id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.131 Rolnummer: A. 151651/VII-37793 Zaak: Arrest 208131 - Monumenten en Landschappen - 14/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.131 van 14 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.131 van 14 oktober 2010 in de zaak A. 151.651/VII-37.
- In zake: de NV COMPAGNIE HET ZOUTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Steve Ronse kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6, bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- - I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 mei 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 27 januari 2004 waarbij onder meer de villa "Maeger Scorre", bestaande uit een gebouwencomplex rond binnenkoer met omgevende aangelegde tuin en fonteinen, gelegen aan het Caddiespad 14 te Knokke-Heist, als monument wordt beschermd "voor zover daarin begrepen zijn de schilderijen 'Promenade à travers le Zoute en 1930' en 'Ballade le long de la digue de Comte Jean' van de Belgische kunstenaar Edgard Tytgat". VII-37.793-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 193.429 van 19 mei 2009 zijn de debatten heropend om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : "Schendt artikel 2, 2/ van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten ?" en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee gelast, na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof, het onderzoek van de zaak voort te zetten. Bij arrest nr. 25/2010 van 17 maart 2010 heeft het Grondwettelijk Hof voornoemde vraag ontkennend beantwoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen Vanpraet, die loco advocaten Dirk Van Heuven en Steve Ronse verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Nathalie De Clercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-37.793-2/5 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar het arrest nr. 193.429 van 19 mei
- IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede, derde en vierde middel
- Het tweede, derde en vierde middel zijn ongegrond bevonden in het arrest nr. 193.429 van 19 mei
- B. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Voor de uiteenzetting van het eerste middel wordt verwezen naar het meergenoemd arrest nr. 193.429 van 19 mei
- Het Grondwettelijk Hof is in zijn arrest nr. 25/2010 van 17 maart 2010 tot het besluit gekomen dat voornoemde prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het Hof zegt voor recht : "Artikel 2, 2/, van het Vlaamse decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998, schendt niet artikel 127, § 1, eerste lid, 1/, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4, 4/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen".
- De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie na dit arrest dat volgens het Grondwettelijk Hof de bescherming van roerende goederen een bevoegdheid van de gemeenschappen is en aan de voorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : BWHI) voldaan is, waardoor de gewesten onder bepaalde voorwaarden cultuurgoederen mee kunnen beschermen met het monument voor zover deze er VII-37.793-3/5 integrerend deel van uitmaken, roerend zijn uit hun aard en niet kunnen worden gekwalificeerd als onroerend door bestemming. Zij stelt dat nog uitspraak moet worden gedaan over de door haar aangevoerde schending van artikel 7 van de BWHI en van de motiveringsplicht. Zij voert aan dat de bescherming van cultuurgoederen samen met het monument een uitzonderingsprocedure is die slechts onder strikte voorwaarden mogelijk is en haalt in dit verband rechtspraak van de Raad van State aan. Zij stelt voorts dat in het bestreden besluit niet wordt gemotiveerd waarom de minister in zijn hoedanigheid van gewestminister de bewuste schilderijen mee kan beschermen met het onroerend goed en waarom dit niet zou moeten gebeuren door de minister in zijn hoedanigheid van gemeenschapsminister die bevoegd is voor het cultureel patrimonium. Volgens haar brengt de toepassing van een uitzonderingsprocedure een versterkte motiveringsplicht met zich mee.
- De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie na voornoemd arrest dat het standpunt van de verzoekende partij als zou door het beschermen van integrerende cultuurgoederen het exclusief bevoegdheidsdomein van de gemeenschappen betreden zijn, niet correct is. Beoordeling
- Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest aangenomen dat op voorwaarde dat een regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van de gewestbevoegdheid een gemeenschapsaangelegenheid door de gewesten kan worden geregeld en dat de weerslag van dergelijke gewestelijke regeling op de gemeenschapsaangelegenheid "slechts marginaal is". Aldus kan de decreetgever in de materie van monumenten en landschappen het noodzakelijk achten dat naast de onroerende goederen ook de cultuurgoederen die integrerend deel ervan uitmaken, "inzonderheid de bijbehorende uitrusting en de decoratieve elementen" worden beschermd. Uit die bevindingen blijkt dat aan de vereiste voorwaarden voor de toepassing van artikel 10 van de BWHI is voldaan, zodat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken bevoegd was om het bestreden besluit te nemen en geen schending van artikel 4, 4/, van de BWHI voorligt. Het eerste middel is bijgevolg niet gegrond. VII-37.793-4/5
- In de mate dat de verzoekende partij in haar laatste memorie aanvoert dat de bescherming van cultuurgoederen samen met het monument een uitzonderingsprocedure is die slechts onder strikte voorwaarden mogelijk is en een "versterkte motiveringsplicht met zich meebrengt" wat te dezen volgens de verzoekende partij niet het geval zou zijn, stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij hiermee een nieuw middel aanvoert, dat in haar verzoekschrift reeds had kunnen worden ingeroepen. Dit nieuw middel is bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.793-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.131 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.429 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div