id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.130 Rolnummer: A. 139039/VII-30345 Zaak: Arrest 208130 - Natuurbehoud - Vergunningen - 14/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.130 van 14 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.130 van 14 oktober 2010 in de zaak A. 139.039/VII-30.
- In zake: de NV SOCIÉTÉ DE RECHERCHES IMMOBILIÈRES (SRI) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michaël Boudry kantoor houdend te Sint-Pieters-Leeuw V. Nonnemanstraat 15 B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Luypaers en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te Heverlee Industrieweg 4, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV PROMAVIL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gauthier van Thuyne kantoor houdend te Brussel Tervurenlaan 268 A bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juli 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 9 mei 2003 houdende ambtshalve uitvoering van voorzorgsmaatregelen met betrekking tot gronden gelegen aan de Rittwegerlaan te Machelen, kadastraal gekend als eerste afdeling, sectie A, perceelnrs. 115 n, 116 f 3 en 344 h. VII-30.345-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 125.526 van 20 november 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 februari
- Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Callebaut, die loco advocaat Michaël Boudry verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gauthier van Thuyne, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-30.345-2/16 III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is een immobiliënvennootschap die eigenaar is van een aantal percelen grond gelegen aan de Rittwegerlaan 1 en 3 te Machelen, kadastraal gekend als eerste afdeling, sectie A, perceelnrs. 115 n, 116 f 3 en 344 h. Deze percelen zijn door de verzoekende partij verhuurd geweest aan verscheidene andere vennootschappen die er hun exploitatie gevestigd hebben. Onder meer de tussenkomende partij heeft tot 1997 op gedeelten van twee van voormelde percelen een milieuvergunningsplichtige activiteit uitgeoefend. Bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 12 mei 2000 worden de gronden gelegen aan de Rittwegerlaan te Machelen aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. 3.
- Op 7 juni 2000 wordt de verzoekende partij door de verwerende partij aangemaand om met betrekking tot het perceel nr. 115 n en de gedeelten van de percelen nrs. 344 h en 116 f 3 waarop de tussenkomende partij geen gebruiksrechten heeft gehad, een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. 3.
- Op 7 juli 2000 richt de verzoekende partij een schrijven aan de verwerende partij waarin zij vraagt dat haar het statuut van onschuldig eigenaar zou worden verleend en dat zij overeenkomstig artikel 31, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) zou worden vrijgesteld van elke bodemsaneringsverplichting. Bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 2000 wordt de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek bevestigd. Het annulatieberoep voor de Raad van State van de verzoekende partij tegen dat besluit wordt verworpen bij arrest nr. 198.207 van 26 november
- 3.
- Tegen de aanmaning van 7 juni 2000 stelt de verzoekende partij op 7 juli 2000 eveneens administratief beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. In het beroepschrift, ingediend met toepassing van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet, laat de verzoekende partij in essentie gelden dat zij niet beschouwd kan worden als saneringsplichtige van de betrokken gronden. VII-30.345-3/16 Bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 7 februari 2001 wordt het beroep van de verzoekende partij ongegrond verklaard en de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek bevestigd. Het annulatieberoep voor de Raad van State van de verzoekende partij tegen dat besluit wordt eveneens verworpen bij arrest nr. 198.207 van 26 november
- 3.
- Aangezien de verzoekende partij volgens de verwerende partij nadien onvoldoende initiatief aan de dag heeft gelegd om te komen tot een eindverslag met betrekking tot het beschrijvend bodemonderzoek, besluit de verwerende partij op 13 september 2002 om ambtshalve over te gaan tot de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek, het opstellen van het bodemsaneringsproject, het uitvoeren van bodemsaneringswerken en het bewaken van de eventuele nazorg. Tegen dat besluit heeft de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State, gekend onder A. 129.247/VII- 28.
- 3.
- Eveneens op 13 september 2002 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat, gelet op "de ernst van de verontreiniging, de verspreiding ervan en de vordering van het dossier naar een definitieve bodemsanering", overeenkomstig artikel 5 van het bodemsaneringsdecreet het opleggen van voorzorgsmaatregelen overwogen wordt. Tegelijk wordt de verzoekende partij uitgenodigd haar standpunt over de voorgenomen voorzorgsmaatregelen kenbaar te maken tijdens een hoorzitting in de kantoren van de verwerende partij op donderdag 19 september
- 3.
