← België

Arrest 208068 - Diploma’s - 12/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.068 Rolnummer: A. 197865/XII-6370 Zaak: Arrest 208068 - Diploma's - 12/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.068 van 12 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.068 van 12 oktober 2010 in de zaak A. 197.865/XII-6370 In zake: Hendrik SLEECKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te Leuven J. P. Minckelersstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 11 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 220, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 oktober 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 september 2010 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum KA2 Ring waarbij Hendrik Sleeckx een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2010, om 10.30 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6370-1\14 Advocaat Philippe Declercq, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 leerling in het tweede leerjaar van de derde graad ASO, “Sport-Wetenschappen”, in het koninklijk atheneum KA2 Ring, te Leuven. Op het einde van het schooljaar heeft verzoeker jaartekorten voor biologie (42,4%), chemie (45,2%) en wiskunde (48,3%) en beslist de delibererende klassenraad om verzoeker een oriënteringsattest C te geven. Op 30 juni 2010 ontvangt verzoeker de eindbeslissing, met de volgende motivering : “Je behaalt, vooral naar het einde van het schooljaar toe, zware structurele tekorten. Het laatste stuk van de leerstof is onvoldoende verwerkt, de eindtermen en leerplandoelstellingen worden niet bereikt. De eindtermen worden niet bereikt omdat je geen regelmatige studiehouding hebt, jou een correcte studiehouding ontbreekt, je geen grote leerstofdelen kan verwerken, je vlug tevreden bent, je nauwkeurigheid mist en omdat je te weinig controleert”. Er volgt onmiddellijk overleg met de ouders, die aandringen op een uitgestelde beslissing. 3.
  5. Volgens verzoeker wordt hem op 30 juni 2010 telefonisch en zonder toelichting meegedeeld dat de klassenraad diezelfde dag opnieuw vergaderd heeft en bij zijn beslissing is gebleven en wordt dit naderhand niet meer schriftelijk bevestigd. In het administratief dossier berust als stuk 6 een 1 juli 2010 gedateerde, niet ondertekende nota waarin de “geachte ouders” van verzoeker XII-6370-2\14 meegedeeld wordt dat op 30 juni 2010 een herdeliberatie over verzoeker heeft plaatsgevonden, dat de argumenten van verzoeker werden overwogen maar dat geen herexamens worden toegestaan. Te lezen is in die nota dat de klassenraad : “wees op de verschillende aanmaningen doorheen het jaar om grondiger en regelmatiger te werken of in te gaan op de aangeboden hulp en remediërings- plannen. De tekorten op richtingbepalende vakken zijn te talrijk en verspreid over het gehele schooljaar. Hendrik heeft tijdens het schooljaar onvoldoende getoond dat hij geïnteresseerd en gemotiveerd was. Enkel op het einde van het jaar was er enige progressie in zijn studiehouding te merken. De klassenraad blijft bij [zijn] standpunt dat zijn kennis onvoldoende is en de nodige eindter- men en leerplandoelstellingen door Hendrik onvoldoende bereikt werden”. 3.
  6. Verzoeker betwist het schrijven van 1 juli 2010 ontvangen te hebben. Alleszins stelt hij op 3 juli 2010 beroep in tegen het C-attest. Hij wijst erop dat voor biologie 12 van de 19 leerlingen een onvoldoende behaalden en dat hij met 48% voor dit vak het klasgemiddelde behaalt en tussen het eerste en het tweede examen een “sterke stijging” realiseerde. Geargumenteerd wordt ook dat het mondeling onderdeel van het examen biologie niet representatief was. Ook voor chemie wijst verzoeker op zijn progressie tijdens het jaar van 50% naar 68% en de correcte studiehouding die hieruit spreekt. Hij meent dat zijn tekort voor chemie een “accidenteel” probleem is dat met een herexamen weggewerkt kan worden. Het resultaat voor wiskunde noemt verzoeker “binnen de ‘foutenmarge’ van de beoordeling”. Hij betoogt dat de motivering geen toelichting geeft bij het argument dat hij de leerplandoelstellingen niet gehaald heeft. Hij pleit ervoor een tweede kans te krijgen door middel van herexamens, “ervan overtuigd dat in het belang van de leerling de meerwaarde van een tweede kans via herexamens meer dan overduidelijk is”. Hij meent “dat het hier om een uitzonderlijk geval gaat, waarbij het zinvol is de beslissing uit te stellen of anders te herzien”. Op 17 augustus 2010 adviseert de beroepscommissie dat de delibererende klassenraad niet opnieuw moet samenkomen. Het college van directeurs beslist op 30 augustus 2010 om het advies van de beroepscommissie te volgen. Bij arrest nr. 207.406 van 17 september 2010 beveelt de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de weigering om de klassenraad opnieuw samen te roepen. XII-6370-3\14 3.
