← België

Arrest 208050 - Gerechtsdeurwaarders - 11/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.050 Rolnummer: A. 184009/IX-5673 Zaak: Arrest 208050 - Gerechtsdeurwaarders - 11/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.050 van 11 oktober 2010 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.050 van 11 oktober 2010 in de zaak A. 184.009/IX-5673 In zake : Mireille ALBRECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Geert BAELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te Gent Sint-Annaplein 34 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. Het beroep, ingesteld op 14 juni 2007, strekt tot de vernietiging van het koninklijk besluit van 21 april 2007 waarbij Geert Baele wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 198.175 van 24 november 2009 zijn de debatten heropend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
  3. IX-5673-1/24 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Antoon Lust, die verschijnt voor de verzoekster, advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Patrick Peeters, verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dominique Matthys, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 5 oktober 2005 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt dat een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent vacant is. Voor die betrekking stellen zich 30 personen kandidaat, waaronder de verzoekster en de tussenkomende partij. 3.
  6. De raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Gent onderzoekt de kandidaturen. Hij hanteert daarbij een puntensysteem, gebaseerd op zes criteria. Die criteria worden omschreven als volgt: “
  7. anciënniteit in hoedanigheid van kandidaat-gerechtsdeurwaarder, dit wil zeggen voldaan hebben aan alle vereisten zoals bepaald in de artikelen 510 en 511 van het Gerechtelijk Wetboek (‘onderbrekingen’ -dit wil zeggen: niet meer actief zijn in de specifieke beroepsactiviteiten van de gerechtsdeurwaarder- moeten in min geteld worden): rangschikking [van de 30 kandidaten] van 30 [punten] naar 1 [punt].
  8. territoriaal gebonden aan het gerechtelijk arrondissement Gent, dit wil zeggen zijn/haar woonplaats hebben in het gerechtelijk arrondissement Gent, woonplaats in de betekenis zoals bepaald in artikel 36, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek: 5 punten extra.
  9. beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Gent, dit wil zeggen werkzaam op een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Gent en/of optredend als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder IX-5673-2/24 van een gerechtsdeurwaarder van het gerechtelijk arrondissement Gent -te rekenen per werkdag, eventueel zaterdag inbegrepen- : 0 tot 5 punten.
  10. bijkomend diploma (het diploma van licentiaat in de rechten wordt niet als bijkomend beschouwd), nuttig voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder: 5 punten extra.
  11. beroepshalve vast verbonden met het kantoor van de gerechtsdeur- waarder wiens plaats is vrijgekomen: 5 punten extra.
  12. adviezen en referenties waaruit de beroepsbekwaamheid en de ver- diensten van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder blijken -met evaluatie na persoonlijk interview met de kandidaat-: 0 tot 10 punten.” Op 11 december 2006 geeft de raad een advies over elk van de kandidaten. In het advies over de verzoekster wordt, in het bijzonder in verband met het zesde criterium, het volgende overwogen: “Mevr. Mireille Albrecht is geboren, getogen en woonachtig in het gerechtelijk arrondissement Gent, is alhier gevormd en tot op heden uitsluitend hier werkzaam. Zij heeft in het gerechtelijk arrondissement Gent talloze vervangingen verricht en heeft alzo een ruime ervaring in alle aspecten van het ambt.” Het advies over de verzoekster besluit met de volgende quoteringen: . anciënniteit als kandidaat-gerechtsdeurwaarder 27,00 punten . territoriaal gebonden aan het arrondissement Gent 5,00 punten . beroepservaring in het arrondissement Gent 5,00 punten . bijkomend diploma, nuttig voor het ambt 0,00 punten . beroepshalve vast verbonden met het kantoor van de boventallige titularis 0,00 punten . beroepsbekwaamheid op basis van voorgelegde attesten - na persoonlijk interview 7,00 punten --------------- Totaal 44,00 punten Op grond van de behaalde punten wordt de verzoekster als tweede kandidaat gerangschikt. In het advies over de tussenkomende partij wordt vastgesteld, in verband met het tweede criterium, dat deze kandidaat “zijn woonplaats niet [heeft] IX-5673-3/24 binnen het arrondissement Gent”. Voorts wordt, in verband met het zesde criterium, het volgende overwogen: “Mr. Geert Baele [is] een kandidaat [...] met een lange en rijke ervaring in het gerechtelijk arrondissement Gent, zowel qua kantoororganisatie als het betekenen van exploten. Hij is een ernstig en plichtbewust kandidaat, met een sociale attitude.” Het advies over de tussenkomende partij besluit met de volgende quoteringen: . anciënniteit als kandidaat-gerechtsdeurwaarder 29,00 punten . territoriaal gebonden aan het arrondissement Gent 0,00 punten . beroepservaring in het arrondissement Gent 5,00 punten . bijkomend diploma, nuttig voor het ambt 0,00 punten . beroepshalve vast verbonden met het kantoor van de boventallige titularis 0,00 punten . beroepsbekwaamheid op basis van voorgelegde attesten - na persoonlijk interview 8,92 punten ---------------- Totaal 42,92 punten Op grond van de behaalde punten wordt de tussenkomende partij als derde kandidaat gerangschikt. De eerste plaats in de rangschikking gaat naar Geert De Lombaert, die 46,92 punten behaalt. 3.
  13. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent verleent op 29 december 2006 een “gunstig advies” voor alle kandidaten. Op 12 januari 2007 verleent ook de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent een “gunstig advies” voor alle kandidaten. 3.
