← België

Arrest 208150 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.150 Rolnummer: A. 184762/X-13408 Zaak: Arrest 208150 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.150 van 14 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.150 van 14 oktober 2010 in de zaak A. 184.762/X-13.

  1. In zake:
  2. Koen AERTS
  3. Christel LOOTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 10 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 8 juni 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 13 april 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning is verleend voor het bouwen van een appartementsgebouw na het slopen van een woning gelegen te Dessel, Turnhoutsebaan 109, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nrs. 1104/d en 1104/g
  5. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 179.330 van 6 februari 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-13.408-1/8 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april
  7. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel grond met aanhorige gebouwen gelegen aan de Turnhoutsebaan nr. 109 te Dessel. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol tot op een diepte van 50 m gelegen in woongebied en voor het overige in agrarisch gebied. X-13.408-2/8 3.
  10. Op 16 juni 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dessel een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een appartementsgebouw na het slopen van een woning op het voormelde perceel. 3.
  11. Bij besluit van 10 november 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dessel de vergunning na een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 3.
  12. In beroep willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen bij besluit van 13 april 2006 de aanvraag in. 3.
  13. Op 6 juni 2006 stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in tegen dit vergunningsbesluit bij de Vlaamse regering. 3.
  14. Op 13 september 2006 wordt een hoorzitting gehouden. 3.
  15. Met een op 9 mei 2007 ter post aangetekend schrijven aan de Vlaamse Minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening “verwijzen” de verzoekende partijen “naar het dossier met referte zoals in de zaak in rand vermeld” en verzoeken zij hen “te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier”. 3.
  16. Bij het bestreden besluit van 8 juni 2007 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en wordt het besluit van 13 april 2006 van de bestendige deputatie vernietigd. Een afschrift van dit besluit wordt aan de verzoekende partijen betekend met een op 12 juni 2007 ter post aangetekend schrijven. 3.
  17. Met een schrijven van 3 juli 2007, aangevuld met een schrijven van 6 juli 2007, verzoekt de raadsman van de verzoekende partijen de verwerende partij haar standpunt mede te delen omtrent het ter post aangetekend schrijven van 9 mei
  18. 3.
  19. Met een brief van 9 juli 2007 antwoordt de bevoegde administratie wat volgt : X-13.408-3/8 “(...) Uw schrijven d.d. 9 mei 2007 betrof enkel een vraag tot info over de stand van zaken van het betreffende dossier. Nergens in de brief werd op duidelijke wijze geformuleerd dat het ging om het rechtsgeldig in herinnering brengen van de zaak conform het artikel 53, § 2 bis van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  20. De beslissing tot inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar is derhalve niet buiten termijn aan de aanvrager betekend. (...)”. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  21. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 53, § 2bis van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), “Doordat, middels het bestreden besluit de door de bestendige deputatie van de Provincieraad van Antwerpen op 13 april 2006 aan beroeper afgeleverde stedenbouwkundige vergunning wordt vernietigd, en uit de aan de raadsman van beroepers gerichte brief dd. 9 juli 2007 blijkt dat de tegenpartij zich op dit besluit beroept om beroepers te verbieden de door de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen op 13 april 2006 afgeleverde vergunning uit te voeren. Terwijl, dit besluit ter wille van zijn (...) werkzaamheid, aan beroeper diende te zijn genotificeerd uiterlijk de dertigste dag nadat beroeper de rappelbrief die hij in toepassing van artikel 53 §2 conform de voorschriften van artikel 53 §2 bis verstuurde ter post afgaf, op 9 mei 2007, En terwijl, aldus deze termijn in casu werd overschreden nu dit besluit slechts aan beroepers werd genotificeerd bij aangetekend schrijven dd. 12 juni 2007, en door hen werd ontvangen op 13 juni 2007, waardoor dit besluit laattijdig is, en beroepers dus niet kan worden tegengeworpen Zodat, het behoort dat wordt vastgesteld dat het bestreden besluit ten aanzien van beroeper geen enkel rechtsgevolg kan hebben en hem op geen enkele wijze kan worden tegengeworpen, en het ter wille van de rechtszekerheid past dat het besluit wordt geschorst en vernietigd teneinde het uit het rechtsverkeer weg te nemen (...). Toelichting bij het enig middel Het Ministerieel Besluit dd. 8 juni 2007 werd genotificeerd bij aangetekend schrijven dd. 12 juni
  22. Uit de brief van de Post dd. 4 juli 2007 blijkt dat de rappelbrief die beroeper verstuurde aan de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister werd uitgereikt op 10 mei
