← België

Arrest 208067 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 12/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.067 Rolnummer: A. 197840/XII-6368 Zaak: Arrest 208067 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 12/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.067 van 12 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.067 van 12 oktober 2010 in de zaak A. 197.840/XII-6368 In zake: Sylvester DECLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Vanlerberghe en Bert Verhaeghe kantoor houdend te Izegem Kasteelstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SCHOLENGROEP SINT-MICHIEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Jochen Honnay kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 oktober 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 23 september 2010 van de delibererende klassenraad van het Vrij Technisch Instituut te Roeselare, waarbij aan Sylvester Declercq een oriënteringsattest C wordt toegekend. Met hetzelfde verzoekschrift vordert verzoeker ook nog dat de Raad van State onder verbeurte van een dwangsom zou bevelen dat de delibererende klassenraad zou samenkomen om over hem een nieuwe beslissing te nemen en wel uiterlijk acht dagen na het schorsingsarrest. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-6368-1\19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2010, om 10.30 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Verhaeghe, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jochen Honnay, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 leerling in het tweede leerjaar van de derde graad, studierichting Bouwtechnieken TSO, aan het Vrij Technisch Instituut te Roeselare. Einde juni 2010 behaalt verzoeker een jaartotaal van 57%, met drie onvoldoendes: wiskunde (45%), organisaties (48%) en technologie (45%). Het rapport vermeldt tevens: “Geïntegreerde proef [hierna ook: GIP]: niet geslaagd Niettegenstaande de georganiseerde stage en begeleiding is Sylvester niet geslaagd voor de gip”. De delibererende klassenraad kent verzoeker een oriënterings- attest C toe. De motivering daarvan luidt: “Ondanks alle opmerkingen en remediëringen, blijkt er nog altijd te weinig inzet en gebrek aan motivatie. Dit blijkt ook uit het onvoldoende bereiken van de leerplandoelstellingen en het niet geslaagd zijn voor de gip”. 3.
  5. Nadat overleg de directeur er niet toe kan brengen om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen wordt beroep aangetekend bij XII-6368-2\19 de beroepscommissie. In een betoog van ongeveer zes bladzijden wordt gewezen, onder meer, op een positieve evolutie voor het vak wiskunde: “Betreffende het vak wiskunde: na een zeer slechte (klassikale) start in het 1e trimester haalt Sylvester slechts 21% (KG 46%), heeft Sylvester hier ontegensprekelijk een positieve evolutie tentoon gespreid: op het verplichte inhaalexamen scoorde hij goed (meer dan 60%) en van dan af blijven de resultaten positief: in het 2e trimester: 55% en in het 3e trimester: 59%. Helaas door het slechte resultaat in het 1e trimester en het feit dat de score van het inhaalexamen niet in rekening wordt gebracht, blijft zijn jaartotaal net een klein tekort vertonen. Spijtig genoeg wordt deze positieve evolutie blijkbaar niet naar waarde geschat.” Voorts wordt gewezen op het ontbreken van concrete remediëringsvoorstellen of waarschuwingen, op “een positieve evolutie en positieve studiehouding na een dip”, op “een zwijm van wazigheid” van de beoordeling van het GIP-eindwerk “in al zijn facetten”, op een onregelmatige samenstelling van de GIP-jury zowel bij de tussentijdse verdediging als tijdens de eindverdediging, op het ontbreken van een “gefundeerde, transparante en controleerbare motivatie” van de beoordeling van de GIP op het eindrapport. Ook wordt inzage gevraagd van tal van documenten uit het “pedagogisch schooldossier” van verzoeker (taken, toetsen, leerplannen, klassenraadverslagen, beschrijving van het evaluatiesysteem voor de GIP en andere opleidingsonderdelen en dergelijke meer). 3.
  6. Op 25 augustus 2010 beslist het schoolbestuur om de delibereren- de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Bij arrest nr. 207.405 van 17 september 2010 beveelt de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. 3.
  7. Met een 24 september 2010 gedateerde brief brengt de directeur ter kennis dat de delibererende klassenraad zijn beslissing waarbij aan verzoeker een C-attest wordt toegekend heeft bevestigd. Deze nieuwe beslissing is op 23 september 2010 genomen. De bijlage bij het bijgevoegde syntheseblad motiveert aldus: “Op basis van 3 tekorten op jaarbasis: 2-uursvak Wiskunde (45%) 2-uursvak Organisaties (48%) 3-uursvak Technologie (45%) XII-6368-3\19 en het niet geslaagd zijn voor de geïntegreerde proef (gip), stelde de delibere- rende klassenraad dat Sylvester de leerplandoelstellingen van het 2de leerjaar van de derde graad bouwtechnieken TSO in onvoldoende mate bereikt heeft, m.a.w. hij is onvoldoende voorbereid om als gediplomeerd bouwtechnieker in de arbeidsmarkt te stappen of om verdere studies aan te vatten. De drie jaartekorten enerzijds en de onvoldoende resultaten voor de gip anderzijds verantwoorden elk op zichzelf beschouwd reeds voldoende de beslissing tot toekenning van een C-attest, zoals blijkt uit onderstaande bespreking. Er wordt daarbij ook verwezen naar het schoolreglement, gekend en onderte- kend door Sylvester en zijn vader: Uit II.2.8.3.1 De evaluatie: ‘De gip is een jaarproject voor de laatstejaarsleerlingen met tussentijdse evaluatiestappen. Het eindresultaat van de gip bepaalt mee of je voldoet voor de praktische, technische of algemene aspecten van je vorming. Dit jaarwerk wordt mee beoordeeld door deskundige juryleden van buiten de school en is van groot belang voor het al dan niet slagen in je eindjaar. Alle details worden je meegedeeld bij het begin van het schooljaar.’ Uit II.2.9.