  14. Bij koninklijk besluit van 21 april 2007 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent. Dit besluit is gemotiveerd als volgt : “[...] IX-5673-4/24 Overwegende dat dertig kandidaten gepostuleerd hebben voor het vacante ambt; Overwegende dat alle kandidaten gunstige adviezen mochten ontvangen vanwege de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zodat op basis van deze adviezen geen vergelijking kan worden gemaakt tussen de kandidaten onderling; Overwegende dat de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Gent zich een puntensysteem heeft eigen gemaakt teneinde een rangschikking te kunnen opmaken tussen de postulerende kandidaten onderling en dit op basis van zes criteria, met name: anciënniteit als kandidaat-gerechtsdeurwaarder, [territoriale] gebondenheid met het gerechtelijk arrondissement Gent, beroepservaring binnen het desbetreffende gerechtelijke arrondissement, bijkomende diploma's, verbondenheid aan het vrijgekomen kantoor van gerechtsdeurwaarder en adviezen en referenties waaruit de beroepsbekwaamheid en de verdiensten van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder blijken na persoonlijk interview; dat deze criteria wel als volledig, objectief, waarheidsgetrouw en bepalend kunnen worden beschouwd om tot een rangschikking te komen; Overwegende dat aldus, rekening houdend met de adviezen van de gerechtelijke overheden, volgende rangschikking kan worden opgemaakt: 1) De Lombaert Geert met 46,92 punten, 2) Albrecht Mireille met 44 punten, 3) Baele Geert met 42,92 punten, 4) S.K. met 42,91 punten, 5) M.M. met 37,28 punten; Overwegende dat voormelde kandidaten zich bijgevolg als eersten klasseren en zich ontegensprekelijk kunnen beroepen op een degelijke ervaring in het gerechtsdeurwaardersambt; Overwegende dat aangezien de heer De Lombaert Geert bij koninklijk besluit van 25 februari 2007 benoemd is tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent, de hiernavolgende kandidaten als best gerangschikte dienen te worden beschouwd: 1) Albrecht Mireille, 2) Baele Geert, 3) S.K. en 4) M.M.; Overwegende dat wat betreft de beroepservaring binnen het gerechtelijk arrondissement Gent, van de vier voormelde kandidaten, enkel de hiernavolgende drie kandidaten het maximum aan punten behalen, met name Albrecht Mireille, Baele Geert en M.M.; Overwegende dat aan dit gegeven wel degelijk groot belang moet worden gehecht aangezien de vacante plaats uiteindelijk in het gerechtelijk arrondissement Gent te begeven is; Overwegende dat voormelde drie kandidaten aldus als even sterk dienen te worden aanzien inzake hun beroepservaring te Gent; Overwegende dat wat betreft de anciënniteit als kandidaat- gerechtsdeurwaarder volgende rangschikking kan worden opgemaakt: 1) Baele Geert met 14 jaar, 3 maand en 2 dagen, 2) Albrecht Mireille met 11 jaar, 6 maand en 5 dagen, 3) M.M. met 10 jaar, 6 maand en 6 dagen; Overwegende dat de heer Baele Geert zich aldus kan beroepen op de grootste anciënniteit; IX-5673-5/24 Overwegende dat wat betreft de verkregen adviezen en referenties de volgende rangschikking kan worden opgemaakt: 1) Baele Geert met 8,92 punten, 2) M.M. met 7,28 punten, 3) Albrecht Mireille met 7 punten; Overwegende dat de heer Baele Geert zich bijgevolg terug klasseert als eerste in rang; Overwegende dat wat betreft de territoriale gebondenheid enkel de heer Baele Geert niet woonachtig is binnen het gerechtelijk arrondissement Gent, doch wel in Erpe-Mere; Overwegende dat het woonachtig zijn in de streek waar de plaats vacant is een pluspunt is; dat dit minpunt ten aanzien van de heer Baele Geert sterk gerelativeerd wordt aangezien betrokkene sedert 1992 quasi ononderbroken heeft gefungeerd in het gerechtelijk arrondissement Gent ter vervanging van verscheidene Gentse confraters, waardoor zijn vertrouwdheid met de streek dan ook moeilijk in twijfel kan worden getrokken; Overwegende dat bij een globale vergelijking van de respectievelijke kandidaten onderling de heer Baele Geert zich als eerste in rangschikking plaatst zowel in zijn jaren anciënniteit, het grootst aantal jaren beroepservaring te Gent, en de hoogste quotering qua verkregen adviezen en referenties; Overwegende dat in de talrijke plaatsvervangingen van de heer Baele Geert hem geen enkele tuchtstraf werd opgelegd; Overwegende dat de heer Baele Geert aan alle wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoet; Overwegende dat op grond van de adviezen, anciënniteit, ervaring en betrokkenheid met het ambt, de heer Baele Geert als de meest geschikte kandidaat dient te worden weerhouden voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent.” Dit besluit, dat wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 april 2007, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Bij ministerieel besluit van 21 april 2007 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Gent. 3.
  15. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2008 wordt de verzoekster zelf benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent. Deze benoeming maakt het voorwerp uit van twee beroepen bij de Raad van State (zaken A. 189.636/IX-6061 en A. 189.686/IX-6069). IX-5673-6/24 IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen Verzoekster
  16. De verzoekster roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de materiële motiveringsplicht en van het verbod van willekeur.
  17. Een eerste onderdeel is, blijkens de formulering ervan in het verzoekschrift, specifiek gericht tegen het advies dat de raad van de arrondissementskamer over de verzoekster heeft uitgebracht.
  18. In verband met de ontvankelijkheid van het onderdeel stelt de verzoekster in haar memorie van wederantwoord, als antwoord op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie, dat het onderdeel gericht is tegen het benoemingsbesluit, maar dat dit besluit geheel en uitsluitend gesteund is op het advies van de raad van de arrondissementskamer. Nergens wordt in het bestreden besluit verwezen naar enig ander advies of enige andere referentie. De verzoekster heeft er dan ook wel degelijk belang bij om de onregelmatigheid van het advies te doen vaststellen, omdat zulke vaststelling noodzakelijk moet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit.
