← België

Arrest 208116 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.116 Rolnummer: A. 190928/X-14025 Zaak: Arrest 208116 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.116 van 13 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.116 van 13 oktober 2010 in de zaak A. 190.928/X-14.025. In zake: de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde De Smet kantoor houdend te 9051 GENT Derbystraat 261 tegen: de stad GERAARDSBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 december 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 30 oktober 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen waarbij aan de n.v. Villabouw Bostoen de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Ophasselt (Geraardsbergen), Kollenhoek, kadastraal bekend sectie A, nr. 656/c. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. X-14.025-1/14 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde De Smet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Kaat Decock, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III.Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 3.1.1. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij de vordering als volgt toe: “4.1 Het belang conform de statuten van verzoekster De statuten van de vereniging werden op 8 november 2005 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (...) en laatst gewijzigd op de Statutaire Algemene Vergadering van 17 oktober 2008 (B.S. 16/12/2008). Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bvb. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschappelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot X-14.025-2/14 samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - beknopt omschreven - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap met haar akoestische kwaliteiten belangrijk vinden. Het herstel van vernietigde en het behoud van de bestaande biologische waarden in dit landschap en van ruimte voor water is eveneens een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met wateroverlast. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van de som van deze waarden (i.c. landschappelijke en biologische waarden en waarden van het watersysteem) in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en die typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door Omer Wattez te verdedigen. Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de Vlaamse Ardennen in al zijn facetten en ze observeren er de natuur. De betwiste bouwvergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap, van de biologische waarde van de Ophasseltbeekvallei en haar zijbeek en een verlies aan overstromingsruimte impliceren. Al deze waarden kunnen niet toegeëigend worden aan een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze waarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. Verzoekster komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van de Ophasseltbeek die in de Dender uitmondt gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste stedenbouwkundige vergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. 4.2 Het belang conform de Belgische Grondwet 1. Artikel 7bis (inwerking getreden op 6 mei 2007) van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat een stadsbestuur bij het uitvaardigen van een stedenbouwkundige vergunning geen rekening houdt met dit streven naar duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt (dat) de natuurwaarden niet nog verder achteruit gaan en dat er nog voldoende overstromingsruimte overblijft zodat er niet nog meer mensen (van de volgende generaties) in de toekomst te kampen zullen krijgen met dreigende overstromingen. De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het stand-still principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (verder het natuurdecreet) en deze zorg wordt met de voeten getreden door een biologisch waardevol perceel met tal van zeldzame planten en dieren (zie verder) verloren gaat door bebouwing en doordat een groot aaneengesloten biologisch (zeer) waardevol stuk in twee geknipt wordt en zo versnipperd wordt. De bebouwing van een stuk X-14.025-3/14 valleigebied (wat een de naastliggende beek afhankelijk terrestrisch ecosysteem

  1. is)die mogelijk wordt gemaakt met voorliggende vergunning is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 (verder DIWB) o.m. in artikel 5,4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (..) van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
