← België

Arrest 208190 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.190 Rolnummer: A. 177493/IX-5446 Zaak: Arrest 208190 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:17 Fiche Arrest nr 208.190 van 19 oktober 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.190 van 19 oktober 2010 in de zaak A. 177.493/IX-5446 In zake: Daniël COUCKUYT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV DE POST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Van Olmen kantoor houdend te Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2006, strekt tot de nietigverkla- ring van: - de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Post van ongekende datum waarbij aan Dirk Boesmans, bureauchef van de Payroll Administration, het mandaat van Manager Administratie Loopbaan van de NV De Post, met de daarbij overeenstemmende graad van adviseur, ad interim wordt toegewezen; - de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Post van 3 augustus 2006 waarbij aan Dirk Boesmans, bureauchef van de Payroll Administration, het mandaat van Manager Administratie Loopbaan van de NV De Post, met de daarbij overeenstemmende graad van adviseur, wordt toegewezen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 170.041 van 16 april 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. IX-5446-1/18 De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2010. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, bijgestaan door advocaat Bart Staelens, en advocaat Vincent Vuylsteke, die loco advocaat Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissingen tewerkgesteld bij de NV De Post als bureauchef van de cel Interne Mobiliteit van de afdeling Loopbaan en Administratie. 3.2. Op 30 november 2005 wordt de functie van Manager Administra- tie Loopbaan vacant verklaard. IX-5446-2/18 3.3. De verzoeker is één van de acht kandidaten voor die betrekking. Hij wordt samen met Dirk Boesmans geselecteerd op basis van zijn curriculum vitae. 3.4. De dienst Selectie van de NV De Post geeft vervolgens over Dirk Boesmans het volgende advies: “Positief advies voor een functie als manager, maar rekening houdend met de aandachtspunten die uit deze evaluatie voortvloeien. Wij adviseren om zijn kandidatuur in overweging te nemen voor de functie van ‘Manager Administra- tie Loopbaan’.” Voor de verzoeker luidt het advies als volgt: “Goed profiel maar ons eindadvies is gematigd positief. Daniël Couckuyt beschikt over interessante en nuttige competenties om deze uitdaging aan te gaan. Er kan zeker op hem gesteund worden voor alles wat met de administratieve loopbaan te maken heeft. Desalniettemin, vergeleken met de functiebeschrijving, mist hij kennis inzake de reglementering voor baremieke contractuele personeelsleden van De Post. Het is dus best mogelijk dat andere kandidaten die wel over deze kennis beschikken het onderscheid maken. Hij profileert zich als een zeer goede nummer 2 voor het betrokken departement, iemand op wie men kan vertrouwen en aan wie men verantwoordelijkheden kan toevertrouwen.” 3.5. Bij brief van 20 december 2005 brengt de selectieconsulente aan Dirk Boesmans ter kennis dat hij geselecteerd werd voor de functie van Manager Administratie Loopbaan. Zij vermeldt voorts: “De verantwoordelijke van de unit zal, indien dit nog niet gebeurd is, weldra contact met u opnemen teneinde de mogelijkheid van een aanstelling te onderzoeken. Wij wensen u hierbij te feliciteren en te bedanken voor uw deelname aan deze procedure.” 3.6. Bij brief van 9 februari 2006 verkrijgt de verzoeker een document “Feedback Departement Selectie Manager Administratie Loopbaan”. Op dat document wordt vermeld: “Interview datum : 13 december 2005”. 