id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.151 Rolnummer: A. 185550/X-13500 Zaak: Arrest 208151 - Plannen van aanleg - 14/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Arrest nr 208.151 van 14 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.151 van 14 oktober 2010 in de zaak A. 185.550/X-13.500. In zake: Marnick D’HALLUIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Antoon Lust en Jo Goethals kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 WAREGEM Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 27 juli 2007 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende gedeeltelijke goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “sectoraal BPA inzake zonevreemde bedrijven fase 2” genaamd van de gemeente Heuvelland, “waarbij de met blauw omrande delen van het bestemmingsplan en de bijhorende voorschriften, die betrekking hebben op het bedrijf van (
(2005)betekent ‘eerder’:‘nogal, vrij, tamelijk’. In elk geval betekent ‘eerder geïsoleerd’ dus niet ‘onmiskenbaar geïsoleerd’. Wat er ook van zij, de enige afdeling die het heeft over het ‘eerder geïsoleerd’ karakter van het bedrijf van verzoeker, gaf dus een positief advies. Verwerende partij kan dan ook niet naar recht beweren dat uit het administratief dossier zou blijken dat het geïsoleerd karakter van het bedrijf problematisch werd bevonden, en wel in die mate dat het tot een weigering van opname in het sectoraal BPA kon leiden. Ook geen van de andere adviesinstanties maakte problemen over de geïsoleerde ligging: • De afdeling ruimtelijke planning van het Vlaamse gewest baseert het negatief advies uitsluitend op de bewering dat de functie van het bedrijf niet vergund zou zijn. • De afdeling ruimtelijke planning van de bestendige deputatie heeft het ook over de vergunningstoestand en adviseert niet verder in te snijden in de open ruimte. Ook hier is het feit dat het bedrijf beweerdelijk geïsoleerd ligt in de open ruimte geen argument tot weigering. • De GOM, LIN adviseerden positief. Uit het verslag van de plenaire bezitting blijkt opnieuw dat enkel de vergunningsproblematiek een positief advies in de weg stond. 2.4. Anders dan de verwerende partij wil doen geloven kan de vaststelling dat het bedrijf geïsoleerd zou gelegen zijn in de open ruimte niet als pertinent en afdoende motief gelden voor de weigering van de opname in het sectoraal BPA. X-13.500-15/24 Art. 14 DRO bepaalt : ‘Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd voor 1 november 2006. [...]’ Niet de vergunningstoestand is pertinent, maar wel het feit dat er een ruimtelijke afweging gebeurt, mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. In de memorie van toelichting bij het BPA (...) is een uitgebreide analyse gebeurd van de structuurplannen op de verschillende niveaus en komt men tot het besluit dat, mede gelet op het feit dat bij een niet-opname in het BPA, er extra open ruimte zou aangesneden worden, de opname in het BPA aanvaardbaar is. Gegeven deze vaststelling, en het feit dat geen enkele adviesverlenende instantie een (negatief) punt maakt van de geïsoleerde ligging (minstens voor wat betreft de opname van de situatie zoals het bedrijf nu is), kan verwerende partij onmogelijk ernstig komen beweren dat de vaststelling dat het bedrijf geïsoleerd ligt, als afdoende en pertinent motief kan gelden voor de niet-goedkeuring. Gezien de verwerende partij immers afwijkt van de standpunten zoals vertolkt in het dossier diende zij, expliciet, te vermelden waarom de geïsoleerde ligging van het bedrijf, aanleiding geeft tot een niet goedkeuring. Door niet goed te keuren, en dus (zonder expliciete motivering) af te wijken van de in de memorie uitvoerig behandelde afweging van de concrete situatie op basis van de principes van het RSV heeft verwerende partij niet alleen de motiveringsplicht geschonden, zij schond bovendien ook art.14 DRO. Dat alle andere motieven overbodig zouden zijn, is dus niet naar recht verantwoord. Het beweerde eerste ‘motief’ is immers niet draagkrachtig. 