  7. Blijkbaar heeft het schoolbestuur de delibererende klassenraad na het schorsingsarrest van 17 september 2010 opnieuw samengeroepen, al ligt daarvan geen beslissing voor. Alleszins beslist de delibererende klassenraad op 21 september 2010 opnieuw om verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen, met de volgende “toelichting en motivering” : “Toelichting en motivering van de klassenraad Biologie Het klasgemiddelde (KG) voor het vak Biologie ligt voor de vier periodes dagelijks werk boven de 50%. In elke periode is meer dan de helft van de leerlingen van de klas geslaagd. Enkel voor rapport dagelijks werk 3 is Hendrik geslaagd. De klassenraad stelt vast dat het KG hier ook hoger ligt, slechts 1 leerling is niet geslaagd. Het klassikaal slecht presteren op EX2 is een feit, maar geen argument om het lage jaarcijfer (42,4%) van Hendrik te contesteren. De klassenraad wijst op het belang van het dagelijks werk in de totstandkoming van het jaarcijfer. Regelmatig werken tijdens het jaar en goed presteren bij evaluaties zijn aldus belangrijk. In bijlage het mondeling examen van biologie. Hieruit blijkt dat Hendrik onvoldoende de leerstof beheerste en hem aan samenhang ontbreekt. In het rapport werd herhaaldelijk de toelichting voor het vak Biologie gegeven. Enkel bij dagelijks werk 3, op het moment dat Hendrik een voldoende behaalt, ontbreekt de commentaar. Het ontbreken van commentaar op Examen II heeft uiteraard geen gevolgen voor het jaarcijfer van Biologie. De eindtermen voor een vak worden bereikt tijdens een volledig schooljaar en niet enkel op het eindexamen. Hendrik heeft dit niet bereikt voor het vak biologie. Chemie Hendrik scoort voor het vak Chemie zwak binnen de groep. Reeds bij examen I was er een probleem bekend voor het vak Chemie. Niettegenstaande de positieve evolutie voor dagelijks werk (geldt voor de volledige klas), heeft Hendrik finaal onvoldoende de eindtermen bereikt voor het vak Chemie. De tekorten voor examen I en II wijzen erop dat Hendrik problemen heeft met het verwerken van grote hoeveelheden leerstof en dat hij geen verbanden kan leggen tussen de verschillende hoofdstukken in de cursus. De eindtermen worden voor het vak chemie niet behaald. Wiskunde De klassenraad stelt vast dat voor het vak Wiskunde Hendrik zwak tot onvoldoende gescoord heeft tijdens alle evaluatieperiodes en als gevolg een jaartotaaltekort heeft. Er is nooit een extra inspanning geweest van Hendrik om dit recht te zetten, bv. via de aangeboden remediëring. Hendrik ontving op 18/12/09 een remediëringsplan waarbij de noodzakelijke leerstof tijdens de kerstvakantie herhaald diende te worden, om met succes het 2e semester aan te vatten. Dit blad heeft de leerkracht echter nooit teruggekre- gen. Er werden workshops wiskunde georganiseerd op volgende data: 13/1, 3/2, 24/2, 18/3, 24/3, 21/4, 5/5 en 26/
  8. Op deze workshops worden op vraag van leerlingen leerstofonderdelen herbekeken, vragen beantwood en inhaaltoet- sen/oefeningen gemaakt. Hendrik is nooit naar deze workshops geweest. De eindtermen voor het vak wiskunde werden niet bereikt. XII-6370-4\14 Waarom overweegt de klassenraad geen bijkomende proeven? De regelgeving stipuleert dat ‘de delibererende klassenraad eind juni beslist of een leerling geslaagd is of niet. De overheid gaat er namelijk van uit dat de klassenraad de leerlingen voldoende kent en weet wat ze waard zijn omdat ze hen gedurende een volledig schooljaar hebben begeleid en geëvalueerd. In principe moet de delibererende klassenraad dus over voldoende gegevens beschikken om een eindbeslissing te nemen. In uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld wanneer een leerling gedurende een periode afwezig was wegens ziekte) kan de delibererende klassenraad van mening zijn dat zij over onvoldoende informatie beschikt om een beslissing te nemen. In dat geval kan zij zelfstandig beslissen de leerling een ‘bijkomende proef’ op te leggen. Deze proef moet geïndividualiseerd zijn, dat wil zeggen dat ze moet peilen naar die informatie waarover de delibererende klassenraad nog niet kon beschikken. Met andere woorden ‘een herexamen’ in de klassieke, betekenis van het woord - voor een hele groep leerlingen eenzelfde proef - bestaat niet meer en kan niet meer. Een bijkomende proef kan dus nog, maar dan wel in uitzonderlijke gevallen en in individuele gevallen. Een bijkomende proef is geen opeisbaar leerlingenrecht(sic).’ In het doorlichtingsverslag van september 2008 werd de school trouwens gewezen op het niet naleven van de regelgeving met betrekking tot uitgestelde beslissingen. Het aantal uitgestelde beslissingen lag in ASO (waaronder o.a. de richting sportwetenschappen valt) tot 2,5 maal hoger dan het gemiddelde van alle scholen in Vlaanderen. Hierdoor zijn de klassenraden verplicht geworden om, indien er geen gebrek is aan informatie, reeds in juni een eindbeslissing te nemen. Alle leerlingen, inclusief Hendrik, hebben eind mei richtlijnen i.v.m. de eindejaarsregeling ontvangen. Daarin worden in paragraaf 2.3 en 2.5 de algemene richtlijnen vermeld voor bijkomende proeven, zoals ook vermeld staat in het schoolreglement. Op de klassenraad werd de situatie van Hendrik onderzocht. Hendrik had een normaal schooljaar achter de rug, zonder noemenswaardige afwezigheden en ziekten. Als commentaar op het rapport van examen 1 werd bovendien reeds aan de alarmbel getrokken: ‘Je zal een serieuze inspanning moeten leveren om te slagen voor je wetenschapsvakken, Hendrik. Je moet werken vanaf de eerste dag!’ Er werd ons nooit bijkomende informatie of redenen gegeven voor het slecht presteren van Hendrik in juni. De leerkrachten beschikten m.a.w. over alle informatie om een beslissing te kunnen nemen. Bijkomende proeven werden bijgevolg uitgesloten. Dit werd aan de ouders zowel mondeling als via brief meegedeeld (zie bijlage 2)”. IV. De schorsingsvoorwaarden
  9. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig XII-6370-5\14 nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden. V. Ernst van de middelen
  10. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker drie middelen aan ter ondersteuning van zijn vordering. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Luidens het eerste middel schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en houdt ze ook een schending in van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoeker ziet die schendingen gelegen in de motieven van de bestreden beslissing omtrent de vakken biologie, chemie en wiskunde, in het gebruik van wat verzoeker een stijlformule noemt “dat de eindtermen niet werden bereikt” en omdat de resultaten van de voorgaande jaren, positieve resultaten van het voorbije schooljaar en de toekomstkeuze van verzoeker niet in aanmerking zijn genomen. Verzoeker gaat in groter detail op elk van deze onderdelen nader in. Beoordeling
  12. Verzoeker volgde in het voorbije schooljaar de studierichting sport-wetenschappen. De delibererende klassenraad kent verzoeker een C-attest toe, zo blijkt uit de thans voorliggende motivering, omdat hij voor twee wetenschapsvakken en het vak wiskunde niet de leerplandoelstellingen heeft bereikt. Zoals verzoeker het tijdens de terechtzitting erkent, was zijn bezwaarschrift bij de beroepscommissie er wezenlijk op gericht om een tweede kans te krijgen middels afleggen van bijkomende proeven. Aldus lijkt verzoeker de grenzen van zijn vordering reeds toen te hebben bepaald, zowel ten aanzien van de administratieve beroepsprocedure als ten aanzien van de latere procedure voor de XII-6370-6\14 Raad van State. Wat niet aan de beroepscommissie en het schoolbestuur is voorgelegd en waarop verzoeker dus in de loop van de interne beroepsprocedure geen antwoord gevraagd heeft, kan thans niet op ontvankelijke wijze voor de Raad van State worden aangevoerd. Alleszins heeft verzoeker in de eerste procedure voor de Raad van State die bezwaren niet aangebracht. Integendeel kon de Raad in het arrest nr. 207.406 van 17 september 2010 over de vordering -voorlopig- oordelen wat volgt: “6.