3.7. Een lijst “Toegekende mandaten” van 10 maart 2006 vermeldt onder meer dat aan Dirk Boesmans het mandaat van Manager Administratie Loopbaan is toegekend. IX-5446-3/18 3.8. De verzoeker dient op diezelfde datum een bezwaarschrift in bij de Chief Human Resources Officer van de NV De Post. Dat bezwaarschrift luidt als volgt: “[...] Mijn kandidatuur werd op basis van mijn CV weerhouden en ik nam met gunstig resultaat deel aan de selectieproeven. (13.12.2005) Op 21.12.2005, om l0u00, werd ik verwacht bij de heer [F.H.] voor een laatste selectiefase. Reeds de dag voordien werd ik door collega’s ingelicht dat de job was toegewezen aan de heer Dirk Boesmans. Op 21.12.2005 om 9u30 werd mij dit door een andere collega bevestigd. Dit was hem persoonlijk door de heer [F.H.] medegedeeld tijdens een gesprek dat net daarvoor plaatsgevonden had. Om 9u39 bracht ik, omtrent deze gang van zaken, mijn onmiddellijke chef, [G.V.M.], per mail, op de hoogte. Om l0u00 had ik toch een onderhoud met de heer [F.H.] waarbij me terstond werd medegedeeld dat de job was toegekend aan de heer Dirk Boesmans. Er heeft dus, voor wat mijn kandidatuur betreft, geen laatste fase plaatsgevonden. Ik kon mijn kansen dus niet naar behoren verdedigen. Nochtans is het doel van voormelde functie ‘instaan voor de operationele leiding van het departement Administratieve Loopbaan en voor het uitvoeren van alle administratieve taken die nodig zijn voor het beheer van deze mobiliteitsprocessen voor de statutaire en contractuele personeelsleden, van de aanwerving tot het vertrek’. Sedert 1992 ben ik werkzaam bij ‘Kaders & Mobiliteit’ waar in hoofdzaak ‘mobiliteitsprocessen’ tot de bevoegdheden behoren. De heer D. Boesmans is sedert 1996 enkel in het departement ‘Payroll’ werkzaam geweest. Bovendien is mijn statutaire rangschikking gunstiger dan deze van de heer D. Boesmans. Teneinde mijn rechten te vrijwaren dien ik dan ook bezwaar in tegen deze aanstelling die gepubliceerd werd met lijst 3.2.3./24 van 10.03.2006. [...]” 3.9. De Chief Human Resources Officer meldt aan de verzoeker op 20 maart 2006 dat hij “op de eerste plaats zelf een analyse [zal] maken van het gevoerde proces” en dat een gesprek daarover mogelijk is. 3.10. Op 2 mei 2006 stelt de verzoeker bij de Raad van State beroep in tegen de beslissing tot toewijzing van het mandaat van Manager Administratie Loopbaan aan Dirk Boesmans (zaak A. 172.551/IX-5302). Bij arrest nr. 170.042 van 16 april 2007 verwerpt de Raad van State dit beroep omdat het ingevolge de intrekking van de bestreden beslissing, die hierna zal blijken, doelloos is geworden. IX-5446-4/18 3.11. Op 30 mei 2006 schrijft de selectieconsulente aan de verzoeker wat volgt: “Naar aanleiding van uw procedure Raad van State waaruit uw vraag blijkt voor een selectie-interview met het lijnmanagement met betrekking tot de functie van ‘Manager Administratie Loopbaan’, wordt de desbetreffende selectieprocedure deels hernomen en wens ik u graag uit te nodigen voor een selectie-interview met de verantwoordelijke van het departement op woensdag 7 juni ’06 [...].” 3.12. De verzoeker antwoordt op 2 juni 2006 bij monde van zijn raadsman dat het evident is dat hij vragende partij is geweest voor een selectie-interview met het lijnmanagement. Hij vervolgt: “U geeft aan dat de selectieprocedure deels wordt hernomen. Ik constateer dat U er dus mee akkoord gaat dat er in de selectieprocedure een fout is begaan en ik neem akte van deze erkenning. U geeft aan dat de selectieprocedure wordt hernomen. Moet er daaruit afgeleid worden dat de toekenning van het mandaat die wordt betwist in de procedure voor de Raad van State wordt ingetrokken en dat U de procedure herneemt vanaf het ogenblik van ontsporing? Kunt U mij desgevallend een kopie bezorgen van de beslissing van intrekking? Dank. Als de toekenning van het mandaat aan de Heer Boesmans niet zou zijn ingetrokken, zou ik U wel willen vragen mij expliciet mede te delen wat de zin nog zou kunnen zijn van het deels overdoen van de selectie.” 3.13. Op 6 juni 2006 schrijft de verzoeker aan de selectieconsulente dat zijn brief van 2 juni 2006 onbeantwoord is gebleven en dat hij zich zal “aanbieden op het selectie-interview met het lijnmanagement, dus nadat er een beslissing is getroffen die niet is ingetrokken”. Diezelfde dag wordt aan de verzoeker meegedeeld dat het geplande onderhoud niet kan plaatshebben en hij te gepasten tijde opnieuw zal worden gecontacteerd. 3.14. Bij brief van 3 juli 2006 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat de beslissing houdende toekenning van het mandaat van Manager Administratie Loopbaan aan Dirk Boesmans wordt ingetrokken en dat de selectieprocedure wordt hernomen vanaf de tweede fase, namelijk het interview door het lijnmanagement. 