  8. De delibererende klassenraad: ‘Aan het einde van het schooljaar beslist deze vergadering autonoom of je in voldoende mate de leerplandoelstellingen van het betrokken leerjaar bereikt hebt en zodoende al of niet geslaagd bent.’ Wat de gip betreft: In de handleiding die de leerlingen bij het begin van het schooljaar krijgen staat duidelijk beschreven wat van hen verwacht wordt en op welke wijze de bijsturingen en evaluaties gebeuren... Concreet: - de gip is een toetsingsmechanisme dat nagaat of de leerlingen voldoen voor het geheel van de vorming en aldus in staat zijn om te gaan werken of om verder te studeren - er wordt heel wat van hen verwacht om de gip tot een goed einde te brengen en ze worden daarbij nauwgezet begeleid. De taken worden beschreven van de ‘Algemene gipcoördinator’ (1.) t.e.m. ‘de Jury’(8.) Er is ook een duidelijke evaluatieverdeling, waarbij 60% op de procesevaluatie staat en 40% op de productevaluatie. Procesevaluatie 60% waarvan Aanpak 10% Planning 10% Logboek + inhoud 40% Productevaluatie 40% waarvan Map gip 10% (algemene vakken) Map gip 10% (mentor) Jury gip eindpr. 5% presentatie 5% kennis mapinhoud 5% parate kennis 5% De procesevaluatie (60%) gebeurt door de begeleidende leerkrachten, de productevaluatie (40%) gebeurt voor de helft door de leerkrachten en voor de andere helft door de jury. De jury is paritair (6 externen, 6 leerkrachten) samengesteld (zie lijst). Op de jurynamiddag werd de jury om praktische redenen (haalbaarheid van de jurytijd/leerling) opgedeeld in deelgroepen. XII-6368-4\19 De jury van Sylvester bestond uit 2 externe architecten (Piet Decan & Thierry Terryn), de leerkracht gip-mentor (Luc Maddens) en een leerkracht taalmentor (Marc Depla). Deze laatste stelde (als lkr AV) geen inhoudelijke vragen maar beoordeelde de presentatie op taalkundig vlak. Een tweede taalmentor Philip Madou beoordeelde de gip-map op taalkundig vlak (Op deze 2 onderdelen kreeg Sylvester overigens wel een voldoende) Sylvester kreeg als opdracht: Het bouwen van een eengezinswoning’. Hij diende dit te bestuderen en uit te werken. De leerlingen kregen hun opdracht op het einde van het 5de jaar. Er was een zeer duidelijke en correcte beschrijving van die opdracht en van de deelopdrachten per vakgebied die ermee samengaan (zie G1 t.e.m. G14 in bijlage). Sylvester haalde uiteindelijk voor de 9 verschillende evaluatiecriteria 6 onvoldoendes en 3 voldoendes (zie G14). Gedurende het schooljaar werd hij voortdurend gewezen op het vollediger, meer uitgediept en vooral stipter indienen van zijn werk. Verschillende malen was Sylvester niet in staat iets voor te leggen bij de tussentijdse evaluaties. Zie daarvoor GE9 en GE10, de bemerkingen op de rapporten en de nota’s in de schoolagenda. Een van de basisattitudes die tijdens de opleiding moet worden verworven is nochtans ‘rekening houden met normen, afspraken, voorschriften’ (art. 2.4.2 van het leerplan). De verschillende deelrapporten: Herfst, trim 1-Kerst, Pasen, trim 2-Pasen, de nota’s van de leerkracht en gipmentor, dhr. Luc Maddens: 26/10/09, mail van 15/11/09, mail van 16/11/09, 07/12/09, mail van 06/01/10, 10/01/10, zie GE10, 28/01/10 spreken ook voor zich. Op 20/01/10, tussentijdse evaluatie met de jury, leidde tot een B, D en C-D. (zie bijlage GE9). Er werd door Sylvester absoluut géén gevolg gegeven aan de voorgestelde remediëringen op deze tussentijdse evaluatie. Sylvester heeft hier niets mee gedaan en door het onvoldoende uitwerken van de gip-opdrachten leidde dit op het einde van het schooljaar (26/05/10) tot het bekende resultaat, zie bijlage GE11 en GE
  9. Sylvester heeft in laatste instantie, vlak voor de eindverdediging, nog een pak toegevoegd aan de map waarin de gipopdrachten steken. Deze zijn niet meer kunnen verbeterd worden en wat bv. zijn logboek betreft ook niet meer gesigneerd door de gipmentor. Toen Sylvester daar inzichtelijke en inhoudsvragen over kreeg, bleek dat Sylvester helemaal geen inzicht had over het hoe en het waarom van een aantal ingediende teksten en tekeningen... Dit resulteerde in een onvoldoende voor de aspecten ‘kennis mapinhoud’ en ‘parate kennis’. Tot hier de gip... Wat de studieresultaten betreft: Sylvester haalt op het: Deelrapport herfst: Technologie 42 % Rapport herfst: Wiskunde 28 % (2-uursvak) Organisaties 35 % (2-uursvak) Technologie 47 % (3uursvak) Er wordt meer inzet gevraagd, want Sylvester kan het eigenlijk wel... Deelrapport Kerst: Wiskunde 40 % Trim 1-Kerst: Wiskunde 21 % Topografie 45 % (Dan haalt hij voor Organisatie 56 %) Technologie 52 %) Deelrapport Pasen: Wiskunde 58 % Organisatie 25 % Technologie 45 % XII-6368-5\19 Trim 2-Pasen: onvoldoende voor het geheel van de technische vakken: 46% Wiskunde 55 % Organisatie 35 % Stabiliteit 35 % Technologie 28 % Deelrapport einde jaar: Wiskunde 74 % Trim 3-einde jaar Wiskunde 59 % Tekenen 43 % Organisatie 54 % Stabiliteit 71 % Technologie 55 % Praktijk 49 % Op het einde van het schooljaar probeerde Sylvester de meubelen te redden; hij behaalde dit keer nipte voldoendes voor wiskunde, organisatie en technologie maar hij behaalde voor andere vakken een tekort. Niet alleen voor tekenen, maar ook voor PRAKTIJK, een zeer belangrijke component in zijn richting. In de nota’s op de rapporten en in de agenda kunt u lezen hoe Sylvester ook hier telkens te laat en/of onvolledig zijn (deel)taken