  19. Ten gronde voert de verzoekster aan dat het bestreden besluit uitsluitend steunt op de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, die tussen de diverse kandidaten een rangschikking heeft opgemaakt uitgaande van zes criteria. Terwijl de eerste vijf criteria objectief meetbaar en verantwoordbaar zijn, geldt dat niet voor het zesde criterium, zijnde “adviezen en referenties waaruit de beroepsbekwaamheid en de verdiensten van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder blijkt -met evaluatie na persoonlijk interview met de kandidaat-: 0 tot 10 punten”. De raad van de arrondissementskamer stelt met betrekking tot de verzoekster vast dat zij “tal van positieve adviezen van stagemeesters, syndici en titularissen kan voorleggen”. Noch het advies, noch enig ander stuk van het dossier bevat echter enige verantwoording voor het feit dat de verzoekster voor het persoonlijk interview slechts 7 punten heeft verkregen. De verzoekster voert aan dat, wat dit criterium IX-5673-7/24 betreft, het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is en er geen afdoende vergelijking van titels en verdiensten is gebeurd. Een louter cijfermatige beoordeling volstaat wanneer de rangschikkingscriteria uitsluitend op kennisvragen zijn gesteund, maar dit is niet het geval wanneer de beoordeling, zoals te dezen, afhangt van een mondeling onderhoud. De verzoekster voert aan dat in dat geval de in punten uitgedrukte beoordeling inzichtelijk en controleerbaar gemaakt moet worden middels een onder woorden gebrachte verantwoording van het gegeven puntencijfer. Deze onder woorden gebrachte evaluatie mag niet vaag zijn, en evenmin een loutere stijlformule inhouden. Ze moet integendeel van die aard zijn dat ze het mogelijk maakt te onderzoeken of de adviserende respectievelijk de beslissende overheid binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid is gebleven.
  20. In de memorie van wederantwoord betrekt de verzoekster ook het advies over de tussenkomende partij in haar kritiek. Zij voert aan dat uit de adviezen niet kan worden afgeleid waarom zij na het interview slechts 7 punten heeft verkregen en de tussenkomende partij 8,92 punten. Zij stelt dat uit een vergelijking van de evaluaties die de raad van de arrondissementskamer over beide kandidaten heeft gegeven, niet kan worden afgeleid waarom er een verschil in quotering is. De motiveringen in verband met het zesde criterium bevatten in wezen niet meer dan een herhaling dat beide kandidaten een reeds lange ervaring hebben (reeds besproken onder het eerste criterium) en dat beiden hun beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Gent hebben opgedaan (reeds besproken onder het derde criterium). Andere differentieerbare of verantwoorde plus- en minpunten komen in die motiveringen niet aan bod. Als repliek op de memorie van de verwerende partij, stelt de verzoekster voorts dat de verwerende partij het motiveringsgebrek niet kan goedmaken door in de memorie van antwoord een aantal adviezen en referenties te ontleden. Het was immers de arrondissementskamer die dit diende te doen, en de verwerende partij kan niet gissen naar de mogelijke beweegredenen die de arrondissementskamer ertoe gebracht kunnen hebben om tot een verschillende appreciatie te komen. Voorts voert de verzoekster aan dat de verwerende partij enkel verwijst naar uittreksels uit adviezen die haar standpunt schragen, terwijl zij het zeer gedetailleerde advies van gerechtsdeurwaarder D., die vraagt om aan de verzoekster een “uitmuntend advies met speciale aanbeveling” te verlenen, geheel buiten IX-5673-8/24 beschouwing laat. In verband met de uittreksels waarop de verwerende partij steunt, voert de verzoekster aan dat uit niets blijkt dat de arrondissementskamer acht heeft geslagen op het voorbehoud in het advies van gerechtsdeurwaarder T. in verband met de interconfraternele verhoudingen binnen het arrondissement. Zij meent ook dat de verwerende partij aan dat voorbehoud een draagwijdte geeft die het niet heeft. Al evenmin maakt het bestreden besluit melding van de adviezen van de gerechtsdeurwaarders V.Q. en V.W., waarvan de vervangingen inderdaad kort zijn geweest. De verzoekster stelt dat de korte duur van de vervangingen haar hoge graad van behulpzaamheid en confraterniteit illustreren, aangezien zij de betrokken gerechtsdeurwaarders vervangen heeft toen dezen met overlijdens in de naaste omgeving geconfronteerd waren. Die vervangingen mogen derhalve niet geminimaliseerd worden, maar moesten te haren gunste geïnterpreteerd worden. Ten slotte stelt de verzoekster dat het van algemene bekendheid is dat het mondeling interview niet zelden gebruikt wordt om onuitgesproken preferenties te maken. Zij stelt dat de Raad van State, precies om zulke praktijken tegen te gaan, zeer streng is wanneer allerhande commissies en jury’s evalueren op grond van een louter mondeling interview dat niet op kennisvragen betrekking heeft en waarvan de neerslag niet objectiveerbaar is.
  21. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekster dat de summiere motieven van de raad van de arrondissementskamer in verband met het zesde criterium het aanmerkelijke verschil in quotering niet verklaren. Zij wijst er onder meer op dat over haar zeer lovende adviezen in het dossier aanwezig zijn, in het bijzonder het advies van gerechtsdeurwaarder D., terwijl de adviezen over de tussenkomende partij doorgaans niets meer zijn dan klassieke standaardadviezen waarin zonder veel enthousiasme wordt gezegd dat de betrokkene een goede of uitstekende kandidaat is. Ten slotte erkent de verzoekster dat de Raad van State de beoordeling van de kandidaten door de arrondissementskamer maar marginaal kan toetsen. Zij wijst er evenwel op dat de Raad van State wel ten volle kan onderzoeken of het bestreden besluit en de daaraan voorafgaande adviezen voldoende gemotiveerd zijn, en of daaruit afdoende kan worden afgeleid welke motieven de arrondissementskamer en de Koning ertoe hebben gebracht om haar zwakker te doen scoren op het zesde criterium. De verzoekster herhaalt dat deze motivering totaal ontbreekt, nu de uitgedrukte motieven in het advies van de raad van de IX-5673-9/24 arrondissementskamer absoluut niet van die aard zijn dat ze een verschillende beoordeling van de betrokken kandidaten verklaren, en nu ook het administratief dossier hieromtrent geen afdoende motieven aanreikt. Die vaststelling leidt, zo besluit de verzoekster, ook tot de vaststelling dat de titels en de verdiensten van de kandidaten niet afdoende vergeleken zijn. In ieder geval blijkt, aldus de verzoekster, dat het voor haar zeer gunstige advies van gerechtsdeurwaarder D. geen enkele rol gespeeld heeft in haar beoordeling, ofschoon dit advies zeer pertinente informatie omtrent verzoeksters kwaliteiten bevat en daaruit duidelijk blijkt dat de verzoekster op het vlak van vakbekwaamheid en attitude zeker niet moet onderdoen voor de tussenkomende partij.