  13. Zoals doorheen de toelichting van het middel blijkt en ook ter terechtzitting uitdrukkelijk wordt bevestigd, stelt verzoeker niet de behaalde tekorten in vraag. Meer nog, hij spreekt niet ernstig tegen dat zijn resultaten op zich mogelijk een C-attest kunnen verantwoorden. Alleszins aanvaardt de Raad van State in de huidige stand van de procedure dat de delibererende klassenraad uit het feit dat verzoeker voor drie wetenschapsvakken -en dus in de gekozen richting profielbepalende vakken- niet gecontesteerde tekorten heeft, mag afleiden dat verzoeker alvast voor die vakken niet de leerplandoelstellingen heeft bereikt. 6.
  14. Het is verzoeker er echter om te doen, van de delibererende klassen- raad de kans te krijgen om bijkomende proeven af te leggen en aldus aan te tonen dat hij er wél in slaagt alsnog die doelstellingen te kunnen bereiken. Het feit dat en de wijze waarop die vraag wordt afgewezen maakt bijgevolg voor verzoeker de schending uit van de door hem aangehaalde beginselen”. Met het eerste middel, dat er prima facie uitsluitend op gericht is de motieven rond die drie jaartekorten in vraag te stellen, lijkt verzoeker het geweer van schouder te veranderen. Die gelegenheid biedt het schorsingsarrest hem echter op het eerste gezicht niet. Verzoeker beschikt op basis van het eerdere schorsingsar- rest op het eerste gezicht immers niet over de mogelijkheid om in een daaropvolgen- de schorsingsprocedure de grenzen van zijn vordering te verleggen.
  15. Het eerste middel is prima facie onontvankelijk en dus niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  16. In het tweede middel stelt verzoeker “dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van art. 5 §
  17. van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli [2002] betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, het XII-6370-7\14 organisatiebesluit, de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldig- heidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. Verwijzend naar de motivering om bijkomende proeven af te wijzen, argumenteert verzoeker dat de delibererende klassenraad zich verplicht heeft geacht om een eindbeslissing te nemen, zonder de mogelijkheid van bijkomende proeven, op basis van het doorlichtingsverslag van september
  18. Nochtans moet de klassenraad zelf, autonoom, oordelen en is het niet dit doorlichtingsverslag dat hem op enigerlei wijze kon verplichten. Ook de verwijzing naar de algemene richtlijnen die in de loop van het jaar aan verzoeker zouden zijn gegeven, evenals de verwijzing naar het schoolreglement, vermogen volgens verzoeker de delibererende klassenraad niet van zijn vrijheid te beroven om autonoom te beslissen. Wanneer daarenboven verwezen wordt in het concrete geval van verzoeker naar de commentaar op het rapport van het examen 1, dan wordt er volstrekt voorbijgegaan aan andere commentaar, namelijk wordt verzwegen dat op DW3 als toelichting wordt gegeven: ‘Doe zo verder voor de wetenschapsvakken. Pas op voor de talen’. Ook wordt er met betrekking tot de evaluatie BZL complexe getallen, als algemene indruk gegeven: ‘Je behaalde een mooi resultaat voor je herhalingstoets, maar je moet ernstiger en zelfstandiger leren werken in de klas’. Het is volgens verzoeker verkeerd van de delibererende klassenraad om ervan uit te gaan dat, vermits er geen bijkomende informatie of redenen werden gegeven voor het slecht presteren van verzoeker in juni, aldus de leerkrachten beschikten over alle informatie om de beslissing te kunnen nemen en bijgevolg bijkomende proeven uitgesloten zijn. Het is precies aan de delibererende klassenraad om te oordelen of bijkomende informatie nuttig kan worden gegeven, onder meer door één of andere vorm van uitstel. Dat kan een zogenaamd herexamen zijn of een werkstuk zoals een vakantiewerk. Beoordeling
  19. Het aangevoerde artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit luidt: “De delibererende klassenraad fungeert als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, hetgeen voor de regelmatige leerlingen leidt tot de studiebekrachtiging en de eventuele rechten op toelating tot het volgend leerjaar”. De delibererende klassenraad neemt zijn beslissing over het al dan niet slagen van een leerling luidens artikel 37, § 2, van het organisatiebesluit “in beginsel [...] uiterlijk op 30 juni van het betrokken schooljaar, doch deze termijn kan XII-6370-8\14 voor individuele gevallen worden verlengd tot uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgend schooljaar”. Het toestaan van uitgestelde proeven is bijgevolg de uitzondering. In de regel beschikt de klassenraad op het normale einde van het schooljaar over voldoende inzicht om zich over de prestaties van de leerling te buigen en om de behaalde resultaten te duiden.
