← België

Arrest 208120 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.120 Rolnummer: A. 191849/XIV-31057 Zaak: Arrest 208120 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.120 van 13 oktober 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 208.120 van 13 oktober 2010 in de zaak A. 191.849/XIV-31.057. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 20 maart 2009 (griffiestempel) heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 23.181 van 18 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4414 van 6 mei 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 januari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 februari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.057-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. WIDMAIER, die loco advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 19 juli 2008 en zich vluchteling verklaart op 22 juli 2008; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 24 november 2008 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 9 december 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 18 februari 2009 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Kennelijk gebrekkige motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 48/3, 48/4, 48/5 , 39/2 , 39/65 en 39/76§1 van de wet van 15 december 1980 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het artikel 149 van de Grondwet en schending van de rechten van verdediging. Overwegende dat het artikel 48/3,§§1 en 2 van de wet van 15 december 1980 bepaalt: “§1.- De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 de Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967. §2.- Daden van vervolging in de zin van artikel 1A van het Verdrag van Genève moeten:

  1. a)ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15. 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; XIV-31.057-2/16
  2. b)ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschen- dingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a); De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van:
  3. a)daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
  4. b)wettelijke, administratieve, politiële en/ of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
  5. c)onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
  6. d)ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zwaar of discriminerende straf wordt opgelegd;
  7. e)vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 55/2, §, 51, vallen;
  8. f)daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard." Dat het artikel 48/4 §§1 en 2 bepalen : §1.- De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van staatloze, het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55 /4 valt. §2.- Ernstige schade bestaat uit :
  9. a)doodstraf of executie; of,
  10. b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of,
  11. c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een buiger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict." Dat het artikel 48/5 §3 van de wet van 15 december 1980 bepaalt : "Er is geen behoefte aan bescherming indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging of geen reëel risico op schade, en indien van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft. Er wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen." Dat het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 stelt: "De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie."; Dat het artikel 149 van de Grondwet bepaalt: : “De vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken.”; Dat in het arrest twee aspecten worden onderzocht, namelijk of aan de eiser het statuut van vluchteling kan worden toegekend ofwel het statuut van subsidiaire bescherming; Dat de twee delen van het arrest betreffende deze twee statuten op afdoende wijze moeten zijn gemotiveerd en aanzien van de argumenten aangehaald door de eiser in het gedinginleidend verzoekschrift; Dat in wat hierna volgt de eiser zal aantonen dat noch wat betreft het statuut van vluchteling, noch wat betreft het statuut van subsidiaire bescherming het bestreden arrest afdoende is gemotiveerd en dat er sprake is van een kennelijk gebrekkige motivering; 1. Betreffende het statuut van vluchteling. Overwegende dat het bestreden arrest omtrent het statuut van vluchteling als volgt is gemotiveerd: (...). Overwegende dat het correct is dat een asielrelaas ongeloofwaardig kan worden aangemerkt wanneer er opvallend vage verklaringen zouden worden vastgesteld en niet enkel op basis van inconsistenties en tegenstrijdigheden zoals het bestreden arrest stelt ; XIV-31.057-3/16 Dat aan de eiser wordt verweten dat hij opvallend vage verklaringen zou afleggen, maar dit wordt helemaal niet aangetoond door het administratieve dossier, in tegenstelling tot wat het bestreden arrest beweert ; Dat de eiser duidelijk heeft uiteengezet in het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen dat bij het tweede ongeval een legerauto betrokken was en dat die dus moest toebehoren aan de autoriteiten van het dorp en dus aan Haji Omar, de stamoudste ; Dat bovendien een document werd opgesteld door de politie bij het tweede ongeval zodat de eiser te weten kwam dat de persoon die hem aanreed voor de dorpsautoriteiten werkte ; Dat de eiser echter heeft duidelijk gemaakt in het verzoekschrift dat degene die de auto bestuurde hem niet persoonlijk bekend was ; Dat hij verklaarde op het Commissariaat-generaal dat hij die jongeman nooit had gezien en dat het een gewone burger was (zie gehoorverslag CGVS, p. 7); Dat er eerlijk niet kan worden ingezien door de eiser waarom zijn verklaringen onmogelijk zouden kunnen overeenstemmen met de werkelijkheid ; Dat de eiser niet geacht kan worden iedere persoon van zijn dorp persoonlijk te kennen ; Dat het niet onmogelijk is dat hij wordt aangereden door een dorpsinwoner die hij niet kende en die achteraf werd geïdentificeerd als chauffeur voor de dorpsoverheden ; Dat de eiser niet kan ingezien waarom de verklaringen die hieromtrent vaag zouden zijn ; Dat in tegenstrijd tot wat het bestreden arrest stelt, de eiser niet alleen heeft duidelijk gemaakt dat het ging om "een andere persoon" of "een jongen" die hem heeft aangereden, maar