  22. Een tweede onderdeel is gericht tegen de motivering van het bestreden besluit zelf. De verzoekster voert aan dat, ofschoon het bestreden besluit vaststelt dat de aan de hand van de door de raad van de arrondissementskamer gemaakte beoordeling en rangschikking overeenkomstig de opgegeven criteria als “volledig, objectief, waarheidsgetrouw en bepalend” kan worden beschouwd om tot een rangschikking te komen en het vaststelt dat sedert de benoeming van Geert De Lombaert de verzoekster als eerste is gerangschikt, toch de voorkeur wordt gegeven aan de tussenkomende partij. Om daartoe te komen moest het bestreden besluit de 0-score van de tussenkomende partij voor het criterium woonplaats, buiten beschouwing laten, minstens dit minpunt als sterk relativeerbaar beschouwen. Door echter, enerzijds, een aangereikte advisering als objectief en “waarheidsgetrouw” en zelfs als “volledig en bepalend” te aanzien, en anderzijds, daarvan toch af te wijken, is het bestreden besluit intern tegenstrijdig. Het bestreden besluit schendt aldus het materieel motiveringsbeginsel, het verbod tot willekeur en het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
  23. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekster dat de verwerende partij en de tussenkomende partij volkomen ten onrechte aanvoeren dat enkel de door de arrondissementskamer aangewende criteria volledig, objectief, waarheidsgetrouw en bepalend zijn, en niet de door de arrondissementskamer gemaakte rangschikking. Zij stelt dat zij nooit beweerd heeft dat het advies van de raad van de arrondissementskamer bindend zou zijn. Zij wijst er evenwel op dat IX-5673-10/24 gezien de waarde die de verwerende partij aan het advies hecht, daarvan slechts op zeer deugdelijke gronden, die onder woorden moeten worden gebracht, kan worden afgeweken. Eerst stellen dat de streekgebondenheid een objectief, waarheidsgetrouw en zelfs bepalend criterium is, en dan zeggen dat dit criterium kan worden gerelativeerd, om de enkele reden dat de betrokkene in het arrondissement Gent heeft gewerkt, is volgens de verzoekster niet aannemelijk. De verzoekster merkt op dat werken en ervaring opdoen in een bepaald arrondissement niet hetzelfde is als ook daadwerkelijk wonen en leven in dat arrondissement. De arrondissementskamer heeft die twee criteria eenzelfde gewicht gegeven, en het bestreden besluit heeft dit een objectieve en waarheidsgetrouwe optie bevonden. Het is mogelijk om aan die twee criteria een verschillend gewicht te geven, maar dit is hier niet aan de orde, nu het bestreden besluit de gelijkwaardige beoordeling van de twee criteria correct bevonden heeft.
  24. Ook een derde onderdeel is gericht tegen de motivering van het bestreden besluit zelf. De verzoekster herhaalt dat zij beter gerangschikt was dan de tussenkomende partij en dat, om de tussenkomende partij toch te kunnen benoemen, de verwerende partij het criterium woonplaats buiten beschouwing heeft gelaten, minstens sterk heeft gerelativeerd. De verzoekster voert aan dat die benadering contrasteert met die van een koninklijk besluit van 21 december 2005 (houdende benoeming van een andere gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent), waarbij de kandidatuur van de tussenkomende partij niet in aanmerking is genomen, onder meer omdat zij aan het woonplaatscriterium niet voldeed. Ten aanzien van dezelfde kandidaat nu eens stellen dat het woonplaatscriterium belangrijk is en dan weer niet, getuigt van loutere willekeur, hetgeen een schending inhoudt van de in het middel aangevoerde grondwettelijke en wettelijke bepalingen en algemene beginselen.
  25. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster dat noch uit het bestreden besluit, noch uit de stukken van het dossier blijkt waarom in het besluit van 21 december 2005 het criterium van de streekgebondenheid voor de tussenkomende partij wel ten volle moest gelden en “volledig, objectief, waarheidsgetrouw en bepalend was” en dit plots niet meer het geval was ten tijde van het bestreden besluit. Als de verwerende partij het criterium van de streekgebondenheid, in strijd met wat ze eerder verklaarde, plots niet meer of slechts IX-5673-11/24 weinig relevant achtte, dan had ze de rangschikking van de arrondissementskamer vanuit die nieuwe invalshoek in haar geheel moeten herschrijven, om de al dan niet relevante gevolgen daarvan ook ten aanzien van andere kandidaten mee in rekening te kunnen brengen. Door het criterium plots te marginaliseren, alleen maar om één achtergestelde kandidaat te kunnen vooruitschuiven, heeft de verwerende partij niet enkel het materieel motiveringsbeginsel, maar ook het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur geschonden. Verwerende partij
  26. In verband met het eerste onderdeel werpt de verwerende partij in de eerste plaats een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij voert aan dat de aangehaalde grieven uitsluitend gericht zijn tegen het advies van de raad van de arrondissementskamer en om die reden onontvankelijk zijn. Deze vaststelling geldt, aldus de verwerende partij, des te meer nu de verzoekster zich niet verzet heeft tegen het voorlopige advies van de raad van de arrondissementskamer en de grieven dan ook niet dienstig voor de Raad van State kan aanvoeren.