indiende. Telkens opnieuw kreeg hij nieuwe kansen en telkens opnieuw was er achterstal- lig werk... Dit alles leidde tot het bekende jaarresultaat met de boven aangehaalde drie onvoldoendes: Jaartotaal: Wiskunde 45 % Organisaties 48 % Technologie 45 % Na het beëindigen van de 3de graad ‘Bouwtechnieken TSO’ behaalt de leerling de startkwalificatie van ‘bouwploegbaas’ (art. 2.2.1 van het leerplan Bouwtech- nieken derde graad TSO). Dat het vak wiskunde een belangrijke pijler is in de technische opleiding van een toekomstig werfleider begrijpt iedereen. Inzicht, snel en doeltreffend rekenen, abstraheren, het zijn maar enkele van de belangrijke vaardigheden die een leider van een bouwwerf moet bezitten. In het eerste deel van het schooljaar werd financiële wiskunde behandeld. Dit gaat van intrestberekening tot en met het afbetalen van een lening. Zoals werd aangegeven behaalde Sylvester hiervoor 28 % op het herfstrapport en 21 % op het rapport met Kerstmis. Het betreft nochtans elementaire basiskennis die een toekomstig werfleider of zelfstandig bouwondernemer zeker moet beheersen. Organisaties en technologie zijn twee technische vakken die van groot belang zijn voor het goed en adequaat uitoefenen van het beroep. Zonder technische kennis geen goed vakman! Het vak ‘organisatie’ neemt een centrale plaats in in een opleiding die de leerling moet opleiden tot ‘bouwploegbaas’. De leerling zal in zijn toekomstig beroep niet enkel louter uitvoerend werk moeten verrichten, maar wordt in het kader van een technische richting opgeleid om leiding te geven (zie o.m. art. 2.2.3 en 2.4.2 leerplan). Hij zal derhalve de uitvoering van de werken moeten kunnen organiseren en plaatsen in een ruimer kader. Daartoe doet dit vak de leerling overeenkomstig het leerplan kennis verwerven inzake: - het bouwteam en zijn verantwoordelijkheden - administratieve handelingen en documenten - organisaties en federaties - ruimtelijke ordening, stedenbouw en milieu - bestekken en meetstaten - gunning van opdrachten XII-6368-6\19 - aannemingsovereenkomsten en contracten - erfdienstbaarheden - veiligheid in de bouw - welzijn op het werk - aansluitingen en nutsvoorzieningen - organisatiestructuren van bedrijven - kostprijs en aanbiedingsprijs - planning en organisatie De in het vet aangeduide doelstellingen komen in het 2de jaar van de 3de graad aan bod. Sylvester heeft gedurende het volledige schooljaar nagenoeg systematisch een onvoldoende behaald voor dit vak, en heeft ook voor wat betreft het eindtotaal een onvoldoende behaald. Daaruit blijkt dat hij zich deze leerinhouden onvoldoende heeft eigen gemaakt. Voor de voorbereiding van de praktijkopdrachten moesten de meetstaten en de kostprijsberekening van iedere opdracht gemaakt worden. Ook hier bleef Sylvester telkenmale in gebreke en diende niets in. Ook het vak ‘technologie’ is van cruciaal belang voor leerlingen in deze T.S.O- richting. Technologie omhelst onder meer - trappen en liften - renovatietechnologie - daken, zowel platte als hellende - afwerkingstechnieken (betegelen, cementeren, vloeren en dekvloeren, isoleren) - details zoals schoorsteendoorvoeringen en het plaatsen van loodslabben. Opnieuw kan worden opgemerkt dat een leerling in de richting bouwtechnieken tot meer in staat moet zijn dan louter uitvoeren. Hij moet in staat zijn om het concept van constructies te begrijpen en om de uitvoering daarvan voor te bereiden (zie o.m. art. 2.2.3 leerplan). Het technische vak ‘technologie’ past in dat kader. Sylvester heeft ook voor dit vak gedurende het volledige schooljaar nagenoeg systematisch een onvoldoende behaald, en heeft ook voor wat betreft het eindtotaal een onvoldoende behaald. Ook de leerplandoelstellingen voor het vak ‘technologie’ werden derhalve niet voldoende bereikt. Uit de tekorten voor zowel het algemene vak wiskunde als voor de technische vakken organisatie en technologie blijkt dat Sylvester in dit stadium niet heeft aangetoond dat hij de noodzakelijke competenties heeft verworven die van een leerling die afstudeert in de richting T.S.O bouwtechnieken mogen worden verwacht. Dit verantwoordt op zichzelf beschouwd, nog los van de beoordeling van de gip, de toekenning van een C-attest. Reactie op de brief van vader: Sylvester was tijdens dit schooljaar meerderjarig. De communicatie rond en over zijn schools presteren werd in eerste instantie met hemzelf gevoerd. Uiteraard vinden wij het positief dat u zich voor de resultaten van uw zoon interesseerde en daar wilde kennis van nemen. Dit kon bv ook via de vakcom- mentaren op de rapporten. De rechtstreekse communicatie met de leerkracht is er ook geweest, telefonisch en zelfs via e-mail. Er waren ook de oudercontac- ten. Uit de stukken van het deliberatiedossier blijkt bovendien dat uw opmerking dat u nooit op de hoogte zou zijn gebracht van de procesevaluaties en bijhorende scores van de gip, slechts kan betekenen dat Sylvester bepaalde nota’s of opmerkingen liever niet doorgaf aan u... De positieve evolutie voor het vak wiskunde wordt WEL naar waarde geschat! U insinueert dat wij dit niet deden, dat is wel zo. Helaas blijft een tekort een tekort... Het matige eindcijfer van 59% van het derde trimester was onvoldoen- XII-6368-7\19 de om de zware tekorten van voorgaande rapporten te compenseren. Hoger haalden we aan dat financiële wiskunde voor een toekomstig werfleider of