ook dat hij reed met een legerauto van Haji Quaï Dat er hem ook geen bijkomende vragen werd gesteld de eiser niet inziet op welke mate hij nog meer details had kunnen geven, gezien hij ook niet meer weet over die persoon, die hij niet kende vooraleer hij de aanrijding met hem had ; Dat in het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de eiser had aangehaald dat de dossier behandelen van het Commissariaat-generaal niet de indruk gaf dat hij meer informatie nodig had over de identiteit van de persoon die de eiser aanreed en dat er helemaal geen bijkomende vragen werden gesteld over, bijvoorbeeld op welke wijze de jongen in de jeep werd geïdentificeerd of de eiser zich meer details herinnerde over wat de politie noteerde over diens identiteit enzovoort; Dat het bestreden arrest helemaal niet antwoord op dit argument en dus een kennelijk gebrekkige motivering vertoont ; Dat het arrest enkel vaststelt dat hem verschillende keren werd gevraagd wie de chauffeur van de wagen was bij zijn tweede aanrijding, waarop hij antwoordde dat het een andere persoon of een jongen was ; Dat de eiser echter nu nog altijd niet weet wat de precieze identiteit is van die persoon, omdat hij deze nog nooit had gezien voor de aanrijding die hij had, zo dat niet kan worden ingezien welke andere bijkomende informatie de eiser had kunnen verschaffen op de vragen zoals ze werden gesteld op het Commissariaat-generaal ; Dat het bestreden arrest dus niet in alle redelijkheid tot het besluit is kunnen komen en dat de eiser vage verklaringen zou hebben afgelegd over de persoon die hem zijn tweede aanrijding heeft bezorgd; Dat het bestreden arrest ook stelt dat de eiser warrige verklaringen zou afleggen over de functie van Haji Omar ; Dat de eiser echter wel degelijk informatie heeft kunnen geven over de functies van Haji Omar, net zoals hij benadrukt heeft in zijn verzoekschrift bij de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen; Dat hij in dit verzoekschrift er heeft op gewezen dat Hai Omar vroeger gouverneur is geweest en dat hij aldus zijn broer heeft vervangen, hij heeft uitgelegd ook waar zijn huis zich precies bevond, met wie hij is getrouwd, wat zijn stam is, dat hij tijdens het Taliban--regime ook in de regering zat, dat hij een zoon heeft die in Dubai studeert en drie dochters die in Afghanistan verblijven, namelijk in het dorp Zakhel (stuk 2, p. 6); Dat het dus duidelijk blijkt dat de eiser heeft kunnen antwoorden op alle vragen over Haji Omar, behalve op de vraag tot welke politieke partij hij behoorde, omdat hij zich dat op dat moment niet meteen herinnerde ; XIV-31.057-4/16 Dat nu dit enkel dit vraagje over de politieke affiliatie van Haji Omar er wordt uitgelicht om te gaan beweren dat de eiser warrige verklaringen zou afleggen, dit terwijl hij verschillende precieze en persoonlijke gegevens heeft verschaft over Haji Omar ; Dat er hem ook wordt verweten dat hij niet de volledige naam van Haji Omar weet te geven, maar dit is niet verwonderlijk omdat hij door iedereen Haji Omar wordt genoemd en niet anders, zodat er redelijkerwijze niet kan worden ingezien waarom men zou kunnen verwachten van de eiser dat hij de volledige naam zou kunnen geven van Haji Omar, terwijl hij helemaal niet met die persoon samenwerkte, met hem bevriend was en ook geen deel uitmaakte van zijn familie, in welke gevallen er wel eventueel zou kunnen worden verwacht dat men de volledige naam zou kunnen geven; Dat het bestreden arrest op volledig onterechte wijze beweert dat de eiser vage verklaringen zou afleggen, door onder andere te stellen dat het district Qala-i-zal groen is maar dat het zowel een woestijngebied is ; Dat er echter helemaal geen rekening wordt gehouden met het feit dat de eiser ook heeft aangegeven dat hij nooit in dit district is geweest (zie gehoorverslag CGVS D• 3) • Dat er dus redelijkerwijze van de eiser niet kan worden verwacht dat hij precieze verklaringen aflegt over een district waar hij zich nog nooit heeft begeven; Dat er vervolgens in het bestreden arrest worden beweerd dat het relaas van de eiser intrinsiek ongeloofwaardig zou zijn gelet op de Afghaanse sociale en maatschappelijke context, nu het vreemd worden bevonden dat Haji Omar de confrontatie aangaat met de eiser, terwijl er eerder zou kunnen worden verwacht dat hij de confrontatie zou opzoeken met zijn vader die een gekend handelaar is, de verantwoordelijkheid draagt voor en ouderlijke macht uitoefent over de eiser en het zijn vader was die hem verbood in te gaan op het verzoek om les te geven aan koranleraren en hem zelfs verbood om zijn werkzaamheden voor de koranleraren te stoppen ; Dat er het eerst en vooral niet duidelijk is wat het bestreden arrest precies bedoelt met de "Afghaanse sociale en maatschappelijke context" omdat er helemaal niet wordt gemotiveerd en uitgelegd in het arrest waaruit de gebruiker en praktijken in de Afghaanse sociale en maatschappelijke context wel zouden bestaan in het geval dat wordt voorgesteld ; Dat er geen enkele objectieve informatie zit in het administratieve dossier dat hierover duidelijkheid verschaft en die zou toelaten vast te stellen dat de verklaringen van de eiser niet zouden overeenstemmen met objectieve algemeen gekende informatie ; Dat ten tweede, het bestreden arrest er helemaal geen rekening mee houdt dat de eiser meerderjarig was op het moment dat hij de problemen had met Haji Omar en dat dus de vraag wie er ouderlijk gezag heeft over de eiser en de verantwoordelijkheid zou dragen voor hem totaal geen rol speelt, omdat de eiser meerderjarig en volwassen is en dus zelf verantwoordelijkheid opneemt voor zijn eigen daden en de beslissingen die hij neemt in zijn beroepscarrière en persoonlijke leven, ook al heeft zijn vader een invloed op hem ; Dat er dus helemaal niet wordt aangetoond door het bestreden arrest dat het ongeloofwaardig zou zijn dat Haji Omar de confrontatie opzocht met de eiser en niet met zijn vader en helemaal niet in welke zin dit niet zou overeenstemmen met de Afghaanse sociale en maatschappelijke context, die niet verder wordt toegelicht en verduidelijkt met objectieve elementen ; Dat de bestreden beslissing hieromtrent dus kennelijk gebrekkig is gemotiveerd en dat dit deel van de