← België

Arrest 208039 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.039 Rolnummer: A. 186165/X-13564 Zaak: Arrest 208039 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.039 van 11 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.039 van 11 oktober 2010 in de zaak A. 186.165/X-13.

  1. In zake:
  2. Filip TIMMERMANS
  3. Veerle VUYLSTEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Verdonck kantoor houdend te 8200 BRUGGE Koning Albert I-laan 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 5 december 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 13 september 2007 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep van de n.v. HDM tegen het besluit van 29 januari 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort waarbij de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van een uitbreiding van een loods gelegen te Molenbeek-Wersbeek (Bekkevoort), Halensebaan 52, kadastraal bekend sectie A, nr. 178/g, zonder voorwerp wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. X-13.564-1/8 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
  6. Staatsraad Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat An Louf, die loco advocaat Jean Verdonck verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De verzoekende partijen zijn eigenaar van het perceel gelegen langs de Halensebaan nr. 50 te Molenbeek-Wersbeek “sedert 5 juni 2000”. 3.
  9. Op 19 september 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient Roger Nijns, namens de n.v. HDM, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort een aanvraag in tot het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van een uitbreiding van een loods, op een terrein gelegen te Bekkevoort (Molenbeek-Wersbeek), Halensebaan nr. 52, kadastraal bekend sectie A, nr. 178/g. In die aanvraag wordt vermeld dat er omtrent de wederrechtelijk uitgevoerde werken en handelingen, op 25 mei 1981 een proces-verbaal werd opgesteld. X-13.564-2/8 3.
  10. Blijkens het bij de regularisatieaanvraag gevoegde plan, gaat het om de regularisatie van een uitbreiding (20,05 m op 20,40 m) van een als “vergund geachte loods voor graanopslag” (25,40 m op 20,40 m). In de bij de aanvraag gevoegde beschrijvende nota wordt onder meer het volgende gesteld: “Overeenstemming en verenigbaarheid met de wettelijke en ruimtelijke context Deze aanvraag behelst een regularisatie-aanvraag. De gebouwen tot en met de eerste grote loods dateren van voor de wet op de stedenbouw van 1962 en kunnen dus als vergund geacht beschouwd worden. De achterste loods dateert van begin jaren '70, dus van voor de goedkeuring van het nu geldende gewestplan

(1978). Bij de aanvraag worden twee verklaringen gevoegd die de bouwjaren van de twee respectievelijke loodsen bevestigen. In de aanvraag werden de nodige aanpassingen opgenomen om conform te zijn met de huidige provinciale verordening i.v.m. hemelwaterafvoer. De uitbreiding van de loods is noodzakelijk voor de leefbaarheid van het bedrijf. Het bedrijf beschikt over een milieuvergunning. De activiteiten van het bedrijf zijn nauw verwant aan de landbouw”. 3.
  1. Tijdens het openbaar onderzoek dienen onder meer de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. Hierin stellen zij dat, ingevolge hun klacht met burgerlijke partijstelling, de n.v. HDM gedagvaard werd om op 23 juni 2006 te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Leuven voor de instandhouding van de voormelde wederrechtelijk opgerichte loods (46 m op 20 m). Zij stellen dat de aanvraag enkel betrekking heeft op het achterste gedeelte van de loods en dat “ten onrechte” “wordt voorgehouden dat het deel daarvoor vergund zou zijn omdat het zou dateren van vóór 1962”. 3.
  2. Op 29 januari 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort de gevraagde vergunning om de volgende redenen: “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project De aanvraag betreft de regularisatie van een uitbreiding van een loods. De constructie wordt ingeplant binnen het agrarisch gebied. De constructie wordt ingeplant op de perceelsgrens en heeft een diepte van 20,05 m. De constructie heeft een breedte van 20,40 m en beslaat hiermee de volledige breedte van het perceel. Door de uitbreiding van de loods bedraagt de totale bouwdiepte van de constructie 75,0 m. Aangezien er in de perceelsgrenzen wordt gebouwd zijn er geen bouwvrije stroken voorzien. De kroonlijsthoogte van de loods in de perceelsgrens bedraagt 6,30 m en de nokhoogte bedraagt 9,20 m. De daken hebben een hellingshoek van 16/. Alle zichtbare gevels worden opgetrokken in betonblokken tussen een stalen structuur. Het dak zal bestaan uit grijze cement vezelgolfplaten. De loods ligt tegen de helling ingegraven. De uitbreiding sluit X-13.564-3/8 aan bij het bestaande gebouwencomplex. Er wordt geen reliëfwijziging voorzien, de loods wordt in de helling ingegraven. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening De aanvraag heeft betrekking op de regularisatie van een uitbreiding van een bestaande loods. Aangezien de constructie gelegen is in landschappelijk waardevol gebied en het hier niet gaat om een agrarisch of para-agrarisch bedrijf, is de constructie strijdig met de planologische voorschriften voor dit gebied. Door de grote bouwdiepte van 75 m, de hoge perceelsbezetting en de inplanting tot in de perceelsgrenzen, wordt de goede ruimtelijk ordening in het gedrang gebracht. Een normale groenaanleg voor inkleding en integratie van grote gebouwen in zijn omgeving kunnen niet aangelegd worden. De constructie houdt aldus geen rekening met de normaal gehanteerde voorschriften in het woongebied en het landbouwgebied. Tevens is het gebruik van het voorgestelde materiaal niet in harmonie met de bebouwing in de omgeving”. 3.
