id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.069 Rolnummer: A. 191910/XIV-31052 Zaak: Arrest 208069 - Milieuvergunningen - 12/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Arrest nr 208.069 van 12 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 208.069 van 12 oktober 2010 in de zaak A. 191.910/XIV-31.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. SCHOUTEN, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 23 maart 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 23.170 van 18 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4396 van 4 mei 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 februari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.052-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. JOPPEN, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 31 maart 2008 en op 9 april 2008 een asielaanvraag indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 14 juli 2008 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 18 juli 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 18 februari 2009 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 39/78 en 39/81 van de Wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (...) Het bestreden arrest stelt als volgt: "De Raad sluit niet uit dat de Griekse nationale asielwetgeving zoals die in het verleden bestond mogelijk niet in overeenstemming was met de normen die voortvloeien uit internationa- le en supra-nationale rechtsregels. Uit de door verweerder neergelegde stukken blijkt echter dat de Griekse autoriteiten de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van de minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van deze bescherming en de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of de intrekking van de Vluchtelingenstatus ondertussen in hun nationaal recht hebben omgezet. Voorts wordt er gesteld: “(...) en dat hij bovendien ook geen kennis heeft van enig concreet voorbeeld waaruit blijkt dat de Griekse autoriteiten de jongste maanden de door hem ingeroepen bepaling zouden geschonden hebben. Uit de stukken van verweerder blijkt verder dat, in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, in het jaar 2008 aan meer dan driehonderd Iraakse burgers een beschermingsstatus werd toegekend door de Griekse autoriteiten." Het bestreden arrest gaat verder: XIV-31.052-2/7 (..) nu verzoeker zich beperkt tot een verwijzing naar documentatie die enerzijds van algemene aard is en die anderzijds niet langer als actueel kan beschouwd worden gezien de wijzigingen in de Griekse nationale wetgeving en gelet ook op de door verweerder bijgebrachte stukken van recentere datum waaruit blijkt dat de Griekse autoriteiten, rekening houdende met de grote toevloed aan asielzoekers waarmee het land geconfronteerd wordt, de opvang van de asielaanvragers toch hebben geoptimaliseerd en de randvoorwaarden om tot een correcte behandeling van een asielaanvraag te komen hebben aangepast kan geen schending van artikel 3 EVRM vastgesteld worden." Eerste onderdeel: Er dient vastgesteld te worden dat naar aanleiding van het door verzoeker ingediend beroep in nietigverklaring, er een nota met opmerkingen door de verwerende partij werd toegestuurd. Aan deze door de procedure in de wet van 15/12/1980 voorziene nota werd geen enkel stuk toegevoegd door de verwerende partij. (zie administratief dossier) De stukken van de verwerende partij waar het bestreden arrest naar verwijst ( de passages werden in het vet aangeduid hierboven ), werden pas verstuurd door de Dienst Vreemdelingen- zaken twee dagen voor de zitting.(zie stuk 2, schrijven van dvz aan verzoekende partij) De procedure voorzien voor een vordering tot nietigverklaring, zoals uiteengezet in artikel 38/81 Vreemdelingenwet voorziet deze gang van zaken niet. Integendeel, artikel 39/78 Vreemdelingenwet sluit expliciet de mogelijkheid uit om 'nieuwe elementen' neer te leggen. Het betreft hier wel degelijk 'nieuwe' elementen, aangezien ze dateren van net het nemen van de beslissing door de DVZ op 14 juli
- Immers, het stopzetten van de inbreukprocedure door de Europese Commissie gebeurde op 18 september
- Het schrijven van de Griekse overheid dateert van 21 november 2008 (zie stuk 2) In het kader van een procedure tot nietigverklaring, heeft de RVV echter enkel een wettelijkheidscontrole. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet bevoegd zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen (RvS 7 december 2001, nr. 101.624). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan bijgevolg geen elementen in rekening nemen aangebracht door de verwerende partij buiten alle termijnen om en buiten enig artikel om, voorzien in de Wet van 15.12.
