← België

Arrest 208195 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.195 Rolnummer: A. 196818/IX-6847 Zaak: Arrest 208195 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:17 Fiche Arrest nr 208.195 van 19 oktober 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.195 van 19 oktober 2010 in de zaak A. 196.818/IX-6847 In zake : Nancy DE MOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 18 juni 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “1. de beslissing van de Voorzitster van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken d.d. 17.05.2010, waarbij [Nancy De Mol] met ingang van 1 mei 2010 het ontslag van ambtswege wordt opgelegd (…). 2. [de beslissing] d.d. 30.04.2010 uitgaande van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij wordt gesteld dat de sanctie van ontslag van ambtswege zal genomen worden ten aanzien van verzoekster (…).” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-6847-1/31 Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, ' 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekster, en attaché Helena Mampaey, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekster is sedert 6 maart 1989 tewerkgesteld bij de FOD Binnenlandse Zaken als contractueel operationeel agent bij de Civiele Bescherming te Walem. Sinds 1 december 2002 werkt zij als statutair operationeel agent bij de permanentiedienst van het Crisiscentrum, en dit in de hoedanigheid van niveau D in de weddeschaal DT2. IX-6847-2/31 3.2. Met een nota van 16 oktober 2009, uitgaande van één van de permanentiechefs van de verzoekster en gericht aan de directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum, worden een aantal onregelmatigheden die de verzoekster heeft begaan tijdens de nachtpermanentie op 20 juli 2009 en op 7 oktober 2009, gemeld. Op 16 oktober 2009 wordt een gesprek gevoerd aangaande deze nachtpermanenties van 20 juli 2009 en van 7 oktober 2009 tussen een collega die op het ogenblik van voornoemde feiten met de verzoekster permanentie had, de directeur van het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering (CGCCR) en de permanentiechef. 3.3. Met een aangetekend schrijven van 20 oktober 2009 wordt de verzoekster door de directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum (verzoeksters hiërarchische meerdere) in het kader van een tuchtprocedure uitgenodigd voor een verhoor dat zal plaatsvinden op 30 oktober 2009. In dit schrijven wordt aan de verzoekster meegedeeld dat haar de volgende feiten ten laste worden gelegd: “

  1. a)op 20 juli 2009: tussen 04u10 en 05u07 is de permanentie onbereikbaar gebleven voor permanentiechef Octaaf Pauwels die in die tussentijd herhaaldelijk telefoneerde naar het Crisiscentrum terwijl u de nachtpermanentie waarnam aan de permanentietafel; toen dan eindelijk permanentiechef Octaaf Pauwels om 05u07 met u contact kreeg, heeft u gemeld dat darmklachten de oorzaak waren dat u de telefoon niet eerder opnam maar in een navolgend gesprek om 05u29 belde u naar de GSM van Octaaf Pauwels om hem mee te delen dat de reden van het niet opnemen van de telefoons was dat de telefooncentrale was uitgevallen maar dat u die panne uiteindelijk zelf had kunnen herstellen; uit een mededeling van Philips NV blijkt evenwel dat de telefooncentrale die nacht niet is uitgevallen noch heropgestart en dus heeft u tegen de permanentiechef desbetreffend gelogen; u heeft evenmin uw collega met nachtdienst die op de benedenverdieping vertoefde, ingelicht over de problemen noch om zijn medewerking verzocht op het moment dat u darmklachten had of de telefooncentrale volgens uw verklaringen in panne was; IX-6847-3/31 u is dus in gebreke gebleven om de nachtpermanentie waar te nemen op een manier dat deze in samenwerking met uw collega en uw hiërarchische chefs zonder enige onderbreking kon vervuld blijven ten behoeve van de dienst en in overeenstemming met de opdrachten van de dienst om 24 uur per dag een actieve waakzaamheid te vervullen ten dienste van de federale regering; u bleef tevens in gebreke om bij het beëindigen van uw dienst op 20 juli om 8 u. ’s morgens, een rapport op te stellen wat nochtans één der basisverplichtingen is van de operationele permanentieagent;
