id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.191 Rolnummer: A. 185004/IX-5745 Zaak: Arrest 208191 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:17 Fiche Arrest nr 208.191 van 19 oktober 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.191 van 19 oktober 2010 in de zaak A. 185.004/IX-5745 In zake: Hilde VANDEWEYER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN gevestigd te Brussel Zuidertoren bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Biesemans kantoor houdend te Brussel Schoonslaapsterstraat 29 bus 1 Tussenkomende partij: Kenneth DOPERE wonend te Mechelen Oude Leestsebaan 47 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van “het bericht nr. 958/C d.d. 2 juli 2007 houdende bevordering van de heer Kenneth Dopere door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor Hasselt”. IX-5745-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-5745-2/19 III. Feiten 3.
- De verzoekster is op het ogenblik van de bestreden beslissing werkzaam bij de Rijksdienst voor Pensioenen als diensthoofd pensioenen met de graad van attaché. 3.
- Bij bericht nr. 958/A van 27 maart 2007 wordt de betrekking van directeur pensioenen in verscheidene gewestelijke kantoren van de Rijksdienst voor Pensioenen, waaronder het kantoor te Hasselt, vacant verklaard. Deze betrekking is te begeven via bevordering, mutatie, of verandering van vakklasse. 3.
- Twee personen stellen zich kandidaat voor de betrekking van directeur pensioenen te Hasselt, met name de verzoekster en de tussenkomende partij. 3.
- Op 8 mei 2007 hoort de directieraad van de Rijksdienst voor Pensioenen de kandidaten voor de diverse functies. Tijdens diezelfde vergadering bespreekt de directieraad tevens de kandidaatstellingen. De verzoekster wordt “geschikt” bevonden voor vier beoordelingscriteria en “zeer geschikt” voor negen criteria. De tussenkomende partij wordt voor drie beoordelingscriteria “geschikt” bevonden en voor tien criteria “zeer geschikt”. Voor beiden luidt de eindbeoordeling dat de kandidaat “zeer geschikt is voor de functie van directeur pensioenen van het kantoor Hasselt”. 3.
- Bij bericht nr. 958/B van 30 mei 2007 wordt het voorstel van bevordering van de directieraad voor alle vacante betrekkingen meegedeeld, met de daarbij horende rangschikking. Voor de functie van directeur pensioenen in het kantoor te Hasselt wordt de tussenkomende partij als eerste kandidaat en de verzoekster als tweede kandidaat gerangschikt. IX-5745-3/19 3.
- Tegen deze rangschikking tekent de verzoekster bezwaar aan bij schrijven van 10 juni
- 3.
- Op 19 juni 2007 bespreekt de directieraad het bezwaarschrift van de verzoekster. De conclusie van deze bespreking luidt als volgt: “De eindbeoordeling voor mevr. Vandeweyer blijft ongewijzigd. De leden van de directieraad vinden éénparig betrokkene zeer geschikt voor de functie van directeur pensioenen van het kantoor Hasselt. Het voorstel aan het beheerscomité om dhr. Kenneth Dopere als eerste gerangschikte en mevr. Vandeweyer als tweede gerangschikte voor te stellen voor de bevordering naar de betrekking van directeur pensioenen voor het kantoor Hasselt, blijft behouden. Dhr. Kenneth Dopere wordt als eerste gerangschikt omdat hij voor meer criteria dan mevr. Vandeweyer ‘zeer geschikt’ is bevonden en ook een grondiger visie heeft op het dienstverlenende karakter van een kantoor.” 3.
- De directieraad stelt éénparig de tussenkomende partij als eerste kandidaat en de verzoekster als tweede kandidaat voor aan het beheerscomité met het oog op bevordering op 1 juli 2007 tot directeur pensioenen in het kantoor te Hasselt. 3.
- Bij schrijven van 25 juni 2007 wordt de verzoekster op de hoogte gebracht van het resultaat van haar bezwaar: “De Directieraad heeft uw klacht van 10 juni 2007 in zitting van 19 juni 2007 (notulen goedgekeurd in zitting van 22 juni 2007) onderzocht en heeft besloten dat de oorspronkelijke rangschikking voor het kantoor Hasselt zoals u meegedeeld werd met bericht 958/B niet gewijzigd wordt. In bijlage vindt u een uittreksel uit de notulen van de Directieraad van 19 juni 2007 betreffende uw klacht.” 3.