zelfstandig bouwaannemer zeer belangrijk is. Zoals werd besproken, was wiskunde bovendien helaas niet het enige vak waarvoor Sylvester de leerplan- doelstellingen niet heeft bereikt. Er zijn wel degelijk heel wat remediëringen geweest (zie kopies GE). De leerling moet daar echter ook open voor staan. Daarover kunnen twijfels rijzen, onder meer in het licht van het feit dat Sylvester taken systematisch te laat heeft afgeleverd. Uw opmerking hierover staat overigens los van de vraag of Sylvester op het einde van het jaar voldoende kennis en kunde heeft verworven in het licht van de einddoelstellingen. Zoals werd besproken, was dit duidelijk niet het geval. De beoordeling van de delibererende klassenraad betreft ‘het betreffende leerjaar’ en niet de volledige graad (art. 38 van het Organisatiedecreet van 19 juli 2002 en art. II.2.9.1 van het schoolreglement). Zoals blijkt uit de uiteenzetting hierboven was de jury voor de gip wel degelijk regelmatig samengesteld. Er werd eveneens reeds uiteengezet dat de drie jaartekorten die hierboven werden besproken op zich reeds voldoende aantonen dat Sylvester de leerplandoelstellingen op een onvoldoende wijze heeft bereikt. Bijlagen [...]”. IV. De schorsingsvoorwaarden
  10. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden. A. Uiterst dringende noodzakelijkheid en moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.
  11. Verzoeker beroept zich wat de hier besproken schorsingsvoor- waarden betreft op de vaste rechtspraak van de Raad van State : het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit; een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure zal te laat komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren. 5.
  12. In het arrest nr. 207.405 van 17 september 2010 is reeds geoordeeld dat in verzoekers zaak is voldaan aan deze twee schorsingvoorwaarden. Er is geen reden om daarover thans een ander standpunt in te nemen, hetgeen verwerende partij overigens ook niet betwist. XII-6368-8\19 B. Ernst van de middelen
  13. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift als enig middel de schending aan “van artikel 5, §§5, 6 en 8 en artikelen 56 en 57 van het Organisatiebesluit en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het (formeel en materieel) motiveringsbeginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en miskenning van de motieven van het arrest d.d. 17 september 2010 van de Raad van State”. Het middel is opgesplitst in drie middelonderdelen. A. Eerste middelonderdeel Uiteenzetting van het eerste middelonderdeel
  14. In het eerste middelonderdeel heet het “dubieus” dat de beslissing van 23 september 2010 als datering 30 juni 2010 meekreeg en dat er wordt gerefereerd aan een niet gedateerde of ondertekende “bijlage”. Ter terechtzitting evenwel doet verzoeker afstand van dit aspect van het eerste middelonderdeel, zodat het hierna niet meer wordt besproken.
  15. Verzoeker voert aan-nog steeds in het eerste middelonderdeel- dat de delibererende klassenraad met de bijgebrachte motivering “lijnrecht [ingaat] tegen de motieven van het arrest d.d. 17 september 2010 [van] de Raad van State”. Uit dat arrest leidt verzoeker af dat de beide motieven -de drie jaartekorten én de onvoldoende voor de geïntegreerde proef- moeten stand houden om het C-attest te verantwoorden, terwijl de klassenraad in zijn motivering ervan uitgaat dat hetzij de drie jaartekorten, hetzij de onvoldoende voor de GIP “elk op zichzelf beschouwd” het C-attest rechtvaardigen. Beoordeling
  16. Het geeft blijk van een bepaald voluntaristische lectuur van het arrest nr. 207.405 om er uit af te leiden dat een C-attest uitsluitend verantwoord is in geval verzoeker drie jaartekorten én een onvoldoende voor de GIP behaalt. De rechtsoverweging 13 waaraan verzoeker refereert om die stelling te staven, neemt om te beginnen slechts een argumentatie in overweging die “mogelijk” aan XII-6368-9\19 verwerende partij was toe te schrijven. Alzo komt “ter wille van het debat” enkel ter sprake wat als een mogelijkheid wordt vooropgezet - een mogelijkheid die de Raad dan nog aan verwerende partij toeschrijft zonder ze de zijne te maken. Daarenboven is daarmee niet gezegd dat ándere argumenten a priori uitgesloten worden als grondslag voor een C-attest. De Raad geeft verzoeker nog mee dat voormelde rechtsoverweging 13 niet meer doet dan uitdrukking geven, overeenkomstig de propositielogica, dat een hypothese die de conjunctie vormt van twee proposities (drie jaartekorten én een onvoldoende voor de GIP) slechts een gevolgtrekking oplevert (C-attest) die geldig is op voorwaarde dat de beide proposities van de hypothese waar zijn. Daarmee is niets gezegd over het waarheidsgehalte van andere hypothesen. Het eerste schorsingsarrest heeft geen implicatie voor de wettigheid van de thans opgegeven motivering. Het enkele feit dat de delibererende klassenraad, nadat het eerste schorsingsarrest voorlopig vaststelt dat verzoeker in de loop van de administratieve beroepsprocedure “geen enkel antwoord kreeg op zijn concrete bezwaren”, zijn nieuwe beslissing thans uitvoerig motiveert, kan op zich niet als een schending van het -voorlopig- gezag van gewijsde van het eerste schorsingsarrest doorgaan. Een andere vraag is het dan, of de thans opgegeven motieven deugdelijk zijn, maar daarop hebben de andere middelonderdelen betrekking.