3.15. Bij brief van 4 juli 2006 wordt aan de verzoeker onder meer het volgende meegedeeld: IX-5446-5/18 “De intrekking van het mandaat heeft tot gevolg dat de functie van Manager Administratie Loopbaan niet zou ingevuld zijn tot de definitieve toekenning aan de geselecteerde persoon van het mandaat voor de functie. Daar de invulling van deze functie te allen tijde van essentieel belang is voor de goede werking en de continuïteit van de openbare dienst (de Manager Administratieve Loopbaan staat immers in voor de operationele leiding van het departement Administratie Loopbaan en voor het uitvoeren van alle administratieve taken die nodig zijn voor het beheer van deze mobiliteitsprocessen voor de statutaire en contractuele baremieke personeelsleden, van de aanwerving tot het vertrek), wordt deze functie voorlopig verder ingevuld door de Heer Boesmans die ad interim en met terugwerkende kracht tot op de datum van de ingetrokken benoeming in het mandaat is aangesteld totdat het mandaat definitief wordt toegekend aan de geselecteerde persoon. Met het oog op de continuïteit van de uitvoering van de opdrachten die behoren tot de betreffende functie en de noodzaak om de ad interim-aanstelling onmiddellijk te laten volgen op de intrekking van het mandaat, zijn wij van oordeel dat de Heer Boesmans, die de functie tot heden uitoefende, de aangewezen persoon is om deze functie tijdelijk uit te oefenen tot op het ogenblik dat het mandaat definitief wordt toegekend aan de geselecteerde persoon. Ten slotte wensen wij nog te benadrukken dat deze aanstelling ‘ad interim’ geen element is waarmee rekening wordt gehouden bij de uiteindelijke toekenning van het mandaat. Met de ervaring die de Heer Boesmans bij de uitoefening van de ad interim-functie zal opdoen, zal eveneens geen rekening worden gehouden bij de uiteindelijke selectie voor de toekenning van het mandaat voor de functie.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.16. Bij brief van 6 juli 2006 wordt de verzoeker uitgenodigd voor een selectie-interview op 12 juli 2006. Dirk Boesmans wordt uitgenodigd voor een selectie-interview op diezelfde datum. 3.17. Bij brief van 27 juli 2006 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat zijn kandidatuur “niet weerhouden” werd na deze laatste selectiefase en dat, indien hij informatie wenst omtrent deze beslissing, hij vriendelijk wordt uitgenodigd binnen tien dagen contact op te nemen. Bij brief van diezelfde datum wordt aan Dirk Boesmans meegedeeld dat hij werd geselecteerd voor de functie van Manager Administratie Loopbaan. IX-5446-6/18 3.18. Een lijst nr. 3.2.3/64 van 3 augustus 2006, met als opschrift “Toegekend mandaat”, vermeldt dat het mandaat van Manager Administratie Loopbaan, met de overeenstemmende graad van adviseur, is toegekend aan Dirk Boesmans. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.19. Met een e-mailbericht van 7 augustus 2006 vraagt de verzoeker om in het bezit te worden gesteld van het volledige verslag dat tijdens het onderhoud werd opgemaakt, evenals van de resultaten, gedetailleerd per rubriek. 3.20. Uit een document “Feedback Departement Selectie Manager Administratie Loopbaan” blijkt de weergave van het interview van 12 juli 2006. De “sterke punten” worden weergegeven en de “aandachtspunten”. De conclusie betreffende de kandidatuur van de verzoeker luidt: “Op basis van de hierboven vernoemde aandachtspunten wordt beslist om de kandidatuur van Dhr. Couckuyt niet te weerhouden voor de functie van ‘Manager Administratie Loopbaan’.” 3.21. Bij brief van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Post van 9 augustus 2006 worden aan Dirk Boesmans de motieven van zijn aanstelling meegedeeld. 