- Eveneens op 25 juni 2007 beslist het beheerscomité om de tussenkomende partij op 1 juli 2007 door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur te bevorderen tot directeur pensioenen in het kantoor te Hasselt. Deze bevordering wordt bekendgemaakt met het bericht nr. 958/C van 2 juli
- IX-5745-4/19 Dit is de bestreden beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- Hoewel de verzoekster in haar verzoekschrift formeel stelt dat zij de nietigverklaring vordert van “het bericht nr. 958/C d.d. 2 juli 2007 houdende bevordering van de heer Kenneth Dopere door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor Hasselt”, blijkt duidelijk uit de inhoud van het verzoekschrift dat het beroep gericht is tegen de beslissing van het beheerscomité van 25 juni 2007 waarbij de tussenkomende partij wordt bevorderd tot directeur pensioenen in het kantoor te Hasselt. Het bericht nr. 958/C van 2 juli 2007 doet niets meer dan deze beslissing van het beheerscomité bekendmaken. Derhalve moet het beroep worden geacht gericht te zijn tegen deze beslissing van het beheerscomité. V. Onderzoek van de middelen
- De verzoekster voert vier middelen aan. Gelet op de inhoud van deze middelen, wordt het eerst aangevoerde middel pas na de overige middelen onderzocht en beoordeeld. A. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van de belangenafweging, het beginsel van de vergelijking van titels en het beginsel van de feitenvinding. IX-5745-5/19 De verzoekster betoogt dat op de verwerende partij, die bij de benoeming of bevordering van ambtenaren een zekere keuzevrijheid heeft, de plicht rust tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten. Dit is ook het geval bij benoemingen op voordracht, aangezien alle voorgedragen kandidaten in aanmerking komen voor benoeming, ook al worden zij in een bepaalde volgorde voorgesteld. Het beginsel zelf van de voordracht van verschillende kandidaten geeft aan de benoemende overheid een keuzemogelijkheid, die elke voorrang van rechtswege uitsluit. Te dezen, zo stelt de verzoekster, blijkt uit artikel 73, §§ 3 en 4, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, in samenhang gelezen met de artikelen 17bis1 en 17bis2 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, dat de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten werd toevertrouwd aan de directieraad, die hierbij over een adviserende bevoegdheid beschikt. De verzoekster laat gelden dat in de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 haar titels en verdiensten weliswaar worden geëvalueerd, doch dat geen vergelijking wordt gemaakt met de titels en verdiensten van de andere kandidaten. Hetzelfde geldt volgens de verzoekster voor de notulen van de directieraad van 19 juni 2007 houdende het advies van de directieraad na onderzoek van haar bezwaarschrift. De verzoekster wijst er voorts op dat het advies van de directieraad een wezenlijk onderdeel is van de bevorderingsprocedure. Dit advies moet derhalve afdoende gemotiveerd zijn en de precieze redenen vermelden waarom de ene kandidaat wordt verkozen boven de andere, wat impliceert dat de rangschikking gebaseerd moet zijn op een grondig, nauwgezet en vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de respectieve kandidaten. Wanneer het advies niet voldoende uiteenzet waarom een bepaalde kandidaat de voorkeur IX-5745-6/19 krijgt, kan het advies niet worden geacht de benoemende overheid voldoende te hebben ingelicht en dient de benoeming te worden vernietigd. Volgens de verzoekster werd te dezen geen vergelijking gemaakt van de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten. Minstens blijkt dit niet expliciet uit de stukken meegedeeld aan de verzoekster. Voorts verwijst het beheerscomité in de bestreden beslissing geenszins naar een eventuele vergelijking van de titels en verdiensten door de directieraad. Van een zorgvuldig bestuur zou echter mogen worden verwacht dat zij bij een bevorderingsprocedure een vergelijking van de kandidaten doorvoert, zich hierbij baserend op alle nuttige feiten.
- De verwerende partij antwoordt dat de kritiek op het advies van de directieraad niet gefundeerd is, nu uit het dossier voldoende blijkt dat de verdiensten en bekwaamheden van de kandidaten werden onderzocht en vergeleken. Het feit dat de benoemde kandidaat als eerste werd gerangschikt, wordt voldoende gemotiveerd in het advies van de directieraad.