motivering niet vermag te besluiten tot de ongeloofwaardigheid van het relaas van de eiser ; Dat aan de eiser ook wordt verweten dat hij er niet in slaagde zijn problemen te staven met enig begin van het schriftelijk bewijs ; Dat de eiser niet is in geslaagd om schriftelijke bewijzen voor te leggen, omdat deze niet kunnen worden verkregen ; Dat het helemaal niet zo is dat de eiser zou hebben verzuimd een document opgesteld door de politie bij het tweede ongeval neer te leggen in het administratieve dossier ; Dat hij eenvoudigweg niet instaat is geweest om dit document te ontvangen, ook al heeft hij het gevraagd om het op te sturen ; Dat hem bovendien niet werd gevraagd op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om een verklaring te geven voor het niet voorleggen van dit stuk; XIV-31.057-5/16 Dat vervolgens het bestreden arrest ook meent dat de eiser bewust bepaalde informatie zou willen achterhouden en geen aannemelijke verklaring zal geven waarom hij zijn documenten uit Pakistan niet zou kunnen voorleggen ; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent te kunnen vaststellen dat de eiser een verblijfsrechtelijk statuut zou hebben gehad in Pakistan ; Dat op basis van het feit dat het Pashtu van de eiser doorspekt is met Pakistaans Urdu er zou kunnen worden aan getwijfeld dat de eiser niet langer dan drie jaar en drie maanden zou hebben gewoond in Pakistan ; Dat het bestreden arrest op basis daarvan beweert dat de eiser misschien de mogelijkheid zou had om een "verblijfsrechtelijk voordeel" hebben in Pakistan, gezien hij Pakistan niet heeft verlaten wegens een gegronde vrees voor vervolging op een reëel risico op ernstige schade. Dat eerst en vooral moet worden opgemerkt dat de eiser nooit is ondervraagd over zijn verblijfsrechtelijke situatie in Pakistan en dat het bestreden arrest zich nu baseert op bepaalde vermoedens die helemaal niet toelaten vast te stellen dat de eiser inderdaad recht had op verblijf in Pakistan; Dat aan de eiser steeds is gevraagd om te proberen identiteitsdocumenten van zijn land van herkomst voor te leggen, wat Afghanistan is, en wat hij ook heeft gedaan door het neerleggen van zijn taskara ; Dat Pakistan niet zijn land van herkomst is en hij heeft er ook geen identiteitsdocumenten van, gezien hij er enkel tijdelijk heeft verbleven voor het volbrengen van zijn studies ; Dat hij nooit heeft gedacht dat hij de documenten nog zou nodig hebben waarover hij beschikte om te verblijven in Pakistan om deze later voor te leggen in een asielaanvraag die gebaseerd is op problemen die hij pas heeft gekend nadat hij in Pakistan heeft verbleven ; Dat de eiser dus logischerwijze niet meer over die documenten beschikt, omdat hij deze niet meer nodig had, toen hij terugkeerde naar Afghanistan na zijn studies en dat kan hem helemaal niet kwalijk worden genomen ; Dat de eiser enkel over een tijdelijk verblijfsrecht beschikte in Pakistan voor de duur van zijn studies en na zijn terugkeer naar Afghanistan geen verblijfsrecht meer had ; Dat de eiser wel nog beschikt over de diploma's die hij behaalde en die heeft hij ook neergelegd Dat het logisch is dat de eiser nog beschikte over zijn diploma's, omdat hij deze nog nodig heeft in het kader van zijn professionele carrière, terwijl hij zijn tijdelijke verblijfsdocumenten in Pakistan niet meer nodig had ; Dat het dus volledig ten onrechte is dat het bestreden arrest aan de eiser verwijt zijn identiteitsdocumenten van Pakistan niet te hebben neergelegd, omdat er helemaal geen rekening wordt gehouden met het feit dat de eiser deze documenten niet meer nodig had in Afghanistan en deze ook niet heeft bijgehouden ; Dat er niet redelijkerwijze kan worden verwacht van de eiser dat hij documenten zou voorleggen waarover hij niet meer beschikt ; Dat het bestreden arrest ook niet uitlegt waarom het onredelijk zou zijn voor de eiser en waarin hij zou zijn tekort gekomen aan zijn plicht tot medewerking door verblijf documenten van Pakistan niet bij te houden toen hij daarna terug naar Afghanistan kwam en in eerste instantie nog geen problemen had en er zelfs nog niet aan dacht om naar het buitenland te emigreren om aldaar een asielaanvraag in te dienen ; Dat er wel degelijk een aannemelijke verklaring is waarom hij die documenten niet kan voorleggen, zoals hiervoor uiteengezet, maar er kan niet van de eiser worden verwacht dat hij enige verklaring zou geven wanneer hem hier niet eens naar wordt gevraagd, zelfs niet op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Dat in de mate waarin de eiser zelfs niet de gelegenheid heeft gehad om zijn verklaring voor het ontbreken van die documenten te geven, oordeelt het bestreden arrest op kennelijk onredelijke wijze dat de eiser geen aannemelijke verklaring zal geven voor het niet-voorleggen van deze documenten ; Dat zelfs indien de eiser een legaal statuut had in Pakistan tijdens de duur van zijn studies, dan is het totaal ten onrechte dat hem wordt verweten dat hij tekort zou zijn gekomen aan zijn medewerkingsplicht ; XIV-31.057-6/16 Dat de eiser na het afronden van zijn studies terugkeerde naar Afghanistan en dus niet meer over een verblijfsrecht beschikte in Pakistan, gezien hij van Afghaanse nationaliteit is en niet van Pakistaanse nationaliteit ; Dat bij het onderzoek van een aanvraag tot erkenning van het statuut van vluchteling de gegronde vrees voor vervolging moet worden nagegaan ten aanzien van het land van nationaliteit en herkomst van de eiser, in casu Afghanistan en niet in Pakistan ; Dat er helemaal niet is aangetoond dat de eiser van Pakistaanse nationaliteit zou zijn, wel integendeel ; Dat de eiser zijn Afghaans identiteitsdocument heeft voorgelegd waarvan niet is aangetoond dat het niet authentiek zou zijn, ook al beweert de tegenpartij dat het gemakkelijk is om een valse Afghaanse documenten te verkrijgen ; Dat de eiser in ieder geval zijn Pakistaanse diploma's heeft voorgelegd, waar ook zijn Afghaanse identiteitsgegevens worden op vermeld en er wordt ook niet beweerd door het bestreden arrest dat de Pakistaanse diploma's niet authentiek zouden zijn ; Dat geen enkel objectief element toelaat te vermoeden dat de eiser niet van Afghaanse nationaliteit zou zijn maar van Pakistaanse nationaliteit