3.22. Bij brief van de gedelegeerd bestuurder van diezelfde datum wordt aan de verzoeker meegedeeld dat bij beslissing van 3 augustus 2006 het mandaat werd toegekend aan Dirk Boesmans, en wordt uitgelegd om welke redenen werd beslist dit mandaat niet aan de verzoeker toe te kennen: “Met dit schrijven brengen wij u op de hoogte van de beslissing van 3 augustus 2006, waarbij het mandaat voor de functie Manager Administratie Loopbaan werd toegekend aan dhr. Boesmans. Om de volgende redenen werd beslist om u het mandaat voor de functie Manager Administratie Loopbaan niet toe te kennen: Uit de laatste fase van de voorgeschreven selectieprocedure, nl. het selectie-interview met de resterende kandidaten die door het lijnmanagement op 12 juli 2006 werd georganiseerd en waarbij de noodzakelijke kennis van deze kandidaten m.b.t. de desbetreffende functie wordt getest, blijkt, na vergelijking van de antwoorden van de kandidaten, dat dhr. Boesmans algemeen beter heeft gescoord. Tijdens dit interview werden aan alle kandidaten dezelfde vragen gesteld die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van de functie van ‘Manager Administratie Loopbaan’. IX-5446-7/18 De desbetreffende vragen waren niet alleen specifieke kennisvragen m.b.t. de materie betreffende de loopbaan maar moesten tevens de visie en de ambitie van de kandidaten testen. Uit uw antwoorden blijkt dat u over een goede algemene kennis beschikt van de materie betreffende de loopbaan bij De Post. U kent de bestaande processen en procedures die hieromtrent van toepassing zijn. Echter, op bepaalde punten, waren uw antwoorden niet correct of onvolledig. Uw visie over de taken en verantwoordelijkheden van de ‘Manager Administratie Loopbaan’ was tevens niet erg duidelijk en er ontbrak een strategische en lange termijnvisie. Om de bovenvermelde redenen beslist het lijnmanagement om u het mandaat, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk VI van het administratief statuut van de Post en inzonderheid van de artikelen 55, 56 en 57 ervan, voor de functie van Manager Administratie Loopbaan niet toe te kennen.” IV. Verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen 4. De verzoeker vraagt in een schrijven van 2 juni 2009, getiteld “verzoekschrift tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep”, de uitbreiding van het voorwerp van het voorliggende beroep tot de beslissing waarbij Dirk Boesmans wordt benoemd in de weddeschaal “H2S spec. A”. Hij formuleert deze vraag als volgt: “[...] De verzoekende partij heeft de annulatie gevraagd van de toekenning van mandaten aan de Heer Boesmans. De verzoekende partij heeft op toevallige wijze op 1 april 2009 kennis genomen van de beslissing van de verwerende partij waarbij de Heer Boesmans Dirk klaarblijkelijk is benoemd in de weddeschaal H2S spec. A. Dat verzoeker het voorwerp van zijn vordering dan ook uitbreidt met het verzoek ook deze beslissing te vernietigen. Dat verzoeker de vraag tot uitbreiding van het voorwerp zal herhalen in het eerste procedurestuk dat de verzoekende partij ter beschikking staat, normaliter dus de laatste memorie. Dat verzoeker heeft gewacht om eventueel een verslag te ontvangen maar dat de verzoeker eraan houdt in elk geval nu binnen de 60 dagen de uitbreiding van het voorwerp te vragen. Dat de middelen die worden ingeroepen tegen de mandaatsbetwisting evenzeer kunnen ingeroepen worden tegen huidig besluit. [...].” IX-5446-8/18 5. In zijn laatste memorie verwijst de verzoeker naar zijn voormelde vraag tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep. Hij stelt dat het indienen van een bijkomend procedurestuk daartoe noodzakelijk was en ook van aard was de rechten van verdediging van de verwerende partij te respecteren. In de mate dat zijn verzoekschrift tot uitbreiding niet zou volstaan, stelt hij dat hij zijn verzoek bij deze gelegenheid herhaalt. 6. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie op dat verzoekers vraag tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep moet worden afgewezen, omdat ze werd geformuleerd in een stuk waarin niet is voorzien door het algemeen procedurereglement van de Raad van State en dat derhalve niet onderworpen is aan het tegensprekelijk debat. Beoordeling 7. Krachtens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State, zoals het ten tijde van het indienen van het voorliggende beroep van toepassing was, moet het voorwerp van het vernietigingsberoep in het inleidend verzoekschrift worden aangegeven. De toevoeging in de loop van de procedure van andere voorwerpen moet in beginsel worden afgewezen, aangezien ze met het principe van het contradictoir debat onbestaanbaar is. Wel wordt aangenomen dat het voorwerp van het vernietigingsberoep tijdens de procedure kan worden uitgebreid tot later genomen beslissingen die het