- Vanaf 3 oktober 2002 vat de verwerende partij vervolgens een parallelle procedure aan tot het opleggen van voorzorgsmaatregelen ten aanzien van de tussenkomende partij. 3.
- Met een besluit van 24 december 2002 van de verwerende partij worden de tussenkomende en de verzoekende partij verplicht om, met het oog op de bescherming van mens en milieu in afwachting van de uitvoering van bodemsaneringswerken, gezamenlijk onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2, voorzorgsmaatregelen uit te voeren waarbij de volgende objectieven moeten worden nagestreefd : VII-30.345-4/16 "* eliminatie van de rechtstreekse bron, met name de aanwezige drijflaag van puur product; * beperking van de verspreiding van de verontreiniging buiten de grenzen van voornoemde gronden; * monitoring teneinde de voorzorgsmaatregelen, indien nodig, in de loop van de uitvoering ervan bij te sturen". De door de verzoekende partij tegen het besluit van 24 december 2002 gerichte vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 121.534 van 9 juli 2003 omdat niet voldaan is aan de grondvoorwaarde met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het beroep tot nietigverklaring van dezelfde akte is gekend onder A. 133.310/VII-29.
- 3.
- In een schrijven van 20 maart 2003 waarschuwt de verzoekende partij de verwerende partij om niet vooruit te lopen op de definitieve uitkomst van de procedures die nog voor de Raad van State hangende zijn. In een schrijven van 24 maart 2003 klaagt de verzoekende partij het gebrek aan samenwerkingsbereidheid vanwege de tussenkomende partij aan. 3.
- Nadat de in het besluit van 24 december 2002 vastgestelde termijn van 90 dagen voor het opstellen van een uitvoeringsplan waarin de voorzorgsmaatregelen nader worden uitgewerkt, is verstreken, stelt de verwerende partij de verzoekende partij op 15 april 2003 formeel in gebreke en stelt zij de ambtshalve uitvoering van de opgelegde voorzorgsmaatregelen in het vooruitzicht indien de verzoekende partij haar verplichtingen niet nakomt tegen ten laatste 30 april
- 3.
- De verzoekende partij reageert op die ingebrekestelling door te wijzen op de noodzaak van bijkomend overleg, onder leiding van de verwerende partij, tussen alle rechtstreeks betrokken partijen om te komen tot een "gezamenlijke aanpak" waarbij de voorzorgsmaatregelen concreet worden uitgewerkt met invulling van ieders precieze taken. 3.
- Op 9 mei 2003 beslist de verwerende partij om in de plaats en op kosten van de verzoekende partij ambtshalve over te gaan tot de verdere uitvoering van het besluit van 24 december 2002 houdende voorzorgsmaatregelen. Dit is het bestreden besluit. VII-30.345-5/16 In dit besluit wordt onder meer overwogen dat, aangezien de verzoekende partij nog steeds geen bodemsaneringsdeskundige van type 2 heeft aangesteld om de uitvoering van de opgelegde voorzorgsmaatregelen te begeleiden, een vergadering zonder een aangestelde erkende bodemsaneringsdeskundige in het kader van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen weinig zinvol is. Tevens wordt gewezen op de dringende noodzaak tot bescherming van mens en milieu tegen het gevaar uitgaande van de vastgestelde bodemverontreiniging. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 45, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen (hierna : motiveringswet) en van het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat de verwerende partij haar eisen en verwachtingen miskent, dat zij niet kan worden beschouwd als een ingebrekeblijvende partij, dat geen motivering wordt gegeven waarom de verwerende partij overgaat tot de ambtshalve uitvoering van de voorzorgsmaatregelen terwijl de verwerende partij volgens de verzoekende partij had moeten wachten tot er zekerheid bestaat omtrent de saneringsplicht ten hare laste en dat de verwerende partij uitdrukkelijk had moeten motiveren waarom ze gebruik maakt van haar bevoegdheden om tot ambtshalve uitvoering van voorzorgsmaatregelen over te gaan. Zij argumenteert voorts dat uit artikel 45, § 1, van het bodemsaneringsdecreet volgt dat de verwerende partij enkel kan optreden wanneer iemand die verplicht is om tot bodemsanering over te gaan, zijn plicht niet nakomt, dat zij altijd de haar opgelegde saneringsplicht betwist heeft met alle haar ter beschikking staande rechtsmiddelen en dat zij wel degelijk is opgetreden, met name door op de beslissingen en de brieven van de verwerende partij te antwoorden en haar standpunt uiteen te zetten. Volgens de verzoekende partij moeten voor de toepassing van artikel 45, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, geen daadwerkelijke werkzaamheden uitgevoerd worden op het terrein en heeft de verwerende partij geen verplichting om ambtshalve op te treden, waardoor zij volgens de verzoekende partij omstandig moet motiveren waarom zij van deze mogelijkheid gebruik maakt. Ten slotte argumenteert de verzoekende partij dat het niet redelijk is een dergelijke maatregel te nemen zonder VII-30.345-6/16 uitvoerig te motiveren waarom ze genomen wordt, gelet op de hangende rechterlijke procedures met betrekking tot deze bodemsanering.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel tegen de hele bodemsaneringsprocedure in het algemeen is gericht en dat niet moet worden gewacht met de uitvoering van de ambtshalve bodemsanering en de ambtshalve voorzorgsmaatregelen totdat de Raad van State uitspraak heeft gedaan inzake onder meer het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 2000 houdende verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. Zij stelt dat ingevolge de verwerping van de vordering tot schorsing bij arrest nr. 100.350 van 25 oktober 2001 voornoemde beslissing haar volle rechtskracht en uitvoerbaar karakter behoudt en dat langer dralen met de bodemsanering een ernstige bedreiging en gevaar voor de openbare gezondheid zou inhouden. Zij stelt voorts dat de verzoekende partij in gebreke is gebleven binnen de opgelegde termijnen een uitvoeringsplan voor te leggen en voorzorgsmaatregelen uit te voeren terwijl de tussenkomende partij op het eerste gezicht wel haar verplichtingen is nagekomen. Ten slotte antwoordt de verwerende partij dat in het bestreden besluit uitvoerig gemotiveerd wordt waarom zij overgaat tot ambtshalve uitvoering van de voorzorgsmaatregelen en dat het bestreden besluit niet manifest onredelijk is gelet op het feit dat de verzoekende partij twee maal in gebreke is gesteld.
- De verzoekende partij repliceert dat volgens het standpunt van de verwerende partij haar de uitvoering van een beslissing wordt opgedrongen waartegen zij zich niet kan verzetten en dat zij niet als een ingebrekeblijvende partij kan worden beschouwd omdat zij steeds haar saneringsplicht heeft betwist, daartoe juridische middelen heeft aangewend en dat er volgens haar nog geen definitieve uitspraak is over het bestaan van enige saneringsplicht ten hare laste. Zij stelt voorts dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de voorzorgsmaatregelen zouden worden uitgevoerd op kosten van een andere partij, dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat een ambtshalve uitvoering van deze maatregel zich opdringt vooraleer er uitspraak is over het feit of zij moet worden beschouwd als saneringsplichtige en dat zij niet kan worden beschouwd als diegene die een zekere en uitvoerbare bodemsaneringsplicht heeft.