of dat hij in Pakistan over een verblijfsrecht zou beschikken ; Dat het bestreden arrest daarom een kennelijk gebrekkige motivering vertoont en een kennelijk verkeerde interpretatie hanteert van de artikelen 48/3 en 48/5 door te oordelen dat de eiser zonder gegronde vrees voor vervolging Pakistan zal hebben verlaten, terwijl er niet van hen kan worden geëist dat hij zou terugkeren naar Pakistan, waar hij geen verblijfsrecht heeft en dat niet zijn land van herkomst is ; Dat het bestreden arrest daarom een kennelijk gebrekkige motivering vertoont in strijd met de aangehaalde wetsbepalingen; Dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de verplichting tot motivering opgelegd door het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 impliceert dat de administratieve rechtsinstantie de middelen en argumenten, aangehaald door de verzoeker, moet onderzoeken, in ieder geval wanneer deze worden verworpen; Dat de motivering van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in ieder geval moet toelaten aan de rechtsonderhorigen en aan de Raad van State, wanneer deze wordt gevat door een verzoekschrift in cassatie, om zich te verzekeren van of te controleren of de rechter op volledige wijze de elementen van de dossiers heeft onderzocht en effectief heeft geantwoord op de argumenten die werden naar voor gebracht (stuk 3: C.E., n/ 178. 831 van 23 januari 2008, p. 4 ); Dat de Raad van Staat bij zijn uitspraak als administratieve cassatie rechter zijn eigen beoordeling van de feiten niet in de plaats mag stellen van deze van de administratieve rechter, maar wel de - bevoegdheid heeft om de objectieve juistheid van de materiële relatie van de feiten die worden aanvaard door de administratieve rechter, te controleren en anderzijds de wettelijke kwalificatie van deze feiten te controleren ten aanzien van de toepasselijke rechtsbepalingen, nr. 170. 104, 18 april 2007, R.D.E., 2007, 161, zoals geciteerd in stuk 4 : BREWAEYS, E. en DE SMET, A., " De Raad van State als cassatierechter in vreemdelingenzaken", T.V.R., 2008, nr. 3, p. 185); Dat aldus wordt aanvaard dat de Raad van State kan nagaan of het rechtsbegrip niet op verkeerde wijze wordt geïnterpreteerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (R. Ph,TIT, Sociaal procesrecht, Brugge, die Keure, 2007, nr. 667, zoals geciteerd in stuk 4: op. cit., p. 185); Dat de Raad van State moet nagaan of het bestreden arrest deugdelijk naar recht verantwoord is en of het administratief rechtscollege een antwoord heeft gegeven op de argumenten die de verzoeker aan hem heeft voorgelegd (R.v.St., nr. 157. 451, 10 april 2006, zoals geciteerd in stuk 4, op. cit., p. 189); Dat indien het bestreden arrest niet alleen niet antwoord op de argumenten aangehaald in het verzoekschrift van de eiser maar zelfs een nieuw argument vindt om het statuut van vluchteling te weigeren zonder dat de eiser hieromtrent is uitgenodigd om zijn argumenten te laten kennen, dan maak ik een schending uit van de wetsbepalingen aangehaald in het middel en een schending van de rechten van verdediging van de eiser; 2. Betreffende de subsidiaire bescherming. Overwegende dat het bestreden arrest als volgt stelt : XIV-31.057-7/16 (...) Dat het bestreden arrest een kennelijk gebrekkige motivering vertoont door te stellen dat de eiser over een geldig verblijfsalternatief zou beschikken in Pakistan en dit omwille van het feit dat de dit verblijfsalternatief helemaal niet bestaat, zoals reeds uiteengezet hierboven; Dat zoals hierboven uiteengezet, er helemaal niet is aangetoond dat er een geldig verblijfsalternatief zou zijn in Pakistan, omdat de eiser helemaal geen verblijfsrecht meer heeft Dat de eiser niet van Pakistaanse maar van Afghaanse nationaliteit is en hij ook zijn identiteit heeft bewezen door het voorleggen van zijn taskara waarvan niet bewezen is dat het een vals stuk zou zijn; Dat noch de Commissaris-generaal, noch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beweren dat de eiser verkeerde informatie zou hebben gegeven over zijn streek van herkomst, terwijl hij toch op uitgebreide wijze hierover werd ondervraagd op het Commissariaat-generaal; Dat de eiser op alle vragen over zijn streek van herkomst heeft kunnen antwoorden en er daarom moet worden vastgesteld dat hij zijn Afghaanse nationaliteit en herkomst geloofwaardig maakt ; Dat daarom moet worden nagegaan of de eiser een reëel risico loopt op ernstige schade ingeval van terugkeer naar Kunduz, de stad waar hij vandaan komt; Dat wat betreft het risico het bestreden arrest zich baseert op de geactualiseerde adviezen van de UNHCR, waar Kunduz niet wordt vermeld als onveilig gebied ; Dat het bestreden arrest wel motiveert waarom men zich baseert op het advies van de UNHCR om te oordelen of een bepaalde streek veilig of niet veilig zou zijn ; Dat er echter niet wordt geantwoord op het argument van de eiser waarom er geen rekening wordt gehouden met het geheel van de informatie van CEDOCA, en niet alleen met het advies van de UNHCR ; Dat de eiser er namelijk op wijst dat het advies door het UNHCR niet pretendeert exclusief of exhaustief te zijn en dat er daarom moet rekening worden gehouden met andere informatiebronnen ; Dat werd vermeldt in het verzoekschrift : "[...] Dat aldus een rapport van ACBAR gepubliceerd in september 2008 melding maakt van een grote toename van het aantal burgerslachtoffers en de uitbreiding van de insurgeng naar regio's die voordien nog `Precariously stable" waren kie informatie CEDOCA, p. 5) ; Dat als uitbreidingsgebied de AL-BAR delen van het Noorden, Noord-Westen en centraal Afghanistan vermeld, zoals onder andere Kundig; Dat als conclusie CEDOCA vermeldt : "Uit de rapporten kunnen we dus afleiden dat het conflict in Afghanistan in 2008 intenser is geworden. Het aantal incidenten dat met de insurgency verband houdt, is volgens verschillende gezaghebbende bronnen toegenomen t.o.v. 2007. Ruwweg blijft het zwaartepunt van de insurgency in het zuiden en het oosten. De insurgency is echter aan het uitbreiding richting het centrum van het land (dus richting de hoofdstad Kabul) met name in de provincie Logar, Wardak en Ghaznz) en richting Westen (voornamelijk Farah, Herat, Ghor). Ook zijn er berichten dat nu