  2. a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
  3. b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen; (..)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een specifieke doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen’. In het kader van de doelstelling van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij onderhavig verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. 2. Artikel 23 van de grondwet bepaalt : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..)’. Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat,’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. Aangezien in dit unieke beeksysteem de overstromingscapaciteit af zal nemen bij uitvoering van de bouwvergunning en aangezien twee biologische waardevolle natuurkernen door uitvoering van de bouwvergunning in 2 stukken geknipt worden en hierdoor twee eilanden gecreëerd worden wat de kans op uitsterven van fauna en flora op die plaatsen doet vergroten. M.a.w. op deze unieke plaats wordt geen stand-still nagestreefd. En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de bouwvergunning bij uw Raad aan te vechten. Op de schending van het stand- still beginsel wordt ook in de vorige paragraaf m.b.t. art. 7bis van de grondwet, ingegaan. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem van de biologisch waardevolle Ophasseltbeekvallei, de fauna en flora van dat eco-systeem en de kwantitatieve hoeveelheid overstromingscapaciteit van dat natuurlijk overstromingsgebied te verdedigen voor uw Raad conform de doelstellingen van verzoekster. X-14.025-4/14 4.3 Het belang conform het verdrag van Aarhus Het Verdrag van Aårhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden werd zowel door het Belgisch (wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (decreet van 6 december 2002) goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art, 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming ; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art. 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. De bepalingen van dit verdrag bevestigen dat verzoekster hoort beschouwd te worden als belanghebbende partij. (...) 4.4.1 Gevolgen bij uitvoering van de bouwvergunning met betrekking tot de overstromingsproblematiek: a. De globale stijging van het waterniveau in de Ophasseltbeekvallei. Door de bouw van een woning op, inclusief ophoging (om niet met natte voeten te staan in de woning) van het perceel kan de oppervlakte van het perceel niet meer overstromen. Dit betekent een rechtstreeks verlies van een overstroombaar volume. Het spreekt voor zich dat het overstromingswater dat bij een volgende overstroming hier niet meer kan staan zich zal uitspreiden over de rest van de Ophasseltbeekvallei. Dit heeft een globale stijging van het waterpeil tot gevolg in de Ophasseltbeekvallei. Hierdoor lopen woningen die voorheen nooit wateroverlast gekend hebben een verhoogd risico. Daarom heeft verzoekende partij in al haar acties die ze doet en gedaan heeft altijd X-14.025-5/14 gepleit voor een compensatie van ieder verlies aan overstromingsruimte zodat het risico door deze factor niet hoger wordt. b. Flessenhalseffect bij de Kollenhoek. Bij overstromingen treden de Ophasseltbeek en haar zijbeek buiten hun oevers. De zijbeek stroomt van noord naar zuid de Ophasseltbeek in. (...) Door bebouwing van dit perceel wordt de vallei van de zijbeek op de plaats waar ze samenkomt met de vallei van de Ophasseltbeekvallei ingepalmd door een nieuwbouwwoning na ophoging van het betrokken perceel. Bij overstromingen zal het overstromende water niet meer over de natuurlijke vallei kunnen stromen maar zal door de smalle beek moeten passeren. (...) Aangezien het hier om een grote hoeveelheid water gaat zal de druk op de woningen die links en rechts van dit perceel destijds gebouwd werden, onder sterke druk komen te staan. Het risico dat deze woningen onder water komen te staan is groot, zeker voor de woningen die lager werden gebouwd dan de woning die met de betwiste vergunning kan gebouwd worden. Zonder de bouw van de betwiste woning beschikt het overstromende water van de zijbeek van de Ophasseltbeek nog over voldoende breedte in de vallei om door te stromen naar de