- De tussenkomende partij haalt alle juridische middelen aan die de verzoekende partij heeft aangewend sinds de aanmaning om over te gaan tot de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek op 7 juni 2000 en concludeert dat VII-30.345-7/16 de bevoegde autoriteiten en rechtbanken ter zake de saneringsplicht van de verzoekende partij telkenmale hebben bevestigd zodat haar argumentatie wat dit punt betreft volgens de tussenkomende partij naast de kwestie is. De tussenkomende partij stelt voorts dat de verwerende partij in het bestreden besluit nauwkeurig heeft uiteengezet waarom zij ambtshalve wil tussenkomen en zij geeft deze motivering samengevat weer.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij, bij haar beslissing om ambtshalve maatregelen op te leggen, rekening had moeten houden met de antwoorden van de verzoekende partij op haar brieven. Beoordeling
- Het bestreden besluit vindt zijn rechtsgrond in het, inmiddels opgeheven, artikel 45, § 1, van het bodemsaneringsdecreet dat als volgt luidde : "Indien de persoon die krachtens dit decreet verplicht is over te gaan tot bodemsanering of tot andere maatregelen niet of in onvoldoende mate optreedt, wordt hij door OVAM aangemaand zijn verplichtingen na te leven binnen een bepaalde termijn. Geeft hij aan de aanmaning geen gevolg, dan kan OVAM ambtshalve in zijn plaats optreden". De verzoekende partij werd op 15 april 2003 aangemaand om de voorzorgsmaatregelen, opgelegd bij besluit van 24 december 2002, uit te voeren en om uiterlijk tegen 30 april 2003 een uitvoeringsplan voor te leggen. In die aanmaning kondigt de verwerende partij aan dat desgevallend zal worden overgegaan tot ambtshalve uitvoering van de voorzorgsmaatregelen op kosten van de verzoekende partij. Noch de hiervoor aangehaalde decreetsbepaling noch de ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur verplichten de verwerende partij ertoe de aanmaning en het ambtshalve optreden op grond van artikel 45, § 1, van het bodemsaneringsdecreet uit te stellen tot de annulatieberoepen die de verzoekende partij bij de Raad van State had ingesteld tegen de besluiten van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 2000 en 7 februari 2001 houdende de verplichting om tot bodemsanering over te gaan, gekend onder de respectieve zaken A. 100.684/VII-23.190 en A. 103.003/VII-23.361, hun definitieve beslag hadden gekend. Het instellen van een annulatieberoep en een VII-30.345-8/16 schorsingsvordering brengt immers geen omkering mee van het vermoeden dat de bestreden besluiten van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, ten minste zolang ze door de Raad van State niet zijn vernietigd, moeten worden geacht wettig te zijn. Het louter instellen van een vordering bij de Raad van State heeft evenmin een schorsende werking. Door de uitkomst van bedoelde annulatieberoepen niet af te wachten heeft de verwerende partij eigenlijk niet meer gedaan dan het risico geassumeerd dat de aan de verzoekende partij opgelegde bodem- saneringsverplichting alsnog ongedaan kan worden gemaakt door een annulatiearrest. Overigens wordt thans vastgesteld dat de annulatieberoepen die de verzoekende partij bij de Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissingen waarbij uitspraak is gedaan over de beroepen die de verzoekende partij heeft ingesteld tegen het besluit van de verwerende partij van 7 juni 2000, houdende aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek, zijn verworpen bij arrest nr. 198.207 van 26 november
- Gelet op het voorwerp van de maatregelen waartoe de verzoekende partij wordt aangemaand, bestond er nog minder reden om te wachten op de uitspraak ten gronde over het geschil omtrent de saneringsplicht. Voorzorgsmaatregelen strekken er overeenkomstig artikel 5, § 2, van het bodemsaneringsdecreet immers toe om, in afwachting van de uitvoering van bodemsaneringswerken, de mens of het milieu te beschermen tegen de gevaren van bodemverontreiniging. In redelijkheid kan worden aangenomen dat voorzorgsmaatregelen slechts zinvol zijn wanneer ze op een nuttig ogenblik effectief worden uitgevoerd.