ook in sommige delen van het Noorden (Badghis,Fagab,Baghlan,Kunduz) de veiligheid door de uitbreidende insurgency is verslechterd. De algemene tendens blijft echter dat de insurgency in ruwweg de noordelijke helft van Afghanistan nog steeds van een totaal andere (kleinere) grootteorde is dan in de zuidelijke helft van het land, waar het conflict volop woedt." Dat hieruit toch duidelijk blijkt dat de veiligheidssituatie in de provincie Kunduz zeker is verslechterd in 2008 tegenover 2007 ; Dat de bestreden beslissing ook enkel lijkt rekening te houden met één bepaald soort van geweld, namelijk bombardementen en geweld veroorzaakt door insurgents, dit terwijl er verschillende soorten van geweld zijn in geen Afghanistan geen informatie CEDOCA, p. 6 e.v.); Dat wanneer men rekening houdt met bijvoorbeeld bommen aanslagen met zogenaamde IED-'s en VBIED's (explosieven die, ofwel vanop afstand ofwel met een timer tot ontploffing kunnen worden gebracht, dan wordt vastgesteld dat de deze ook in provincies voorkomen die niet door "open combat" getroffen zijn ; XIV-31.057-8/16 Dat de onveiligheid in vele delen in Afghanistan ook wordt veroorzaakt door warlordisme (zie informatie van CEDOCA, p. 1), namelijk door plaatselijke machthebbers die niet afhankelijk zijn van het centrale gezag en een eigen militie hebben ; Dat dit zeker ook geldt voor Kundu. vanwaar de eiser afkomstig is, gezien de eiser problemen heeft gehad met Haji Omar, de machtigste man van zijn dorp;(...)"; Dat het bestreden arrest helemaal niet antwoord op dit argument ; Dat de eiser in het verzoekschrift ook aangehaald dat een krantenartikel van De Morgen van zijn september 2008 vermeldt dat Kunduz en Kaboel even hoog scoren op de onveiligheidindex als het zuidelijke Kandahar ; Dat het concept "veiligheid" en "onveiligheid" dus een kwestie van interpretatie is, naar gelang de informatiebronnen en het bestreden arrest geen motivering geeft waarom andere informatiebronnen dan het advies van UNHCR niet in aanmerking kunnen worden genomen ; Dat zelfs wanneer de Raad reeds een ruimere interpretatie hanteert van artikel 48/4 52
  12. c)van de Vreemdelingenwet dan deze die strikt door de wet wordt vereist, dan nog doet dit niets af aan de bevoegdheid van de Raad om rekening te houden met al de informatiebronnen die beschikbaar zijn en niet enkel in enkele advies, namelijk dat van de UNHCR ; Dat wanneer de eiser uitdrukkelijk vraagt om rekening te houden met deze informatiebronnen en dit niet wordt gedaan, dan rust op zijn minst op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de plicht om te motiveren waarom geen rekening wordt gehouden met deze andere informatiebronnen ; Dat in de mate waarin het bestreden arrest niet motiveert waarom er geen rekening zou kunnen worden gehouden met de andere informatiebronnen om te besluiten tot een te onveilige situatie in Kunduz, er een gebrek aan motivering moet worden vastgesteld ; Dat vervolgens de eiser heeft aangehaald dat het advies van het UNHCR ook de aandacht op vestigt dat er niet mag worden verwacht van Afghanen dat zij zouden reizen door onveilige gebieden om hun uiteindelijke bestemming te bereiken ; Dat wanneer de eiser zou moeten terugkeren naar zijn streek van herkomst, hij via Kaboel door verschillende onveilige streken zou moeten reizen om terug te keren naar zijn streek van herkomst ; Dat de eiser heeft uiteengezet in zijn verzoekschrift dat hij met name door twee specifieke districten moet reizen die als onveilig worden beschouwd door het advies van het UNHCR, namelijk Baghlan Jadid en Baghlan Kohna ; Dat de eiser ook niet kan terugreizen via Tadzjikistan of Oezbekistan, omdat verschillende reisadviezen bevestigen dat deze gebieden helemaal niet veilig zijn (stuk 2 :p. 15-16); Dat het bestreden arrest de kwestie omzeilt door te beweren dat er in het kader van het onderzoek van een asielaanvraag op geen enkele wijze een uitspraak wordt gedaan over een eventuele teruggeleidsmaatregel zodat het aangehaalde advies van de UNHCR niet dienstig zou kunnen worden aangevoerd ; Dat ten overvloede wordt aangehaald dat deze opinies van het UNHCR geen juridisch bindende instrumenten zijn ; Dat het bestreden arrest, door geen rekening te houden met de concrete mogelijkheid voor de eiser om terug te keren naar zijn "veilig geachte" streek van herkomst een kennelijk gebrek aan motivering vertoont en ; Dat het artikel 48/5 53 van de Vreemdelingenwet, in verband met de mogelijkheid om zich te vestigen in een bepaald deel van het land van herkomst waar er geen risico op vervolging of reëel risico op ernstige schade zou bestaan, stelt : "(...) Er is geen behoefte aan bescherming indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees bestaat voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade, en indien van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft. Er wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen." Dat krachtens de Vreemdelingenwet er dus wel degelijk rekening moet worden gehouden met zowel de persoonlijke omstandigheden als de algemene omstandigheden in het land van herkomst om te oordelen over de mogelijkheid tot het bekomen van een bescherming en het XIV-31.057-9/16 vermijden van vervolging of ernstige schade en dit op het moment van het nemen van de beslissing ; Dat met andere woorden, wanneer de terugkeer naar het veilig geachte delen van het land van herkomst niet mogelijk zou blijken zijn zonder dat de betrokkene een risico loopt op vervolging of ernstige schade, doordat hij bijvoorbeeld oordelen van het land van herkomst moet reizen waarin er wel degelijk een risico op vervolging of ernstige schade bestaat, dan bestaat er krachtens het artikel 48/5 53 geen binnenlands vestigingsalternatief ; Dat in tegenstelling tot wat het bestreden arrest stelt, er dus wel degelijk een verplichting is om concreet na te gaan of een terugkeer, of dit nu vrijwillig of gedwongen is naar de veilig geachte streek in de praktijk ook mogelijk is ; Dat het bestreden arrest stelt dat het niet gaat over een terugleidingsmaatregel, maar houdt geen rekening met het feit dat in principe, wanneer de asielaanvraag van een vreemdeling wordt geweigerd, in de eerste plaats van die vreemdeling wordt verwacht dat hij