  23. Het is aldus onbetwistbaar dat het bestreden besluit werd genotificeerd buiten de in artikel 53 §2 bis DRO voorziene termijn. Dit wordt door de voor Ruimtelijke Ordening bevoegde Minister ook niet betwist. De voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister betwist blijkens de brief van zijn administratie echter wél dat de brief die hij op 10 mei 2007 ontving kon worden gekwalificeerd als een rappelbrief in de zin van artikel 52 §2 DRO, opgesteld conform de in artikel 53 §2 bis opgenomen bepalingen, zodat deze brief de in artikel 53 §2 bis tweede lid niet deed ingaan, en het bestreden besluit aldus niet buiten voormelde termijn zou zijn genotificeerd. Naar het oordeel van de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister zou deze brief geen rappelbrief zijn geweest, nu de inhoud van deze brief niet van X-13.408-4/8 aard zou geweest zijn te worden gekwalificeerd als een rappelbrief. De behandelend ambtenaar zou deze brief immers louter hebben gekwalificeerd als een vraag tot info over de stand van zaken van het betreffende dossier, zonder dat in de brief duidelijk werd geformuleerd dat het ging om een rechtsgeldig in herinnering brengen van de zaak conform het artikel 53 §2 bis DRO. Dit is uiteraard onjuist. Het feit dat de brief op 9 mei 2007 verzonden een rappelbrief was, blijkt overduidelijk uit de vorm waarin deze brief werd verzonden, conform de voorschriften van artikel 53 §2 bis ter zake, te weten aangetekend met de tekst aan de binnenzijde, gevouwen en zonder omslag, langs de open zijde dichtgemaakt, bevattende alle gegevens die nodig zijn voor een ondubbelzinnige identificatie van het bestuur. Een op dergelijke wijze klaargemaakte en verstuurde brief kan door de bevoegde Minister in alle redelijkheid niet anders worden beschouwd dan een rappelbrief in de zin van artikel 53 §2 en 53 §2 bis DRO. Nadat (...) Uw Raad het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 9 november 1994 (en het wijzigingsbesluit van 23 juli 1998) tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55 §2vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouwwet vernietigde, werden deze vormvoorschriften in artikel 53 DRO opgenomen door artikel 67 van het Decreet van het Vlaams Parlement dd. 21 november
  24. Deze decretale bepaling bepaalt nauwgezet de wijze waarop een Rappelbrief dient te worden opgemaakt en verstuurd naar de vorm toe, maar bevat geen enkele bepaling naar de inhoud toe, buiten het feit dat de inhoud van de rappelbrief de bevoegde Minister het dossier waarop de brief slaat ondubbelzinnig te identificeren, voorschrift waaraan in casu werd tegemoet gekomen. Door de opname van zeer specifieke voorschriften naar de vorm toe, en door het gebrek aan enige specifieke vormvoorschriften naar de inhoud toe, blijkt zeer duidelijk dat naar de wil van de wetgever elke brief die is opgemaakt en verstuurd conform de in artikel 53 §2 bis opgenomen voorschriften door de bevoegde Minister moet worden beschouwd als een rappelbrief in de zin van artikel 53 §2 laatste lid DRO die de gevolgen beschreven in artikel 53 §2 bis l/ kan genereren. Inderdaad kan er in hoofde van de bevoegde Minister bij ontvangst van een brief die is opgemaakt en verstuurd conform de voorschriften van artikel 53 §2 bis DRO geen enkele twijfel meer bestaan over het feit dat de verstuurder van deze brief de bedoeling heeft gehad door de versturing van zulke alles behalve alledaagse brief de in artikel 53 §2 bis 2 lid bedoelde termijn te doen lopen. De rechtspraak van Uw Raad, waarin wordt geoordeeld dat uit de inhoud van de rappelbrief ter wille van zijn geldigheid duidelijk moest blijken dat de verstuurder van de brief door het versturen ervan de bedoeling had gebruik te maken van de rappelmogelijkheid die artikel 53 §2 (toen artikel 55 §2) hem bood (...), kan dan ook niet meer nuttig worden aangehaald, vermits de intentie om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 53 §2 de aanvrager biedt, en die bij gebrek aan enig specifiek vormvoorschrift ondubbelzinnig moest blijken uit de inhoud van de rappelbrief, na de inwerkingtreding van artikel 67 van het decreet van 21 november 2003 tot wijziging en aanvulling van artikel 53 DRO, ondubbelzinnig blijkt uit de naleving van de voor de rappelbrief zeer specifieke vormvoorschriften. In alle redelijkheid kan aldus niet worden aangenomen dat de bevoegde Minister bij ontvangst op 10 mei 2007 van de rappelbrief die beroepers hem stuurden, onzeker zou kunnen gebleven zijn over het feit beroepers met het X-13.408-5/8 versturen ervan de bedoeling hebben gehad de in artikel 53 §2 bis bedoelde beslissingstermijn te doen lopen. Verder wordt niet betwist dat de bevoegde Minister de brief ontving op 10 mei 2007, en dat de brief tot notificatie van het besluit houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dateert van 12 juni 2007, waaruit volgt dat de in artikel 53 §2 bis bedoelde beslissingstermijn is verstreken zodat, eens Uw Raad de door beroepers verstuurde brief als een geldige rappelbrief heeft beoordeeld, deze brief en de erop volgende termijnoverschrijdingen de gevolgen heeft beschreven in artikel 53 §2 bis l/. Het bestreden besluit kan daarom niet de rechtsgevolgen hebben die de bevoegde Minister eraan toedicht, kan beroepers niet worden tegengeworpen, zodat ter wille van de rechtszekerheid dit besluit na de schorsing van tenuitvoerlegging ervan uit het rechtsverkeer moet worden verwijderd”. Beoordeling
  25. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat zij het bestreden weigeringsbesluit hebben ontvangen meer dan dertig dagen nadat zij de brief waarbij zij de zaak aan de minister hebben gerappelleerd, ter post hadden afgegeven, en dat zij aldus krachtens artikel 53, § 2bis van het gecoördineerde decreet, mogen overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits zij zich gedragen naar de beslissing van de deputatie, zodat het bestreden besluit hen niet kan worden tegengeworpen.