3. Omtrent de vergunningstoestand 3.1. Verwerende partij stelt dat zij de vergunningstoestand van de inrichting in haar beoordeling mocht betrekken gezien de overheid, bij het nemen van een opportuniteitsbeslissing, elk motief mag aanwenden dat niet kennelijk onredelijk is. 3.2. Verwerende partij stelt de situatie verkeerd voor. Het is immers zo dat enkel het beweerde gebrek aan vergunning heeft geleid tot een niet-goedkeuring. Dit blijkt uit de lezing van zowel het administratief dossier als van de beslissing zelf. Dit is in tegenstrijd met het vereiste van art. 14 DRO en de ratio legis van een sectoraal BPA. Uw Raad wees ter zake eerder: ‘dat plannen van aanleg immers toekomstgericht zijn en derhalve bestemmingen kunnen vaststellen die niet noodzakelijk rekening houden met het al dan niet vergunde karakter van de constructies [...]’ Daarmee is de essentie dan ook verduidelijkt. Bij het opstellen / goedkeuren van een BPA (een planningsinstrument) is de planologische visie op de toekomst (getoetst aan het RSV) het enig relevante criterium, ongeacht of de bedrijven die het voorwerp uitmaken van het BPA vergund zijn. X-13.500-16/24 In casu heeft de verwerende partij de goedkeuring van de opname van het zonevreemde bedrijf evenwel geweigerd louter en alleen omwille van het feit dat het bedrijf van verzoeker niet vergund zou zijn. De functie die wel vergund wordt geacht, wordt immers zondermeer wel toegelaten. Vermits de vergunningstoestand van het bedrijf er op zich niet toe doet, is de bestreden beslissing genomen in strijd met art. 14 DRO en de motiveringsplicht. Over de planologische visie ter zake leest men niets. 3.3. Overigens, wat er ook van zij, anders dan de verwerende partij stelt, beschikt verzoeker wel degelijk over een vergunning voor de zonevreemde activiteit. Ter zake kan ook nuttig verwezen worden naar de inschrijving in het handelsregister op 22 juni 1988: ‘Werkplaats voor herstellen motorvoertuigen en onderdelen - werkplaats voor herstellen van koetswerk - kleinhandel in motorvoertuigen en onderdelen - kleinhandel in tweedehandsauto’s en onderdelen - kleinhandel in onderdelen en toebehoren voor voertuigen - kleinhandel in vloeibare brandstoffen’ De exploitatievergunning van 11 juni 1991 had het expliciet over autoherstelplaats. De activiteiten toen werden uitgebaat in de loodsen die er sinds mensenheugenis aanwezig waren. Er was dus geen bouwvergunning noodzakelijk, zodat verwerende partij verkeerdelijk naar het koppelingsmechanisme verwijst. De exploitatievergunning van 11 juni 1991 (...) geldt nog steeds, zodat tot op heden, hoe dan ook de autoherstelplaats op de site wel degelijk is vergund. Later, naar aanleiding van de bouw van de loods in 2000 werd de milieuvergunning nog veranderd door uitbreiding waarmee ook expliciet de werkzaamheden aan landbouwmachines werden vergund in de nieuwe loods. Samengevat, de activiteit, zoals heden aanwezig, is wel degelijk sinds 1991 vergund. Verzoeker wenst er overigens op te wijzen dat in de memorie bij het BPA, zoals aangenomen door de gemeente, werd uiteengezet dat het bedrijf van verzoeker wel geacht wordt vergund te zijn. De verwerende partij volstaat zich met de simpele vaststelling dat de zonevreemde activiteit niet is vergund, zonder evenwel te motiveren waarom de steller van de memorie het bij het verkeerde eind heeft. Om deze reden is de motiveringsplicht geschonden. 4. Omtrent het gelijkheidsbeginsel Verwerende partij beweert dat verzoeker al te simplistisch redeneert wanneer hij de schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt. De toets van het gelijkheidsbeginsel moet uiteraard samen gelezen worden met de andere, geschonden, bepalingen. Bovendien is het zo dat de vergelijkbaarheid van de beide omstandigheden moet bekeken worden in het licht van de bepaling. De concrete situatie van Braet mag dan al anders geweest zijn dan die van verzoeker, het feit is wel dat verwerende partij, in die casus, op een correcte wijze de planologische toestand heeft beoordeeld, onafgezien van het feit of er nu al dan niet een vergunning voorhanden is. In die zin heeft verwerende partij dan ook het gelijkheidsbeginsel geschonden. In gelijke situaties (met name de beoordeling van een zonevreemde inrichting) werd immers op een verschillende wijze (niet naar recht) geoordeeld. 