- De tussenkomende partij betoogt in haar memorie dat er wel degelijk een vergelijking werd gemaakt tussen de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten, wat blijkt uit de notulen van de directieraad van 8 mei
- Aangezien aan de beide kandidaten de eindvermelding “zeer geschikt” werd toegekend, werden zij beiden in aanmerking genomen in het bevorderingsvoorstel van de directieraad. Wanneer verschillende kandidaten voor éénzelfde kantoor als “zeer geschikt” worden aangemerkt, worden zij onderling gerangschikt op basis van de beoordeling voor de diverse criteria. Aan de hand daarvan is het verschil tussen de beide kandidaten gemaakt. De tussenkomende partij verkreeg de beoordeling “zeer geschikt” voor één criterium meer dan de verzoekster. Voor dat criterium verkreeg de verzoekster slechts de beoordeling “geschikt”. IX-5745-7/19 De tussenkomende partij stelt voorts dat de directieraad bovendien van oordeel was dat zij een grondiger visie heeft op het dienstverlenende karakter van een kantoor. Het door de verzoekster ingediende bezwaar was niet van aard de directieraad te overhalen tot een wijziging van zijn standpunt. De tussenkomende partij besluit dat uit de notulen van de directieraad duidelijk blijkt dat er een zeer grondige vergelijking is gebeurd aan de hand van vastgelegde selectiecriteria. De motivering is dan ook afdoende, aangezien zij duidelijk, juist, pertinent en volledig, concreet, niet tegenstrijdig en aangepast aan het belang van de beslissing is. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens hetwelk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. In een voorstel van de directieraad tot benoeming of bevordering, waarbij de benoemende overheid zich aansluit, moeten dan ook de redenen kunnen worden teruggevonden, voortvloeiend uit een degelijke vergelijking van de titels en verdiensten, op grond waarvan de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen.
- Uit de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 blijkt dat de directieraad de kandidaturen van de verzoekster en de tussenkomende partij voor de betrekking te Hasselt uitvoerig heeft onderzocht aan de hand van dertien beoordelingscriteria. Voor elk van de in aanmerking genomen criteria hield IX-5745-8/19 de directieraad rekening met de relevante elementen, aangebracht in het sollicitatieformulier en het interview, om per criterium tot een beoordeling “zeer geschikt” of “geschikt” te komen. Op basis van die beoordeling per criterium kwam de directieraad tot een eindbeoordeling, die voor de tussenkomende partij en voor de verzoekster “zeer geschikt” luidde. Vervolgens besliste de directieraad om enkel de kandidaten die de vermelding “zeer geschikt” kregen, in het voorstel tot bevordering op te nemen en te rangschikken. Wanneer verschillende kandidaten voor éénzelfde kantoor “zeer geschikt” werden bevonden, werden zij vervolgens gerangschikt op basis van hun beoordeling voor de diverse criteria. Aangezien de tussenkomende partij voor tien criteria “zeer geschikt” en voor drie criteria “geschikt” werd bevonden en de verzoekster voor negen criteria “zeer geschikt” en voor vier criteria “geschikt” werd bevonden, werd uiteindelijk de tussenkomende partij als eerste en de verzoekster als tweede kandidaat gerangschikt. Aldus blijkt uit de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 dat de aanspraken en verdiensten van de beide kandidaten voor de betrekking te Hasselt uitgebreid zijn onderzocht en besproken. In diezelfde notulen is expliciet vermeld hoe de beide kandidaten scoren voor elk van de dertien gehanteerde beoordelingscriteria, zodat duidelijk is voor welke criteria de ene kandidaat beter of minder goed scoorde dan de andere kandidaat. Het voorstel van de directieraad tot bevordering van de tussenkomende partij als eerste gerangschikte en de verzoekster als tweede gerangschikte, steunde derhalve wel degelijk op een deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten.
- Het middel is niet gegrond. IX-5745-9/19 B. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert in een derde middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel in het bijzonder. Zij laat gelden dat het gelijkheidsbeginsel het principe inhoudt van de gelijke toegang tot het openbaar ambt, wat op zijn beurt impliceert dat de overheid de titels en verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve en pertinente criteria en dat de benoeming moet steunen op wettige motieven. Aangezien de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt, evenals de verplichting tot vergelijking van titels en verdiensten, miskent ze volgens de verzoekster tevens het gelijkheidsbeginsel.