  27. Subsidiair voert de verwerende partij aan dat de bewering dat uit het advies van de raad van de arrondissementskamer niet kan worden afgeleid waarom de verzoekster slechts zeven punten kreeg op het criterium persoonlijk interview, onjuist is. Zij stelt in de eerste plaats dat, in tegenstelling tot wat de verzoekster voorhoudt, de arrondissementskamer met betrekking tot het zesde criterium niet uitsluitend punten toekent voor een persoonlijk interview. Het cijfer wordt integendeel toegekend op basis van de beoordeling die over een kandidaat wordt gegeven door stagemeesters, syndici en andere gerechtsdeurwaarders in aanbevelingsbrieven en adviezen, nadat de kandidaat de mogelijkheid heeft gehad om in een persoonlijk interview toelichting te verstrekken of opmerkingen te maken bij de adviezen en referenties. Voorts betoogt de verwerende partij dat uit het administratief dossier wel degelijk kan worden afgeleid waarom de tussenkomende partij beter scoort dan de verzoekster. In de adviezen van de gerechtsdeurwaarders over de kandidatuur van de tussenkomende partij wordt telkens verwezen naar de zeer ruime IX-5673-12/24 beroepservaring, zowel op theoretisch als op praktisch vlak. De verwerende partij noemt ook nog andere kwaliteiten die in die adviezen worden belicht. De adviezen van de gerechtsdeurwaarders omtrent de verzoekster waren daarentegen niet even lovend. De stagemeester van de verzoekster (gerechtsdeurwaarder V.) verleende een “nietszeggend advies”, waarin enkel wordt aangehaald dat de verzoekster “grote interesse toonde voor het vak en zij [...] steeds grote voldoening heeft geschonken zowel op professioneel als menselijk vlak”. Gerechtsdeurwaarder T. maakt in zijn advies een voorbehoud wat betreft de interconfraternele verhoudingen binnen het arrondissement. De gerechtsdeurwaarders V.Q. en V.W. stellen in hun adviezen dat de verzoekster hen slechts gedurende respectievelijk één en vier dagen heeft vervangen, waardoor de arrondissementskamer aan die adviezen een slechts marginaal belang kon hechten. De verwerende partij besluit dat de benoemende overheid dan ook redelijkerwijze mocht vaststellen dat de tussenkomende partij beter scoorde dan de verzoekster. De formele motiveringsplicht is niet geschonden.
  28. In verband met het tweede onderdeel antwoordt de verwerende partij dat enkel de door de raad van de arrondissementskamer gehanteerde criteria als volledig, objectief en bepalend worden beschouwd, doch dat dit niet betekent dat de adviezen zelf als decisief moeten worden beschouwd. Zij stelt dat de uitgebrachte adviezen, ofschoon ze een essentieel onderdeel van de benoemingsprocedure vormen, niet bindend zijn en dat de benoemende overheid van deze adviezen kan afwijken. De verwerende partij wijst erop dat in het voorliggende geval de benoemende overheid de titels en verdiensten van vier kandidaten, waaronder die van de verzoekster en van de tussenkomende partij, die op basis van de adviezen van de raad van de arrondissementskamer als het meest geschikt werden bevonden, vergeleken heeft. De benoemende overheid stelde hierbij vast dat de tussenkomende partij drie jaar meer anciënniteit heeft en over gunstigere aanbevelingsbrieven en referenties beschikt dan de verzoekster. Vervolgens vermocht de benoemende overheid te oordelen dat de tussenkomende partij sterk vertrouwd is met de streek, nu hij sinds 1992 quasi-ononderbroken werkzaam is in het gerechtelijk arrondissement Gent. Om die reden mocht de benoemende overheid ook slechts een marginale betekenis hechten aan het feit dat de benoemde kandidaat niet in het gerechtelijk arrondissement Gent woont. Op grond van die motieven heeft de benoemende overheid, aldus de verwerende partij, duidelijk aangegeven waarom zij IX-5673-13/24 met betrekking tot het criterium “territoriale gebondenheid” afwijkt van het advies van de raad van de arrondissementskamer. Zij besluit dat de verzoekster, die niet kan bogen op de grootste anciënniteit en minder gunstige aanbevelingsbrieven en adviezen kan voorleggen, niet aantoont dat zij in vergelijking met de tussenkomende partij direct zichtbare grotere aanspraken op de benoeming kan doen gelden. De formele motiveringswet is niet geschonden. Ten slotte stelt de verwerende partij dat, aangezien de verzoekster geen grieven ontwikkelt met betrekking tot het verbod van willekeur en het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, hierop niet moet worden geantwoord.
  29. In verband met het derde onderdeel antwoordt de verwerende partij dat het voor zich spreekt dat de benoemende overheid veeleer rekening houdt met een professionele gebondenheid aan het arrondissement, dan met het feitelijk gegeven dat een kandidaat zijn woonplaats heeft in het arrondissement. Aangezien de benoemde kandidaat reeds meer dan 15 jaar ononderbroken werkzaam is in het gerechtelijk arrondissement Gent, mocht de benoemende overheid in onderhavige zaak dan ook een marginale betekenis hechten aan het criterium van de woonplaats. Tussenkomende partij
  30. In verband met het eerste onderdeel stelt de tussenkomende partij dat de beoordeling van het zesde criterium niet kan worden losgekoppeld van de beoordeling over de vijf andere criteria. Een correcte lezing van het bestreden besluit noopt tot de conclusie, aldus de tussenkomende partij, dat de verwerende partij alle door de arrondissementskamer in het uitgebrachte advies gehanteerde criteria met elkaar heeft vergeleken en op grond van een redelijke, logische en oordeelkundige vergelijking, die formeel en inhoudelijk deugdelijk werd gemotiveerd, tot de slotsom gekomen is dat aan de tussenkomende partij de voorkeur kon en mocht gegeven worden. Zij wijst erop dat de verwerende partij niet uitsluitend is afgegaan op het advies van de raad van de arrondissementskamer; mocht dat wel het geval geweest zijn, dan was de verzoekster benoemd, vermits deze in totaal een hoger puntenaantal dan de tussenkomende partij verkregen heeft. Voorts voert de tussenkomende partij aan dat de kritiek van de verzoekster op de puntentoekenning voor het zesde criterium niets te maken heeft met het aangevochten besluit zelf, maar wel met de daaraan voorafgaande advisering door de raad van de arrondissementskamer. Wat de verzoekster daarop aanmerkt is IX-5673-14/24 bovendien een formele kwestie, met name dat de puntentoekenning te abstract en oncontroleerbaar zou zijn. De tussenkomende partij wijst erop dat de verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om opmerkingen op het advies te formuleren en om hieromtrent te worden gehoord. Zij stelt dat de verzoekster zich niet erover kan beklagen dat de puntenquotering onvoldoende gemotiveerd zou zijn, nu ze zelf heeft nagelaten de door de wet aangereikte middelen te benutten om daarover meer duidelijkheid te verkrijgen.