- In de mate dat de verzoekende partij betwist dat zij in gebreke is gebleven om haar verplichtingen krachtens het bodemsaneringsdecreet na te komen, stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij te dezen gehouden was uitvoering te geven aan de beslissing van de verwerende partij van 24 december 2002 houdende voorzorgsmaatregelen "Rittwegerlaan te Machelen" waarbij zij de verplichting had om onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 voorzorgsmaatregelen uit te voeren en te streven naar de eliminatie van de rechtstreekse bron, met name de aanwezige drijflaag van puur product, de beperking van de verspreiding van de verontreiniging buiten de grenzen van de verontreinigde gronden en monitoring om, indien nodig, de voorzorgsmaatregelen bij te sturen. De nadere uitwerking van de voorzorgsmaatregelen moest gebeuren in een VII-30.345-9/16 uitvoeringsplan dat binnen een termijn van 90 dagen moest worden opgesteld en ter goedkeuring aan de verwerende partij moest worden voorgelegd. Het voeren van briefwisseling die er toe strekt de verwerende partij te wijzen op het risico dat zij neemt door de uitkomst van de hangende annulatieberoepen bij de Raad van State niet af te wachten, op de moeilijkheden bij het inwinnen van een financieel haalbare offerte voor het uitvoeren van de voorzorgsmaatregelen en op de noodzaak van een overlegvergadering tussen alle betrokken partijen, kan niet worden aangemerkt als een correcte en volledige uitvoering van de bij besluit van de verwerende partij van 24 december 2002 opgelegde verplichtingen. Daarenboven heeft de verwerende partij zowel in de aanmaning van 15 april 2003 als in het bestreden besluit tot ambtshalve uitvoering van de voorzorgsmaatregelen uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij voor het niet-nakomen van de opgelegde verplichtingen niet overtuigen. De verzoekende partij betwist de opgegeven motieven niet.
- Noch artikel 45, § 1, van het bodemsaneringsdecreet noch de formele motiveringsplicht, opgelegd door de motiveringswet, vereisen dat de verwerende partij afzonderlijk motiveert waarom zij gebruik maakt van haar bevoegdheid om ambtshalve op te treden, aangezien die bevoegdheid rechtstreeks uit het bodemsaneringsdecreet voortvloeit. Artikel 46, § 3, van het bodemsaneringsdecreet bepaalt uitdrukkelijk dat de verwerende partij de kosten van haar ambtshalve optreden kan verhalen op de persoon die zijn verplichtingen krachtens het bodemsaneringsdecreet niet of niet volledig uitvoert. Het door de verzoekende partij ingeroepen redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel kunnen geen afbreuk doen aan een duidelijke wetsbepaling. Het eerste middel is niet gegrond. VII-30.345-10/16 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel doordat de verwerende partij overgaat tot ambtshalve uitvoering van opgelegde voorzorgsmaatregelen en de eisen en verwachtingen van de verzoekende partij zou miskennen. Zij stelt dat de verwerende partij wist dat de verzoekende partij haar saneringsplicht via alle mogelijke rechtsmiddelen heeft betwist, dat de verwerende partij de voorzorgsmaatregelen op haar eigen kosten had kunnen uitvoeren en de uitspraak omtrent de saneringsplicht had moeten afwachten inzake voornoemde annulatieberoepen tegen de besluiten van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 2000 en 7 februari 2001, omdat de saneringsplicht volgens de verzoekende partij pas definitief is nadat de Raad van State zich heeft uitgesproken over deze annulatieberoepen.
- De verwerende partij antwoordt dat ingevolge de verwerping van de vorderingen tot schorsing van voornoemde besluiten van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw bij arresten van de Raad van State nrs. 100.350 en 100.351 van 25 oktober 2001, voornoemde beslissingen hun volle rechtskracht en uitvoerbaar karakter behouden en dat langer dralen met de bodemsanering een ernstige bedreiging en gevaar voor de openbare gezondheid zou inhouden.
- De verzoekende partij repliceert dat het niet behoorlijk is een beslissing door te drijven die in feite en in rechte niet volledig correct is, dat het bestreden besluit ook een belangrijke financiële impact heeft waardoor de overheid volgens haar zorgvuldiger moet zijn bij de uitvoering ervan en waardoor vooreerst ondubbelzinnig moet vaststaan dat zij als saneringsplichtige kan worden beschouwd. Zij stelt voorts dat het bestreden besluit niet van die aard is dat het rechten toekent zodat het rechtszekerheidsbeginsel volgens haar niet geschonden kan worden door het bestreden besluit niet uit te voeren. Ten slotte stelt de verzoekende partij dat de verontreiniging reeds dermate lange tijd aanwezig is, dat niet valt in te zien dat het wachten met de uitvoering van het bestreden besluit nadeliger zou zijn voor de openbare gezondheid dan wanneer de uitvoering onmiddellijk zou plaatsvinden. VII-30.345-11/16
- De tussenkomende partij stelt dat aangezien de administratieve beslissingen die de saneringsplicht van de verzoekende partij vastleggen, niet geschorst zijn, de verzoekende partij deze beslissingen moet naleven en dat zolang deze beslissingen niet ongedaan gemaakt worden, beide beslissingen het "privilège du préalable" genieten. Het door de verzoekende partij aangehaalde arrest van de Raad van State nr. 90.525 van 26 oktober 2000 toont volgens de tussenkomende partij aan dat de verzoekende partij het beschrijvend bodemonderzoek moest uitvoeren.