  26. Het toentertijd geldende artikel 53, § 2bis van het gecoördineerde decreet bepaalt wat volgt : “Deze rappelbrief wordt aangetekend, met de tekst aan de binnenzijde, gevouwen en zonder omslag, langs de open zijden dichtgemaakt, naar de Vlaamse regering, op het adres van de bevoegde centrale administratie gezonden. De rappelbrief bevat alle gegevens die nodig zijn voor een ondubbelzinnige identificatie van het dossier. Geen rappelbrief kan worden verstuurd binnen de dertig dagen nadat werd gevraagd om te worden gehoord. De rappelbrief kan worden ingetrokken. De aanvrager ontvangt een beslissing voor het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven. De rechtsgevolgen, verbonden aan het onbeantwoord blijven of laattijdig beantwoorden van een na de inwerkingtreding van deze bepaling verzonden rappelbrief, verschillen al naargelang het geval: 1/ werd door het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar beroep ingesteld tegen een uitdrukkelijke beslissing van de bestendige deputatie, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de beslissing van de bestendige deputatie; (...)”. X-13.408-6/8
  27. Met een op 9 mei 2007 ter post aangetekend schrijven delen de verzoekende partijen aan de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening het volgende mede : “Dessel, 4 mei 2007 Betreft: SVB 1026/3546 Geachte Heer Minister, Mijnheer Van Mechelen, Met de meeste eerbied U verschuldigd veroorloven wij ons te verwijzen naar het dossier met referte zoals in de zaak in rand vermeld. Mogen wij U beleefd verzoeken ons te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier. Met zeer voorname hoogachting, Aerts Koen en Loots Christel Turnhoutsebaan 109 2480 Dessel”.
  28. Het bestreden ministerieel besluit van 8 juni 2007 is aan de verzoekende partijen betekend met een ter post aangetekend schrijven van 12 juni 2007, dit is méér dan dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop voormeld schrijven van de verzoekende partijen ter post is afgegeven.
  29. Om als een “rappelbrief” in de zin van voormeld artikel 53, § 2bis van het gecoördineerde decreet te kunnen worden beschouwd, dient uit de bewoordingen van de brief op onmiskenbare wijze te blijken dat de aanvrager de minister “herinnert” aan het bij hem ingestelde beroep en de op hem rustende verplichting om hierover te beslissen. Het volstaat derhalve niet dat een aan de minister verzonden brief aan de door voormelde bepaling opgelegde vormvereisten voldoet om als een geldige “rappelbrief” te moeten worden beschouwd.
  30. In casu hebben de verzoekende partijen zich er in hun brief aan de minister toe beperkt te “verwijzen naar het dossier met referte zoals in de zaak in rand vermeld” en hem verzocht hen “te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier”. Het verwijzen naar een bepaald dossier met de vraag welke “de stand van zaken” ervan is, kan niet worden aanzien als een ondubbelzinnig verzoek van de aanvragers aan de minister om over hun beroep te beslissen. De op 9 mei 2007 door de verzoekende partijen ter post aangetekend verzonden brief kan derhalve niet als een rappelbrief worden beschouwd in de zin van artikel 53, § 2bis van het gecoördineerde decreet.
  31. Het enige middel is niet gegrond. X-13.408-7/8 BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt het beroep.
  33. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.408-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.150 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.