← België

Arrest 208118 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.118 Rolnummer: A. 191313/X-14063 Zaak: Arrest 208118 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-21 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.118 van 13 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.118 van 13 oktober 2010 in de zaak A. 191.313/X-14.063. In zake : 1. Ferdinand VAN DER HAEGEN 2. Irena BOONE 3. Léon VAN HOLDERBEKE 4. Christian VERGAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 LEUVEN Vaartstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN 2. de gemeente MERELBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Eva De Witte kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : 1. de v.z.w. SPORTVERENIGING MELSEN 2. Jacques HULSBOSCH beide bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 februari 2009, strekt tot de nietigverklaring van: X-14.063- 1/33 a. het besluit van 20 november 2008 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 6 “Sportpark Melsen” van de gemeente Merelbeke b. het besluit van 10 september 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Merelbeke waarbij voornoemd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief wordt vastgesteld. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 juni 2009. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stephanie Vanthienen, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen, de heer Klokocka, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Laurent Proot, die loco advocaten Bert Roelandts en Eva De Witte verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. X-14.063- 2/33 Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) nr. 6 “Sportpark Melsen” beoogt de herlokalisatie van het lokale voetbalveld te Melsen, in uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) Merelbeke. In het GRS Merelbeke leest men dienaangaande het volgende: “kaart 26: zoekzone herlokalisatie voetbalveld Melsen Voor de herlocatie van het voetbalveld zijn twee evenwaardige alternatieven mogelijk, namelijk een verplaatsing binnen Melsen direct aansluitend bij de dorpskern en een verhuis naar het toekomstig gemeentelijk sportpark Molenkouter. Het aansnijden van de schaarse open ruimte tussen de dorpskernen en in het samenhangend landbouwgebied is uitgesloten. Ook het behoud op de huidige locatie is niet mogelijk. Het voetbalveld is vandaag gelegen in het BPA Scheldevallei. Voor het behoud van het lokaal voetbalveld dicht bij de kern van Melsen (alternatief 1) werden alle mogelijke locaties aan elkaar afgewogen. Na onderzoek blijkt de omgeving Haerlinckstraat/Warandestraat/Bollaertstraat het meest geschikt te zijn. Het doel is het voetbalveld als kernversterkende functie voor de bewoners van Melsen te behouden, waarbij het lokale karakter een absolute prioriteit is. Dit betekent dat ondersteunende infrastructuren zoals parkeerzones en clubgebouw tot een minimum beperkt blijven en de bereikbaarheid voor voetgangers en fietsers vanuit het centrum optimaal en veilig is. Nieuwe gebouwen met betrekking tot de voetbalactiviteit dienen ingeplant te worden in aansluiting bij de reeds bestaande bebouwing van de genoemde straten. Bij de inrichting van de voetbalvelden wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van de open ruimte richting Makegembossen. Om deze kwaliteiten te vrijwaren wordt bijvoorbeeld het plaatsen van afrasteringen of reclamepanelen rond de voetbalvelden vermeden”. X-14.063- 3/33 Met het bestreden GRUP wordt gekozen voor de inplanting bij de dorpskern Melsen (omgeving Haerlinckstraat/Bollaertstraat/Warandestraat). 3.2. De percelen van de verzoekende partijen zijn gelegen onmiddellijk palend aan of gelegen in het plangebied. 3.3. De plenaire vergadering over het ontwerp van GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen” vindt plaats op 7 februari 2007. 3.4. Bij besluit van 19 december 2007 van de gemeenteraad van de gemeente Merelbeke wordt het betrokken GRUP voorlopig vastgesteld. 3.5. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat georganiseerd werd van 18 januari 2008 tot en met 19 maart 2008, werden 492 bezwaarschriften ingediend. 3.6. Op 13 maart 2008 brengt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een gunstig advies uit. Het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed adviseert het ontwerp GRUP op 14 maart 2008 ongunstig. 3.7. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: GECORO) verleent op 21 mei 2008 haar advies overeenkomstig artikel 49, §5, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). Op 11 augustus 2008 verleent de GECORO een voorwaardelijk advies overeenkomstig artikel 9, §2 DRO. Omtrent de nabijheid van een habitatrichtlijngebied en de passende beoordeling in het licht van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het decreet natuurbehoud), adviseert de GECORO te onderzoeken of een passende beoordeling is vereist en zo ja, hiertoe over te gaan. Rekeninghoudend met dit advies vraagt de gemeente Merelbeke hieromtrent het standpunt van het Agentschap voor Natuur en Bos, dat op 22 augustus 2008 samengevat antwoordt dat het ten gevolge van de uitvoering X-14.063- 4/33 van dit GRUP geen betekenisvolle effecten op het habitatrichtlijngebied verwacht en dat er geen passende beoordeling moet opgemaakt worden. 3.8. Bij het tweede bestreden besluit van 10 september 2008 wordt het GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen” definitief vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Merelbeke. 3.9. Bij het eerste bestreden besluit van 20 november 2008 keurt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen” goed. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van “de motiveringsverplichting om beslissingen in feite en in rechte juist, afdoende en draagkrachtig te motiveren, artikel 2 en 3 van de wet van 29/7/1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, juncto schending van artikel 38§1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en het integratieprincipe vervat in art. 1.2.1 par. 3 Decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid van 5 april 1995”. In dit middel voeren de verzoekende partijen onder verwijzing naar de tekst van het tweede bestreden besluit aan dat, aangezien hierin uitdrukkelijk gesteld wordt dat bepaalde aspecten niet geregeld worden, hieruit volgt dat de stedenbouwkundige voorschriften niet voldoende duidelijk geformuleerd worden en dat dit aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid. Meer bepaald menen de verzoekende partijen dat de regeling inzake geluidshinder, lichthinder, afval, zwerfvuil, veiligheid, de verkeersafwikkeling en de precieze inrichting voor kantine, kleedkamer en vergaderzaal ontbreekt. Ze betogen dat het vanzelfsprekend is dat, gelet op de aard van de activiteiten, de invloed van het X-14.063- 5/33 sportcomplex op de omgeving in het plan zelf wordt overwogen en geëvalueerd, en dat, aangezien de ligging van de gebouwen een wezenlijke impact heeft op het ruimtelijk functioneren van de omgeving, deze niet kan overgelaten worden aan een flexibele invulling die wordt verschoven naar een later proces. Ontvankelijkheid van het middel 4.1.2.1. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het eerste middel onontvankelijk is omdat “niet volledig duidelijk is op welke manier de aangehaalde rechtsregels en beginselen geschonden worden geacht”. 4.1.2.2. Met de tweede verwerende partij dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen nalaten uiteen te zetten in welke zin de bestreden besluiten “het integratieprincipe vervat in art. 1.2.1 par. 3 Decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid van 5 april 1995” zouden geschonden hebben. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 4.1.2.3. Voor wat betreft de overige aangevoerde schendingen, wordt in het verzoekschrift in voldoende begrijpelijke mate uiteengezet welke rechtsregels en rechtsbeginselen geschonden zijn en in welke zin de verzoekende partijen die rechtsregels en rechtsbeginselen geschonden achten door de bestreden besluiten. Voorts blijkt uit de memorie van wederantwoord dat de tweede verwerende partij de draagwijdte van het middel in zoverre heeft begrepen. De exceptie van de tweede verwerende partij dient voor het overige aldus te worden verworpen. Gegrondheid van het middel 4.1.3.1. Luidens het toentertijd geldende artikel 38, §1, eerste lid, 2° DRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan “de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer”. Overeenkomstig artikel 38, §1, tweede lid DRO hebben deze stedenbouwkundige voorschriften, samen met het grafische plan waarop ze betrekking hebben, X-14.063- 6/33 verordenende kracht. Voorts bepaalt het toentertijd geldende artikel 39 DRO onder meer dat stedenbouwkundige voorschriften “van die aard (kunnen) zijn dat ze na verloop van tijd in werking treden of dat de inhoud op een bepaald tijdstip verandert” en dat ze “modaliteiten (kunnen) voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen”. 4.1.3.2. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Dit impliceert onder meer dat stedenbouwkundige voorschriften zoals het bestreden GRUP op voldoende duidelijke wijze moeten worden geformuleerd. Het beginsel van de rechtszekerheid verhindert niet dat stedenbouwkundige voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen de grenzen gesteld door het bevoegdheidsniveau waarop zij dienen te worden vastgesteld, een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning. 4.1.3.3. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 38, §1 DRO, laten de verzoekende partijen na de stedenbouwkundige voorschriften in concreto te betrekken bij de bespreking van het middel, laat staan dat zij aantonen dat de stedenbouwkundige voorschriften vaag en algemeen zouden zijn. Enige schending van artikel 38, §1 DRO is dan ook niet aangetoond. Het louter poneren dat bepaalde aspecten niet geregeld worden, kan daartoe op zich alleszins niet volstaan. 4.1.3.4. De verzoekende partijen kunnen niet gevolgd worden waar zij stellen dat de afwezigheid van een regeling inzake geluidshinder, lichthinder, afval, zwerfvuil, veiligheid, verkeersafwikkeling en de precieze inrichting voor kantine, kleedkamer en vergaderzaal, aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid. Vooreerst dient vastgesteld te worden dat deze stelling gebaseerd is op een selectieve en onvolledige lezing van de bespreking van de bezwaarschriften door de GECORO, zoals overgenomen in het tweede bestreden besluit. X-14.063- 7/33 Zo vermeldt het advies van de GECORO, evenals het bestreden besluit, met betrekking tot een bezwaar in verband met geluidshinder niet enkel dat “ruimtelijke ordening (…) een facetwetgeving (is), wat maakt dat de geluidshinder niet kan worden geregeld in het kader van een ruimtelijk uitvoeringsplan”, zoals de verzoekende partijen citeren, maar ook dat “overige maatregelen die kunnen genomen worden tegen geluidshinder (bv. overeenkomst tussen voetbalploeg en gemeente) (…) niet op te nemen (zijn) onder de vorm van stedenbouwkundige voorschriften, maar moeten worden geregeld in het raam van de handhaving van overige normerende regelgeving”. Ook met betrekking tot het antwoord op een bezwaar omtrent afval en zwerfvuil is de lezing van de verzoekende partijen onvolledig. Dienaangaande stelt de GECORO: “Het onderhoud en de problematiek omtrent zwerfvuil maakt niet het voorwerp uit van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Hierop is het afvaldecreet (2 juli 1981) van toepassing en de aldaar bepaalde handhaving, alsmede andere normerende bepalingen”. Wat betreft een bezwaar met betrekking tot de verkeersafwikkeling, luidt het antwoord van de GECORO als volgt: “Er wordt, door de ontwerper, een maximale toevloed van 125 wagens geschat per wedstrijd van de eerste ploeg thuis (1x om de 2 weken). Geschat wordt dat ¾ van de bezoekers (parallel aan de verdeling van de spelers over de naburige gemeenten) die met de wagen komen vanaf de Gaversesteenweg het sportterrein zullen bereiken. Dit betekent dat een 30-tal wagens via een andere weg (Haerlinckstraat, Makkegemstraat, Bosstraat, Boterhoekstraat, Wassemstraat) het terrein zullen bereiken. Rekening houdend met het heen en terug rijden betekent dit 60 voertuigbewegingen. Dit kan men niet als een overlast beschouwen die beperkende maatregelen vereisen, op te nemen in een ruimtelijk uitvoeringsplan”. Voorts tonen de verzoekende partijen niet aan dat de vaststelling in het advies van de GECORO dat de buurtveiligheid (vandalisme) geen facet is van de ruimtelijke ordening en niet kan worden opgenomen in stedenbouwkundige voorschriften, manifest onredelijk zou zijn of tot rechtsonzekerheid aanleiding zou geven. Ook het feit dat niet wordt vastgelegd hoe de ruimtes (kantine, kleedkamer, vergaderruimte, opslagruimte) worden verdeeld en waaromtrent de X-14.063- 8/33 GECORO stelt dat hierbij enige flexibiliteit mogelijk is, komt niet als manifest onredelijk voor en is niet van aard aanleiding te geven tot rechtsonzekerheid. Aldus tonen de verzoekende partijen niet aan dat datgene wat niet geregeld wordt, als een dermate fundamentele optie diende beschouwd te worden dat het niet regelen ervan tot rechtsonzekerheid aanleiding zou geven. 4.1.3.5. Ten slotte leiden de verzoekende partijen uit de door hen geciteerde passages uit het advies van de GECORO verkeerdelijk af dat de invloed van het geplande sportcomplex op de omgeving niet onderzocht zou geweest zijn. In de toelichtingsnota wordt immers uiteengezet in welke diverse maatregelen voorzien wordt om tot een ruimtelijke inpassing te komen: “Ruimtelijke inpassing via diverse maatregelen Vermits we op de overgang van de kern naar de open ruimte zitten, is een gepaste ruimtelijke inkadering noodzakelijk. Hieromtrent werden volgende inrichtingsmaatregelen genomen: - Het sportterrein wordt in twee delen opgesplitst met elk hun eigen karakter. De Schragebeek vormt de grens tussen beide delen. Ten noorden van de Schragebeek, aansluitend op het woonlint komen alle harde infrastructuren zoals parking, kantine, kleedkamers, reclameborden,... . De infrastructuren op het zuidelijke deel worden beperkt tot de strikt noodzakelijke met name tot enkel die constructies die nodig zijn voor de sportactiviteiten (bvb. doelen, dug-out, afrastering, dug-out maar geen gebouwen, parking, reclame). Op die manier wordt de impact op de open ruimte beperkt. - Rondom het noordelijk deel van het terrein wordt een buffer aangelegd. Deze buffer zal een minimum breedte hebben van 5m maar rondom de harde infrastructuren zal de buffer een breedte hebben van 10 meter. Deze buffer is noodzakelijk omdat in het noordelijk deel zich de meeste infrastructuren en constructies bevinden en omdat zo de hinder naar omwonenden toe zo beperkt mogelijk gehouden wordt. - Rondom het zuidelijk deel zal geen buffer aangelegd worden omdat zich hier geen constructies of gebouwen bevinden en omdat anders geen twee volwaardige oefenvelden kunnen aangelegd worden. Het GRS (zie kaart) (g)eeft bovendien aan dat vanuit de woonwijk van Melsen de zichtrelatie richting open ruimte behouden dient te blijven. Een buffer rondom het zuidelijke deel van het sportterrein zou dit onderbreken. - De bebouwing wordt gegroepeerd aansluitend op het woonlint. De kantine en de kleedkamers zullen geïntegreerd worden in één gebouw. Het gebouw ligt niet langs de straat maar er is wel voor gezorgd dat het gebouw binnen de achterste grens van de bebouwde percelen ligt zodat de open ruimte niet verder X-14.063- 9/33 versnipperd wordt. Er wordt voor dergelijke configuratie gekozen omwille van volgende redenen: ▪ De nieuwe gebouwen dienen aan te sluiten bij minimum één speelterrein. Indien ze langs de straatzijde worden opgericht betekent dit dat de parking tussen de gebouwen en het speelveld komt te liggen. Dit is niet wenselijk. ▪ De gebouwen langs de Haerlinckstraat voorzien en de parking aanleggen langs de lengterichting van het veld is vanuit het ontwerp en technisch aspect minder efficiënt. ▪ De parking dient aansluitend op de Haerlinckstraat voorzien te worden. Deze weg vormt immers de meest geschikte ontsluitingsweg (beter dan de Bollaertstraat of Moelinckxveld). ▪ Op die manier is het noodzakelijk de bebouwing naar achteren op te richten. De bebouwing ligt echter nog binnen de achterste grens van de nabijgelegen bebouwde percelen. Via een voldoende ruime buffer wordt de hinder voor bewoners sterk beperkt”. Ook deze stelling van de verzoekende partijen kan derhalve niet worden bijgetreden. 