  17. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. B. Tweede en derde middelonderdeel Standpunt van de partijen
  18. In het tweede middelonderdeel verzamelt verzoeker zijn grieven tegen het motief dat hij niet geslaagd is voor de GIP. Onder verwijzing naar het arrest nr. 192.583 van 23 april 2009 inzake Buysse argumenteert verzoeker vooreerst dat het niet slagen voor de GIP op zich niet voldoende is om een C-attest te verantwoorden. Daarenboven, zo merkt hij op, moet bij de beoordeling “alleszins ook het volledig proces van de GIP als basis dienen, waarbij er zowel plaats moet zijn voor productevaluatie, als voor procesevaluatie”. Echter is hem nog steeds niet XII-6368-10\19 duidelijk waarom hij niet geslaagd zou zijn voor de verschillende onderdelen van de GIP of de eindevaluatie. Dit wordt nog steeds op geen enkele manier duidelijk gemaakt, bijvoorbeeld door middel van een geschreven en behoorlijk ondertekend beoordelingsverslag van de juryleden. Verzoeker stelt vast dat verwerende partij met zichzelf in tegenspraak komt, minstens weinig transparant is, door de verhouding tussen procesevaluatie en productevaluatie thans als 60/40 voor te stellen terwijl het tijdens de eerste schorsingsprocedure 80/20 heette te zijn en door op de tussentijdse documenten die worden aangebracht te noteren dat het resultaat “enkel sturend” is en geen invloed heeft op het eindresultaat. Verzoeker laakt ook dat tijdens het schooljaar onvoldoende remediëring is aangeboden, en weinig of verkeerde informatie. Daarenboven volhardt hij erin dat de jury onregelmatig is samengesteld, zodat de GIP op onwettige manier is geëvalueerd. In het derde middelonderdeel neemt verzoeker het motief van de drie jaartekorten op de korrel: “Dat blote examencijfers (laat staan drie verwaarloosbare tekorten) op zich geen reden zijn voor een C-attest wordt algemeen aanvaard en is trouwens wettelijk vastgelegd in artikel 57 van het organisatiebesluit: ‘Onverminderd de bepalingen van artikel 56, is het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming’. Uit deze bepaling en het artikel 5, § 5 van het organisatiebesluit volgt dat de delibererende klassenraad zich dient te steunen op álle relevante concrete gegevens van het dossier, onder meer de volledige resultaten van alle proeven, toetsen of examens en de evolutie zoals die door alle leerkrachten als begeleidende klassenraad gedurende een volledig schooljaar is ervaren. Uiteindelijk moet op basis van deze globale beoordeling blijken of de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd (cf. artikel 37 organisatiebesluit) en met name (in het laatste jaar) of bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”. Ten eerste, aldus verzoeker, wordt helemaal geen rekening gehouden met de volledige resultaten voor alle proeven, toetsen of examens. Evenmin wordt rekening gehouden met de onmiskenbaar positieve evolutie die hij heeft doorgemaakt doorheen het schooljaar 2009-2010: “Het vak wiskunde is daar het toonbeeld van. Met kerst haalt verzoekende partij op dat vak een abominabel cijfer van 21 %. Maar verzoekende partij heeft zich grondig herpakt doorheen het jaar, waarbij hij voor een herexamen wiskunde na de kerstvakantie 60 % behaalt, met Pasen 58 %, bij een deelrap- port op het einde van het jaar 70 % en bij het eindexamen 59 % (geen ‘nipte voldoendes’ waarover de delibererende klassenraad het in haar motivering heeft). XII-6368-11\19 Het zwakke resultaat op het kerstrapport - 21 %, waarbij er toch ook even op gewezen wordt dat het klasgemiddelde 46 % was, hetgeen toch ook vragen oproept - heeft echter niet kunnen verhinderen dat er op het einde van het jaar nog een klein tekort (45 %) overbleef. Bijkomende vraag daarbij is in hoeverre het cijfer voor het herexamen wiskunde (60 %) meegerekend werd om het eindresultaat te bepalen. Het motiveringsbeginsel wordt alvast ook miskend door het gunstige cijfer van dat herexamen te negeren. Uit het behaalde resultaat voor het herexamen m.b.t. de leerstof van het eerste trimester (de door de delibererende klassenraad zo belangrijk geachte ‘financiële wiskunde’) blijkt dat verzoekende partij deze materie uiteindelijk wel onder de knie had”. Ook de andere tekorten (48 % voor organisaties, 45 % voor technologie) kunnen volgens verzoeker het C-attest op zich niet verantwoorden. Hij wijst erop dat deze vakken nauw verbonden zijn met de beoordeling van de GIP, waarvan is gebleken dat die niet transparant was en ook onreglementair.