vrijwillig zou terugkeren naar zijn streek van herkomst en er moet concreet worden nagegaan of een dergelijke vrijwillige terugkeer, die van de eiser wordt verwacht nadat zijn asielaanvraag wordt afgewezen, ook daadwerkelijk mogelijk is zonder risico op vervolging of ernstige schade ; De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verplicht is om na te gaan of een terugreis mogelijk is op een veilige manier ; Dat reeds verschillende arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn geveld en die concreet aangeven op welke wijze men oordeelt dat een terugkeer wel degelijk mogelijk zou zijn ( zie bv. stuk 5 : RvV 30.433/1V arrest nr. 18.021); Dat het artikel 48/5 §3 van de Vreemdelingenwet bovendien ook verplicht om rekening te houden met de algemene omstandigheden in het land van herkomst, wat impliceert dat moet worden nagegaan of er een vrees voor vervolging is of ernstige schade ingeval van terugkeer naar zijn streek van herkomst ; Dat deze plicht om de mogelijkheid van een terugreis te verifiëren, gelet op de veiligheidsrisico's zelfs reeds werd toegepast in het kader van het onderzoek mar het statuut van vluchteling en niet alleen naar het statuut van subsidiaire bescherming ; Dat het bewijs hiervan is dat het UNHCR speciaal een position paper heeft opgesteld getiteld "Relocating internally as a reasonnable alternative to seeking asylum — (The so-called "internal flight alternative" or "relocation principle")", omtrent de mogelijkheid om terug te keren naar een veilig geachte streek ; Dat een dergelijk onderzoek ook logisch is, omdat zoniet er een bescherming zou worden gegeven aan personen die het misschien niet verdienen en omgekeerd dat een bescherming zou worden ontzegd aan personen die er wel degelijk nood aan hebben ; Dat zelfs het advies van de UNHCR, waar het bestreden arrest zich op beroept (UNHCR Afghanistan Security Update Relating to Complementary Forms of Protection, Geneva, 6 oktober 2008) om na te gaan of er nood is aan aanvullende vormen van bescherming zoals in casu de subsidiaire bescherming zelf wijst op de noodzaak om te gaan of op een veilige wijze kan worden teruggereisd naar de zogenaamde veilige streek van herkomst ; Dat de eiser in heeft aangehaald in het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen : "(...) Dat het UNHCR in een position paper getiteld : "Relocating internally as a reasonnable alternative to seeking agium — (The so-called "internal'light alternative" or "relocation principle")", omtrent de mogelijkheid om terug te keren naar een veilig geachte streek verschillende criteria vooropstelt die moeten worden geverifieerd vooraleer men tot de conclusie komt dat een terugkeer mogelijk zou zijn : - het effectief bestaan van een risicovrije streek, wat moet worden beween; - de stabiliteit van de streek en de waarschijnlijkheid dat veiligheid duurzaam zal zijn; - de toegankelijkheid van dele streek (zowel intern als van buiten het land); - de geschiktheid voor bewoning, dit wil zeggen dat de daar wonende personen niet onredelijk risico of "hardship" moeten verduren; (stuk 7 , UNHCR, `Relocating internally as a reasonnable alternative to seeking asylum — (The so-called "internal flight alternative" or “relocation principle”)", p. 3-4); Dat toegepast op de situatie van de eiser men kan vaststellen dat: XIV-31.057-10/16 - er niet is aangetoond dat de streek van herkomst van de eiser risicovrij zou lijn (nabijheid van Chardara en bedreigingen, intimidaties en agressie ten aanzien van burgers van plaatselijke machthebbers, zonder bescherming door de centrale overheid) ; - er niet is aangetoond dat de streek van herkomst van de eiser stabiel is en dat er een duurzame veiligheid zal zijn, gelet op de tendens van uitbreiding van het conflict; - de streek van herkomst van de eiser is niet op een veilige wijze toegankelijk, zoals hierboven aangetoond; - de daar wonende personen hebben wel degelijk een onredelijk risico te verduren (zie wat vermeld is onder de eerste twee punten); Dat het UNHCR ook stelt dat er moet worden geanalyseerd of het wel redelijk is voor de betrokkenen terug te keren naar de betrokken streek die veilig wordt geacht, gelet op het persoonlijk profiel van de betrokkene en de specifieke politieke, etnische en religieuze aspecten van het land van herkomst (stuk 5, op. cit., p. 5); Dat wat Afghanistan betreft is het is duidelijk dat men zich niet zomaar kan vestigen in een andere streek in Afghanistan, gelet op het belang van het behoren tot een bepaalde stam en etnische afkomst, wat in grote mate bepalend is voor de mate waarin men een bescherming kan krijgen of kan overleven; Dat het voor de eiser daarom niet mogelijk is om zich te vestigen in een ander deel van Afghanistan; Dat wat betreft de bewijslast hieromtrent, er moet worden verwezen naar paragraaf 196 van het Handbook" van het UNHCR dat bepaalt : “... while the burden of prooiin principle rests on the applicant, the duty to ascertain and evaluate all the relevant facts is shared between the applicant and the examiner. Indeed, in some cases, it Indy be for the examiner to ug all the means at his disposal to produce the necessay evidence of the application" (stuk 5, op. cit., p. 7) ; Dat deze positie ook overeenstemt met deze van James HATHAWAY, die in 'The Michigan Guidelines on the internal protection alternative" ook dit standpunt verdedigt ( stuk 6 : HATHAWAY, J., International Refugee _Lay ; the Michigan Guidelines on the internal protection alternative", p. 131-140); Dat James HATHAWAY ook de aandacht vestigt op het feit dat moet worden nagegaan of de legaal relevante interne bescherming kan worden gegeven door de nationale regering van het land van herkomst, ofwel rechtstreeks, ofwel door een wettige delegatie naar een regionale of een lokale regering (stuk 6, op. cit., p. 136, zie ook standpunt van ECRE : Position on the interpretation of article 1 of the refugee convention, september 2000, p.6) ); Dat dit heeft te maken met het verplicht verschaffen van een mogelijke, betekenisvolle bescherming binnen het land van herkomst door de legitieme, internationaal erkende autoriteiten van het land, bij gebreke waaraan de betrokkenen in aanmerking komt voor het statuut van vluchteling of