- Volgens de verwerende partij blijkt uit het dossier voldoende dat de tussenkomende partij beter scoorde dan de verzoekster, dat zij bovendien een grotere anciënniteit bezit en op 1 juni 2002 benoemd werd in de graad van gewestelijk directeur met standplaats te Hasselt. Aangezien de titels en verdiensten van de beide kandidaten op een objectieve wijze werden vergeleken, kunnen de ingeroepen beginselen niet geacht worden geschonden te zijn. Beoordeling
- Hiervóór, bij de bespreking van het tweede middel, is reeds gebleken dat de verplichting tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten niet is geschonden. Derhalve kan er geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel zoals door de verzoekster in het middel is verwoord. IX-5745-10/19
- Het middel is niet gegrond. C. Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert in een vierde middel aan dat de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en het vertrouwensbeginsel in het bijzonder geschonden zijn, nu zij er mocht op vertrouwen, gezien haar staat van dienst en de nuttige ervaring die zij opdeed in haar functie van attaché diensthoofd pensioendienst, dat haar titels en verdiensten op een correcte en expliciete wijze zouden worden afgewogen. Volgens de verzoekster lag een bevordering door verhoging in de klasse A3 met de titel van adviseur in de functie van directeur pensioenen in het kantoor te Hasselt, gelet op haar titels en verdiensten, in de lijn van de verwachtingen.
- De verwerende partij antwoordt dat uit de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 en de bespreking van het bezwaarschrift van de verzoekster blijkt dat wel degelijk rekening werd gehouden met de door de verzoekster uitgeoefende functie en haar titels en verdiensten. Voorts blijkt volgens de verwerende partij niet dat zij zich zou hebben vergist en dat zij aan de benoemde kandidaat een onterecht voordeel zou hebben verleend.
- De tussenkomende partij laat gelden dat zij er evenveel op mocht vertrouwen dat zij benoemd zou worden, temeer daar zij bij een voorgaande bevordering eveneens in concurrentie kwam met de verzoekster en ook toen door de verwerende partij voorrang werd gegeven aan de kandidatuur van de tussenkomende partij. IX-5745-11/19 Beoordeling
- Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat beoogt te vermijden dat te kort wordt gedaan aan de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put. Dit beginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn vanwege de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan.
- De verzoekster toont niet aan dat zij op basis van haar staat van dienst rechtmatig erop kon vertrouwen dat zij zou worden bevorderd tot directeur pensioenen in het gewestelijk kantoor te Hasselt. Het is immers niet omdat zij nuttige ervaring opdeed in de functie van diensthoofd pensioenen, dat bij een bevorderingsprocedure voor directeur bij een gewestelijk kantoor zich geen andere kandidaten konden aanbieden die meer geschikt konden worden bevonden voor de te begeven betrekking. Derhalve kon de verzoekster geen rechtmatige verwachtingen koesteren dat zij tot directeur pensioenen in het gewestelijk kantoor te Hasselt zou worden bevorderd en is het vertrouwensbeginsel niet geschonden.
- Het middel is niet gegrond. D. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van de formele motiveringsplicht in het bijzonder, daar de bestreden beslissing wel naar de zitting van het beheerscomité van 25 juni 2007 verwijst, doch de notulen hiervan nooit werden meegedeeld. De verzoekster stelt wel kennis te hebben gekregen van een IX-5745-12/19 samenvatting van die notulen, maar laat gelden dat ook die samenvatting niet gemotiveerd is. De verzoekster wijst er voorts op dat een motivering door verwijzing naar een voorstel of advies slechts afdoende is wanneer dat voorstel of advies zelf afdoende gemotiveerd is. Een benoemingsbeslissing gebaseerd op een advies van de directieraad dat niet afdoende gemotiveerd is, dient te worden vernietigd. De verzoekster besluit dat het voor haar onmogelijk is om na te gaan waarom de tussenkomende partij en niet zijzelf werd bevorderd.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden benoeming wel degelijk gemotiveerd is. Uit de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007 blijkt immers dat de tussenkomende partij “zeer geschikt” werd bevonden voor het merendeel van de in aanmerking genomen criteria, zodat zij de beoordeling “zeer geschikt” verkreeg op basis van het geheel van de onderzochte criteria. Ook de verzoekster werd “zeer geschikt” bevonden voor de meeste criteria, zodat ook zij de eindbeoordeling “zeer geschikt” verkreeg. Naar aanleiding van het bezwaar van de verzoekster bleef de directieraad bij zijn voorstel om de tussenkomende partij als eerste te rangschikken, omdat zij voor meer criteria “zeer geschikt” werd bevonden en zij ook een grondiger visie heeft op het dienstverlenende karakter van een kantoor. De verwerende partij stelt voorts dat aan de motiveringsplicht bij benoemingen en bevorderingen wordt voldaan door een positieve motivering, die te dezen aanwezig is, gelet op het feit dat de benoemde kandidaat als “zeer geschikt” werd beoordeeld. De verwerende partij voegt daaraan toe dat uit het dossier blijkt dat daadwerkelijk een vergelijking werd gemaakt van de titels en verdiensten van de kandidaten en dat pertinente criteria werden gehanteerd. Zij merkt hierbij op dat IX-5745-13/19 de Raad van State zich niet in de plaats van de overheid kan stellen bij het afwegen van de titels en verdiensten. Uit de stukken blijkt volgens haar op voldoende wijze dat het bestuur, dat over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld en is uitgegaan van gegevens die in feite correct en in rechte aanvaardbaar zijn.