  19. Verwerende partij antwoordt dat verzoeker er geen belang bij heeft kritiek te geven op een overtollig motief. Volgens haar is dan ook het tweede middelonderdeel niet ontvankelijk, aangezien de klassenraad heeft aangegeven dat de drie jaartekorten alleen reeds het C-attest kunnen verantwoorden. In ondergeschikte orde zet verwerende partij uiteen dat de tekorten voor de onderscheiden onderdelen van de GIP wel degelijk behoorlijk gemotiveerd zijn. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat er tijdens het schooljaar effectief schriftelijke evaluaties zijn opgesteld, en aan verzoeker meegedeeld. Zowel in de maand januari als in mei werd deze beoordeling uitgedrukt in een quotering. Op het evaluatieverslag van 26 mei 2010 werd ook het eindproduct beoordeeld. De jury was wel degelijk regelmatig samengesteld, zoals uiteengezet in de bestreden beslissing en de er bijgaande lijst. Omtrent het derde middelonderdeel wijst verwerende partij erop dat de motivering van de bestreden beslissing allerminst beperkt is tot een weergave van de blote cijfers. Wat het vak wiskunde betreft, kan moeilijk worden ontkend dat van wie 28% of 21% behaalt terecht vastgesteld mag worden dat de elementaire basiskennis ontbreekt. Het is ook pertinent onjuist dat verzoeker een herexamen wiskunde heeft afgelegd na de kerstvakantie: het betrof uitsluitend een remediëring vanwege zijn dramatisch slechte resultaten en geen nieuw examen. Ook voor de vakken organisatie en technologie gaat de klassen- raad stellig niet zijn discretionaire bevoegdheid te buiten door te oordelen dat de XII-6368-12\19 tekorten aantonen dat een toekomstig werfleider de leerplandoelstellingen niet heeft behaald. Dat de tekorten te wijten zouden zijn aan de slechte beoordeling van de GIP klopt niet: het ene heeft met het andere niets te maken. Wel werd een aantal tekeningen die de leerlingen maken voor het GIP-project door de leerkracht technologie voor dit vak afzonderlijk beoordeeld bij de permanente evaluatie van het derde trimester. Beoordeling
  20. Opnieuw kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn lectuur van en gevolgtrekkingen uit ’s Raads rechtspraak. In het door hem aangehaalde arrest nr. 192.583 van 23 april 2009 lag de situatie voor dat het moéten slagen in de GIP en zelfs in elk onderdeel van de GIP gesteld werd “als een absolute, vooraf vastgestelde en algemeen geldende voorwaarde voor een gunstig resultaat”. Dat zo een absolute, vooraf vastgestelde en algemeen geldende vereiste in strijd komt met de regelgeving “die steeds uitgaat van een concrete beoordeling door de delibereren- de klassenraad van elke leerling en het geheel van zijn prestaties, op basis van zijn individueel dossier”, betekent niet dat een onvoldoende voor de GIP van de weeromstuit nóóit vermag een C-attest te verantwoorden, maar wijst er enkel op dat dit een beoordeling in concreto vereist. De verwijzing naar voormeld arrest is dan ook niet ernstig.
  21. De concrete beoordeling echter in de voorliggende zaak wijst uit, zoals het reeds is opgemerkt in het arrest nr. 207.405, dat het -weliswaar door verzoeker bestreden- tekort van 49% voor de GIP niet als voor iedereen zichtbaar dramatisch en catastrofaal voorkomt, maar wel als een “randgeval”. En met randgevallen moet extra omzichtig worden omgegaan, wat ook uit de motieven moet blijken. Daarenboven, nu verzoeker met slechts één procent van een slaagcijfer is verwijderd, kan de Raad van State des te meer begrijpen dat ook verzoeker zich ervan wil -en moet kunnen- vergewissen waarom hij voor de GIP niet voldoet. In het vorige schorsingsarrest overwoog reeds de Raad: “De motiveringsplicht lijkt evenwel voor een proef als de voorliggende méér dan een louter cijfer, en wel een onder woorden gebrachte verantwoording voor het toegekende cijfer te vereisen, waarbij die verantwoording meer moet zijn dan een vage beoordeling en, bijvoorbeeld, de criteria moet vermelden die werden beoordeeld en hoe het werk van de leerling in concreto aan die criteria voldoet of tekort schiet”. XII-6368-13\19 Er is geen reden om daar thans anders over te oordelen. Zoals verwerende partij evenwel ook ter terechtzitting erkent, ligt nog steeds geen dergelijk beoordelingsverslag voor. In principe, en des te meer bij zo een randgeval als het voorliggen- de, zou een delibererende klassenraad op het eerste gezicht moeten beschikken over het volledige dossier en alle informatie waarop in de regel de beslissing over het slagen van de leerling moet steunen. Daarmee handelt de klassenraad immers niet anders dan zoals hem is opgelegd bij artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, dat voorschrijft: “De delibererende klassenraad zal zich bij zijn beslissingen laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dit dossier bevat, in voorkomend geval : - resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; - de resultaten van de geïntegreerde proef; - de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassen- raad”. Het aangehaalde artikel vermeldt bij de “concrete gegevens uit het dossier van de leerling” uitdrukkelijk de resultaten van de GIP, wat niet verbaast nu de GIP luidens artikel 56, § 2, van hetzelfde organisatiebesluit “een belangrijk element [zal] betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad”. Ook stuk 8 van het administratief dossier, een mededeling van het Vlaams verbond van het katholiek secundair onderwijs (VVKSO) omtrent de GIP, herhaalt en concretiseert het belang van de resultaten van de GIP aldus: “Gezien de impact van de gip op de einddeliberatie zal de