5. Omtrent de machtsafwending Verwerende partij betwist de machtsafwending. Het is nochtans onbetwistbaar dat de verwerende partij de opname in het BPA niet heeft goedgekeurd uitsluitend omwille van het feit dat het bedrijf van verzoeker beweerdelijk niet vergund zou zijn. Zoals hoger, en in het verzoekschrift, uitvoerig aangetoond, kan het loutere feit dat een bedrijf niet vergund zou zijn (quod non in casu) niet als argument worden gebruikt om de opname in het BPA niet goed te keuren. Dat X-13.500-17/24 verwerende partij dat toch heeft gedaan kan uitsluitend geïnterpreteerd worden als een sanctie”. 8. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden wat volgt: “(...) 3.2. OMTRENT DE GEÏSOLEERDE LIGGING 3.2.1. Verzoeker gaat er uiteraard mee akkoord dat een overheid een bepaalde situatie als in strijd met de goede ruimtelijke ordening kan beschouwen waardoor zij de goedkeuring van een ontwerp BPA kan weigeren. In casu was dat evenwel totaal niet het geval. Niemand heeft in dit dossier ontkend dat de ‘fysiek aanwezige gebouwen’ vergund zijn. Meer zelfs niemand ontkent dat er in de kwestieuze gebouwen landbouwmachines mogen hersteld worden. De fysische, ruimtelijke impact van het bedrijf van verzoeker was dan ook geen issue. Dat fysische, ruimtelijke impact kon dan ook onmogelijk een argument zijn om de opname niet goed te keuren. Uit het administratief dossier blijkt ook dat de ruimtelijke impact op het landschap hoogstens een vaststelling was maar zeker geen argument tot niet goedkeuring. 3.2.2. De auditeur gaat er overigens onterecht zomaar van uit dat het bedrijf van verzoeker geïsoleerd zou liggen in de open ruimte. Dit standpunt strookt noch met de concrete werkelijkheid, noch met de vaststellingen daaromtrent in het administratief dossier. 3.2.2. Wanneer men de luchtfoto (...) erbij neemt kan men vaststellen dat er in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf van mijn verzoeker verschillende gebouwen aanwezig zijn. Van een geïsoleerde gebouwengroep kan dan ook moeilijk sprake zijn. 3.2.3. Deze vaststelling wordt ook bevestigd in het administratief dossier. In eerste instantie had enkel de ‘afdeling duurzame landbouw’ het bij het onderzoek van het dossier over het feit dat de site ‘wat’ geïsoleerd lag in het landschappelijk waardevol landschap. Van een boude vaststelling dat de gebouwengroep geïsoleerd ligt is dan ook geen sprake, laat staan dat dit een doorslaggevend argument zou geweest zijn om een negatief advies te geven. De kwestieuze afdeling gaf immers een positief advies. De deputatie neemt de genuanceerde vaststelling over : ‘Bovendien is het bedrijf nogal geïsoleerd gelegen in de open ruimte’. Ook dit is niet meer dan een vaststelling die geen invloed had op het negatief advies. De deputatie vat haar bezwaar immers kernachtig samen: ‘Gezien de stedenbouwkundige voorschriften in dit opzicht onvoldoende eenduidig zijn wordt het plan ongunstig geadviseerd’ Had er gestaan ‘mede gezien[...]’ dan was het duidelijk dat het ongunstig advies op meer gesteund was dan louter de vaststelling dat er een probleem was met de vergunning van de onderneming. Maar dit is niet het geval. De voorschriften hebben niets met de ligging te maken. 3.2.4. De overweging van de minister naar luid waarvan ‘het deelplan 2/3 voor garage d’Halluin geïsoleerd gelegen is in de open ruimte’ kan dan ook enkel (gelet op het gebrek aan steun in het administratief dossier) als een (weliswaar verkeerde) feitelijke vaststelling gelden, doch niet als een motief tot weigering van goedkeuring, laat staan dat dit het doorslaggevende motief zou kunnen zijn. Er kan immers bezwaarlijk aangenomen worden dat de minister hemzelf de plaatselijke situatie is gaan bestuderen opdat hij, los van het administratief dossier, een eigen mening zou kunnen gevormd hebben omtrent de geïsoleerdheid van de ligging van het bedrijf van mijn verzoeker. Het betreft dan nog bovendien een mening die afwijkt van de vaststellingen in het X-13.500-18/24 administratief dossier waaruit geen enkele administratie de conclusie heeft getrokken dat het ‘eerder’ geïsoleerd karakter van de site aanleiding kon geven tot een ongunstig advies. 3.2.5. Hoe dan ook, zelfs al mocht het al een doorslaggevend motief geweest zijn, quod certissime non, dan nog kan het geenszins een afdoende draagkrachtig motief zijn om de goedkeuring van het BPA zonevreemde bedrijven in hoofde van mijn verzoeker te onthouden. Het kwestieuze argument is, cfr. supra, niet gedragen door het administratief dossier, wel in tegendeel, in zoverre het geïsoleerd karakter in het administratief dossier aan bod kwam werd het niet als een argument beschouwd dat aanleiding gaf tot een negatief advies. Bovendien, de gebouwengroep staat er sinds jaren en is als zodanig aanwezig. Deze overweging zou dan ook volstrekt irrelevant zijn. Eenieder, ook de auditeur, is er het mee eens dat er ter plaatse landbouwvoertuigen (die veel groter en dus een veel grotere ruimtelijke impact hebben dan gewone auto’