Ophasseltbeek. Bij bebouwing van het perceel in kwestie wordt als het ware een dam opgeworpen, waardoor het overstromende water in verschillende richtingen een laagste punt zal zoeken langs waar het zijn weg kan verder zetten richting Ophasseltbeekvallei. c. Door de klimaatverandering kan het effect van het overstromingsrisico nog grotere gevolgen hebben. Van een zorgzaam handelende overheid kan verwacht worden dat ze dit effect incalculeert in haar beslissingen die ze treft (toepassing preventiebeginsel en voorzorgsbeginsel). Er bestaan heel wat rapporten over de klimaatverandering, gemaakt in opdracht van diverse overheden, we pikken er enkele uit: (...) 4.4.2 Gevolgen bij uitvoering van de bouwvergunning met betrekking tot het verlies aan fauna en flora: a. Het rechtstreeks verlies aan natuurwaarden door de inplanting van nieuwbouw op een biologisch zeer waardevol perceel (...), meer bepaald een nat soortenrijk grasland. In een recent rapport over de overgebleven natuur in valleigebieden alias overstromingsgebieden lezen we (...): ‘Natuur neemt slechts 9,5 % van de valleigebieden in. Voedselrijke graslanden, meestal in landbouwbeheer, en bossen werden buiten beschouwing gelaten. Van de 29 310 ha natuur sensu stricto behoort bijna 90% tot de waardevolle tot zeer waardevolle natuur, waaronder bijna 2000 ha prioritair te beschermen natuurtypes (zoals dottergraslanden, blauwgraslanden (al dan niet gedegradeerd) en kleine zeggevegetaties).’ Ook in voorliggend geval gaat het om biologisch waardevolle grond die dreigt verloren te gaan bij uitvoering van de bouwvergunning. Ondermeer volgende bijzondere dieren en planten die voorkomen op de te bebouwen grond zullen verloren te gaan: (...) b. De versnippering van een biologische waardevol gebied. De plaats waar mag gebouwd worden, ligt in het mondingsgebied van een zijbeek in de Ophasseltbeek. Door de bebouwing wordt het biologisch zeer waardevol gebied ten noorden van de bebouwing afgescheiden van het biologische waardevol gebied ten zuiden. Een stuk biologisch (zeer) waardevolle grond wordt m.a.w. in 2 stukken geknipt. De organismen kunnen niet meer vrij bewegen van het ene stuk naar het andere stuk valleigebied. In bijlage 7a is te zien dat de biologisch waardevolle tot zeer waardevolle stukken met mekaar verbonden zijn. Op bijlage 7b is te zien hoe die X-14.025-6/14 verbinding verbroken wordt. Het biologisch zeer waardevolle gebied ten noorden van het te bebouwen perceel zal vanaf de realisatie van de betwiste bebouwing rondom rond ingesloten zitten tussen lintbebouwing. Hierdoor wordt dit een eiland (dat nu nog biologisch zeer waardvol
  4. is)waar de minder mobiele organismen zich niet meer uit kunnen verplaatsen en dreigen uit te sterven door inteelt; kortom de hoge biologische waarde zal op termijn sterk verminderen. Voor volgende dieren en planten is dat een probleem: (...) Om al bovengenoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze milieuvergunning, samengevat een feit is. 5. Het actueel belang van verzoekende partij Verzoekende partij heeft besloten deze vergunning aan te vechten en niet de verkavelingsvergunning van 20 december 1999 die betrekking had op het bouwen van 7 woningen waarvan de woning waar de hier betwiste vergunning betrekking op heeft, deel van uitmaakt, omdat er na die data nieuwe rechtsnormen werden geschapen die verzoekende partij toelaten op te komen voor haar rechten en doelstellingen m.b.t. het beschermen van mensen die te leiden kunnen hebben door wateroverlast. Op 18 juli 2003 werd het decreet betreffende het integraal waterbeleid goedgekeurd (BS 14.11.2003; verder DIWB) en op 20 juli 2006 werd het besluit tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid goedgekeurd (BS 31.10.2006; verder watertoetsbesluit) dat in voege is vanaf 1 november 2006. Het DIWB vereist een watertoets die er moet voor zorgen dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Uw Raad vernietigde reeds enkele besluiten omdat deze werden genomen met miskenning van de vereisten van de watertoets (...). De rechtsnormen en beginselen en doelstellingen van het DIWB sluiten nauw aan bij de doelstellingen of collectieve belangen van de leden van verzoekende partij. Deze recentere rechtsnormen impliceren bovendien dat de overheid die besliste over de betwiste rechtshandeling, in tegenstelling tot haar beslissing d.d. 20 december 1999 nu diende rekening te houden met deze nieuwe bepalingen. Verzoekende partij heeft hierdoor een groter belang gekregen bij het aanvechten van vergunningen. Verzoekende partij is van oordeel dat de vergunningverlenende overheid de bepalingen van het DIWB heeft miskend”. 