- De Raad gaat enkel na of de gemachtigde van de minister op het moment van de bestreden beslissing, met de stukken die hem op dat moment bekend waren, een wettige beslissing nam die zijn bevoegdheid niet overschrijdt. (arr nr. 14.463 van 25 juli 2008 in de zaak X II, zie website RVV) (eigen onderlijning) Het is manifest duidelijk dat de elementen waarnaar het bestreden arrest verwijst, niet aan de DVZ bekend waren op het moment van het nemen van de beslissing. De Raad kon met de huidige motivering in het bestreden arrest de motivering van de oorspronkelijk bestreden beslissing van de DVZ niet rechtzetten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had deze nieuwe elementen ambtshalve uit de debatten dienen te weren. Tweede onderdeel: Daarenboven blijkt uit het feit dat het bestreden arrest toegeeft dat 'De Raad sluit niet uit dat de Griekse nationale asielwetgeving zoals die in het verleden bestond mogelijk niet in overeenstemming was met de normen die voortvloeien uit internationale en supranationale rechtsregels.', op het moment van het nemen van de beslissing door de Dienst Vreemdelingenza- ken de Griekse wetgeving strijdig was met internationale rechtsregels. Het later toevoegen van stukken kan deze schending niet rechtzetten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had hieruit dienen af te leiden dat de oorspronkelijk bestreden beslissing wel degelijk strijdig was met 'internationale en supranatio- nale rechtsregels, aangezien de Griekse overheid op het moment van het nemen van de XIV-31.052-3/7 beslissing bepaalde Europese richtlijnen inzake asiel niet tijdig had omgezet in nationale wetgeving. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon niet wettig afleiden dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd was.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Aangezien verzoeker als enig middel opwerpt: ‘Schending van artikel 39/78 en 29/81 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen." Verzoekende partij eist dat het bestreden arrest zou worden vernietigd omdat de rechters in vreemdelingenzaken ten onrechte rekening zouden hebben gehouden met de stukken waarnaar in het bestreden arrest wordt verwezen. De verwerende partij merkt dienaangaande op dat er zowel door de verzoekende als door de verwerende partij kort voor de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nieuwe stukken werden overgemaakt. Ter zitting werd aan beiden partijen overigens de vraag gesteld of er bezwaren tegen het neerleggen van deze nieuwe stukken . Zowel de raadsman van verzoekende partij als de raadsman van verwerende partij lieten verstaan hiertegen geen bezwaar te hebben. Dit werd uitdrukkelijk geakteerd op het proces-verbaal van de terechtzitting. Bovendien werd de inhoud van de stukken van de verwerende partij gedekt door de vragen die door de rechters in vreemdelingenzaken ter zitting werden gesteld. Deze vragen hadden betrekking op de stand van zaken m.b.t. de procedure bij het Hof van Justitie, de omzetting van de richtlijnen in Grieks nationaal recht en het risico op schending van artikel 33 van de Conventie van Genève door de Griekse autoriteiten. Ook deze vragen en antwoorden werden uitdrukkelijk geakteerd op het proces-verbaal van terechtzitting. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in haar overweging dan ook geen rekening dienen te houden met de aangebrachte stukken, vermits dezelfde informatie werd verkregen n.a.v. de ter zitting gestelde vragen en de door partijen hierop geformuleerde antwoorden. Tenslotte wijst de verwerende partij erop dat verzoeker bij een procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel belang dient te hebben bij het verzoek tot nietigverkla- ring in zijn geheel, doch ook bij elke middel afzonderlijk. De vraag kan dan ook worden gesteld of verzoeker zich in zijn cassatieberoep dienstig kan beroepen op het gegeven dat bepaalde informatie niet gekend was op het ogenblik van het nemen van de oorspronkelijk bestreden beslissing, doch wel op het ogenblik van behandeling van het annulatieberoep door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen , terwijl de correctheid van deze informatie door verzoekende partij ter zitting niet werd betwist. Verzoeker noch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen immers voorbijgaan aan het feit dat de Europese richtlijnen door Griekenland werden omgezet. Hetzelfde geldt voor de procedure die door de Europese Commissie aanhangig werd gemaakt bij het Hof van Justitie. Zowel verzoeker als de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen konden ter zitting van 5.12.2008 niet voorbijgaan aan het feit dat de procedure van de rol intussen van de rol was geschrapt. De raadsman van verzoeker had er geen enkel belang om ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor te houden dat de Griekse wetgeving niet in overeenstemming zou zijn met de Dublinverordening. Het gegeven dat Griekenland geen gedwongen verwijde- ringen organiseert naar Irak, ontneemt verzoeker zijn belang bij het inroepen van de vermeende schending van artikel 33 van de Conventie van Genève. Verzoeker komt geheel ten onrechte terug op gegevens die ter zitting niet werden betwist. Het bewijs hiervoor zal uw Raad terugvinden op het proces-verbaal van de zitting van 5.12.2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeker kan zich dan ook niet dienstig beroepen op een vermeende schending van artikel 39/78 en 39/81 Vreemdelingenwet. XIV-31.052-4/7 Verzoekers enig middel is niet gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- Het feit dat ter zitting de partijen zich niet verzet hebben tegen het neerleggen van nieuwe stukken doet niets af aan het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich een onderzoeksbevoegdheid toegeëigend heeft die de Raad niet heeft. Het feit dat verzoekende partij zich niet verzet heeft tegen het neerleggen van stukken door de tegenpartij, kan niet resulteren in het afstand doen van de bepalingen betreffende het feit dat de RVV in annulatie géén onderzoeksbevoegdheid heeft. Evenmin doet het neerleggen van nieuwe stukken iets af aan het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich, bij het beoordelen van de geldigheid van een beslissing van de Belgische staat, dient te beperken tot de elementen bekend aan de administratieve overheid op het moment van het nemen van de beslissing. Dit wordt bevestigd in talloze arresten. Zo wenst verzoeker te verwijzen naar volgend arrest van de RVV (arr. Nr. 14.463 van 25/07/2008), waarbij verwezen wordt naar rechtspraak van Uw Hoge Raad: 'Bij de beoordeling van de wettelijkheid van een bestuursbeslissing dient men zich inderdaad te plaatsen op het ogenblik van het nemen van die beslissing, rekening houdend met de dan voorhanden zijnde feitelijke en juridische gegevens. (R.v.St. nr. 46.794 van 30 maart 1994, R.A.C.E. 1994, z.p.)'
- Het feit dat de rechters van de RVV vragen hebben gesteld tijdens de terechtzitting, doet evenmin iets af aan het feit dat de bevoegdheid beperkt blijft tot een bevoegdheid in nietigverklaring en niet in volle rechtsmacht. Er kan verwezen worden naar het antwoord onder
- De RVV heeft geen onderzoeksbevoegdheid.
- Verzoeker heeft wel degelijk een belang bij het indienen van een verzoek tot nietigverklaring. Verzoeker herinnert aan het feit dat hij zich in zijn schorsings- en annulatieberoep niet alleen baseert op het feit dat de Griekse staat de Europese wetgeving niet tijdig heeft omgezet. Evenmin baseert hij zich enkel op het feit dat Griekenland asielzoekers zou repatriëren naar Irak. Verzoeker baseert zich op veel meer argumenten, met name de kwaliteit van de asielprocedure en de kwaliteit van de opvang van asielzoekers.”; 2.
- Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter niet bevoegd is zijn beoordeling in de plaats te stellen van de beoordeling door de minister van Binnenlandse Zaken; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of de minister in uitoefening van zijn bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet op kennelijk onredelijke wijze tot zijn besluit is gekomen; dat artikel 39/81 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet voorziet in de mogelijkheid om in het kader van de annulatieprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nieuwe gegevens aan te voeren, daar waar deze mogelijkheid wel bij de beroepen met volle rechtsmacht is voorzien; dat de wettigheid van een beslissing van 14 juli 2008 niet moet worden XIV-31.052-5/7 beoordeeld aan de hand van stukken betreffende de verdere evolutie van de feitelijke toestand, waarvan de minister op dat ogenblik geen kennis kon hebben; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg, door het door de verwerende partij op 2 december 2008 toegezonden stuk in zijn beoordeling te betrekken, artikel 39/81 van de Vreemdelingenwet heeft geschonden; dat het enige middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 23.170 van 18 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-31.052-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.052-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div