  20. Zoals de Raad van State reeds overwoog in het arrest nr. 207.406, valt het enkel aan de delibererende klassenraad toe om te beoordelen of hij inderdaad aan het normale einde van het jaar over afdoende informatie beschikt om over het al dan niet slagen van een leerling te beslissen dan wel of ontbrekende of niet eenduidige informatie nuttig kan worden aangevuld of opgehelderd door de leerling aan een of meer bijkomende proeven te onderwerpen. De klassenraad beschikt daaromtrent over een ruime discretionaire bevoegdheid, en lijkt niet in zijn beoordelingsvrijheid van een concreet voorliggend dossier beperkt te kunnen worden door een schoolreglement of een doorlichtings- rapport.
  21. Anders dan hoe verzoeker de bestreden beslissing leest, heeft de delibererende klassenraad zich echter thans niet blind verscholen achter het schoolreglement of het doorlichtingsverslag. Het doorlichtingsverslag van september 2008 wordt, zo lijkt, enkel geciteerd om verzoeker er aan te herinneren dat er regelgeving bestaat -voormeld artikel 37 van het organisatiebesluit- die een uitgestelde beslissing als de uitzondering en een beslissing op 30 juni als de regel opvat. Een verwijzing naar de “algemene richtlijnen” in het schoolreglement spreekt niet tegen dat de klassenraad vervolgens die richtlijnen in concreto toetst aan de voorliggende situatie.
  22. Thans heeft de delibererende klassenraad uitdrukkelijk aangege- ven waarom hij meende einde juni over de nodige informatie te beschikken om te oordelen over verzoekers slagen of niet slagen. De delibererende klassenraad wijst luidens de bestreden beslissing de vraag om bijkomende proeven af omdat “[verzoeker] een normaal schooljaar achter de rug [had], zonder noemenswaardige afwezigheden en ziekten”, reeds na XII-6370-9\14 de kerstexamens door de school aan de alarmbel was getrokken, de klassenraad “nooit bijkomende informatie of redenen [werden] gegeven voor het slecht presteren van [verzoeker] in juni” en dat “[d]e leerkrachten m.a.w. over alle informatie [beschikten] om een beslissing te kunnen nemen”. Verzoeker spreekt niet tegen dat hij “een normaal schooljaar achter de rug [had], zonder noemenswaardige afwezigheden en ziekten”. Daaruit vermag de klassenraad in redelijkheid aannemen dat de schoolresultaten significant zijn of, met andere woorden, over het al dan niet slagen verantwoorde conclusies toelaten.
  23. Het valt dan desgevallend wél aan verzoeker toe, zo lijkt, om aan te geven waarom hem spijts een normaal verlopen schooljaar uitzonderlijk toch bijkomende proeven moesten worden toegekend. In de toelichting bij het tweede middel gaat verzoeker daar niet in concreto op in, maar verwijst hij enkel naar “de verschillende redenen die reeds zijn aangegeven”. Die redenen zijn dan volgens verzoeker, zo wil de Raad het met veel goede wil aannemen op basis van de uiteenzetting van het enig middel dat werd aangevoerd tijdens de eerste schorsingsprocedure, dat de motivering van “structurele tekorten” onjuist is, dat hij integendeel een “structurele verbetering” voor chemie en biologie kan voorleggen, dat het begrip “uitzonderlijke gevallen” waarin hem bijkomende proeven kunnen worden toegekend, in het schoolreglement verkeerd -lees: te stringent- is uitgelegd, dat hij laatstejaarsstudent is die de vorige jaren steeds een A-attest behaalde, dat zeer veel leerlingen een tekort hebben voor biologie, dat hij “puike punten” heeft voor het hoofdvak in zijn studierichting en een “slechts licht tekort voor wiskunde”, alsook de “positieve evolutie”.