conclusie van de jury een zeer belangrijk element zijn in de beoordeling van de delibererende klassenraad. […] De jury van de gip zal de delibererende klassenraad een oordeel aanreiken over het voldaan hebben voor de praktische, de technische of kunstzinnige aspecten van de vorming. Het is dan aan de delibererende klassenraad die deze deelelementen zal moeten inpassen in [zijn] oordeel over de totale vorming. Doorgaans ligt de beslissing van de delibererende klassenraad in de lijn van het oordeel van de jury over de gip. Komen de jury en de delibererende klassenraad echter tot tegenstrijdige conclusies, dan zal deze laatste, verantwoordelijk voor de eindbeslissing, uitdrukkelijk een motivering in de notulen laten opnemen”. Van een zorgvuldig handelende klassenraad die vaststelt dat de beoordeling van de GIP onzeker lijkt, mocht dan ook worden verwacht dat hij de XII-6368-14\19 jury opnieuw zou samenroepen om deze te gelasten over de GIP, minstens over het eindproduct, een behoorlijk onder woorden gebrachte verantwoording bij te brengen. Door dit na te laten schendt de delibererende klassenraad het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu dergelijk verslag nog steeds ontbreekt, zonder dat de klassenraad zich overigens op overmacht of andere motieven voor dit ontbreken beroept, blijft voorts ook in de huidige stand van de procedure de vaststelling overeind dat met betrekking tot de GIP de motiveringsplicht geschonden is. Met de thans voorgebrachte motivering lijkt de delibererende klassenraad immers nog steeds niet tegemoet te komen aan de kritiek geuit in het schorsingsarrest van 17 september
  22. Immers, nog steeds ontbreekt een onder woorden gebrachte verantwoording voor de cijfers, minstens wat de productevaluatie betreft. Stellen dat “[t]oen [verzoeker] inzichtelijke en inhoudsvragen […] kreeg, bleek dat [hij] helemaal geen inzicht had over het hoe en het waarom van een aantal ingediende teksten en tekeningen… Dit resulteerde in een onvoldoende voor de aspecten ‘kennis mapinhoud’ en ‘parate kennis’”, lijkt niet te volstaan, nu die verklaring geen steun vindt in enig verslag van de ter beoordeling daarvan bevoegde jury. Bovendien blijven daarbij ook de overige beoordelingscriteria -“eindproduct” en “presentatie”- onbesproken. Ten overvloede stelt de Raad vast dat in het schorsingsarrest gewezen werd op een prima facie ongerijmdheid om de punten voor de GIP mede af te leiden uit twee documenten waarop niettemin te lezen valt dat deze punten slechts “sturend” zijn en “geen invloed op het eindresultaat” hebben. De bestreden beslissing heeft die schijnbare ongerijmdheid vooralsnog niet uit de wereld geholpen.
  23. Het tweede middelonderdeel is in de besproken mate ernstig.
  24. Verwerende partij wijst er evenwel op dat de delibererende klassenraad aanneemt dat het resultaat van de GIP in wezen zonder belang is en dus een overtollig motief vormt. Nu verzoeker, zoals reeds meermaals opgemerkt, een randgeval is met immers 49% toegekend als cijfer, lijkt dit niet zo voor de hand te liggen. XII-6368-15\19
  25. Hoe dan ook heeft verzoeker in het derde middelonderdeel eveneens kritiek op het motief met betrekking tot de drie jaartekorten. Niet onterecht lijkt hij erop te wijzen dat zijn jaartekort voor wiskunde terug te brengen is tot de abominabel slechte cijfers van het eerste trimester en dat hij naderhand in positieve zin evolueerde - maar niet genoeg om op jaarbasis te slagen. Maar even terecht wijst hij erop dat hem bij het kerstrapport een bijkomende opdracht is gegeven. Of dit nu een “herexamen” is of een “remediëring” is zonder veel belang. Uit de bewoordingen op het rapport zelf -“wiskunde (dezelfde leerstof) nieuwe proef op de middag van dinsdag 5 januari om 12:15 aan de leraarszaal”- en uit de verklaringen van verwerende partij in de nota en ter terechtzitting leidt ook de Raad van State voorlopig af dat aan verzoeker alleszins een significante inspanning is opgelegd om zijn tekort voor financiële wiskunde bij te schaven. Het siert overigens de klassenraad om reeds tijdens het schooljaar de zaken niet op hun beloop te laten en effectieve remediëringsmaatregelen -onder welke naam ook- aan de leerling op te leggen om verder ontsporen te vermijden. Maar aldus is het resultaat dat verzoeker op en dank zij die opvolging heeft behaald wél evengoed een element geworden van zijn concrete dossier waarmee de delibererende klassenraad bij zijn beoordeling over het al dan niet slagen van een leerling op grond van artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit rekening moet houden. De delibererende klassenraad heeft uitvoerig uiteengezet waarom het tekort voor financiële wiskunde belang heeft om het C-attest te onderbouwen, maar hij heeft dat specifiek gerelateerd aan de herfst- en kerstresultaten. Verzoeker wordt noch in de bestreden beslissing noch in de nota tegengesproken in zijn bewering dat hij voor de naderhand opgelegde “nieuwe proef” over “dezelfde leerstof” 60% of zelfs meer heeft behaald. Terecht lijkt verzoeker zich te mogen afvragen of er dan wel rekening is gehouden met zijn bijkomende prestaties over “dezelfde leerstof” en of hij door die resultaten niet voldoende kon aantonen dat hij in de loop van het jaar dan toch de elementaire basiskennis heeft verworven die hij als toekomstig werfleider of zelfstandig bouwondernemer moet beheersen. Op het eerste gezicht ziet de Raad immers niet of en hoe de klassenraad op deze vraag, die reeds tijdens de administratieve beroepsprocedure is gesteld, heeft geantwoord. Het doet concluderen dat de