  31. In verband met het tweede onderdeel stelt de tussenkomende partij dat de verwerende partij niet de beoordeling en de rangschikking als volledig, objectief, waarheidsgetrouw en bepalend aanziet, maar wel de beoordelingscriteria. Mocht de verwerende partij het resultaat van de op grond van die criteria uitgebrachte beoordelingen als determinerend beschouwen, dan zou zij aan het advies van de raad van de arrondissementskamer een bindend karakter geven, wat dit advies niet heeft. Voorts betoogt de tussenkomende partij dat de verwerende partij de weging van de onderscheiden criteria heeft aangepast, wat haar volste recht is. De benoemende overheid heeft in het aangevochten besluit criterium per criterium de beoordelingen onderzocht, om finaal tot de conclusie te komen dat het enige criterium waarop de tussenkomende partij lager scoorde dan de verzoekster dit was van de territoriale gebondenheid. Dit criterium werd in de concrete context van de zaak gerelativeerd omdat aan de vertrouwdheid van de tussenkomende partij met de streek moeilijk kon worden getwijfeld. Ten overvloede merkt de tussenkomende partij nog op dat de raad van de arrondissementskamer te Gent inmiddels zelf tot het besef is gekomen dat aan het criterium van de territoriale gebondenheid een onredelijk hoge waarde werd gehecht. Voortaan worden voor dit criterium nog slechts maximaal 2 punten toegekend.
  32. In verband met het derde onderdeel stelt de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst dat wanneer de verwerende partij in deze zaak het criterium woonplaats gerelativeerd heeft, dit gebeurd is op grond van zeer concrete en aanwijsbare motieven. Het is volgens de verwerende partij irrelevant dat in een ander benoemingsdossier op een andere wijze met dit criterium werd omgesprongen, IX-5673-15/24 precies omdat de concrete omstandigheden van de zaak totaal verschillend waren. In de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het koninklijk besluit van 21 december 2005 scoorde de benoemde kandidaat op alle criteria het best en kwam het criterium van de woonplaats slechts als “ten overvloede”-criterium aan de orde. De tussenkomende partij is van oordeel dat het volstrekt onmogelijk is om een gelijkwaardige vergelijking te maken tussen de motieven van het benoemingsbesluit van 21 december 2005 en die van het thans aangevochten besluit. De redenering van de verzoekster faalt dan ook. Beoordeling Eerste onderdeel
  33. In verband met de ontvankelijkheid van het onderdeel verwijst de Raad van State naar hetgeen hij heeft overwogen in verband met de exceptie van onontvankelijkheid van het beroep in het arrest nr. 198.175 van 24 november
  34. De verzoekster kan de onwettigheid van de adviezen van de raad van de arrondissementskamer aanvoeren als middel in haar beroep tegen het bestreden benoemingsbesluit. Aan die mogelijkheid wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om opmerkingen te maken op het voorlopig advies van de raad van de arrondissementskamer of om gehoord te worden. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie faalt naar recht.
  35. Uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord blijkt dat de verzoekster in essentie aanvoert dat uit de adviezen over haar en de tussenkomende partij niet valt op te maken waarom de tussenkomende partij voor het zesde criterium, zijnde “adviezen en referenties waaruit de beroepsbekwaamheid en de verdiensten van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder blijkt -met evaluatie na persoonlijk interview met de kandidaat-” een hogere score krijgt dan de verzoekster. De Raad van State stelt vast dat geen der partijen betwist dat de verzoekster de draagwijdte van het onderdeel, in haar verzoekschrift enkel gericht tegen het advies dat over haar is uitgebracht, in haar memorie van wederantwoord kon uitbreiden tot het advies dat over de tussenkomende partij is uitgebracht. Evenmin wordt betwist dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord kon IX-5673-16/24 verwijzen naar een aantal specifieke beoordelingen die door bepaalde gerechtsdeurwaarders over haar zijn gegeven. Nu niet blijkt dat de verzoekster reeds op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift kennis had van de inhoud van de over haar gegeven beoordelingen of van het over de tussenkomende partij uitgebrachte advies, ziet de Raad van State ook geen reden om in dit verband ambtshalve een betwisting op te werpen.
  36. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Indien de benoemende overheid steunt op adviezen van een adviesverlenende instantie, zoals te dezen de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, moeten die adviezen beantwoorden aan de hiervóór genoemde beginselen. IX-5673-17/24
  37. In het advies van de raad van de arrondissementskamer van 11 december 2006 over de verzoekster wordt voor het zesde criterium een score gegeven van 7,00 punten. Deze score wordt gemotiveerd als volgt: “Mevr. Mireille Albrecht is geboren, getogen en woonachtig in het gerechtelijk arrondissement Gent, is alhier gevormd en tot op heden uitsluitend hier werkzaam. Zij heeft in het gerechtelijk arrondissement Gent talloze vervangingen verricht en heeft alzo een ruime ervaring in alle aspecten van het ambt.” In het advies van 11 december 2006 over de tussenkomende partij wordt voor het zesde criterium een score gegeven van 8,92 punten. Deze score wordt gemotiveerd als volgt: “Mr. Geert Baele [is] een kandidaat [...] met een lange en rijke ervaring in het gerechtelijk arrondissement Gent, zowel qua kantoororganisatie als het betekenen van exploten. Hij is een ernstig en plichtbewust kandidaat, met een sociale attitude.”