  3. Tegen dit weigeringsbesluit wordt door de aanvrager van de vergunning beroep ingesteld bij de verwerende partij. In het beroepschrift van 12 februari 2007 wordt onder meer het volgende gesteld: “De aanwezigheid van de bestaande constructie sedert bijna veertig jaar toont aan dat de goede ruimtelijke ordening niet geschaad is en de voorgestelde materialen wel harmoniëren met de bebouwing in de omgeving. In de onmiddellijke omgeving worden nog grotere bouwdiepten en gelijkaardige bezettingsgraden van percelen gehaald, en is er gebouwd in gelijkaardige materialen”. In een aanvullende brief van 19 februari 2007 stelt de aanvrager het volgende: “Concluante beroept zich verder op de toepassing van art. 96 § 4, 2e lid DRO, dat luidt als volgt : ‘Constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht.’ De vorige eigenaar van het perceel, de heer Richard JACOBS, wonende te 3460 BEKKEVOORT, Halensebaan 52, bouwde in 1960-61 een huis met loods op het kwestig perceel. In 1972 vroeg hij aan de toenmalige Burgemeester, de heer Cyriel WILLEMS, en het Schepencollege de toelating om de loods met een oppervlakte van 20 op 22 m uit te breiden. De heer JACOBS kreeg de toelating van Burgemeester WILLEMS (...) en breidde de loods uit. Het Gewestplan AARSCHOT-DIEST werd bij KB d.d. 07/11/1978 definitief vastgesteld. Het staat dan ook vast dat de woning met loods en verdere X-13.564-4/8 uitbreiding van vóór de definitieve vaststelling van het gewestplan dateert en derhalve conform het artikel 96 § 4, 2e lid DRO als vergund dient beschouwd”. 3.
  4. Op 13 september 2007 beslist de verwerende partij om het ingestelde beroep “zonder voorwerp” te verklaren om de volgende reden: “In het kader van de wettelijke en reglementaire voorschriften is het ontwerp vandaag niet langer voor vergunning vatbaar gelet op de onverenigbaarheid met artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen De aanvrager argumenteert echter dat de te regulariseren uitbreiding van de loods in 1972 werd opgericht. Het initiële deel zou opgericht zijn in 1961 en ligt niet ter regularisatie voor. Voor gebouwen die werden opgericht na de inwerkingtreding van de stedenbouwwet en voor de definitieve goedkeuring van het gewestplan Aarschot-Diest (KB d.d. 7 november 1978) bepaalt art. 96§4 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (m.b.t. het vergunningenregister) het volgende: ‘Constructies, waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift dat de constructie in overtreding werd opgericht.’ In voorliggend geval werd PV opgemaakt, maar dit pas in 1982, na de inwerkingtreding van het gewestplan en dus onder gewijzigde planologische omstandigheden. Dit PV en de daaropvolgende vordering bleven zonder gevolg. De aanvrager brengt een luchtfoto bij van 24 oktober 1975, waarop deze te regulariseren constructie reeds voorkomt. Dit maakt dat de constructie voldoet aan de voorwaarden om in het vergunningenregister met een vermoeden van vergundheid, of te beschouwen als vergund, kan opgenomen worden. Vermits er voor het gebouw een vermoeden van vergundheid bestaat, diende het gebouw geen voorwerp uit te maken van een aanvraag tot regularisatie. In deze is het dan ook aangewezen om de aanvraag zonder voorwerp te verklaren”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid A. Tijdigheid Standpunten van de partijen 4.
  5. De verzoekende partijen stellen het volgende aangaande de tijdigheid van het beroep: X-13.564-5/8 “Verzoekers namen kennis van de bestreden beslissing via hun raadsman in het kader van de correctionele procedure hangende voor de correctionele rechtbank te Leuven. Ter zitting van 23.10.2007 heeft de raadsman van de n.v. HDM nieuwe conclusies neergelegd en meegedeeld en daarin werd voor het eerst verwezen naar de bestreden beslissing. Zodat de termijn voor het neerleggen van een verzoek tot vernietiging van de beslissing eerst op 24.12.2007 verstrijkt”. 4.