andere vormen van bescherming ; Dat een bescherming door de centrale regering of gedelegeerde autoriteiten in de streek van herkomst van de eiser niet is gegarandeerd, nu de centrale regering in Kunduzgeen effectieve macht heeft en het lokale machthebbers zijn die er de plak zwaaien en die zich schuldig maken aan bedreigingen, intimidaties en agressie tegen de burgerlijke bevolking in plaats van het bieden van een effectieve bescherming (stuk 8, op. cit., p. 6); Dat in die omstandigheden er geen mogelijkheid is van een veilige terugkeer of installatie in de veilig geachte streek van herkomst, conform de richtlijnen van UNHCR en James HATHAWAY; Dat deze laatste ook stelt dat op een praktische wijze de terugkeer naar de veilig geachte streek moet mogelijk zijn of worden georganiseerd (stuk 6 op. cit., p.136), wat ook helemaal niet is aangetoond door de tegenpartij ; Dat integendeel, de eiser aantoont dat deze terugkeer niet in veilige omstandigheden kan gebeuren, noch vanuit Kaboul, noch vanuit Tadzjikistan of Oezbekistan (zie supra); Dat verschillende voorwaarden om te kunnen spreken van een mogelijke terugkeer naar zijn zogenaamd veilig geachte streek van herkomst dus niet vervuld zijn, zodat de eiser wel degelijk een reëel risico op ernstige schade loopt ingeval van terugkeer naar rijn streek van herkomst en dat hem aldus het statuut van subsidiaire bescherming moet worden toegekend ;[...J" (stuk 2, p. 15-17); XIV-31.057-11/16 Dat er enkel maar kan worden vastgesteld dat het bestreden arrest hier niet heeft op geantwoord en dus in gebreke is gebleven om te onderzoeken of er een reëel risico op ernstige schade bestaat ingeval van terugkeer van de eiser naar zijn streek van herkomst ; Dat dit een kennelijk gebrek aan formele en materiële motivering uitmaakt, in strijd met aangehaalde wetsbepalingen.”; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Dat wanneer de eiser uitdrukkelijk vraagt om rekening te houden met deze informatiebronnen en dit niet wordt gedaan, dan rust op zijn minst op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de plicht om te motiveren waarom geen rekening wordt gehouden met deze andere informatiebronnen, ook al kan zij beslissen meer of minder gewicht toe te kennen aan de ene of andere informatiebron ; en Dat indien in het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk wordt gewezen op de uiteenlopende inhoud van de verschillende informatiebronnen, die trouwens door de Commissaris-generaal zelf bij het administratief dossier zijn gevoegd, dan rust er op de tegenpartij de plicht te motiveren wat precies de objectieve redenen zijn om zich te baseren op de ene met' uitsluiting van de andere informatiebron ; Dat het niet voldoende is te stellen dat op impliciete maar zekere wijze zou blijken uit het bestreden arrest dat de tegenpartij de voorkeur heeft gegeven aan bepaalde informatiebronnen en andere heeft verworpen ; Dat de eiser dit ook wel zelf heeft kunnen afleiden uit het bestreden arrest, maar dit betekent nog niet dat de redenen voor het weerhouden van de ene en niet de andere informatiebron duidelijk zouden blijken uit het bestreden arrest ; Dat indien de tegenpartij in de memorie van antwoord stelt : "Door te verwijzen naar deze lijst geeft de RVV aan dat de hierin vervatte informatie haar voorkeur geniet en werd impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten, verworpen ( RvSt nr. 186.918 van 8 oktober 2008)", dan blijkt hier duidelijk uit dat de tegenpartij zelf toegeeft dat bepaalde informatiebronnen alleen maar op impliciete wijze worden verworpen en zelfs niet expliciet ; Dat indien zelfs het loutere feit van het verwerpen van bepaalde informatiebronnen al impliciet gebeurt, dan geldt dit a fortiori voor de redenen waarom men zich baseert op de ene informatiebron en waarom men de andere verwerpt ; Dat indien de RVV volledige vrijheid krijgt om zelf te kiezen op welke informatiebronnen zij zich baseert, zonder de objectieve, verifieerbare redenen te moeten weergeven waarom zij kiest voor de ene en niet de andere informatiebron, dan schendt zij de verplichting tot formele motivering wanneer in het verzoekschrift net het feit wordt bekritiseerd dat er geen rekening wordt gehouden met bepaalde informatiebronnen en dat daarvoor geen objectieve rechtvaardiging wordt gegeven; Dat de Raad van State, bij gebrek aan motivering van de redenen waarom er wordt gekozen voor de ene en niet voor de andere informatiebron, niet zijn controletaak kan uitoefenen, namelijk de objectieve juistheid van de materiële relatie van de feiten die worden aanvaard door de administratieve rechter controleren en anderzijds de wettelijke kwalificatie van deze feiten ten aanzien van de toepasselijke rechtsbepalingen; en De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verplicht is om na te gaan of een terugreis mogelijk is op een veilige manier, nu dit één van de kernvragen is bij het bepalen op een noodzaak aan het toekennen van het statuut van subsidiaire bescherming.”; 2.3. Overwegende dat artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet de mogelijkheid biedt om de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te bevestigen of te hervormen en de voorwaarden bepaalt waaronder de XIV-31.057-12/16 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nieuwe gegevens kan onderzoeken; dat de beslissing van de commissaris-generaal te dezen met het bestreden arrest wordt bevestigd; dat de verzoekende partij nergens aangeeft dat zij een nieuw gegeven zou hebben bijgebracht dat miskend zou zijn; dat geen schending van artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet blijkt; Overwegende, wat de “vage en inconsistente verklaringen” van de verzoekende partij betreft, dat in punt 2.1.5. van het bestreden arrest wordt geantwoord op de kritiek van de verzoekende partij dat haar vage verklaringen aan de vraagstelling van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen zouden zijn te wijten; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienaangaande stelt dat deze kritiek geen steun in het administratieve dossier vindt vermits daaruit blijkt dat de verzoekende partij duidelijk en herhaaldelijk naar de chauffeur van de bij de tweede aanrijding betrokken auto werd gevraagd; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij in het verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen informatie over Haji Omar heeft gegeven; dat zij daarmee echter niet aantoont dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met miskenning van het gehoorverslag van het commissariaat-generaal zou hebben vastgesteld dat de verzoekende partij warrige verklaringen over de functie van Haji Omar zou hebben afgelegd; dat in het bestreden arrest ook wordt gemotiveerd waarom nadere kennis inzake Haji Omar mocht worden verwacht, met name omdat “het van algemene bekendheid (