- De tussenkomende partij laat vooreerst gelden dat de bestreden beslissing, het bericht nr. 958/C, geen rechtshandeling is, zodat ze niet uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het voorafgaande bericht nr. 958/B met het voorstel tot bevordering is, aldus de tussenkomende partij, daarentegen wel uitdrukkelijk gemotiveerd, ook al was dit niet noodzakelijk. De tussenkomende partij stelt voorts dat de verzoekster duidelijk op de hoogte was van het met redenen omklede advies van de directieraad van 8 mei 2007, waarnaar het bericht nr. 958/B verwijst. Naar aanleiding van dat advies heeft de verzoekster immers een bezwaar ingediend van negen bladzijden, zodat zij niet staande kan houden dat zij niet op de hoogte was van de motieven. De verzoekster werd ook op de hoogte gebracht van het gevolg dat aan haar bezwaar werd gegeven. Bij de desbetreffende mededeling van 25 juni 2007 werd door de verwerende partij een uittreksel van de notulen van de vergadering van de directieraad van 19 juni 2007 gevoegd. De verzoekster werd tevens in kennis gesteld van een samenvatting van de vergadering van het beheerscomité van 25 juni 2007, maar volgens de tussenkomende partij werd aan de grond van de zaak niets meer gewijzigd. De tussenkomende partij stelt ten slotte dat het in overeenstemming is met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dat verwezen wordt naar een voorbereidende handeling, indien de inhoud van het desbetreffende stuk aan de IX-5745-14/19 betrokkene ter kennis werd gebracht, wat te dezen het geval was. Bovendien is het doel van de formele motiveringsplicht bereikt wanneer de betrokkene op een andere wijze dan door de formele motivering, de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die het recht om zich te verweren tegen die handeling niet in het gedrang hebben gebracht.
- De verzoekster stelt in haar laatste memorie dat een motivering door verwijzing slechts volstaat wanneer het advies of voorstel waarnaar wordt verwezen zelf afdoende gemotiveerd is. Aangezien de benoemingsbeslissing niet verwijst naar het advies van de directieraad kan er volgens de verzoekster niet worden van uitgegaan dat het beheerscomité het advies van de directieraad heeft gevolgd. De verzoekster laat voorts nog gelden dat de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007 haar nooit volledig werden meegedeeld, maar dat zij slechts het onderdeel van die notulen heeft ontvangen dat betrekking had op de bespreking van de criteria in hoofde van haarzelf. De bespreking van de criteria in hoofde van de tussenkomende partij werd haar niet meegedeeld. Enkel werd haar meegedeeld dat de tussenkomende partij als eerste werd gerangschikt, omdat deze voor meer criteria “zeer geschikt” werd bevonden en ook een grondiger visie heeft op het dienstverlenende karakter van een kantoor. De verzoekster betoogt dat een vergelijking van aanspraken veronderstelt dat de aanspraken met elkaar worden geconfronteerd. Doordat haar slechts een gedeelte van de notulen van de directieraad van 8 mei 2007 ter kennis werd gebracht, kon zij niet uitmaken hoe de beide kandidaten scoorden voor elk van de gehanteerde beoordelingscriteria, zodat voor haar niet duidelijk was voor welke criteria de ene kandidaat beter of minder goed scoorde dan de andere. De verzoekster besluit dat zij niet kon nagaan of er al dan niet een deugdelijke vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten werd gemaakt. IX-5745-15/19 Dezelfde bezwaren gelden volgens de verzoekster ten aanzien van de notulen van de vergadering van de directieraad van 19 juni 2007 houdende het advies van de directieraad na onderzoek van haar bezwaarschrift. Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De schending van de formele motiveringsplicht kan echter niet tot de vernietiging van een beslissing leiden indien blijkt dat de verzoeker op een andere wijze van de motieven kennis heeft genomen en dus niet in zijn belangen is geschaad door de afwezigheid van de formele motivering in de beslissing zelf.