4.1.3.6. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.2.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het beginsel van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel en art. 2, art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, juncto schending van de motiveringsverplichting om beslissingen in feite en in rechte juist, afdoende en draagkrachtig te motiveren”. Meer bepaald betogen de verzoekende partijen dat het eerste bestreden besluit ter verantwoording voor de drie speelterreinen verwijst naar Bloso-normen, daar waar uit de toelichtingsnota blijkt dat er geen Bloso-normen bestaan, zodat er in casu sprake zou zijn van een onzorgvuldige besluitvorming, minstens van een motivering die “contradictorisch, intern tegenstrijdig” is. X-14.063- 10/33 Beoordeling 4.2.2.1. De door de verzoekende partijen in dit middel geviseerde passage uit het eerste bestreden besluit luidt als volgt: “Overwegende dat in de toelichtingsnota aangetoond wordt dat er drie terreinen voor de voetbal nodig zijn, dat dit gemotiveerd wordt op basis van normen die worden voorgesteld door BLOSO en rekeninghoudend met het aantal spelers en uren training en wedstrijden per seizoen waarbij er in verantwoorde omstandigheden (o.m. blijvende grasmat, voldoende spreidingsmogelijkheid in tijd en ruimte) moet kunnen gespeeld worden gedurende het ganse seizoen, dat tevens gesteld wordt dat spreiding van de trainingen mogelijk is bij 3 terreinen, dat de oefenterreinen meer oefenmogelijkheden bieden, dat meer gelijktijdige trainingscombinaties mogelijk zijn, dat de terreinen nodig zijn voor het verder zetten van de club”. In de toelichtingsnota leest men dienaangaande: “Nood aan extra voetbalterreinen Om een goed inzicht te krijgen hoeveel terreinen noodzakelijk zijn voor de voetbalclub werd gezocht naar geschikte normen voor het gebruik van voetbalterreinen : - er werd gevraagd om zich te richten op normen van het Bloso. Navraag bij het Bloso leert dat er op dit ogenblik geen Blosonormen zijn voor de maximale bespeelbaarheidsduur/- frequentie van voetbalvelden. Bloso stelt dat een theoretische norm zou kunnen zijn voor een maximale bespeelbaarheid : 8uur/week. Dit betekent op seizoensbasis (36 weken) ongeveer 288 uur/jaar. - De Nederlandse norm spreekt van 240 uur/jaar voor competitiegebruik bij zeer goed aangelegde en perfect onderhouden velden. In dit geval moeten ook nog alle andere gebruiksvormen bijgeteld worden : trainingen, oefenmatchen, tornooien, gebruik door scouts ... - De sportdienst van de gemeente Merelbeke geeft aan dat zij uit ervaring weten dat één wedstrijdterrein nodig is en twee oefenvelden/jeugdwedstrijdvelden voor de sportbeoefening nodig zijn in Melsen”. 4.2.2.2. Aldus blijkt uit de bestreden besluiten dat geen “Blosonormen” voorhanden zijn, maar dat Bloso een voorstel deed van een wijze waarop de gevraagde norm zou kunnen berekend worden. Tevens blijkt dat de verantwoording waarom drie terreinen nodig zijn, niet enkel gesteund werd op dit voorstel van Bloso, maar dat ook rekening werd gehouden met andere aspecten. X-14.063- 11/33 De argumenten van de verzoekende partijen in dit tweede middel zijn derhalve niet van aard enige tegenstrijdige motivering of een onzorgvuldige besluitvorming aan te tonen. 4.2.2.3. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.3.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van “de motiveringsverplichting, het gebrek aan feitelijke, juiste, afdoende en draagkrachtige motieven, art. 2, art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen art. 49 §4-6 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening”. Ze voeren aan dat “verscheidene van de in het kader van het openbaar onderzoek aangevoerde bezwaren niet of niet-pertinent beantwoord zijn” en dat “er (…) geen afdoende weerlegging van het bezwaar van verzoekers (is), meer nog de bestreden besluiten geven uitdrukkelijk te kennen de betrokken bezwaren voor zich uit te schuiven en niet in dit kader te willen oplossen”. Beoordeling 4.3.2.1. In de uiteenzetting van het middel beperken de verzoekende partijen zich er toe een opsomming te geven van de bezwaren die zij hebben geformuleerd, om vervolgens te poneren dat er geen afdoende weerlegging van deze bezwaren voorhanden is. De verzoekende partijen betrekken echter nergens op concrete wijze de beantwoording van de bezwaren door de GECORO bij deze uiteenzetting en laten evenzeer na aan te tonen in welk opzicht dit antwoord van GECORO niet afdoende zou zijn. Het komt niet aan de Raad van State toe de ingediende bezwaarschriften zelf te onderzoeken en na te gaan op welke punten het antwoord van de GECORO in dit verband al dan niet afdoende zou zijn. X-14.063- 12/33 Waar de verzoekende partijen nog stellen dat “de bestreden besluiten (…) uitdrukkelijk te kennen (geven) de betrokken bezwaren voor zich uit te schuiven en niet in dit kader te willen oplossen”, kan verwezen worden naar de bespreking van het eerste middel. 4.3.2.2. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 4.4.1. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 27, §1 van het gemeentedecreet, doordat twee raadsleden aan de bespreking/stemming van het tweede bestreden besluit van 10 september 2008 hebben deelgenomen ondanks hun rechtstreeks belang. Meer bepaald stellen ze dat de heer DE KEUKELAERE, schepen en gemeenteraadslid, die blijkens het verslag heeft deelgenomen aan de stemming, lid is van het hoofdbestuur van de vzw. Melsen, in wiens belang het bestreden GRUP werd opgesteld. Voorts betogen ze dat de heer DEBRUYN, gemeenteraadslid, “tevens aanwezig (was) bij het begin van de bespreking en (…) de vergadering (pas) verlaten (heeft) na enige tijd”, hoewel hij “persoonlijk belangen in de zaak heeft, minstens kan hebben, gelet op het feit dat hij openlijk zijn betrokkenheid bij de werking van de club erkende en uitdrukkelijk pleitte voor de goedkeuring van het RUP”. De verzoekende partijen besluiten dat “het feit dat zij deel hebben genomen aan de stemming en blijk hebben gegeven van hun persoonlijk belang (…) voldoende (

  1. is)om het gemeenteraads- en het goedkeuringsbesluit aan te tasten”. In de memorie van wederantwoord preciseren de verzoekende partijen nog dat uit het verslag van de vergadering, dat de verzoekende partijen als stuk 8 bijbrengen, zeer duidelijk blijkt dat de heer Freddy DE KEUKELAERE en de heer Gaston DE BRUYN aanwezig waren bij het begin van de bespreking en pas na enige tijd de vergadering verlaten hebben en dat het stuk dat de tweede verwerende partij dienaangaande bijbrengt, niet overeenstemt met het door hen bijgebrachte stuk, doch dat dit stuk van de tweede verwerende partij slechts een X-14.063- 13/33 verkorte versie van het verslag betreft, zodat “blijkt dat de heer Freddy De Keukelaere wel heeft deelgenomen aan de bespreking”. Beoordeling 4.4.2.1. Het vierde middel is opgebouwd vanuit de onjuiste premisse dat Freddy DE KEUKELAERE en Gaston DE BRUYN deelgenomen hebben aan de stemming. Het uittreksel uit de notulen van de gemeenteraad van 10 september 2008 met betrekking tot het definitief vaststellen van voorliggend GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen”, zoals gevoegd in de administratieve dossiers van de verwerende partijen, geeft aan dat Freddy DE KEUKELAERE en Gaston DE BRUYN afwezig waren op de zitting van 10 september 2008. Het stuk 8 gevoegd bij het verzoekschrift, zijnde de notulen van de zitting van 10 september 2008, geeft eveneens aan dat Freddy DE KEUKELAERE en Gaston DE BRUYN het debat verlaten hebben na de inleiding van het agendapunt met betrekking tot de definitieve vaststelling van het betrokken GRUP. Het middel maakt geen onderscheid tussen deelneming aan de bespreking en aan de stemming. Het toont derhalve niet aan dat het tweede bestreden besluit onwettig is, alleen omdat de betrokkenen nog aanwezig waren bij de inleiding van het agendapunt. 4.4.2.2. Het vierde middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 4.5.