3.1.2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van de vereiste hoedanigheid. Ze voert aan dat de bestreden beslissing een zeer beperkt voorwerp heeft, en dat, gelet op de ruime omschrijving van het doel van de verzoekende partij, haar optreden in wezen neerkomt op een actio popularis, nu de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft, minstens nu er geen band van evenredigheid bestaat tussen het actieterrein van de verzoekende partij, enerzijds, X-14.025-7/14 en de draagwijdte van de bestreden beslissing, anderzijds. Met betrekking tot het Verdrag betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aårhus op 25 juni 1998 en de grondwetsartikelen waarnaar de verzoekende partij verwijst, stelt de verwerende partij dat deze bepalingen niet maken dat zou kunnen worden voorbijgegaan aan de vereisten inzake hoedanigheid. 3.1.3. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij: “De laatste bouwvergunning in deze reeks van 5 bouwvergunningen is ongetwijfeld de meest cruciale zowel voor het garanderen van veiligheid bij overstromingsgevaar als voor het tegengaan van de versnippering van een biologisch (zeer) waardevol gebied. Dit laatste perceel is gelegen naast de beek, hier stroomt het meeste water door bij de overstromingen. Door het ophogen en bebouwen van dit perceel wordt een dam opgeworpen; het water kan bij pieken dan nog onmogelijk door de smalle geul van de beek (de zomerbedding) en zoekt zich op dit kritieke moment een weg en zal de druk opvoeren op de omliggende woningen. Het perceel vormt ook nog een (laatste) doorgang waardoor een biologisch (zeer) waardevol geheel (...) opgesplitst zal worden in twee natuurkernen. Tal van (minder mobiele) planten en dieren zullen voortaan op een eiland zitten en er kan geen (genetische) uitwisseling meer plaats vinden tussen de organismen aan beide (geïsoleerde) kanten van het te bebouwen perceel. Op lange termijn lopen ze het risico uit te sterven door inteelt of indien ze getroffen worden door een dodelijke ziekte kunnen de gebieden niet meer aangevuld worden door (overlevende) organismen van aan de andere kant omdat er door de bouw een barrière opgeworpen werd. Zoals uiteengezet in het verzoekschrift is het gebied uitermate uniek in het werkingsgebied van verzoekende partij omwille van de grote soortenrijkdom. Ook al wordt met de bestreden beslissing slechts één perceel bebouwd toch heeft deze beslissing gevolgen voor de waterhuishouding, (in de eerste plaats minder mobiele) flora en fauna van de Ophasselt/Molenbeekvallei. Verzoekende partij voldoet wel aan de hoedanigheid en heeft belang bij de vordering om op te treden voor Uw Raad. De exceptie dient derhalve te worden verworpen”. 3.1.4. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij onder meer nog het volgende aan: “Het is dus fout te stellen dat verzoekende partij een doelstelling zou behartigen met een absoluut algemene draagwijdte. Ook in voorliggende zaak situeert zich het belang in de goede ruimtelijke ordening, het leefmilieu en het natuurbehoud. Een goede ruimtelijke ordening betekent niet dat alles wat woongebied is dient volgebouwd te worden, maar dat rekening gehouden wordt met o.a. de plaatselijke fysische situatie van het terrein. Hier specifiek is het uit den boze om naast een beek die soms hoge debieten bereikt te gaan bouwen. Het leefmilieu van de mensen is hier bedreigd. De bouwers van dit huis zullen, gelet op de vochtigheid van het terrein (...), hun huis hoog genoeg bouwen om een droog huis te hebben (een huis bouwen op zo’n nat terrein is technisch onmogelijk zonder verhoging van dit terrein). X-14.025-8/14 Hierdoor wordt een dam opgeworpen (...) die al het overstromende water zal tegenhouden en waardoor (het water) een uitweg ergens anders zal zoeken en wateroverlast in andere huizen zal veroorzaken en aldus het leefmilieu van anderen bedreig(t). Qua natuurbehoud stelt zich hier wellicht ook een probleem doordat er geen corridor meer is tussen de natuurkern ten noorden en die ten zuiden van het te bebouwen perceel. Samengevat geeft verzoekende