voor het feit dat de verzoeker de eerder gegeven opdracht in onvoldoende mate heeft uitgevoerd. Zij laat evenwel na om daar in de bestreden beslissing enige consequentie aan te verbinden, in die zin dat het door het uitvoeren van die opdrachten mogelijks de facto onmogelijk was voor de verzoeker om gedurende 50 % van de diensttijd toezicht uit te oefenen op het evenement in Nijlen en dat deze opdrachten wel degelijk een verantwoording kunnen bieden voor het feit dat de verzoeker de toezichtsopdracht niet volledig heeft uitgevoerd. Inzake het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming verschuilt de verwerende partij zich enerzijds achter het standpunt dat in het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal werd ingenomen en anderzijds stelt zij nog: “De gevangenneming werd wel terloops gemeld aan HINP De Wit, doch deze gaf hiervoor zeker niet uitdrukkelijk de toelating, noch de opdracht. Uit niets blijkt overigens dat deze op voorhand zou hebben geweten hoeveel tijd dit zou in beslag nemen.” In de mate dat de verwerende partij ter verantwoording verwijst naar het standpunt van de inspecteur-generaal, wordt opgemerkt dat dit standpunt hoe dan ook geen afbreuk kan doen aan de vaststelling van de tuchtraad dat de OGP met wacht ter zake niet gehoord werd zodat niet uitgemaakt kan worden of de OGP de toelating heeft verleend voor het uitvoeren van die opdracht. In de mate dat verwerende partij in de motivering van de bestreden beslissing stelt dat het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming slechts “terloops” aan de OGP werd gemeld, doch dat deze hiervoor “zeker niet uitdrukkelijk de toelating, noch de opdracht” heeft gegeven, wordt vastgesteld dat deze stelling bij gebreke aan het concreet bevragen van HINP De Wit hieromtrent slechts een loutere veronderstelling is. Uit de verklaring die HINP De Wit heeft afgelegd, met name dat hij meende dat het uitvoeren van het bevel tot gevangenneming uitvoerbaar IX-5417-25/27 was door de piekploeg en dat het onlogisch zou zijn om een andere ploeg, die nog druk bezig was, hiermee te belasten, lijkt zelfs het tegendeel afgeleid te kunnen worden.
  38. Een en ander noopt dan ook tot de vaststelling dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de verzoeker de toezichtsopdracht bij het evenement in Nijlen niet gedurende de hem opgedragen tijd heeft uitgevoerd zonder dat hiervoor een verantwoording kan gegeven worden. Enerzijds aanvaardt de verwerende partij in de bestreden beslissing wel dat het doen van de vaststellingen bij een verkeersongeval en het opvragen van nummerplaten een verantwoording kan bieden voor het niet uitvoeren van de toezichtsopdracht, maar brengt zij vervolgens de tijd die deze opdrachten in beslag genomen hebben niet in rekening bij de beoordeling of de verzoeker gedurende de opgedragen tijd toezicht heeft uitgeoefend bij het evenement in Nijlen. Anderzijds gaat de verwerende partij er zonder meer van uit dat de uitvoering van het bevel tot gevangenneming werd uitgevoerd zonder opdracht of toelating van de OGP met wacht, terwijl deze hierover nooit bevraagd werd en uit zijn verklaring eerder het tegendeel blijkt.
  39. De aangevoerde middelen zijn in de hierboven vermelde mate gegrond. BESLISSING
  40. De Raad van State vernietigt de beslissing van 29 juni 2006 van het politiecollege van de politiezone Berlaar-Nijlen waarbij aan Charly Cox de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
  41. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5417-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5417-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.033 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.