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending van “artikel 9§2, artikel 49§5 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, juncto art. 2, art. 3 van de X-14.063- 14/33 wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, juncto de motiveringsverplichting, het gebrek aan feitelijke, juiste, afdoende en draagkrachtige motieven”. In dit middel voeren de verzoekende partijen aan dat uit de tekst van het eerste bestreden besluit blijkt dat in een eerste zitting van de GECORO tien binnengekomen bezwaarschriften niet werden behandeld, wat het advies en de daaruit volgende besluiten onwettig maakt, en dat de behandeling van deze tien niet behandelde bezwaarschriften in een latere zitting van de GECORO evenzeer onwettig is, nu het decreet een behandelingstermijn van 90 dagen na het sluiten van het openbaar onderzoek voorziet. Voorts betogen ze dat “verder in het Besluit de (eerste) verwerende partij blijkt in te zien dat dit niet kan en een andere wettelijke basis tracht te zoeken voor de ‘tweede’ behandeling van de bezwaarschriften”, doch dat “het feit dat ‘de 10 niet behandelde bezwaarschriften’ werden behandeld op grond van de algemene raadgevende bevoegdheid van de Gecoro hieraan geen afbreuk doet”. Ze voeren aan dat de motivering van de bestreden besluiten “onduidelijk en alleszins intern tegenstrijdig” is, nu “vooreerst wordt gesteld dat in het tweede advies van de gecoro ‘10 bezwaarschriften die in het advies van 21 mei 2008 niet werden behandeld nu wel worden behandeld’, terwijl in de volgende paragraaf het tweede advies niet meer wordt beschouwd als een aanvulling van het eerste advies, maar genomen zou zijn op de algemene bevoegdheid van artikel 9§2 van het decreet”. Volgens de verzoekende partijen is dergelijke motivering “verwarringstichtend, tegenstrijdig, onduidelijk en aldus een duidelijke schending van de motiveringsplicht”. Beoordeling 4.5.2.1. Het toentertijd geldende artikel 49, §5 DRO luidde als volgt: “De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de gemeenteraad. Dat advies bevat de integrale adviezen van de bestendige deputatie en het agentschap. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening het college van X-14.063- 15/33 burgemeester en schepenen de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren. Wanneer de gemeentelijke commissie voor ruimtelijk ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerking en bezwaren aan de gemeenteraad”. Artikel 9, §2 DRO bepaalt wat volgt: “Naast de opdrachten die de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening heeft ingevolge dit decreet, kan ze advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen over alle aangelegenheden met betrekking tot de gemeentelijke ruimtelijke ordening, op eigen initiatief of op verzoek van het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad”. 4.5.2.2. In het middel leveren de verzoekende partijen kritiek op de volgende passage uit het eerste bestreden besluit: “Gelet op (...) de stukken van het openbaar onderzoek dat gehouden werd van 18 januari 2008 tot en met 19 maart 2008, en waarbij 492 bezwaarschriften werden ingediend, (...) het advies van de gecoro van 21 mei 2008 (...), het advies van de gecoro van 11 augustus 2008 waar 10 bezwaarschriften die in het advies van 21 mei 2008 niet werden behandeld nu wel worden behandeld, op verzoek van de gemeenteraad, (...); Overwegende dat het advies van de gecoro van 11 augustus 2008 geen aanvulling is van het advies van 21 mei 2008, maar een advies als raadgever aan de gemeenteraad zoals art. 9,§ 2 van het bovenvermeld decreet mogelijk maakt, dat het de gemeenteraad aan de hand van dit advies van de gecoro, de 10 niet behandelde bezwaarschriften behandelde in het gemeenteraadsbesluit van 10 september 2008.” 4.5.2.3. De verzoekende partijen voeren vooreerst aan dat de 10 bezwaarschriften niet meer konden behandeld worden in het advies van de GECORO van 11 augustus 2008, nu de termijn zoals voorzien in artikel 49, §5 DRO daartoe verstreken was. Uit het hiervoor weergegeven citaat uit het eerste bestreden besluit blijkt dat dit tweede advies van 11 augustus 2008 niet verleend werd in het kader van artikel 49, §5 DRO, maar wel overeenkomstig artikel 9, §2 DRO. Dit blijkt overigens ook met zoveel woorden uit het advies van 11 augustus 2008 van de GECORO zelf, waarin het volgende wordt gesteld: X-14.063- 16/33 “Op vraag van de gemeenteraad wordt de GECORO gevraagd om in toepassing van artikel 9, §2 DRO de bundeling, coördinatie en bespreking van het ruimtelijk uitvoeringsplan nummer 6 ‘Sportpark Melsen’ te hernemen. Reden hiervoor is dat 10 bezwaren zijn blijven liggen op de dienst raad en college en hierdoor niet zijn behandeld door de GECORO, doch waarvan de gemeenteraad heeft vastgesteld dat deze tijdens het openbaar onderzoek tijdig werden afgegeven tegen ontvangstbewijs op de diensten van de gemeente. (…) ‘Artikel 9, § 2, DRO, bepaalt een algemene bevoegdheid van de GECORO. Op grond van deze bepaling kan de GECORO, naast de opdrachten die zij heeft ingevolge het DRO, advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen ‘over alle aangelegenheden met betrekking tot de gemeentelijke ruimtelijke ordening, (...) op verzoek van (...) de gemeenteraad’. Binnen het raam van deze bepaling, acht de GECORO zich bevoegd, om als technisch adviesorgaan en deskundige-raadgeefster van de gemeenteraad inzake de gemeentelijke ruimtelijke ordening, uitspraak te doen over de tien bezwaarschriften die de Gecoro - blijkbaar ten onrechte - niet onderzocht heeft in haar advies dd. 21 mei 2008. Het voorliggend advies gegeven op grond van artikel 9, § 2, DRO, kan evenwel niet worden beschouwd als (een aanvulling van) het advies uitgebracht in het raam van het openbaar onderzoek (art. 49, § 5, eerste lid, DRO), maar enkel als een advies verstrekt als raadgeefster aan de gemeenteraad inzake een aangelegenheid mbt. de gemeentelijke ruimtelijke ordening. Dit impliceert dat de gemeenteraad de niet door de GECORO in haar advies uitgebracht op 21 mei 2008, onderzochte opmerkingen en bezwaren moet bundelen, onderzoeken en beoordelen in haar definitieve vaststellingsbesluit (…). Aldus wordt dit vormgebrek tijdig hersteld”. Van enige schending van artikel 49, §5 DRO, zoals aangevoerd door de verzoekende partijen, kan dan ook geen sprake zijn, nu er uitdrukkelijk geen toepassing van gemaakt werd. Anderzijds tonen de verzoekende partijen geenszins aan dat de toepassing die in casu gemaakt werd van artikel 9, §2 DRO onwettig zou zijn. Het feit dat in het eerste bestreden besluit verwezen wordt naar “het advies van de gecoro van 11 augustus 2008 waar 10 bezwaarschriften die in het advies van 21 mei 2008 niet werden behandeld nu wel worden behandeld, op verzoek van de gemeenteraad”, brengt, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden en rekeninghoudend met de verduidelijking die dienaangaande uitdrukkelijk gegeven wordt in het eerste bestreden besluit, niet met zich dat er van enige onduidelijke en intern tegenstrijdige motivering in de bestreden besluiten sprake zou zijn. Het betoog van de verzoekende partijen dat X-14.063- 17/33 de motivering van het eerste bestreden besluit “verwarringstichtend, tegenstrijdig, onduidelijk en aldus een duidelijke schending van de motiveringsplicht” is, mist dan ook elke grondslag. 4.5.2.4. Voor zover het middel in die zin zou dienen gelezen te worden dat het bestreden GRUP onwettig is nu de GECORO 10 bezwaren niet behandeld heeft overeenkomstig artikel 49, §5 DRO, dient vastgesteld te worden dat het loutere feit dat de GECORO bezwaren niet onderzocht of behandeld zou hebben overeenkomstig deze bepaling, op zich het bestreden plan niet onwettig maakt. Vooreerst dient er op gewezen te worden dat artikel 49, §5 zelf stelt dat bij stilzwijgen binnen de in dit artikel voorziene termijn, aan de adviesvereiste voorbij mag gegaan worden. Tevens is alleszins aan de verplichting om de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren te onderzoeken en te beantwoorden voldaan, nu de betrokken bezwaarindieners in de tekst van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen”, een antwoord op hun bezwaar kunnen vinden. Ook dit middelonderdeel, al aangenomen dat het in die zin kan gelezen worden, is derhalve niet van aard de onwettigheid van het betrokken GRUP aan te tonen. 