  24. Hiervoor is reeds de stelling afgewezen dat de delibererende klassenraad geen beoordeling in concreto deed en zich zou hebben verlaten op het schoolreglement of het doorlichtingsplan. Met de bestreden beslissing heeft de delibererende klassenraad op het eerste gezicht de overige argumenten van tafel geveegd, door te besluiten dat het XII-6370-10\14 geen argumenten zijn die ervan getuigen dat de delibererende klassenraad einde juni niet reeds over alle nodige informatie beschikte. In de huidige stand van de procedure valt ook de Raad van State bij dat al de door verzoeker voorgelegde argumenten reeds op 30 juni 2010 ter kennis waren van de delibererende klassenraad en dat verzoeker geen lacune aantoont in de informatie die aan de delibererende klassenraad ter beschikking lag.
  25. De Raad van State is geen beroepsinstantie die zijn eigen opvattingen over het al dan niet toekennen van uitgestelde proeven of een diploma in de plaats mag stellen van de delibererende klassenraad. De bestreden beslissing kan volgens verzoeker dan wel streng zijn, de Raad van State kan een leerling echter niet beschermen tegen strenge beslissingen, enkel tegen onwettige beslissingen, dit is als blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de ervoor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen de ruim geachte discretionaire bevoegdheid van de klassenraad tot stand is kunnen komen: waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Appreciatievrijheid houdt nu eenmaal de mogelijkheid in van verschillende zienswijzen die elk niet onredelijk zijn. De delibererende klassenraad heeft geoordeeld over het al dan niet slagen van verzoeker, rekening houdend met al de beschikbare gegevens op het einde van het schooljaar, zónder zijn beslissing uit te stellen met het oog op bijkomende proeven. Verzoeker kan de Raad van State er vooralsnog niet van overtuigen dat de delibererende klassenraad aldus de grenzen van zijn beoordelings- vrijheid heeft miskend.
  26. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat noch het aangevoerde artikel, noch de aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur geschonden lijken. Het middel is niet ernstig. XII-6370-11\14 XII-6370-12\14 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  27. Luidens het derde middel houdt de bestreden beslissing een schending in van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 207.406 van 17 september 2010 en van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur doordat op geen enkele wijze zelfs maar rekening is gehouden met de inhoud van het tussengekomen arrest van de Raad van State: “Verzoekende partij had in het kader van de beroepsprocedure verschillende redenen aangehaald om het C-attest aan te vechten. Benevens de bezwaren i.v.m. de verschillende vakken, nl. biologie, chemie en wiskunde, is de opmerking dat er geen toelichting werd gegeven bij het argument dat de leerplandoelstellingen niet werden gehaald, en dat de motivering bij het niet behalen van de eindtermen niet terug te vinden is in de eindtermen ASO 3de graad. Tenslotte werd ook als grief meegedeeld dat er geen gemotiveerd advies was m.b.t. de verdere schoolloopbaan en dat het attest onverwacht kwam. In het kader van de huidige bestreden beslissing herdeliberatie had de klassenraad precies rekening moeten houden met deze grieven en er een afdoend antwoord op moeten geven. Zoals hierboven reeds werd gesteld, is dit niet gebeurd”. Beoordeling
  28. Het valt prima facie niet in te zien welk antwoord de delibereren- de klassenraad op verzoekers bezwaren nog moest geven, behoudens die gericht op het verkrijgen van bijkomende proeven, nadat de Raad van State reeds voorlopig had vastgesteld dat de delibererende klassenraad uit de drie jaartekorten vermocht af te leiden dat verzoeker voor die vakken niet de leerplandoelstellingen had bereikt. Verwezen wordt naar hetgeen reeds bij het eerste en het tweede middel is overwogen. Het middel is niet ernstig.
  29. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-6370-13\14 BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt de vordering.
  31. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 oktober 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6370-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.