  13. is)dat in Afghanistan de clan en de politieke affiliatie de belangrijkste beschermingsmechanismen zijn in de Afghaanse maatschappij, zeker voor machthebbers, en dus door iedereen gekend zijn”; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij nooit in het district Qala-i-zal is geweest; dat in het bestreden arrest echter wordt overwogen dat het om het buurtdistrict van het district van de verzoekende partij zelf gaat en dat zij op de simpele vraag of het district Qala-i-zal groen is of een woestijn, antwoordt “met het alweer nietszeggende: ‘Is er groen, woestijn maar wel groen (...)’ (CGVS gehoorverslag, p. 3)”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee de argumentatie van de verzoekende partij heeft beantwoord; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden en zelf de verklaringen van de verzoekende partij inhoudelijk te beoordelen; Overwegende dat de verzoekende partij, wat betreft de intrinsieke ongeloofwaardigheid van het relaas “gelet op de Afghaanse sociale en maatschappelijke context”, aanvoert dat die context in het bestreden arrest niet wordt omschreven en dat geen rekening wordt gehouden met het feit dat de verzoekende partij al meerderjarig was ten tijde van de problemen met Haji Omar; dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat de XIV-31.057-13/16 vader van de verzoekende partij haar zou hebben verboden in te gaan op de vraag om les aan de koranleraren te geven en haar zou hebben geboden haar werk voor de koranlezers te stoppen, en dat zij uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij haar werk wilde verderzetten maar dat haar vader er tegen was; dat dienaangaande verder wordt overwogen dat het in dat geval voor de hand zou liggen dat Haji Omar eerder de confrontatie zou opzoeken met de vader die een gekend handelaar is en de ouderlijke macht over haar zoon uitoefent; dat daaruit voldoende blijkt wat met de “maatschappelijke en sociale context” wordt bedoeld; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt om zelf die omstandigheden vast te stellen of ze feitelijk te beoordelen; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel stelt dat zij geen document betreffende het tweede ongeval in handen heeft kunnen krijgen; dat zij op het commissariaat-generaal echter heeft verklaard dat zij het stuk nog in de week van het interview zou ontvangen en dat zij in het verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorhield dat het politieverslag om onduidelijke redenen niet in de briefomslag zat; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die verschillende verklaringen soeverein beoordeelt; Overwegende, wat betreft het verblijfsrechtelijk statuut van de verzoekende partij in Pakistan en de daarbij horende documenten, dat de verzoekende partij zelf heeft verklaard dat zij in Pakistan had gestudeerd; dat de verzoekende partij zelf een taskara op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft overgelegd; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de beoordeling van deze elementen, met name het verblijfsstatuut in Pakistan en daarbij horende documenten, als rechter met volle rechtsmacht niet is gebonden door de motieven van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de rechten van verdediging niet inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen motieven eerst aan de partijen ter kennis moet brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft gesteund op gegevens uit het administratieve dossier en het rechtsplegingsdossier, met name de verklaringen van de verzoekende partij dat zij in Pakistan heeft gestudeerd en er een wettelijk diploma heeft behaald, de door de verzoekende partij op de terechtzitting overgelegde taskara en, bij de beoordeling daarvan, het ontbreken van andere stukken; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarbij ook rekening kon houden met de vaststelling in het gehoorverslag van het commissariaat-generaal dat het Pashtu van de verzoekende partij met Pakistaans Urdu was doorspekt; XIV-31.057-14/16 Overwegende dat de verzoekende partij nog aanvoert dat haar vrees voor vervolging ten aanzien van Afghanistan en niet ten aanzien van Pakistan moest worden onderzocht; dat de aangevoerde vrees wel degelijk ten aanzien van Afghanistan werd onderzocht, doch met de vaststelling dat het asielrelaas inconsistent, vaag en niet plausibel is en niet door een begin van bewijs wordt gestaafd; Overwegende, wat de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus betreft, dat het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als rechter met volle rechtsmacht toekomt om te oordelen of uit de verklaringen en stukken, of het gebrek aan bepaalde stukken, kan worden afgeleid dat de verzoekende partij over een verblijfsalternatief in Pakistan beschikt; dat de beoordeling van de antwoorden “op alle vragen over (haar) streek van herkomst” eveneens tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behoort; dat hetzelfde geldt voor de beoordeling van de veiligheidssituatie in de voorgehouden regio van herkomst, daargelaten de vaststelling dat dit motief in het bestreden arrest “ten overvloede” wordt vermeld en aldus als overtollig moet worden beschouwd; dat het middel er in die mate toe strekt een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak voor te stellen, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; Overwegende dat het enige middel in de aangegeven mate niet- ontvankelijk dan wel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-31.057-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.057-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.