delibererende klassenraad vooralsnog niet op deugdelijke wijze kan steunen op het jaartekort voor wiskunde. Al de overige door verzoeker behaalde XII-6368-16\19 resultaten voor wiskunde zijn immers slaagcijfers en blijven in de bestreden beslissing onbesproken. Wanneer de klassenraad van oordeel is dat het motief met betrekking tot de drie jaartekorten volstaat om een C-attest te ondersteunen, blijkt voorlopig dat minstens één van deze drie jaartekorten niet deugdelijk wordt verantwoord. Ten overvloede merkt de Raad op dat verzoeker vooralsnog ook ernstige twijfel doet rijzen of de cijfers voor de andere twee vakken onbetwistbaar zijn en volkomen los staan van de GIP. Wat de vakken organisaties en technologie betreft, mag verzoeker immers prima facie worden bijgevallen waar hij betoogt dat deze vakken nauw verbonden en verweven lijken met de (beoordeling van de) GIP. Zulks lijkt te volgen uit artikel 56, § 2, van het organisatiebesluit, dat bepaalt dat de GIP “slaat op vakken van het fundamenteel gedeelte van de optie, dat de gekozen studierichting bepaalt”. Ook in de door verwerende partij zelf bijgebrachte mededeling van het VVKSO wordt dit onderstreept. Voor het vak technologie bevestigt verwerende partij trouwens in haar nota dat “een aantal tekeningen die de leerlingen dienden te maken ter realisatie van hun project voor de gip (constructie eengezinswoning) door de leerkracht voor het vak technologie afzonderlijk [werden] beoordeeld”. Dat lijkt erop te wijzen dat tekeningen die verzoeker heeft gemaakt in het kader van de GIP tweemaal en voor twee afzonderlijke vakken zijn beoordeeld. Dat wijst, op het eerste gezicht, op, wat verzoeker noemt, een nauwe verbondenheid en verwevenheid van die vakken, ook al resulteert het in aparte beoordelingen. In de bestreden beslissing geeft de klassenraad vooralsnog over dit punt geen afdoende opheldering. Het derde middelonderdeel is in de besproken mate ernstig.
  26. In de huidige stand van de procedure wordt bijgevolg aangenomen dat, vooralsnog, het tekort voor wiskunde onvoldoende is onderbouwd door de delibererende klassenraad, het onderscheid tussen de beoordeling van de GIP en de vakken organisatie en technologie onvoldoende gemotiveerd is om de tekorten voor die twee vakken zonder meer te aanvaarden én de wettigheidskritiek omtrent het niet slagen voor de GIP eveneens ernstig is. Geen van beide motieven die de delibereren- de klassenraad aanvoert als “elk op zich voldoende” kan vooralsnog overtuigen. Om XII-6368-17\19 met de propositielogica ook te eindigen : door het falen van élk van de beide premissen is ook de gevolgtrekking van de disjunctie niet geldig.
  27. Zoals hiervoor bleek valt de Raad minstens ten dele de kritiek van verzoeker bij op élk van beide beweerd dragende motieven. Er hoeft dan ook geen uitspraak te volgen over de vraag of, zoals de klassenraad beweert, elk motief afzonderlijk draagkrachtig is. De Raad van State moet zich vooralsnog ook niet erover uitspreken of en onder welke voorwaarden de delibererende klassenraad abstractie mag maken van de GIP en zijn beslissing uitsluitend steunen op de overige resultaten : alleszins lijkt dat niet te kunnen in de zaak zoals deze thans voorligt.
  28. Ten overvloede merkt de Raad van State nog op dat doorheen het betoog van verzoeker terugkeert dat hij de school verwijt onvoldoende begeleiding, minstens onvoldoende informatie te hebben gegeven. Deze grieven lijken niet tot de gevraagde schorsing te kunnen leiden. Zoals de Raad van State reeds meermaals heeft opgemerkt, is immers één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niét blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Verzoekers bezwaren over gebrekkige begeleiding of communica- tie tijdens het schooljaar kunnen mogelijk betekenen dat de school mede schuld heeft aan zijn tekorten, er valt evenwel op het eerste gezicht niet over in te zien hoe ze van verzoeker thans een geslaagde vermogen te maken. Deze grieven tonen immers niet aan dat eventuele tekorten ten onrechte als ongunstig werden beschouwd.
  29. Het middel is in de besproken mate ernstig. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. V. Voorlopige maatregelen
  30. Verzoeker vordert in het inleidend verzoekschrift “dat de Raad van State aan verwerende partij beveelt dat de delibererende klassenraad opnieuw XII-6368-18\19 moet samenkomen om een nieuwe deliberatiebeslissing met betrekking tot verzoekende partij te nemen en dit uiterlijk binnen de acht dagen na het schorsings- arrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid”. Hij vordert tevens een dwangsom van 250 euro per dag dat er geen nieuwe beslissing wordt genomen door de delibereren- de klassenraad.
  31. Verzoeker maakt niet op goede gronden aannemelijk-nog steeds niet, gelet op de gelijkluidende overweging in het eerste schorsingsarrest- dat de verwerende partij zich niet naar het dictum en de motieven van het tussen te komen arrest zal schikken of zich op een of andere wijze aan het gezag van gewijsde van de uitspraak zou onttrekken. Het verzoek wordt afgewezen. BESLISSING
  32. De Raad van State beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 23 september 2010 van de delibererende klassenraad van het Vrij Technisch Instituut te Roeselare, waarbij aan Sylvester Declercq een oriënteringsattest C wordt toegekend.
  33. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 oktober 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6368-19\19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.067 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.