  38. Anders dan de verzoekster aanvoert, zijn de beoordelingen omtrent het zesde criterium niet enkel gesteund op de interviews met de betrokkenen. Zoals uit de omschrijving zelf van het criterium blijkt, gaat de raad van de arrondissementskamer voor de score op dit criterium in de eerste plaats uit van de “adviezen en referenties” door gerechtsdeurwaarders aan wie de kandidaten een beoordeling gevraagd hebben. Die beoordelingen worden dan na het interview met de betrokken kandidaat geëvalueerd. De verzoekster kan overigens ook niet worden bijgevallen waar zij stelt dat dit criterium een loutere herneming is van het eerste criterium (anciënniteit) en het derde criterium (beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Gent). Het gaat bij het zesde criterium immers niet om objectief vaststelbare gegevens, maar om de beroepsbekwaamheid en de verdiensten, geëvalueerd op basis van beoordelingen door gerechtsdeurwaarders.
  39. Op grond van de beoordelingen door de gerechtsdeurwaarders wordt een hogere score gegeven aan de tussenkomende partij, zijnde 8,92 punten voor de tussenkomende partij tegenover 7,00 punten voor de verzoekster. Een lagere score voor de tussenkomende partij of een hogere score voor de verzoekster zou tot gevolg hebben dat deze laatste in de totaalscore een grotere voorsprong zou hebben op de tussenkomende partij. IX-5673-18/24 Ter verantwoording van de respectieve scores wordt in de adviezen een motivering gegeven waarin voor elk van de kandidaten wordt gewezen op hun ervaring, voor de tussenkomende partij omschreven als een “lange en rijke ervaring”, voor de verzoekster als een “ruime ervaring”. Over de tussenkomende partij wordt bovendien vermeld dat deze kandidaat ernstig en plichtbewust is, met een sociale attitude. Die motivering kan echter niet volstaan om begrijpelijk te maken waarom de tussenkomende partij een score van 8,92 punten krijgt en de verzoekster een score van 7,00 punten. De stukken van het dossier, in het bijzonder de beoordelingen van de kandidaten door een aantal gerechtsdeurwaarders, maken het evenmin mogelijk om, in combinatie met de aangehaalde motivering, te achterhalen waarop het verschil in quotering gesteund is. Zoals in de twee adviezen wordt vastgesteld, kunnen beide kandidaten “tal van positieve adviezen van stagemeesters, syndici en titularissen [...] voorleggen”. Voor de verzoekster is er zelfs een beoordeling die voorstelt om haar een uitmuntend advies met speciale aanbeveling te geven. Het is juist dat één van de over haar gegeven beoordelingen, die op zichzelf “positief” is, ook een voorbehoud bevat “wat betreft de interconfraternele verhoudingen binnen ons arrondissement”. Het is echter niet duidelijk of dit voorbehoud wel te maken heeft met de kandidate zelf. Nu noch het bestreden besluit, noch de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, noch zelfs de stukken van het dossier het mogelijk maken om te achterhalen waarop het verschil in quotering voor het zesde criterium is gesteund, moet besloten worden dat het onderdeel, in zoverre het een schending van de formele motiveringsplicht aanvoert, gegrond is. Tweede onderdeel
  40. Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij de kandidaten in twee fasen heeft beoordeeld. In een eerste fase heeft zij uit de 30 kandidaten er vijf geselecteerd voor een nader onderzoek, met name Geert De Lombaert, de verzoekster, de tussenkomende partij en twee andere kandidaten, in die volgorde. De selectie van die vijf kandidaten steunt op de adviezen van de gerechtelijke overheden. Nu op basis van de adviezen van de procureur-generaal en de procureur des Konings geen vergelijking kan worden gemaakt tussen de kandidaten onderling, wordt in feite IX-5673-19/24 uitsluitend voortgegaan op de rangschikking van de kandidaten zoals die kan worden afgeleid uit de adviezen van de raad van de arrondissementskamer. In een tweede fase wordt dan een doorgedreven vergelijking van de titels en de verdiensten van die best gerangschikte kandidaten doorgevoerd. Eerst wordt vastgesteld dat Geert De Lombaert ondertussen reeds benoemd is in een ander ambt, zodat de effectieve vergelijking van de titels en verdiensten beperkt kan worden tot de vier andere geselecteerde kandidaten. De vergelijking tussen die vier kandidaten leidt tot de conclusie dat de tussenkomende partij de meest geschikte kandidaat is, zodat zij wordt benoemd. Een dergelijke beoordeling in verschillende fasen is op zich niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten. Ze is evenmin strijdig met de formele en de materiële motiveringsplicht, mits zowel voor de selectie van de groep van de meest geschikte kandidaten als voor de aanwijzing van de meest geschikte kandidaat redenen worden opgegeven die de betrokken beslissing kunnen dragen. Voor de regelmatigheid van de motivering is voorts onder meer vereist dat de redenen elkaar niet tegenspreken.