4.5.2.5. Het vijfde middel is niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 4.6.1. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending van “artikel 36ter Decreet op het Natuurbehoud, juncto art. 2, art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, juncto de motiveringsverplichting, het gebrek aan feitelijke, juiste, afdoende en draagkrachtige motieven, art. 6.3.3. Habitatrichtlijn”. In dit middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn in het licht van artikel 36ter van het decreet X-14.063- 18/33 natuurbehoud, nu de mogelijke nadelige effecten van de lichthinder, de toenemende verkeersstroom en het wegvallen van de corridorfunctie op de lokale en omliggende natuurwaarden niet onderzocht of geëvalueerd werden. Ze preciseren dat, hoewel de aanleg van de geplande sportinfrastructuur zich net buiten de afbakening van het Habitatrichtlijngebied “Bossen van het zuidoosten van de zandleemstreek” (de Makegemse bossen) situeert, de verplichting tot de opmaak van een passende beoordeling wel degelijk ook op voorliggend GRUP van toepassing is, aangezien de impact ervan duidelijk zal reiken tot in het voormelde Habitatrichtlijngebied. Meer bepaald verwijzen de verzoekende partijen met betrekking tot de corridorfunctie naar de Vogelrichtlijnsoorten middelste bonte specht en wespendief die gebruik maken van de open ruimte omheen de Makegemse bossen. Tevens verwijzen ze naar de negatieve impact die de bijkomende verlichting van de geplande inrichting kan hebben op de aanwezige vleermuizen en de rijke gemeenschap van ongewervelde dieren, mossen en fungi, en naar de negatieve invloed van de toenemende verkeersintensiteit op de populatie van de kamsalamander. Ze voegen er aan toe dat de passende beoordeling niet enkel betrekking dient te hebben op effecten die met zekerheid zullen optreden, maar dat ook de kans op deze effecten van belang is en dat de bewijslast van de afwezigheid van significante effecten bij de initiatiefnemer ligt. Beoordeling 4.6.2.1. Artikel 36ter, §3, eerste lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het decreet natuurbehoud) bepaalt wat volgt: “§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone”. X-14.063- 19/33 Artikel 2, 30° van het decreet natuurbehoud definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
  2. en)of de habitat(
  3. s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
  4. en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. 4.6.2.2. In haar advies van 11 augustus 2008 adviseerde de GECORO de gemeenteraad te onderzoeken “of een passende beoordeling is vereist en zo ja, hiertoe over te gaan”. Naar aanleiding hiervan bracht het Agentschap voor Natuur en Bos op 22 augustus 2008 volgend advies uit: “Het RUP nr 6 ‘Sportpark Melsen’ ligt in de omgeving, op ongeveer 250 meter, van het habitatrichtlijngebied ‘bossen van het zuidoosten van de Zandleemstreek’ BE 2300044-1, met name de Makegemse Bossen. Het sportpark wordt voorzien in een gebied dat volgens het gewestplan een agrarische bestemming heeft. Volgens de biologische waarderingskaart is het gebied tussen het sportpark en de Makegemse bossen biologisch minder waardevolle akkers en zijn er ook geen of nauwelijks kleine landschapselementen aanwezig. Vleermuizen gebruiken dikwijls lijnvormige kleine landschapselementen als vliegroute tussen hun kolonie en fourageergebied. De bomenrijen of houtkanten (…) (ontbreken) in het tussengebied, zodat er geen geschikt(
  5. e)biotoop of vliegroute aanwezig is voor vleermuizen. Door de uitvoering van het plan verwacht men dan ook geen betekenisvol effect op het leefgebied van de vleermuizen. In de Makegemse Bossen is een populatie kamsalamanders aanwezig. Deze salamanders planten zich voort in poelen en overwinteren in mozaieklandschappen, met struwelen, houtkanten, graslanden... De populatie bevindt zich op meer dan één kilometer afstand van het sportpark, waarbij het agrarisch gebied nabij het sportpark geen geschikt biotoop is voor de kamsalamander. Omwille van bovenstaande redenen verwacht het Agentschap voor Natuur en Bos ten gevolge van de uitvoering van dit ruimtelijk uitvoeringsplan geen betekenisvolle effecten op het habitatrichtlijngebied en moet er geen passende beoordeling opgemaakt worden.” Na een integrale weergave van dit advies in het tweede bestreden besluit, komt de gemeenteraad van Merelbeke tot de conclusie dat X-14.063- 20/33 “gezien hun deskundigheid de gemeenteraad moet aannemen dat er bijgevolg geen passende beoordeling nodig is”. 4.6.2.3. Het betrokken gebied is niet gelegen in een beschermde zone. Uit het voorgaande blijkt dat de door de verzoekende partijen voorgehouden impact van de geplande inrichting op het habitatrichtlijngebied wel degelijk werd onderzocht, doch dat er op basis van het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos geoordeeld werd dat geen passende beoordeling nodig was, nu er geen betekenisvolle effecten op het habitatrichtlijngebied werden verwacht. De argumenten van de verzoekende partijen, die eerder opportuniteitskritiek betreffen, zijn niet van aard aan te tonen dat het voormelde oordeel, gesteund op het wetenschappelijk advies van het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, onterecht is. Voorts is het niet de taak van de Raad van State om, in het kader van de wettigheidstoetsing van de bestreden besluiten, de juistheid of de onjuistheid van dit advies te beoordelen. 4.6.2.4. Het zesde middel is ongegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 4.7.1. In een zevende middel voeren de verzoekende partijen de strijdigheid met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen aan (hierna: RSV), zoals definitief vastgesteld bij besluit van 23 september 1997 van de Vlaamse regering, evenals de schending van artikel 19, §3 DRO. De verzoekende partijen doen vooreerst gelden dat het GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen” in strijd is met het principe van het RSV dat stelt dat “enkel in de stedelijke gebieden, de stedelijke netwerken en die gebieden die in het provinciaal ruimtelijk structuurplan als toeristisch recreatief knooppunt of netwerk van primair belang zijn aangeduid, nieuwe toeristische en recreatieve voorzieningen met bijkomend ruimtegebruik mogelijk zijn”. Voorts voeren ze aan dat “ook de benadering die in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen naar X-14.063- 21/33 voor wordt geschoven voor het buitengebied” in het betrokken GRUP met de voeten wordt getreden. Daartoe citeren ze enkele passages uit de “algemene benadering” en de “doelstellingen” van het buitengebied in het RSV. Ze stellen dat een “zeer flagrante aanfluiting van het RUP 6 ‘Sportpark Melsen’ met de bepalingen die in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen over het buitengebied worden vooropgesteld” terug te vinden is in “2.7 waar het RSV het heeft over het bufferen van de natuurfunctie in het buitengebied”. Meer bepaald betogen de verzoekende partijen dat “het aansnijden van een open en ongeschonden zichtas op een Habitatrichtlijngebied (…) in strijd (