- De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat het niet zorgvuldig en evenmin redelijk is om het bestreden besluit door te drijven gelet op de financiële impact ervan op de resultaten van de verzoekende partij, zowel op korte als op lange termijn. Beoordeling
- De omstandigheid dat de verzoekende partij haar saneringsplicht betwist, brengt niet met zich mee dat de verwerende partij, in afwachting van een uitspraak ten gronde over die betwisting, zich ervan moet onthouden de noodzakelijk geachte voorzorgsmaatregelen op te leggen. Uit het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel vloeit dergelijke rechtsplicht niet voort. De gebeurlijke financiële impact van het bestreden besluit is volledig herstelbaar indien achteraf zou blijken dat de aanwijzing van de verzoekende partij als saneringsplichtige onwettig is. Dergelijke gebeurlijke impact belet niet dat de verwerende partij het bestreden besluit vermocht uit te voeren. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 10 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, van artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950 (hierna : EVRM) en van artikel 13 van de Grondwet. VII-30.345-12/16 De verzoekende partij stelt dat, ondanks de verscheidene door haar ingediende administratieve beroepen en de verscheidene procedures voor de Raad van State, de verwerende partij en de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw niet gewacht hebben tot enige uitspraak zou worden gedaan omtrent het bestaan van een saneringsplicht in hoofde van de verzoekende partij en zich steeds strikter hebben opgesteld en het dossier verder hebben doorgeduwd, zowel wat de "gewone" maatregelen betreft van het bodemsaneringsdecreet als de voorzorgsmaatregelen. Zij stelt dat deze handelwijze van de overheid maakt dat zij niet de kans krijgt haar dossier te laten beoordelen door een rechtbank, doordat de vraag omtrent de saneringsplicht volgens haar achterhaald zal zijn door de feiten waarbij de sanering op haar kosten zal zijn uitgevoerd. Ten slotte stelt de verzoekende partij dat hoewel zij een beroep kan doen op de rechterlijke macht, zij de facto haar elementaire rechten tot bescherming van haar aanspraken niet kan afdwingen omdat de bodemsaneringsprocedure verder wordt gezet zonder dat de rechter kan beoordelen of haar aanspraken al dan niet rechtmatig zijn, terwijl volgens haar een eventuele ambtshalve sanering moet gebeuren op kosten van de overheid.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij geen toereikend belang heeft bij het middel omdat het belang kennelijk wordt bepaald door de kosten van de bodemsaneringsprocedure ten laste van de verzoekende partij, terwijl volgens haar de verzoekende partij zich overeenkomstig artikel 11 van het bodemsaneringsdecreet kan verhalen op de bodemsaneringsaansprakelijke en nu reeds een provisie van deze laatste kan vorderen. Uit de erkenning van de verzoekende partij dat zij alle administratieve handelingen in het kader van de bodemsaneringsprocedure heeft bestreden middels georganiseerde administratieve beroepen, vorderingen tot schorsing, annulatieberoepen en burgerlijke procedures, leidt de verwerende partij af dat de verzoekende partij haar aanspraken wel door een rechtbank behandeld ziet en derhalve voldoende rechtsbescherming geniet. Ten slotte stelt zij dat het standpunt van de verzoekende partij dat de verwerende partij de bodemsaneringsprocedure moet staken hangende het annulatieberoep inzake de saneringsplicht, niet te rijmen is met het "privilège du préalable" en het uitvoerbaar karakter van de administratieve rechtshandeling.