aangevochten besluit als directe rechtsgrond hebben. In het arrest Muspratt, nr. 69.884 van 28 november 1997, heeft de Raad van State de voorwaarden waaronder het voorwerp van het beroep tijdens de procedure kan worden uitgebreid als volgt omschreven: “Overwegende dat het onderwerp van een beroep tot nietigverklaring kan worden uitgebreid, zelfs ambtshalve, tot de handelingen die er het logische en noodzakelijke gevolg van zijn, zoals de definitieve benoemingen die volgen op toelatingen tot de proeftijd; dat op een bestreden besluit steunende nagekomen handelingen die niet het logische en noodzakelijke gevolg van dat besluit zijn, eveneens nietig kunnen worden verklaard, in welk geval de rechtszekerheid vereist dat ze aangevochten worden binnen de termijn die gesteld is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, hetzij met een verzoekschrift tot IX-5446-9/18 nietigverklaring, hetzij met een processtuk dat regelmatig is ingediend binnen die termijn; dat het immers aan verzoeker behoort blijk te geven van zijn belang om de nietigverklaring te verkrijgen van de nagekomen handelingen, aangezien de samenhang tussen de bestreden handeling en de nagekomen handelingen niet zodanig nauw is dat mag worden aangenomen dat uit het belang om de eerste handeling aan te vechten het belang voortvloeit om de volgende handelingen aan te vechten.” (vertaling) 8. Daargelaten evenwel of te dezen aan deze voorwaarden is voldaan, moet worden opgemerkt dat een verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep hoe dan ook slechts ontvankelijk kan zijn, indien het beroep tegen de initieel bestreden beslissing(

  1. en)ontvankelijk werd ingediend. Zoals hierna bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep zal blijken, is dat te dezen niet het geval. Deze vaststelling volstaat om het verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep te verwerpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing Standpunt van de partijen 9. In zijn verzoekschrift betoogt de verzoeker dat zijn beroep ontvankelijk is ratione temporis voor zover het gericht is tegen de beslissing van de gedelegeerd bestuurder om aan Dirk Boesmans het mandaat van Manager Administratie Loopbaan ad interim toe te wijzen. Hij stelt dat de voormelde beslissing hem ter kennis werd gebracht bij schrijven van 4 juli 2006, evenwel zonder enige vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, zodat de beroepstermijn nooit een aanvang heeft genomen. 10. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord als exceptie op dat het beroep, voor zover het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing, buiten de beroepstermijn van zestig dagen is ingesteld. IX-5446-10/18 Volgens haar beroept de verzoeker zich ten onrechte op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aangezien hij reeds kennis had van de inhoud van deze bepaling en van de in acht te nemen vormvoorschriften en termijn om bij de Raad van State een geldig beroep in te stellen. Het beroep dat de verzoeker eerder bij de Raad van State heeft ingesteld, getuigt van die kennis. De verwerende partij voegt daaraan toe dat zij niet verplicht was om de aanstelling ad interim van Dirk Boesmans ter kennis te brengen van de verzoeker, aangezien het slechts om een tijdelijke invulling van het mandaat ging, de verzoeker deze aanstelling bovendien niet ambieerde en het slechts een toepassing betrof van de theorie van de feitelijke ambtenaar. Toch heeft zij de desbetreffende beslissing aan de verzoeker meegedeeld bij brief van 4 juli 2006. In de mate dat de verzoeker zich door die aanstelling gegriefd voelde, diende hij binnen een redelijke termijn de nodige informatie in te winnen en, indien hij zulks noodzakelijk achtte, binnen de nuttige beroepstermijn beroep in te stellen. 11. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij voor de aanstelling ad interim slechts kon kiezen tussen de twee kandidaten die de eerste selectiefase met succes hadden doorlopen, namelijk hijzelf en Dirk Boesmans, zodat moest worden gemotiveerd waarom Dirk Boesmans de voorkeur kreeg. Aangezien de rechten van de verzoeker op elk vlak dienden te worden gerespecteerd, moest de keuze ten voordele van Dirk Boesmans aan de verzoeker ter kennis worden gebracht, mét vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. De verzoeker gaat voorts in op de door de verwerende partij ter sprake gebrachte theorie van de feitelijke ambtenaar. De verzoeker stelt dat deze theorie inhoudt dat, ook al valt de benoeming van een ambtenaar weg, zijn feitelijk functioneren niet ongeldig wordt. Dit impliceert volgens de verzoeker dat er geen nood is aan een interimaire aanstelling, laat staan aan een retroactieve interimaire aanstelling. Die nood kan enkel bestaan als men aan de betrokkene een gunst wil verlenen, wat te dezen het geval is. De verwerende partij heeft, zo stelt de verzoeker, een schijnvertoning opgevoerd om te kunnen repareren, maar deze reparatie mocht Dirk Boesmans niets in de weg leggen. Volgens de verzoeker moet worden aangenomen dat indien er een interimaire aanstelling nodig was, men hem van het begin tot het einde had moeten erkennen, wat betekent dat men hem had moeten IX-5446-11/18 meedelen dat hij zich voor de Raad van State kon verhalen. Nu dat niet is gebeurd, is de beroepstermijn niet ingegaan. 12. In zijn laatste memorie houdt de verzoeker staande dat de verwerende partij ertoe gehouden was om hem op de hoogte te brengen van de interimaire aanstelling van zijn concurrent. Hij stelt dat hij evident belang had bij deze beslissing, die zijn juridische toestand op een negatieve wijze heeft beïnvloed. De verzoeker herhaalt dat voor de invulling van het mandaat ad interim slechts kon worden gekozen voor Dirk Boesmans of voor hemzelf. De stelling dat de verzoeker niet op de hoogte moest worden gebracht, gaat ervan uit dat hij geen belang had en is dan ook niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Beoordeling 13. Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het algemeen procedurereglement) verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. Luidens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State nemen de verjaringstermijnen voor de beroepen tot nietigverklaring slechts een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen, alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Deze bepaling geldt enkel voor akten of beslissingen die individueel aan de betrokkene ter kennis moeten worden gebracht, wat het geval is wanneer een normatieve tekst die wijze van kennisgeving aan de betrokkene voorschrijft of wanneer de desbetreffende beslissing van een dergelijke aard is dat ze een wijziging aanbrengt in de rechtstoestand van de betrokkene of diens rechtstoestand nader bepaalt, en dus niet voor akten of beslissingen die aan de betrokkene op een andere wijze ter kennis moeten worden gebracht. IX-5446-12/18 14. Vooreerst moet worden vastgesteld dat de verzoeker geen uitdrukkelijke bepaling aanwijst die de individuele kennisgeving van de eerste bestreden beslissing aan hem oplegt. Bovendien is de beslissing waarbij aan Dirk Boesmans het mandaat van Manager Administratie Loopbaan van de NV De Post ad interim wordt toegewezen, geen beslissing die als zodanig de rechtstoestand van de verzoeker heeft gewijzigd of nader heeft bepaald. Deze beslissing is immers niet het resultaat van een aanstellingsprocedure waarvoor ook de verzoeker heeft gekandideerd. De verzoeker kan niet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de verwerende partij voor de aanstelling ad interim slechts kon kiezen tussen de twee kandidaten die de eerste selectiefase met succes hadden doorlopen, namelijk hijzelf en Dirk Boesmans. Een aanstelling ad interim is per definitie een tijdelijke aanstelling, waartoe wordt besloten om te voldoen aan een behoefte in een dienst, zonder dat daarvoor dezelfde aanstellings- of selectieprocedure moet worden gevolgd als voor de uiteindelijke toewijzing van het mandaat. Anders oordelen zou impliceren dat de aanstellingsprocedure tweemaal moet worden gevolgd, een eerste keer voor de aanstelling ad interim en een tweede keer voor de uiteindelijke toewijzing van het mandaat. Een dergelijke werkwijze is niet bestaanbaar met de ratio van een aanstelling ad interim die plaatsvindt wanneer de continuïteit van de dienst vereist dat de functie al wordt ingevuld in afwachting van een definitieve regeling. 