  6. is)met het beginsel van een oordeelkundige lokalisatie van andere beleidscategorieën” en dat “de natuurfunctie die van de Makegemse bossen uitgaat, (…) op deze manier geenszins gebufferd (wordt) maar (…) net tenietgedaan (wordt) door de geplande sportinfrastructuur”. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat er een strijdigheid bestaat “op het niveau van de inplanting van de toeristisch-recreatieve infrastructuur”, nu in de toelichtingsnota van het betrokken GRUP wordt gesteld dat de geplande aanleg van Sportpark Melsen als een laag-dynamische toeristische recreatieve infrastructuur kan worden beschouwd, “terwijl het gaat om de aanleg van 1.025 m² bebouwde ruimte, parkeerruimte voor 125 wagens, de aanleg van drie nieuwe voetbalvelden, alle gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied”. Ze wijzen op de “huidige bezettingsgraad” en menen dat “een dergelijk intensief ruimtebeslag van 3 ha 61 a 44 ca met een verwachte aanvoer van 125 wagens” niet onder “laag-dynamische toeristische recreatieve infrastructuur” valt. Volgens de verzoekende partijen is het dan ook duidelijk dat het Sportpark Melsen niet in het buitengebied kan worden ingeplant. Beoordeling 4.7.2.1. Ter ondersteuning van hun stelling dat de inplanting van het betrokken sportpark in het buitengebied ingaat tegen de principes van het RSV, verwijzen de verzoekende partijen onder meer op algemene wijze naar de algemene doelstellingen voor het buitengebied zoals weergegeven in het RSV. Daarbij gaan de verzoekende partij echter voorbij aan het feit dat het RSV ook expliciet de “(7.) Ontwikkelingsperspectieven voor de andere functies van het buitengebied” behandelt en zelfs voorziet in “(7.1.2.) X-14.063- 22/33 Ontwikkelingsperspectieven voor toeristisch-recreatieve infrastructuur in het buitengebied”. De loutere verwijzing naar de doelstelling van het buitengebied, om daaruit te besluiten dat het voorliggend plan hiermee strijdig is, gaat dan ook niet op, nu het RSV uitdrukkelijk de mogelijkheden erkent die het buitengebied biedt aan toerisme en recreatie. Dit onderdeel van het middel is derhalve niet van aard de strijdigheid van het bestreden besluit met het RSV aan te tonen. 4.7.2.2. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar de specifieke bepalingen in het RSV met betrekking tot de ontwikkelingsperspectieven voor toeristisch-recreatieve infrastructuur in het buitengebied en naar de toelichtingsnota van het bestreden GRUP waarin onder meer besloten wordt dat “de aanleg van voetbalterrein voor een lokale club kan beschouwd worden als een laag-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur”. Het RSV stelt dienaangaande: “Ontwikkelingsmogelijkheden voor toeristisch-recreatieve infrastructuur in het buitengebied Indien men de structuurbepalende functies van het buitengebied wil vrijwaren, kan de toeristisch-recreatieve infrastructuur er slechts op een specifieke manier aanwezig zijn. De aard en het type van de infrastructuur zelf zijn hierbij van belang. De ontwikkelingsmogelijkheden van de toeristisch-recreatieve infrastructuur zullen immers worden bepaald door de positie ervan binnen en de impact ervan op de natuurlijke en de agrarische structuur. Teneinde de impact van bepaalde toeristisch-recreatieve infrastructuren ten opzichte van het buitengebied te kunnen inschatten, wordt er op basis van de categorieën ‘toerisme en recreatie’ en de subcategorieën ‘verblijf’ en ‘dag’ een onderscheid gemaakt tussen hoog- dynamische en laag-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur. Dit onderscheid geeft de relatie aan die er bestaat tussen de toeristisch- recreatieve infrastructuur in kwestie en de omliggende onderdelen van het buitengebied en spreekt zich in die zin uit over de belasting van deze laatste in functie van haar draagkracht. Onder hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt die infrastructuur verstaan die omwille van haar intrinsieke aard, in haar onmiddellijke omgeving sterke veranderingen en dynamiek teweegbrengt in de wijze van functioneren van de bestaande ruimtelijke en sociaal- economisch structuur en daardoor in belangrijke mate het bestaande ruimtegebruik wijzigt (bijvoorbeeld door een sterk geconcentreerd voorzieningenpakket of één grote voorziening op één plaats, door de aanwezigheid van een grote groep mensen per oppervlakte-eenheid,...). X-14.063- 23/33 Laag-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur daarentegen, betreft infrastructuur die omwille van haar intrinsieke aard, in haar onmiddellijke omgeving eerder beperkte veranderingen teweegbrengt in de bestaande ruimtelijke en sociaal-economische structuur en in het bestaande ruimtegebruik. Wat betreft bestaande hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur en de wildgroei van hinderlijke vormen van sport en recreatie (lawaai) in het buitengebied, gelden strikte locatie- en uitbreidingsvoorwaarden én moet de bestaande infrastructuur gelegen zijn in een gebied wat in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen aangeduid wordt als toeristisch-recreatief knooppunt of netwerk van toeristisch-recreatief belang. Nieuwe hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur is slechts onder strikte voorwaarden mogelijk in het buitengebied. Nieuwe hoog- dynamische infrastructuur in het buitengebied kan ingeplant worden, binnen de specifieke randvoorwaarden gesteld door de structuurbepalende functies natuur, bos, landbouw én wanneer de beoogde infrastructuur gelegen is in een gebied wat in provinciale en gemeentelijke structuurplannen aangeduid wordt als zone van primair toeristisch belang. De lokalisatie van bijkomende hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur kan onderzocht worden in de voor natuur, landbouw en bos belangrijke gebieden op voorwaarde dat: – de reële behoefte aan de hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur in een ruime omgeving (in het stedelijk netwerk, in het stedelijk gebied, ...) aangetoond wordt; – de schaal van de hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur aansluit bij de schaal van het landschap; – de hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur een ruimtelijke meerwaarde betekent voor de natuurfunctie, de landbouwfunctie en/of de bosfunctie; – de hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur de structuur en de functie van de structuurbepalende component niet aantast op gewestelijk niveau. Het is de bedoeling de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te garanderen, zonder het functioneren van de structuurbepalende functies van het buitengebied, landbouw, natuur, bos, en wonen en werken aan te tasten. Op deze wijze blijft het buitengebied gevrijwaard voor haar structuurbepalende functies en wordt de versnippering door bebouwing en toeristisch-recreatieve infrastructuren tegengegaan. Een aantal verzorgende activiteiten, zoals bijvoorbeeld een kwaliteitsvol logiesaanbod,wordt hierbij het best geconcentreerd in de kernen van het buitengebied”. In de toelichtingsnota bij het bestreden GRUP wordt dienaangaande het volgende gesteld: X-14.063- 24/33 Type Inhoudelijke elementen Ruimtelijk Structuurplan De gemeente Merelbeke ligt deels in stedelijk Vlaanderen gebied en deels in het buitengebied. De deelkern Melsen is gelegen in het buitengebied.(…). Het (23/09/1997) RSV erkent de mogelijkheden die het buitengebied biedt aan toerisme en recreatie. De ontwikkelingsmogelijkheden van de toeristisch-recreatieve infrastructuur zullen echter worden bepaald door de positie ervan binnen en de impact ervan op de natuurlijke en agrarische structuur. Teneinde de impact van bepaalde toeristisch-recreatieve infrastructuren op het buitengebied te kunnen inschatten, wordt er op basis van de categorieën ‘toerisme en recreatie’ en de subcategorieën ‘verblijf’ en ‘dag’ een onderscheid gemaakt tussen hoogdynamische en laagdynamische toeristisch- recreatieve infrastructuur. Dit onderscheid geeft de relatie aan die bestaat tussen de toeristisch- recreatieve infrastructuur in kwestie en de omliggende onderdelen van het buitengebied en spreekt zich in die zin uit over de belasting van deze laatste in functie van haar draagkracht. Onder hoog-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt die infrastructuur verstaan die omwille van haar intrinsieke aard, in haar onmiddellijke omgeving sterke veranderingen en dynamiek teweegbrengt in de wijze van functioneren van bestaande ruimtelijke en sociaal-economische structuur en daardoor in belangrijke mate het bestaande ruimtegebruik wijzigt (bijvoorbeeld door een sterk geconcentreerd voorzieningenpakket of één grote voorziening op één plaats door de aanwezigheid van een grote groep mensen per oppervlakte-eenheid,...). Laagdynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur betreft recreatieve structuur die omwille van haar intrinsieke aard, in haar onmiddellijke omgeving eerder beperkte veranderingen teweegbrengt in de bestaande ruimtelijke en sociaal-economische structuur en in het bestaand ruimtegebruik. De aanleg van voetbalterrein voor een lokale club kan beschouwd worden als een