partij - ook reeds in haar verzoekschrift - concreet aan welke hinder zij vreest, welke bedreiging er is voor het leefmilieu van de mensen en hoe de plaatselijke constellatie is. (...) Verzoekende heeft inderdaad de verkavelingsvergunning en de andere bouwvergunning (...) niet aangevochten voor Uw Raad. Hierbij dienen volgende elementen in overweging genomen te worden: • Verzoekende partij is in allereerste orde een milieuvereniging. Zij komt hierbij op ter bescherming van het leefmilieu van de mensen. Het leefmilieu omvat mede de risico’s voor en de bedreigingen door wateroverlast (dit staat op een zelfde niveau als in andere zaken waar beslissingen aangevochten worden waarbij de luchtvervuiling, de klimaatverandering, de geluidsoverlast door verkeer of een vliegveld e.d. een bedreiging vormen voor een groep mensen). • Met de realisatie van de eerste bouwprojecten in de verkaveling wordt in de eerste plaats de te bouwen woningen en hun bewoners bedreigd door wateroverlast zonder dat dit gevolgen heeft voor anderen. Indien ze hier voor kiezen is dit hun eigen vrije keuze. • Met voorliggende vergunning wordt het leefmilieu van vele mensen in de omgeving bedreigd en wordt de waterhuishouding in deze vallei verstoord. Bij de bouw van deze woning (maakt) een ophoging van het perceel impliciet deel uit van de voorbereidende bouwwerkzaamheden zodat de woning zelf geen wateroverlast zou ondervinden zoals dat bij de buren reeds het geval was (en uit het fotomateriaal en de persartikelen blijkt) • Er was in 1999 geen enkel sterk rechtsmiddel voorhanden dat tevens geschonden geacht kon worden om te zorgen voor de bescherming van het leefmilieu van de mensen meer bepaald om ze te beschermen tegen een verhoogd risico op wateroverlast. De auditeur toont in zijn betoog niet aan dat er een middel met dat belang bestond op dat ogenblik. Hij gaat ervan uit dat we zomaar een verzoekschrift hadden moeten indienen ook als we er geschonden rechtsmiddelen voorhanden zijn (sic). Volgens deze redenering had verzoekende partij de verkavelingsvergunning moeten aanvechten om dan later, hopende dat er een decreet integraal waterbeleid zou uitgevaardigd zou worden, door die actie kan aan te tonen dat ze in voorliggende zaak wel getuigt van een geoorloofd belang. • We konden de verkavelingsvergunning aanvechten op basis van een schending van de bepalingen van het decreet natuurbehoud dat toen inmiddels van kracht was. Het ontbreekt ons echter aan duidelijke informatie over het functioneren van de corridor tussen de natuurkern ten noorden (langs de zijbeek van de Ophasseltbeek) en deze ten zuiden van de Kollenhoek (langs de Ophasseltbeek). Over de werking van de corridor dient een wetenschappelijke studie gemaakt te worden zoals een universiteit of een wetenschappelijke instelling zoals het instituut voor natuur- en bosonderzoek kan doen. Wij kunnen enkel vermelden wat onze vereniging hier waargenomen heeft en vermelden wat hun ecologische vereisten zijn en hoe zeldzaam ze (zijn) en hoe goed hun mobiliteit is. Als verzoekende partij kunnen we met geen sluitende zekerheid stellen dat deze corridor als dusdanig functioneert X-14.025-9/14 voor de aanwezige organismen en we kunnen evenmin met sluitende zekerheid stellen dat de laatste corridor ter hoogte van het laatste te bebouwen perceel voldoende breed is voor de betrokken dieren om de oversteek te kunnen maken. • De schending van het middel m.b.t. het natuurbehoud overtuigt minder dan deze m.b.t. het integraal waterbeleid. Het staat onomstotelijk vast dat een bebouwing van het perceel naast de beek het water zal opstoppen waardoor een grote waterkom achter die woning ontstaat en aangezien het water zich overal een weg zoekt zal dit water een bedreiging vormen voor de omliggende woningen. We hebben aldus een duidelijk belang bij het eerste middel dan bij het tweede middel. (sic) Het belang van verzoekende partij ligt in allereerste orde bij de bescherming van het door wateroverlast bedreigde leefmilieu van de mensen in een ruime omgeving rond de Kollenhoek, veel meer dan enkel het leefmilieu van de mensen die er zullen bouwen op het betrokken perceel. De uitvoering van de watertoets (van kracht sinds 24 november 2003) kan leiden tot het niet bebouwen van dit perceel. Verzoekster heeft dus een geoorloofd belang bij het aanvechten van voorliggende bouwvergunning.