- De verzoekende partij repliceert dat het belang niet ingegeven is door financiële overwegingen, maar door juridische overwegingen, met name door het feit dat haar een saneringsplicht wordt opgelegd met als gevolg daarvan het opleggen van de voorzorgsmaatregel en de beslissing tot ambtshalve uitvoering van VII-30.345-13/16 die maatregel. Volgens de verzoekende partij weet de verwerende partij wie de aansprakelijke is voor de bodemverontreining, maar heeft zij zich gewend tot de eigenaar van het terrein gezien de kosten verbonden aan de uitvoering van de voorzorgsmaatregel. Zij stelt dat er voor haar geen noodzaak bestaat om op zoek te gaan naar de aansprakelijke om een voorschot te eisen omdat deze noodzaak enkel bestaat in hoofde van de saneringsplichtige en zij geen saneringsplichtige is. Zij vraagt zich af of artikel 11 van het bodemsaneringsdecreet kan worden toegepast wat de uitvoering van voorzorgsmaatregelen betreft en stelt ten slotte dat zij wel van een rechter wordt afgehouden doordat op het moment van de uitspraken van de gevatte rechterlijke instanties, de maatregelen reeds zullen zijn uitgevoerd op haar kosten terwijl zij wil vermijden dat zij de saneringsmaatregelen op haar kosten moet uitvoeren.
- De tussenkomende partij stelt dat de saneringsplicht van de verzoekende partij vaststaat en dat de administratieve rechtshandelingen terzake het "privilège du préalable" genieten. Zij stelt dat uit de verscheidene bodemonderzoeken de nood aan voorzorgsmaatregelen blijkt, dat artikel 45, § 3, van het bodemsaneringsdecreet aan de verwerende partij toelaat, indien zij ambtshalve optreedt, de kosten te verhalen op de ingebrekeblijvende partij of op de persoon die aansprakelijk is conform de artikelen 25 tot 28 of 32 van het bodemsaneringsdecreet en dat de bewering van de verzoekende partij dat een eventuele ambtshalve sanering moet gebeuren op kosten van de overheid, nergens houvast vindt. Beoordeling
- De omstandigheid dat de verzoekende partij met de nagestreefde nietigverklaring de financiële gevolgen van een opgelegde bodem- saneringsverplichting tracht af te wenden, brengt niet mee dat het middel onontvankelijk is.
- Het derde middel voegt in wezen niets toe aan de voorgaande middelen. In de mate dat de verzoekende partij herhaalt dat de saneringsplicht het voorwerp van betwisting vormt en de opgelegde saneringsverplichtingen belangrijke financiële repercussies hebben, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van het eerste en het tweede middel. Ook blijft een administratieve rechtshandeling uitvoerbaar zolang zij niet is geschorst of vernietigd. VII-30.345-14/16 Voorts heeft de ambtshalve uitvoering van de voorzorgsmaatregelen niet tot gevolg dat de verzoekende partij wordt beknot in het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de aanduiding als saneringsplichtige. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, heeft de verzoekende partij gebruik gemaakt van alle openstaande rechtsmiddelen tegen de basisbeslissing om tot bodemsanering over te gaan. De effectieve uitvoering van de voorzorgsmaatregelen in het kader van een ambtshalve optreden van de verwerende partij heeft evenmin tot gevolg dat de reeds aangespannen rechtsgedingen aan "belang inboeten" of worden "doorkruist". Het bestreden besluit is immers niet van invloed op de beoordeling van die rechtszaken. Tot slot gaat de verzoekende partij uit van de premisse dat de rechter achteraf zal vaststellen dat zij ten onrechte als saneringsplichtige is aangewezen. Dat uitgangspunt is voorbarig en, zoals inmiddels is gebleken uit het arrest van de Raad van State nr. 198.207 van 26 november 2009, onterecht. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens heeft in de Belgische rechtsorde geen juridisch bindende kracht. De rechtsbescherming die de verzoekende partij geniet op grond van de aangehaalde bepalingen van het EVRM en de Grondwet, is niet geschonden. Het derde middel is bijgevolg ontvankelijk, doch ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-30.345-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-30.345-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.130 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div