laag- dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur. X-14.063- 25/33 Voorts stelt de toelichtingsnota het volgende: “Het doel is het voetbalveld als kernversterkende functie voor de bewoners van Melsen te behouden, waarbij het lokale karakter (…) een absolute prioriteit is. Dit betekent dat ondersteunende infrastructuren zoals parkeerzones en clubgebouw tot een minimum beperkt blijven en de bereikbaarheid voor voetgangers en fietsers vanuit het centrum optimaal en veilig is. Nieuwe gebouwen met betrekking tot de voetbalactiviteit dienen ingeplant te worden in aansluiting bij de reeds bestaande bebouwing van de genoemde straten. Bij de inrichting van de voetbalvelden wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van de open ruimte richting Makegembossen. Om deze kwaliteiten te vrijwaren wordt bijvoorbeeld het plaatsen van afrasteringen of reclamepanelen rond de voetbalvelden vermeden”. Uit het bestreden GRUP blijkt tevens dat maatregelen genomen werden teneinde tot een aanvaardbare ruimtelijke inpassing te komen. Voorts wordt in het advies van 21 mei 2008 van de GECORO het volgende gesteld: “Om de impact op de open ruimte van de gewijzigde configuratie t.o.v. het GRS te beperken, wordt slechts een lage dynamiek toegelaten in het achterste deel van het sportterrein. (...) Hierbij kan ook vermeld worden dat het advies van Departement Landbouw en Visserij (duurzame landbouwontwikkeling) gunstig was tijdens de plenaire vergadering : ‘Het nieuwe sportterrein ligt dicht bij de dorpskern en paalt aan woongebied, zodat de landbouwstructuren niet overmatig worden aangetast’ ”. Rekeninghoudend met al deze gegevens en rekeninghoudend met de ruime invulling die het begrip hoog- en laag-dynamisch toeristisch- recreatieve infrastructuur laat, dient vastgesteld te worden dat de argumenten van de verzoekende partijen, waarbij enkel gewezen wordt op de bebouwde ruimte, de parkeerruimte, het feit dat het om drie voetbalvelden gaat en de huidige bezettingsgraad –feiten die duidelijk door de verwerende partijen in acht werden genomen- niet van aard zijn aan te tonen dat de toetsing die de tweede verwerende partij dienaangaande doorvoerde en waarbij ze tot het besluit kwam dat het betrokken sportpark als een laag-dynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur kan beschouwd worden, manifest onredelijk of onjuist zou zijn. 4.7.2.3. Een strijdigheid van het betrokken GRUP met het RSV is niet aangetoond. Het zevende middel is niet gegrond. X-14.063- 26/33 H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel 4.8.1. De verzoekende partijen leiden een achtste middel af uit de “strijdigheid met het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan d.d. 8.11.2005, goedgekeurd 16.3.2003, juncto art. 19§3 DRO (decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening), art. 2, art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, juncto de motiveringsverplichting, het gebrek aan feitelijke, juiste, afdoende en draagkrachtige motieven, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. In een eerste onderdeel van het middel doen de verzoekende partijen vooreerst gelden dat het GRS twee locaties mogelijk maakte voor het sportpark, zijnde Melsen-Dorpskern en Molenkouter, en dat de keuze voor Molenkouter zou gemaakt worden bij “een aanzienlijke schaalvergroting”. Vervolgens stellen de verzoekende partijen dat in het eerste bestreden besluit overwogen wordt dat een verhuis naar de Molenkouter niet mogelijk is en dat deze overweging gemotiveerd wordt op grond van gegevens “die ook bekend waren of konden zijn op het moment dat het structuurplanningsproces tot stand kwam”. Hieruit leiden de verzoekende partijen af dat “aldus wordt toegegeven dat het planningsproces gebrekkig is verlopen; dat men nu post-factum vaststelt dat een verhuis niet mogelijk is”. Ze voegen er aan toe dat “van een zorgvuldig bestuur mag aangenomen worden dat zij na grondige studie tot besluitvorming komt en deze ernstig neemt” en dat “een zorgvuldig bestuur (…) haar eigen vooropstellingen op dergelijke korte termijn niet (gaat) terugdraaien”. De verzoekende partijen besluiten ten slotte “dat aldus het GRUP in strijd is met het GRS daar het GRS enkel een verhuis voorzag bij een aanzienlijke schaalvergroting zoals in casu”. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat het bestreden GRUP het GRS schendt inzake de agrarische structuur en inzake bufferende en verbindende structuren. Ze citeren enkele passages uit het GRS om te stellen dat de inplanting van de grootschalige sportinfrastructuur een invloed X-14.063- 27/33 zal hebben op de agrarische structuur en dit bezwaarlijk beschouwd kan worden als een natuurgerichte invulling van de vallei van de Schragebeek als verbinding tussen de Makegemse Bossen en de Scheldevallei. Voorts voeren ze ook een schending van het rechtszekerheidsbeginsel aan, waarbij ze doen gelden dat “indien de overheid in haar planningsproces dit vooropstelt (…) verzoekers zich daar (dan) ook aan (mogen) verwachten en daar naar handelen” en dat “van een zorgvuldig bestuur kan (…) verwacht worden dat de overheid zelf zich houdt aan het GRS”. In een derde onderdeel van het middel doen de verzoekende partijen gelden dat niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, §3 DRO om af te wijken van het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan, minstens dat deze afwijkingen niet grondig gemotiveerd zijn. Ze verwijzen daarvoor naar het negatieve advies van 7 februari 2007 van het Agentschap Ruimtelijke Ordening, waarin er op gewezen wordt dat het GRUP in belangrijke mate afwijkt van de opties van het GRS, met name wat betreft de drie velden, de grote bebouwing, de grootte van het terrein en de diepe insnijding in het open agrarisch landschap en de impact op de open ruimte. Beoordeling 4.8.2.1. In het eerste onderdeel van het middel geven de verzoekende partijen een verkeerde draagwijdte aan de richtinggevende bepalingen van het GRS. Deze luiden als volgt: “Knelpuntlocaties met niet-zonevreemde infrastructuur (...) 2. S.V. Melsen, Oude Kerkwegel, Melsen (B.P.A. Scheldevallei: ‘gebied voor dagrecreatie met landschappelijke waarde’); vraag naar uitbreiding, herlokalisatie is aangewezen. Er zijn twee alternatieven voor herlokalisatie, namelijk het behoud in Melsen, direct aansluitend bij de dorpskern (omgeving Haerlinckstraat/Bollaertstraat/Warandestraat) en de verhuis naar het toekomstig gemeentelijk sportpark Molenkouter. Bij aanzienlijke schaalvergroting is verwijzing naar Molenkouter wenselijk.” en “kaart 26: zoekzone herlokalisatie voetbalveld Melsen X-14.063- 28/33 Voor de herlocatie van het voetbalveld zijn twee evenwaardige alternatieven mogelijk, namelijk een verplaatsing binnen Melsen direct aansluitend bij de dorpskern en een verhuis naar het toekomstig gemeentelijk sportpark Molenkouter. Het aansnijden van de schaarse open ruimte tussen de dorpskernen en in het samenhangend landbouwgebied is uitgesloten. Ook het behoud op de huidige locatie is niet mogelijk. Het voetbalveld is vandaag gelegen in het BPA Scheldevallei. Voor het behoud van het lokaal voetbalveld dicht bij de kern van Melsen (alternatief 1) werden alle mogelijke locaties aan elkaar afgewogen. Na onderzoek blijkt de omgeving Haerlinckstraat/Warandestraat/Bollaertstraat het meest geschikt te zijn. Het doel is het voetbalveld als kernversterkende functie voor de bewoners van Melsen te behouden, waarbij het lokale karakter een absolute prioriteit is. Dit betekent dat ondersteunende infrastructuren zoals parkeerzones en clubgebouw tot een minimum beperkt blijven en de bereikbaarheid voor voetgangers en fietsers vanuit het centrum optimaal en veilig is. Nieuwe gebouwen met betrekking tot de voetbalactiviteit dienen ingeplant te worden in aansluiting bij de reeds bestaande bebouwing van de genoemde straten. Bij de inrichting van de voetbalvelden wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van de open ruimte richting Makegembossen. Om deze kwaliteiten te vrijwaren wordt bijvoorbeeld het plaatsen van afrasteringen of reclamepanelen rond de voetbalvelden vermeden.” Nog daargelaten de vraag of er in casu al dan niet sprake is van een “aanzienlijke” schaalvergroting, dient