  5. c)De toegang tot de rechter conform het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens In een arrest van 24 februari 2009 (No 49230/07) inzake een lokale milieuvereniging (...) tegen België betreffende een arrest van uw Raad (...) waarbij de actio popularis ingeroepen werd, oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van 4 november 1950 (EVRM) geschonden werd door uw Raad. Artikel 6 §1 (EVRM) luidt : ‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen of in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.’ De rechtspraak van het Hof is o.i. eveneens toepasbaar op voorliggende zaak. Het onontvankelijk verklaren van het verzoekschrift in onderhavige zaak is ook in strijd met art. 6 §1 van het EVRM.
  6. d)De toegang tot de rechter conform het Hof van Justitie Het verdrag van Aårhus en de goedkeuringswet (17 december 2002) en -decreet (6 december 2002) waarin de wet- resp. decreetgever stellen dat het Verdrag volkomen gevolg heeft in België resp. Vlaams Gewest voorziet een ruime toegang tot iedere herzieningsprocedure. In het arrest van Europees Hof van Justitie d.d. 15 oktober 2009 (zaak C-263/08) werd herhaaldelijk gewezen op het belang van een ruimte toegang tot de rechter voor organisaties die zich inzetten voor milieubescherming”. X-14.025-10/14 Beoordeling 3.2.1. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Artikel 1, §4 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt het volgende over haar werkingsgebied: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; X-14.025-11/14 - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; - het optreden in rechte voor de administratieve gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. (...)”. 3.2.2. Terzake is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning binnen een niet-vervallen verkaveling. De verzoekende partij geeft zelf in haar verzoekschrift aan dat ze de verkavelingsvergunning die het bouwen van de woning mede moet mogelijk maken, niet heeft aangevochten. Ongeacht de redenen die haar hiertoe hebben genoopt, dient vastgesteld te worden dat die vergunning definitief is en rechten creëert in hoofde van de begunstigden ervan. De bestreden beslissing betreft welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats. Ook al heeft de bestreden vergunning wellicht een aantal gevolgen voor omliggende percelen, toch bestaat er geen band van evenredigheid tussen het actieterrein van de vereniging, enerzijds, en de draagwijdte van de bestreden beslissing, anderzijds. Met betrekking tot de algemene gevolgen die worden geschetst op het vlak van de “overstromingsproblematiek”, mede veroorzaakt door “de klimaatverandering”, wordt niet concreet aannemelijk gemaakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden bouwvergunning tot de beweerde overstromingen zou kunnen leiden. Het zelfde geldt voor de gevreesde gevolgen “met betrekking tot het verlies aan fauna en flora”. X-14.025-12/14 De “druk” op de aanpalende woningen betreft geen belang van de verzoekende vereniging, doch een specifiek belang van de omwonenden. 3.2.3. De verzoekende partij beroept zich tevens op het Verdrag betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst de verzoekende partij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 9.2 van het verdrag luidt als volgt: “2. Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. Artikel 2.5 van het verdrag bepaalt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, X-14.025-13/14 nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van het vermelde verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. 3.2.4. De verzoekende partij doet niet blijken van de vereiste hoedanigheid bij het ingestelde beroep. Noch de verwijzing naar artikel 7bis en artikel 23 van de Grondwet, die eerder verband houden met de grond van de zaak, noch de verwijzing in de laatste memorie naar artikel 6, §1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doen anders besluiten. De exceptie van de verwerende partij is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-14.025-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.