- s)mogen hersteld worden. De geïsoleerde ligging van het bedrijf kan dan ook geen argument zijn om de opname te weigeren. De gebouwen staan er, ze zijn vergund, en er mag zonder enige twijfel een activiteit in uitgebaat worden. Waarom zou de minister dan op basis van de geïsoleerde ligging kunnen weigeren dat er aan auto’s kan worden gewerkt? 3.2.6. Ter zake (k)an ook samenvattend het volgende gesteld worden: • Het bedrijf is niet volledig geïsoleerd; • Uit het administratief blijkt niet dat het ‘eerder’ of ‘nogal’ of ‘wat’ geïsoleerd karakter een argument bleek te zijn om de goedkeuring te weigeren; • De vermelding in het bestreden besluit dat het bedrijf geïsoleerd ligt kan dan ook niet meer dan als een weliswaar verkeerde vaststelling gelden. 3.3. OMTRENT HET STANDPUNT DAT DE UITEENZ(E)TTING IN DE MEMORIE VAN WEDERANTWOORD LAATTIJDIG ZOU ZIJN 3.3.1. De auditeur stelt dat de argumentatie die verzoeker uiteenzette in de memorie van wederantwoord omtrent het beweerd geïsoleerd karakter laattijdig zou zijn. Dit zou niet in het verzoekschrift aan bod zijn gekomen. Ook hier heeft de auditeur het verkeerd voor. 3.3.2. Vooreerst wenst verzoeker nogmaals te onderstrepen dat de minister, in de zeer summiere motivering die moet samen gelezen worden met het administratief dossier, geen motief, laat staan het doorslaggevend motief, heeft gehaald uit het ‘geïsoleerd karakter’ van het bedrijf van verzoeker. Door een dergelijke uitleg aan de summiere, en ter zake absoluut niet duidelijke motivering, te geven doet men aan ‘hineininterpretierung’. Nochtans moet de motivering klaar en duidelijk in de bestreden akte zelf te vinden zijn, en mag men niet, naderhand, aan deze motivering een uitleg geven. Er kon van verzoeker dan ook niet verwacht worden een middel te adstrueren op grond van een verkeerde feitelijke vaststelling die mogelijks als een (zij het zeer sibillijns) motief kon gelden. Gelet op het feit dat de motivering omtrent het beweerdelijk niet vergund karakter van het bedrijf niet afdoende is, is het middel gegrond. Er is immers geen ander motief voorhanden dat samen gelezen met het administratief dossier, als een motief kan gelden. 3.3.3. Overigens, wat er ook van zij, verzoeker heeft reeds in het verzoekschrift in het enig middel een schending van de algemene motiveringsplicht aan de kaak gesteld. Op blz. 11 van het verzoekschrift staat te lezen: ‘Uit de memorie blijkt dat de ruimtelijke draagkracht van het bedrijf niet is overschreden. Er is dan ook geen reden waarom, mits een correcte afweging is gebeurd mede op basis van het RSV (quod est), het bedrijf van verzoeker met een sectoraal BPA niet zone-eigen zou kunnen gemaakt worden.’ X-13.500-19/24 Daarmee heeft verzoeker de motivering omtrent de goede ruimtelijke ordening besproken vaststellende dat uit de memorie blijkt dat de ruimtelijke draagkracht niet is overschreden. Verzoeker voegde er aan toe dat wanneer een correcte afweging gebeurd (en dus een correcte motivering wordt opgesteld) zijn bedrijf zone-eigen kan gemaakt worden. Ook op blz. 13 wordt onderstreept dat de door de gemeente geanalyseerde ruimtelijke draagkracht. De auditeur stelt dan ook ten onrechte dat verzoeker het geïsoleerd karakter van zijn bedrijf niet zou betwist hebben. Dit zou betekenen dat verzoeker erkend heeft dat de inplanting van het bedrijf in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Zoals hoger uiteengezet is dat niet zo. 3.3.4. In wezen neemt de auditeur de wijze waarop verzoeker zijn middel adstrueerde op de korrel. Art. 2, §1, 2/ van het Algemeen procedurereglement dient het verzoekschrift waarbij een annulatieberoep bij de Raad van State wordt ingesteld het voorwerp van dit beroep bevatten en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Een definitie van een middel bestaat niet. Algemeen wordt evenwel aangenomen dat er een voldoende duidelijke omschrijving van de