alleszins te worden vastgesteld dat het GRS slechts bepaalt dat een verwijzing naar Molenkouter bij een aanzienlijke schaalvergroting wenselijk is, doch dat daaruit - in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden - geenszins kan afgeleid worden dat deze bepaling als een verplicht te volgen richtinggevende bepaling dient te worden beschouwd. De keuze in het bestreden GRUP voor de inplanting bij de dorpskern Melsen (omgeving Haerlinckstraat/Bollaertstraat/Warandestraat) is aldus niet in strijd met de bepalingen van het GRS. Daarbij dient nog opgemerkt te worden dat de toelichtingsnota uitdrukkelijk verantwoordt waarom een herlokalisatie naar sportpark Molenkouter geen optie is en waarom een herlokalisatie en uitbreiding op de voorgestelde locatie wel verantwoord is: “Een herlocalisatie naar sportpark Molenkouter in Merelbeke-centrum is geen optie aangezien: ▪ de spelers voornamelijk afkomstig zijn uit Melsen en Schelderode zodat we hier te maken hebben met een lokale club waarvan het wenselijk is dat ze in de nabijheid van Melsen kan verder blijven X-14.063- 29/33 functioneren (…). Een herlocalisatie nabij de kern van Melsen is aangewezen en ligt centraal tussen Schelderode, Melsen en Vurste. ▪ De verschillende sportparken (Flora, Ter Wallen, Molenkouter, Melsen) gespreid liggen binnen de gemeente om tegemoet te komen aan o.m. het voorzien van deelgemeenten en wijken van sportinfrastructuur en om de bereikbaarheid ervan te vergemakkelijken. ▪ Er weinig of geen ander sportmogelijkheden zijn in deze deelgemeente noch voor kinderen en jongeren, noch voor volwassen sporters, noch voor supporters. ▪ De verplaatsing per fiets naar Molenkouter van de kinderen en jongeren niet verantwoord is wegens de afstand, de verkeerssituatie, de leeftijd, de duisternis en de klimatologische omstandigheden. De ouders zullen bijgevolg niet geneigd zijn hun kinderen deze verplaatsing per fiets te laten maken, maar zullen ze voeren tot aan hun sportactiviteit. ▪ Jeugdsportwerking steeds ter plaatse moet blijven bestaan om de herkenbaarheid en verbondenheid met Melsen te behouden. De re(k)rutering van jeugdspelers voor S.V. Melsen ligt in hoofdzaak in de onmiddellijke omgeving (Melsen, Schelderode en Vurste). ▪ Voetbalclub S.V. Melsen wezenlijk deel uitmaakt van het sociaal- maatschappelijk dorpsweefsel in dat gedeelte van Merelbeke en het wegtrekken van de club uit die gemeenschap een verarming van het dorpsleven zou betekenen. ▪ Uit een recent gehouden sportenquête in Merelbeke (750 door de computer willekeurig gekozen gezinnen) blijkt dat de grootste groep sporters in een straal van 1 tot 2km van de woning sport beoefent. Men zoekt m.a.w. altijd naar sport-faciliteiten in de buurt. ▪ De onontbeerlijke vrijwilligers die de club omkaderen komen uit de dorpskern. ▪ Het project Molenkouter nog helemaal in de beginfase verkeert zal de realisatie ervan nog meerdere jaren uitblijven (het verwerven van de gronden moet nog gebeuren); een eventuele verhuis naar Molenkouter is helemaal niet actueel noch mogelijk op dit ogenblik. Een herlocalisatie en uitbreiding kan op de voorgestelde locatie verantwoord worden: Omdat een herlocalisatie naar Merelbeke niet mogelijk en wenselijk is werd gezocht naar een locatie in Melsen. Hierbij werd met volgende argumenten rekening gehouden: ▪ In het GRS Merelbeke wordt op een herlocalisatie en uitbreiding aangedrongen. Als zoeklocatie wordt de omgeving Warandestraat/Haerlinckstraat/Bollaertstraat opgegeven (…). De bijgevoegde schets is slechts een voorstel maar is niet bindend (want in richtinggevend deel GRS). ▪ Een locatie ten oosten van de kern is de beste optie. Een locatie in de dorpskern of ten N, W of Z ervan is niet mogelijk of kadert niet binnen de gewenste structuren (vnl. binnen de gewenste natuurlijke structuur). Een locatie ten oosten van de dorpskern X-14.063- 30/33 biedt het voordeel dat de afstand tot de dorpskern Schelderode eveneens klein wordt en dat men zich nabij de Gaversesteenweg bevindt (de belangrijkste verkeersas in Melsen). Schelderode heeft immers geen sportvoorzieningen en bovendien wonen in Schelderode na Melsen de meeste voetballers van SV Melsen. ▪ De uitbreiding kan verantwoord worden vanuit de groei van de club de voorbije jaren tot 155 leden verdeeld over 11 ploegen (…). Bovendien geven de Nederlandse planningsnormen aan dat 3 voetbalterreinen noodzakelijk zijn. ▪ T.h.v. het huidige terrein is er een gebrek aan parkeerplaats voor de ongeveer 115 wagens die er bij een wedstrijd op zondagnamiddag aanwezig zijn (…). Bij de herlocalisatie zal een voldoende ruime parking plaats bieden voor alle wagens. Bovendien zal deze parking ook gepromoot worden als vertrekplaats voor recreanten (wandelaars, fietsers) die de omgeving van de Makkegembossen willen verkennen. Daarom wordt een parking voorzien voor 125 wagens. Daarnaast wordt in de voorschriften opgenomen dat een overdekte fietsenstalling kan opgericht worden”. De verzoekende partijen betrekken deze verantwoording niet bij het middelonderdeel. Door louter te stellen dat deze gegevens “ook bekend waren of konden zijn op het moment dat het structuurplanningsproces tot stand kwam”, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het bestreden GRUP strijdig is met het GRS, noch dat het rechtszekerheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel zouden geschonden zijn. Het eerste onderdeel van het achtste middel is ongegrond. 4.8.2.2. De bepalingen uit het GRS omtrent de agrarische structuur en de bufferende structuren waarnaar de verzoekende partijen in hun tweede middelonderdeel verwijzen, beletten niet dat het sportterrein op de betrokken locatie gerealiseerd wordt. Met het bestreden GRUP nr. 6 “Sportpark Melsen” wordt immers juist uitvoering gegeven aan het GRS, dat de locatie Haerlinckstraat/Bollaertstraat/Warandestraat reeds als zoekzone voor de herlokalisatie van voetbalveld Melsen opgaf. Minstens dient vastgesteld te worden dat, rekeninghoudend met de optie voor de locatie van het sportpark Melsen op deze plaats in het GRS, een loutere verwijzing naar andere bepalingen in het GRS op zich niet van aard is de strijdigheid van voorliggend GRUP met het GRS aan te tonen. Om dezelfde redenen kan er ook geen sprake zijn van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. X-14.063- 31/33 Het tweede onderdeel van het achtste middel is ongegrond. 4.8.2.3. Het toentertijd geldende artikel 19, §3 DRO bepaalt wat volgt: “§ 3. Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Zij mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”. Uit de bespreking van het eerste en het tweede onderdeel van het middel is gebleken dat er geen afwijking is van het GRS zoals aangevoerd door de verzoekende partijen in deze middelonderdelen. In die zin diende dan ook geen motivering gegeven te worden in het licht van artikel 19, §3 DRO. In zoverre het middel in die zin zou dienen begrepen te worden dat de verzoekende partijen hiermee de afwijkingen viseren zoals gemotiveerd op p. 13 en volgende van de toelichtingsnota bij het bestreden GRUP, dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partijen de aldaar gegeven motivering nergens op concrete wijze bij dit middelonderdeel betrekken. Een loutere verwijzing naar de voorwaarden gesteld in artikel 19, §3 DRO en de bewering dat deze alleszins niet grondig gemotiveerd werden, zonder de in het bestreden GRUP uitdrukkelijk in toepassing van dit artikel verleende motivering ook maar enigszins concreet op de korrel te nemen, volstaat niet ter onderbouwing van een middel. Ook de verwijzing naar het advies van 7 februari 2007 van het Agentschap R-O Vlaanderen kan dit euvel niet verhelpen, des te meer nu dit advies dateert van de plenaire vergadering, en er sindsdien nog aanpassingen aan het plan zijn doorgevoerd. Het derde onderdeel van het achtste middel is ongegrond. 4.8.2.4. Het achtste middel is niet gegrond. X-14.063- 32/33 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep 2 De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor een vierde. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-14.063- 33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.