  6. De verwerende partij repliceert hierop als volgt: “II. NOPENS DE ONTVANKELIJKHEID RATIONE TEMPORIS Aangezien het aan uw Raad, zelfs ambtshalve, toekomt om de ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring te onderzoeken. Dat daar een grond toe bestaat gelet op het feit dat de bestreden beslissing dateert van 13 september 2007 en de verzoekende partijen niet aanduiden op welke datum of op welke wijze zij kennis hebben genomen van het bestreden besluit, waar het verzoekschrift is toegekomen ter griffie van uw Raad op datum van 6 december
  7. Dat aldus dient te worden onderzocht of het verzoekschrift aangetekend werd verstuurd binnen de 60 kalenderdagen na kennisname van de bestreden beslissing”. Beoordeling
  8. Hetgeen de verwerende partij onder de rubriek “nopens de ontvankelijkheid ratione temporis” opmerkt, kan niet als een exceptie worden beschouwd. De Raad van State ziet geen reden om ambtshalve tot de laattijdigheid van het beroep te besluiten. B. Voorwerp Standpunt van de partijen
  9. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op: “III. NOPENS HET RECHTENS VEREISTE BELANG Aangezien in deze dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet beschikken over het rechtens vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de thans bestreden beslissing. Immers, de bestreden beslissing willigt het bouwberoep van de aanvragers niet in, doch verklaart het zonder voorwerp. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort heeft de regularisatieaanvraag van de firma HDM NV bij beslissing van 29 januari 2007 afgewezen, waar het administratief beroep hiertegen, zoals ingesteld door de firma HD(M) NV, bij beslissing van 13 september 2007 van X-13.564-6/8 de deputatie, zonder voorwerp wordt verklaard en aldus a fortiori niet wordt ingewilligd. De verwerende partij heeft hierbij overwogen dat er voor de betrokken constructie een vermoeden van vergundheid bestaat, doch heeft geen vergunning toegekend aan de aanvragers, vergunning die in voorkomend geval inderdaad een nadeel zou kunnen berokkenen aan de verzoekende partijen als omwonenden. Het belang van verzoekers kan worden omschreven als het voordeel dat zij menen te kunnen halen uit een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing; welnu, de bestreden beslissing brengt op zich genomen geen rechtsgevolgen teweeg; immers, het bouwberoep wordt zonder voorwerp verklaard en dit op grond van de toepasselijke decretale bepalingen. Dat verzoekers zich niet kunnen vereenzelvigen met de argumentatie die aan de grondslag ligt van het thans bestreden besluit, is best mogelijk, doch verschaft hun geenszins het rechtens vereiste belang om de nietigverklaring te kunnen vorderen van een administratief bouwberoep waarbij geen vergunning wordt toegekend, doch waarbij het beroep zonder voorwerp wordt verklaard. De verzoekende partijen vorderen in deze aldus de nietigverklaring van een beslissing waarbij het administratief beroep van een derde zonder voorwerp wordt verklaard. De vordering dient als onontvankelijk te worden afgewezen”. Beoordeling 7.
  10. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Om ontvankelijk te zijn moet het beroep een handeling tot voorwerp hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partijen. 7.
  11. De bestreden beslissing houdt in dat de betrokken constructie vermoed wordt vergund te zijn en dat ze derhalve geen voorwerp diende uit te maken van een aanvraag tot regularisatie. De bestreden beslissing heeft aldus geen rechtscheppend, maar een louter declaratief karakter. Tegen een zuiver declaratieve handeling kan geen annulatieberoep worden ingesteld daar ze er niet toe strekt rechtsgevolgen te doen ontstaan of te weigeren er te doen ontstaan, doch enkel beoogt het bestaan of het niet bestaan van rechtsgevolgen vast te stellen. Het verdwijnen van een dergelijke “beslissing” heeft dan ook geen gevolgen voor de verzoekende partijen. X-13.564-7/8 7.
  12. Waar de verzoekende partijen in de laatste memorie stellen dat “indien de vaststelling van de overheid (...) onjuist is”, “de handeling toch (kan) worden aangevochten, omdat het dan noodzakelijkerwijze niet meer om een zuivere declaratieve maar om een constitutieve handeling gaat die eigen rechtsgevolgen beoogt te doen ontstaan”, gaan zij aan het voorgaande voorbij. De omstandigheid dat de door de overheid gemaakte vaststelling onjuist kan zijn, verandert niets aan het gegeven dat het, wegens de hierboven toegelichte aard van een declaratieve handeling, niet aan de Raad van State als annulatierechter is deze onjuistheid te sanctioneren. De exceptie is gegrond. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep.
  14. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.564-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.