  41. Voor de selectie van de vijf meest geschikte kandidaten heeft de verwerende partij zonder meer rekening gehouden met de rangschikking zoals die kan worden afgeleid uit de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, op basis van zes criteria. In het bestreden besluit wordt uitdrukkelijk overwogen dat die criteria “als volledig, objectief, waarheidsgetrouw en bepalend kunnen worden beschouwd om tot een rangschikking te komen”. Te dezen leidt de toepassing van die criteria tot een rangschikking van alle 30 kandidaten. Op een door de verwerende partij opgemaakte samenvattende tabel zijn trouwens voor elk van de kandidaten de door de arrondissementskamer toegekende totaalscores vermeld, met aanduiding welke plaats in de rangschikking (van 1 tot 30) die totaalscores opleveren. Het is te dezen dus niet zo dat de selectie van de meest geschikte kandidaten leidt tot een groep kandidaten die onderling niet gerangschikt zijn, en waaromtrent een doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten in elk geval nodig zou zijn om tot een dergelijke rangschikking te komen. Vervolgens heeft de verwerende partij, na vaststelling dat de kandidatuur van Geert De Lombaert niet meer onderzocht moet worden, de titels en IX-5673-20/24 verdiensten van de vier overblijvende best gerangschikte kandidaten zélf onderzocht. Daarbij steunt zij andermaal op de bevindingen in de adviezen van de raad van de arrondissementskamer. Uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij in die tweede fase rekening heeft gehouden met het criterium van de “territoriale gebondenheid”. Er wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat enkel de tussenkomende partij niet woonachtig is in het gerechtelijk arrondissement Gent. Dit gegeven heeft tot gevolg gehad dat de tussenkomende partij op dit criterium 0 punten heeft behaald, terwijl de drie overige kandidaten, waaronder de verzoekster, daarvoor 5 punten kregen. In afwijking van het advies van de raad van de arrondissementskamer relativeert de benoemende overheid evenwel het vereiste van de woonplaats in het gerechtelijk arrondissement ten aanzien van de tussenkomende partij. Met name bevat het bestreden besluit desaangaande de volgende overweging: “Overwegende dat het woonachtig zijn in de streek waar de plaats vacant is een pluspunt is; dat dit minpunt ten aanzien van de heer Baele Geert sterk gerelativeerd wordt aangezien betrokkene sedert 1992 quasi ononderbroken heeft gefungeerd in het gerechtelijk arrondissement Gent ter vervanging van verscheidene Gentse confraters, waardoor zijn vertrouwdheid met de streek dan ook moeilijk in twijfel kan worden getrokken.” Het komt aan de benoemende overheid toe om te bepalen welk belang ze aan een bepaald criterium hecht. Zij mag voor het relativeren van een criterium echter geen verantwoording geven die strijdig is met redenen die zij elders in haar beslissing heeft aangevoerd. Te dezen bestaat er een zodanige strijdigheid tussen de motieven. Enerzijds wordt voor de selectie van een groep van vijf kandidaten zonder meer uitgegaan van een rangschikking op basis van de zes criteria, inclusief het criterium van de territoriale gebondenheid. Er wordt bijvoorbeeld niet nagegaan of de lijst van de meest geschikte kandidaten, na relativering van dat criterium, er eventueel anders zou uitzien. De benoemende overheid maakt zich dus de toepassing van de zes criteria eigen, met inbegrip van het relatief gewicht dat door de raad van de arrondissementskamer aan elk van die criteria is toegekend. Anderzijds wordt voor de doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de vier kandidaten die in aanmerking worden genomen, het criterium van de territoriale gebondenheid voor één van de kandidaten gerelativeerd, met als gevolg dat die kandidaat de rangschikking doorbreekt en als meest geschikte kandidaat wordt aangewezen. Aldus blijkt het criterium van de territoriale gebondenheid bij de benoemende IX-5673-21/24 overheid een verschillend gewicht te krijgen, naargelang het gaat om de eerste selectie van een groep meest geschikte kandidaten dan wel om de doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van die groep van kandidaten. De omstandigheid dat het gaat om twee verschillende fasen van het beoordelingsproces, elk met een eigen voorwerp en een eigen finaliteit, volstaat niet om die tegenstrijdigheid te verantwoorden. In zoverre in het onderdeel een tegenstrijdigheid in de motieven wordt aangevoerd, is het gegrond. Derde onderdeel
  42. Het derde onderdeel is, zoals het tweede onderdeel, gericht tegen het feit dat de benoemende overheid het criterium van de territoriale gebondenheid met betrekking tot de tussenkomende partij relativeert. Volgens de verzoekster wijkt de verwerende partij aldus af van de houding die zij in een vorige benoemingsprocedure heeft aangenomen, enkel met de bedoeling om de tussenkomende partij, ondanks haar minder goede plaats in de rangschikking, te kunnen benoemen. In verband met de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het koninklijk besluit van 21 december 2005 voert de verzoekster aan dat de tussenkomende partij toen niet bij de groep van de meest geschikte kandidaten behoorde, mede op grond van het feit dat hij voor het genoemde criterium geen punten behaald had. Dit feitelijk gegeven wordt door de partijen niet betwist. Ook in de thans voorliggende benoemingsprocedure wordt voor het opmaken van de selectie van de groep van de meest geschikte kandidaten uitgegaan van de rangschikking zoals die blijkt uit de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, dus met inachtneming van het feit dat de tussenkomende partij voor het genoemde criterium geen punten behaald heeft. In dit opzicht wijkt de benoemende overheid dus niet af van de houding die zij in 2005 heeft aangenomen. Het is weliswaar zo dat de benoemende partij vervolgens, bij de doorgedreven vergelijking van de kandidaturen van de vier overblijvende kandidaten, het bedoelde criterium in het geval van de tussenkomende partij relativeert. Zoals uit de bespreking van het tweede onderdeel blijkt, geeft die IX-5673-22/24 houding aanleiding tot een tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden besluit zelf. Die houding is echter niet strijdig met de houding die de benoemende overheid in 2005 heeft aangenomen, nu zij er toen niet toe gekomen is om de kandidatuur van de tussenkomende partij in de doorgedreven vergelijking van de kandidaturen te betrekken. Het onderdeel, dat steunt op een verkeerd uitgangspunt, mist feitelijke grondslag. BESLISSING
  43. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 21 april 2007 waarbij Geert Baele wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Gent.
  44. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  45. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. IX-5673-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5673-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.050 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.175 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.