overschreden rechtsregel of het geschonden beginsel moet gebeuren. Dit is gebeurd gelet op het feit dat verzoeker de schending van het algemeen motiveringsbeginsel heeft opgegeven. Bovendien moet ook een voldoende duidelijke omschrijving worden gegeven van de wijze waarop de rechtsregel is geschonden. Ook dat is gebeurd gelet op het feit dat de implicatie op de goede ruimtelijke ordening aan bod is gekomen. Er rust op de verzoeker een ‘stelplicht’. Het is nochtans vaste rechtspraak dat de uiteenzetting van het middel bondig mag samengevat zijn. Dat mag dan in casu al het geval zijn, dit betekent niet dat de goede ruimtelijke ordening (want het geïsoleerd karakter gaat daar over) niet aan bod zou zijn gekomen. Het feit dat dit element reeds summier aan bod kwam maakte dat verzoeker in de volgende memories de elementaire aangeraakte schending verder kon uitwerken, temeer daar de verwerende partij in haar memorie van antwoord niets meer deed dan haar eigen motivering die sibillijns was voort uitwerken en aanvullen. Als het verwerende partij toegelaten is haar eigen motivering aan te vullen, kan uiteraard van verzoeker niet verwacht worden dat hij reeds vooraf kon weten wat de minister precies bedoelde. Het komt uw Raad toe het middel te interpreteren, waarbij de rechtsleer stelt dat uw Raad meer belang zal moeten hechten aan wat de verzoeker in werkelijkheid vraagt, dan aan de bewoordingen waarin het beroep is gesteld. Dit mag niet te strikt gebeuren omdat zulks niet strookt met het minder formalistisch karakter dat de wetgever aan de rechtspleging van de afdeling administratie heeft willen geven. Nu is het klaar en duidelijk dat verzoeker een beroep heeft ingesteld tegen de wijze waarop de minister de weigering tot goedkeuring heeft gemotiveerd. De volledige motivering is in al haar relevante aspecten aan bod gekomen, zodat verzoeker niet kan verweten worden het geïsoleerd karakter van zijn bedrijf (quod non) in het verzoekschrift niet zou betwist hebben”. Beoordeling 9. Uit de gegevens van de zaak, meer bepaald uit het plan van de bestaande toestand, blijkt dat er zich op het terrein van de garage D’Halluin, terrein dat grotendeels verhard is, een viertal gebouwen bevinden en dat op dit plan tevens de afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen worden vermeld, met name een X-13.500-20/24 vergunning verleend op 3 januari 1991 voor het “verbouwen en uitbreiden van woning” en een vergunning verleend op 23 december 1999 voor het “bouwen van een herstelwerkplaats voor landbouwmachines na slopen van loods en het plaatsen van een scheidingswand”. Het gebouw rechts bovenaan dit plan betreft een woning waarvoor, op 2 januari 1991, een vergunning werd verleend voor “het verbouwen en uitbreiden”. Voor het gebouw links bovenaan werd, op 22 december 1999, een vergunning verleend voor “het bouwen van een herstelwerkplaats voor landbouwmachines na slopen van loods en het plaatsen van een scheidingswand”. In zijn eensluidend advies van 20 december 1999 stelde de gemachtigde ambtenaar dat “de uit te oefenen activiteiten (herstellen van landbouwmachines) (...) te omschrijven (zijn) als para-agrarische activiteiten” en dat “de aanvraag (als dusdanig) in overeenstemming (
- is)met de vastgelegde ordening”, meer bepaald dus (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied. Uit bij de gemeente Heuvelland door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat ingewonnen informatie blijkt dat in zake het bovenaan tussen voormelde gebouwen gelegen gebouw, op 19 oktober 1966 een vergunning werd afgeleverd voor de oprichting van een loods (garage/berging). Die vergunning wordt evenwel niet vermeld op het voormelde plan van de bestaande toestand. Voor het in tweede bouworde gelegen gebouw blijkt dat, volgens eveneens bij de gemeente Heuvelland ingewonnen informatie, het college op 20 juli 1970, een bouwvergunning heeft verleend voor een varkensstal. Die vergunning wordt evenmin vermeld op het voormelde plan van de bestaande toestand. Er blijkt geen vergunning voorhanden te zijn voor de op het terrein van de garage D’Halluin grotendeels aangebrachte verhardingen. Evenmin blijkt de verzoeker, sedert het opstarten van zijn bedrijf in januari 1989, enige stedenbouwkundige vergunning te hebben bekomen tot wijziging van de functie of