15. Aangezien de eerste bestreden beslissing derhalve niet individueel aan de verzoeker ter kennis moest worden gebracht, beroept de verzoeker zich ten onrechte op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 16. De verzoeker wijst geen bepaling aan die de publicatie van de eerste bestreden beslissing in het Belgisch Staatsblad zou vereisen, noch voert hij aan dat een andere gebruikelijke wijze van bekendmaking zou bestaan. 17. De beroepstermijn tegen de eerste bestreden beslissing begon voor de verzoeker dan ook te lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis kreeg van deze beslissing. De verzoeker werd van de eerste bestreden beslissing in kennis gesteld door een schrijven van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Post van IX-5446-13/18 4 juli 2006. Het blijkt niet en de verzoeker voert overigens niet aan dat deze kennisgeving hem onvoldoende informatie zou hebben verschaft over de inhoud en de draagwijdte van de genomen beslissing. Door deze kennisgeving beschikte de verzoeker over een voldoende kennis van de bestreden aanstelling opdat de beroepstermijn bij de Raad van State voor hem zou ingaan. De verzoeker heeft evenwel gewacht tot 9 oktober 2006, méér dan drie maanden na de feitelijke kennisname, om zijn beroep tegen de eerste bestreden beslissing in te stellen, zodat dit beroep in zoverre laattijdig is. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is gegrond. 18. Het beroep is dienvolgens onontvankelijk ratione temporis in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. Ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing Ambtshalve opgeworpen exceptie en standpunt van de verzoeker 19. Met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep voor zover het gericht is tegen de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Post van 3 augustus 2006 om aan Dirk Boesmans het mandaat van Manager Administratie Loopbaan toe te wijzen, voert de verzoeker in zijn verzoekschrift aan dat de aanstelling van voornoemde hem werd betekend bij aangetekend schrijven van 9 augustus 2006, dat hij ten vroegste op 10 augustus 2006 kan hebben ontvangen, zodat het beroep op 9 oktober 2006 tijdig werd ingesteld. 20. De auditeur-verslaggever werpt in haar verslag over de zaak ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op voor zover het gericht is tegen de voormelde beslissing. Zij argumenteert dat het beroep voor zover het tegen die beslissing is gericht, laattijdig werd ingediend. 21. In zijn laatste memorie repliceert de verzoeker dat de loutere mededeling dat zijn kandidatuur “niet weerhouden” werd, niet volstond om voor hem de beroepstermijn bij de Raad van State te doen ingaan, aangezien die mededeling geen melding maakte van deze beroepsmogelijkheid. IX-5446-14/18 Met betrekking tot de praktijk om de toewijzing van mandaten bij “witte lijsten” bekend te maken, voert de verzoeker aan dat deze handelwijze geen afbreuk doet aan de noodzaak van een individuele kennisgeving. Bovendien mag volgens de verzoeker niet uit het oog worden verloren dat er een discrepantie bestaat tussen de mededeling van 27 juli 2006 enerzijds en de witte lijst van 3 augustus 2006, waaraan door de gedelegeerd bestuurder op 9 augustus 2006 werd gerefereerd, anderzijds. De verzoeker stelt dat enkel de datum van 9 augustus 2006 in aanmerking kan worden genomen. Toen werd immers meegedeeld dat op 3 augustus 2006 een beslissing was genomen. De verzoeker vraagt zich af hoe op 27 juli 2006 kon worden meegedeeld dat zijn kandidatuur “niet weerhouden” werd, terwijl pas op 3 augustus 2006 een beslissing werd genomen. Bovendien, zo stelt de verzoeker, kan voor rechtshandelingen die formeel moeten worden gemotiveerd, de beroepstermijn slechts beginnen te lopen vanaf de kennisgeving van de beslissing en haar motivering. Ook om die reden is volgens hem de kennisgeving van 9 augustus 2006 de enige die de beroepstermijn heeft kunnen doen ingaan. Beoordeling 22. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de beslissing waarbij het mandaat van Manager Administratie Loopbaan van de NV De Post aan Dirk Boesmans werd toegewezen, niet aan de verzoeker moest worden betekend. De verzoeker was immers niet de directe bestemmeling van deze beslissing. Zijn rechtstoestand werd erdoor niet gewijzigd of nader bepaald. Weliswaar is de overheid in een benoemingsprocedure ertoe verplicht om aan de kandidaten het resultaat van de procedure individueel ter kennis te brengen, doch deze verplichting is beperkt tot het meedelen van het resultaat van de benoemingsprocedure wat die kandidaten zelf betreft. Aldus is de overheid enkel verplicht om aan een kandidaat die niet werd geselecteerd voor benoeming, zijn resultaat op het selectie-examen te betekenen en niet de uiteindelijke benoemingsbeslissing. Alleen een uitspraak over het gevolg dat aan zijn eigen kandidaatstelling is gegeven, is immers van aard om zijn rechtstoestand te wijzigen of te beletten dat zijn rechtstoestand wordt gewijzigd. IX-5446-15/18 Te dezen stond het resultaat van de benoemingsprocedure, wat de verzoeker zelf betreft, vast op het ogenblik dat de beslissing werd genomen om zijn kandidatuur “niet te weerhouden” na de laatste selectiefase. Ten aanzien van de verzoeker gebeurde de kennisgeving van deze beslissing met brieven van 27 juli 2006 en 9 augustus 2006, waarmee hem werd meegedeeld dat zijn kandidatuur niet in aanmerking werd genomen, respectievelijk welke de redenen waren om hem het mandaat niet toe te kennen. 23. Aangezien de beslissing tot toekenning van het mandaat niet individueel aan de verzoeker moest worden betekend, rijst de vraag of ze al dan niet moest worden bekendgemaakt, in welk geval de beroepstermijn een aanvang zou hebben genomen met de bekendmaking. De verzoeker wijst niet op het bestaan van een normatieve bepaling die de bekendmaking van de toekenning van mandaten oplegt. Een verplichting tot bekendmaking kan echter niet enkel uit een wettelijke bepaling, maar ook uit een constante praktijk voortvloeien. 24. Voor zover moet worden aangenomen dat de verwerende partij een vaste praktijk kent om de toewijzing van mandaten bekend te maken via de zogenaamde witte lijsten, dient te worden vastgesteld dat in dat geval de beroepstermijn voor de verzoeker een aanvang nam met de publicatie van de witte lijst nr. 3.2.3/64 op 3 augustus 2006, waarbij de beslissing om het mandaat van Manager Administratie Loopbaan aan Dirk Boesmans toe te wijzen, werd bekendgemaakt aan het personeel. Het voorliggende beroep, dat bij aangetekend schrijven van 9 oktober 2006 werd ingesteld, is dan laattijdig. 25. Voor zover de bekendmaking van de toewijzing van mandaten via de zogenaamde witte lijsten niet als een vaste praktijk van de verwerende partij kan worden beschouwd, moet worden geoordeeld dat de beroepstermijn bij de Raad van State voor de verzoeker is ingegaan met de feitelijke kennisname van de bestreden beslissing. Ook in dat geval moet worden vastgesteld dat de verzoeker door de publicatie van de witte lijst nr. 3.2.3/64 op 3 augustus 2006 op de hoogte was van het bestaan van de tweede bestreden beslissing. Het blijkt niet dat de feitelijke IX-5446-16/18 kennisname van de beslissing tot benoeming van Dirk Boesmans via de witte lijst onvoldoende zou zijn om de beroepstermijn te doen ingaan. De witte lijst van 3 augustus 2006, die overigens melding maakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, vermeldt immers duidelijk de naam van Dirk Boesmans, zijn taalrol, graad, standplaats, toegewezen mandaat en overeenstemmende graad, zodat de verzoeker vanaf dat ogenblik voldoende feitelijke kennis had van de benoemingsbeslissing om daartegen op te komen. Ook dan geldt dat de verzoeker het voorliggende beroep op 9 oktober 2006 laattijdig heeft ingesteld. Weliswaar werd de verzoeker pas bij brief van 9 augustus 2006 in kennis gesteld van de redenen waarom het mandaat niet aan hem werd toegekend, maar die informatie betreft niet de verantwoording van de door de verzoeker bestreden benoemingsbeslissing, zodat deze brief geen invloed heeft op de termijn voor het instellen van een beroep tegen de tweede bestreden beslissing. 26. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat de ambtshalve opgeworpen exceptie gegrond is. Het beroep is derhalve eveneens onontvankelijk ratione temporis in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-5446-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5446-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.190 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.