- Uit het administratief dossier blijkt dat noch in het bericht nr. 958/C van 2 juli 2007, noch in de beslissing van 25 juni 2007 van het IX-5745-16/19 beheerscomité enige motivering voor de thans bestreden bevordering wordt aangegeven, en dat evenmin wordt verwezen naar het voorstel van de directieraad. Evenwel moet worden aangenomen dat het beheerscomité, door te besluiten om de tussenkomende partij te bevorderen, zich bij het gemotiveerde voorstel van de directieraad heeft aangesloten en bijgevolg de motivering van dat voorstel heeft overgenomen.
- Met betrekking tot de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007, waaruit de deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten blijkt, betoogt de verzoekster dat deze haar slechts zijn meegedeeld voor zover ze de beoordeling van de verschillende criteria, wat haarzelf betreft, bevatten. De verzoekster stelt dat haar voorts is meegedeeld dat de tussenkomende partij als eerste gerangschikt was, omdat zij voor meer criteria “zeer geschikt” werd bevonden en een grondiger visie heeft op het dienstverlenende karakter van een kantoor. Dit blijkt uit het aan de verzoekster bezorgde uittreksel van de notulen van 8 mei 2007 dat betrekking heeft op de beoordeling van de geschiktheid van de verzoekster voor de te begeven betrekking, en dat tevens de voorstellen van de directieraad bevatte. Die voorstellen luiden in essentie als volgt: “Op basis van het geheel van de aangebrachte elementen komt de directieraad tot volgende conclusies. Enkel de kandidaten die de eindvermelding ‘zeer geschikt’ hebben gekregen worden weerhouden in de voorstellen voor het beheerscomité. Wanneer er meerdere kandidaten voor éénzelfde bureau als ‘zeer geschikt’ worden bevonden worden deze onderling gerangschikt op basis van de beoordeling op de verschillende subcriteria. De leden van directieraad stellen uiteindelijk éénparig voor om de volgende kandidaten voor te dragen aan het beheerscomité voor de bevordering naar de betrekking van directeur pensioenen (klasse A3 - titel van adviseur): [...] Voor het kantoor Hasselt Dhr. Kenneth Dopere, 1ste gerangschikte Mevr. Hilde Vandeweyer, 2de gerangschikte [...].” IX-5745-17/19 Uit de stukken gevoegd bij het verzoekschrift blijkt dat de verzoekster eveneens kennis had van de notulen van de vergadering van de directieraad van 19 juni 2007 naar aanleiding van haar bezwaarschrift. Uit die notulen blijkt dat de directieraad de bezwaren van de verzoekster niet voldoende vond om haar beoordeling, zoals die blijkt uit de notulen van 8 mei 2007, te wijzigen. Bijgevolg had de verzoekster kennis van de essentie van de motivering van het voorstel van de directieraad en dus van de bestreden beslissing, omdat zij wist waarom de tussenkomende partij als eerste kandidaat werd voorgedragen door de directieraad. Slechts de gedetailleerde beoordeling van de verschillende criteria, die de directieraad in aanmerking nam voor wat de tussenkomende partij betreft, was haar onbekend. Bijgevolg is de door de verzoekster gekende motivering “afdoende” in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, zoals hiervóór omschreven. Bovendien stond het de verzoekster vrij om de notulen van de vergadering van de directieraad van 8 mei 2007 op te vragen, voor zover deze betrekking hebben op de beoordeling van de criteria in hoofde van de tussenkomende partij, met het oog op een vergelijking van de titels en verdiensten van de beide kandidaten. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verzoekster dit heeft gevraagd, hoewel zulks zeker mogelijk was. Nu de verzoekster op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift op afdoende wijze kennis had van de motieven van de bestreden beslissing, staat vast dat in haren hoofde het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt.
- Het middel kan niet worden aangenomen. IX-5745-18/19 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten het beroep tot nietigver- klaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5745-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.