het gebruik van de voormelde gebouwen. De omstandigheid dat de verzoeker van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heuvelland op 11 juni 1991 een milieuvergunning tweede klasse heeft bekomen voor de exploitatie van een “autoherstelplaats”doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. Dit geldt evenzeer wat betreft de vergunning op 17 mei 2000 verkregen “voor het veranderen en uitbreiden van een werkplaats voor het herstellen van landbouwvoertuigen” en voor de “Aktename melding verandering milieuvergunning klasse 2” van 12 juli X-13.500-21/24 2000 voor de exploitatie van “een inrichting of verandering van inrichting (...) met als voorwerp: uitbreiden van een werkplaats voor het herstellen van landbouwvoertuigen”. Van dergelijke vergunning of aktename kan immers slechts gebruik worden gemaakt zo er tevens een stedenbouwkundige vergunning wordt bekomen tot wijziging van de functie of het gebruik van voormelde gebouwen. Anders dan de verzoeker voorhoudt, kon de minister dan ook terecht stellen dat zijn bedrijf “wederrechterlijk tot stand is gekomen” en “dat enkel de agrarisch verwante functie werd vergund”. De door de verzoeker gewraakte motivering dat “de opname van het bedrijf in het sectoraal BPA enkel kan worden verantwoord vanuit de bestendiging van de agrarisch verwante functie; dat een uitbreiding gewenst is in functie van de niet-vergunde activiteiten; dat dit deelplan derhalve van goedkeuring wordt onthouden” is evenwel voorafgegaan door de vaststelling “dat het deelplan 2/3 voor garage d’Halluin geïsoleerd gelegen is in de open ruimte”, vaststelling waartoe ook reeds de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen was gekomen in haar advies van 29 maart 2007. Zoals voorgehouden door de verwerende partij blijkt deze vaststelling het motief te vormen voor de niet-goedkeuring van het betrokken deelplan. Die vaststelling wordt door de verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring als zodanig niet betwist. De daaromtrent in de memorie van wederantwoord en laatste memorie aangevoerde argumentatie is laattijdig en aldus niet ontvankelijk. Het feit dat plannen van aanleg toekomstgericht zijn en derhalve bestemmingen kunnen vaststellen die niet noodzakelijk rekening houden met het al dan niet vergunde karakter van de constructies die in de feite deel uitmaken van de bestaande toestand, belet de toeziende overheid niet haar goedkeuring te onthouden aan een plan waarmee, zoals in casu, de bestendiging én uitbreiding van een wederrechterlijk tot stand gekomen bedrijf wordt beoogd en dit enkel omwille van een met de goede ruimtelijke ordening verband houdende reden, met name de ligging van dit bedrijf in een open ruimte, meer bepaald in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Anders dan de verzoeker wil doen voorkomen, geldt niet “enkel art. 14 DRO (...) als toet(s)steen voor de legaliteit van het sectoraal BPA”, meer bepaald enkel de “voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. De toeziende X-13.500-22/24 overheid vermag, zoals te dezen, tot de overtuiging te komen dat, niettegenstaande het haar ter goedkeuring voorgelegde sectoraal bijzonder plan van aanleg mede steunt op een ruimtelijke afweging op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, dit plan in concreto strijdig is met de goede ruimtelijke ordening. 10. Machtsafwending is de onwettigheid waarbij een bestuursorgaan de bevoegheid welke haar bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, aanwendt tot het nastreven van een ander doel, en dit andere doel het enige oogmerk van de betrokken bestuurshandeling is. De door de verzoeker aangevoerde argumenten, met name dat “door de goedkeuring van het plan te weigeren (...) het er op (lijkt) dat de verwerende partij veeleer de in haar ogen onvergunde functiewijziging (heeft) willen sanctioneren, dan wel haar standpunt te ventileren omtrent een door de gemeente Heuvelland aanvaard sectoraal BPA”, zijn niet van aard te doen besluiten dat de zaak met toepassing van artikel 91 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient te worden verwezen. 11. Het enige middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-13.500-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.500-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div