← België

Arrest 208135 - Milieuheffingen - 14/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.135 Rolnummer: A. 112351/X-14782 Zaak: Arrest 208135 - Milieuheffingen - 14/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.135 van 14 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.135 van 14 oktober 2010 in de zaak A. 112.351/VII-37.

  1. In zake: EMERY WORLDWIDE AIRLINES INC. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mia Declercq en tevens door advocaat Marc Godfroid kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS INSTITUUT VOOR MILIEUBEHEER (BIM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jacques Sambon en Patrick Masureel kantoor houdend te Brussel Wijnheuvelenstraat 227 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 5 november 2001, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 4 september 2001 waarbij aan Emery Worldwide Airlines Inc. een administratieve geldboete wordt opgelegd ten belope van 112.000 BEF wegens inbreuken op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 188.456 van 4 december 2008 is het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. C.09.0016.N van 15 oktober 2009 van het Hof van Cassatie wordt het arrest nr. 188.456 vernietigd en wordt de zaak verwezen naar de anders samengestelde afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. VII-37.824-1/5 Bij arrest nr. 205.209 van 15 juni 2010 heropent de Raad van State de debatten en wordt de zaak verwezen naar de VIIe kamer. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marc Godfroid, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Jacques Sambon verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie van de verwerende partij
  6. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de verzoekende partij, die een vennootschap is naar recht van de staat Nevada (Verenigde Staten van Amerika), door het proces-verbaal van de "regular meeting of Directors" van 24 juni 1999 en de verklaring van Daniel P. O'Connell in zijn hoedanigheid van "officer" van 2 november 2001, niet aantoont dat de beslissing om in rechte te treden genomen werd door het wettelijk of statutair daartoe bevoegde orgaan.
  7. Met betrekking tot de aangevoerde exceptie repliceert de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord : "a. Overeenkomstig de wetgeving terzake uitgevaardigd in de Staat Nevada, waar Emery Worldwide Airlines geïncorporeerd is alsook overeenkomstig de bewoordingen van de statuten zelf van verzoekende partij staat vast dat de heer Daniel P. O' Connell, als 'duly elected officer' (Vice President, Finance and Administration) bevoegd is toelating te geven om huidige procedure te laten opstarten en verder te zetten. Een dergelijke bevoegdheid is immers inherent aan de bevoegdheden van een 'officer' zelf. Voor zover als nodig verwijst VII-37.824-2/5 verzoekende partij in dit verband naar het voorgelegde memorandum opgesteld door Alan R. Geraldi. b. De heer Daniel P. O'Connell beschikt over een mandaat als 'officer' vanaf de datum van zijn verkiezing tot de datum van zijn vrijwillig ontslag, zijn overlijden of een aanduiding van een andere persoon door de Board of Directors. Zulks is in casu niet gebeurd. Het is hier geenszins bewezen dat het mandaat van de heer Daniel P. O'Connell, dat niet in de tijd beperkt was, niet meer geldig was. De beslissing om een verzoek tot nietigverklaring in te dienen werd dus genomen door de persoon die daartoe wettelijk/statutair bevoegd was". Beoordeling
  8. In de laatste memorie gaat de verwerende partij niet meer in op de door haar opgeworpen exceptie en bijgevolg toont zij niet aan dat de uiteenzetting van de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord onjuist is. De exceptie wordt verworpen. B. Intrekking van een ambtshalve exceptie
  9. In het auditoraatsverslag van 7 maart 2007, voorafgaand aan het arrest nr. 188.456 van 4 december 2008, wordt ambtshalve besloten tot de niet- ontvankelijkheid van het beroep omdat de verzoekende partij zou doen blijken van een "zeer voorwaardelijke belangstelling" bij de verdere behandeling van het beroep.
  10. Ter terechtzitting stelt de auditeur evenwel op basis van latere ontwikkelingen vast dat de verzoekende partij nog steeds doet blijken van het vereiste actueel belang en verzoekt zij dat een onderzoeksmaatregel wordt bevolen teneinde de zaak ten gronde te kunnen onderzoeken. IV. Prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof
  11. De verzoekende partij vraagt ter terechtzitting de in het auditoraatsverslag van 7 maart 2007 geformuleerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Het betreft volgende vragen : "1) Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu de artikelen 12, 13 en 14 van de Grondwet - al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - doordat (het) in artikel 33, 7/, b), van de ordonnantie VII-37.824-3/5 bedoelde misdrijf strafbaar wordt gesteld met een administratieve geldboete waarvan het bestuur de hoogte bepaalt voor zover het bedrag tussen 625 i en 62.500 i gelegen is en waartegen als enig rechterlijk toezicht een vordering tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad van State openstaat? 2) Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang met de artikelen 12, 13, 14, 110 en 144 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat het in artikel 33, 7/, b), van de ordonnantie bedoelde misdrijf strafbaar wordt gesteld met een administratieve geldboete waarvan het bestuur de hoogte bepaalt voor zover het bedrag tussen 625 i en 62.500 i gelegen is en waartegen als enig rechterlijk toezicht een vordering tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad van State openstaat, terwijl bij strafrechtelijke vervolging hetzelfde misdrijf met een (lagere) geldboete wordt bestraft die door de judiciaire rechter wordt opgelegd, wat onder meer impliceert dat de rechter de hoogte van de boete bepaalt en dat de mogelijkheid openstaat de zaak opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege? 3) Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen doordat het in artikel 33, 7/, b), van de ordonnantie bedoelde misdrijf strafbaar wordt gesteld met een door het bestuur op te leggen administratieve geldboete, zonder dat blijkt dat voorafgaand aan de beraadslaging in de Brusselse Hoofdstedelijke regering over het voorontwerp van laatstgenoemde bepaling het eensluidend advies van de Ministerraad werd ingewonnen?".
  12. Zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 205.209 van 15 juni 2010 heeft vastgesteld zou het stellen van de eerste en de tweede vraag, in zoverre deze betrokken zijn op de rechtsmacht van de Raad van State, een schending inhouden van het bepaalde in artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In de mate dat bedoelde prejudiciële vragen van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling ten gronde van het annulatieberoep, deelt het auditoraat ter terechtzitting mee dat de noodzaak ervan vooralsnog niet vaststaat in afwachting van de uitvoering van de op zijn verzoek te bevelen onderzoeksmaatregel. De Raad van State treedt dat standpunt bij. V. Heropening van de debatten
  13. Aangezien het verslag van het auditoraat beperkt is tot het onderzoek van de rechtsmacht van de Raad van State en tot de ontvankelijkheid van het beroep dienen de debatten te worden heropend met het oog op een aanvullend verslag. VII-37.824-4/5
  14. Ingevolge voormeld arrest nr. 188.456 van 4 december 2008 werden de partijen terug in het bezit gesteld van de stukken die zij in het kader van de behandeling van het beroep hadden neergelegd. Teneinde het annulatieberoep met volledige kennis van zaken te kunnen onderzoeken, is er reden de partijen te bevelen om die stukken weer neer te leggen. BESLISSING
  15. De Raad van State heropent de debatten.
  16. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek.
  17. Binnen dertig dagen vanaf de betekening van dit arrest dient de verwerende partij het administratief dossier neer te leggen overeenkomstig de bij de memorie van antwoord gevoegde inventaris. Aan de verzoekende partij wordt eenzelfde termijn gegeven om opnieuw de stukken neer te leggen die initieel bij het verzoekschrift tot nietigverklaring waren gevoegd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.824-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.135 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.456 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.209 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.