  2. b)op 7 oktober 2009: u heeft die nacht om 00u50 een telefoonoproep ontvangen van coördinatieofficier Ronny Leuntjens van de lokale politie Gent waarin deze de permanentie in kennis heeft willen stellen van dreigingen, geuit op 6 oktober in de namiddag, tegenover de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Gent; de heer Leuntjens heeft u in dat telefoongesprek duidelijk medegedeeld om welke rechter het ging en hij heeft u ook medegedeeld dat hij daarvan een administratief rapport (RAR) ging doorsturen via fax zodra hij daartoe de gelegenheid zou hebben; uit de manier waarop dit telefoongesprek is verlopen is duidelijk gebleken dat u niet in staat was om de gegevens die de heer Leuntjens mededeelde ordelijk en correct op te nemen wat nochtans van groot belang was om de permanentiechef met nachtdienst en eventueel de hogere hiërarchie daarover in te lichten opdat zo nodig de vereiste maatregelen jegens de bedreigde rechter zouden kunnen worden genomen; u heeft in dat telefoongesprek met de heer Leuntjens ook bijna drie minuten nodig gehad om hem het telefaxnummer van de permanentie mede te delen dat hem moest toelaten zijn administratief rapport door te faxen; u kon zich dat telefaxnummer maar niet herinneren terwijl dit een nummer is dat elke permanentieagent meteen moet kunnen mededelen en dat ook binnen handbereik van eenieder aan de permanentietafel ligt; als u dan eindelijk een nummer mededeelde, was u er nog niet eens zeker van; u belde nadien om 01u12 diezelfde nacht nog blijkbaar zelf naar de lokale politiezone Gent of het CIC Gent om te vernemen waar de door de lokale politiezone beloofde fax bleef en uit dat telefoongesprek blijkt dat u zich niet eens meer de juiste naam kon herinneren van de heer Leuntjens noch van de bedreigde rechter en dus aan de persoon aan de andere kant van de lijn onmogelijk kon uitleggen waarom u belde, in die mate zelfs dat men aan de andere kant van de lijn de indruk kreeg dat u zelf een klacht wou indienen; u belde nochtans zelf de lokale politiezone Gent of het CIC Gent op omdat u uitdrukkelijk aangaf dat u deze gegevens moest doorgeven aan de permanentiechef met nachtdienst om hem toe te laten eventueel de nodige maatregelen te nemen; nochtans heeft u in de loop van de nacht op geen enkel moment deze permanentiechef ingelicht over de u gemelde feiten zodat de dienst niet de maatregelen kon nemen die zich eventueel opdrongen; IX-6847-4/31 u heeft in het rapport van de nachtdienst dat ’s morgens om 08u00 werd opgemaakt, ook op geen enkele manier melding gemaakt van de problemen aan de telefoon maar blijkbaar een rapport opgemaakt aan de hand van de fax die de lokale politiezone Gent om 01u34 effectief doorstuurde; u heeft ook op geen enkel moment uw collega die op de benedenverdieping vertoefde, om zijn bijstand verzocht; u is dus niet in staat gebleken om te voldoen aan één van de basisvereisten van de operationele agenten, zijnde in staat te zijn om op elk moment een telefoongesprek te voeren en de essentiële gegevens daarvan te noteren in het belang van de dienst en om op die manier in te staan, zoals trouwens ook in het feit hierboven vermeld, voor één der hoofdtaken van de permanentie, namelijk zonder enige onderbreking ten behoeve van de dienst en in overeenstemming met de opdrachten van de dienst 24 uur per dag een actieve waakzaamheid te vervullen ten dienste van de federale regering; u is ook in gebreke gebleven om uw permanentiechef met nachtdienst in te lichten terwijl zich jegens de bedreigde rechter nochtans maatregelen hadden kunnen opdringen zodat door uw houding deze eventueel gevaar had kunnen lopen”. De verzoekster wordt er met dit schrijven tevens van in kennis gesteld dat deze feiten strijdig zijn met de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (hierna genoemd: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937). Zij kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een persoon van haar keuze. Voorts wordt haar nog gemeld dat zij haar dossier kan raadplegen. 3.4. Op vraag van de verzoekster wordt de datum van het verhoor verplaatst naar 12 november 2009, wat aan de verzoekster wordt medegedeeld met een aangetekend schrijven van 26 oktober 2009. Daar op 12 november 2009 aan de permanentie wordt gemeld dat de verzoekster ziek is, wordt het verhoor nogmaals uitgesteld. Met een aangetekend schrijven van die datum wordt de verzoekster nogmaals uitgenodigd voor het verhoor dat zal plaatsvinden op 18 november 2009. 3.5. Op 18 november 2009 wordt de verzoekster verhoord door haar hiërarchische meerdere (de directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum), en dit in aanwezigheid van een syndicaal afgevaardigde en van IX-6847-5/31 twee attachés van de Algemene Directie Crisiscentrum, waaronder één van de permanentiechefs die als verslaggever optreedt. Tijdens dit verhoor worden de aan de verzoekster ten laste gelegde feiten van 20 juli 2009 en van 7 oktober 2009 overlopen en wordt de verzoekster hieromtrent ondervraagd. Tijdens dit verhoor verklaart de verzoekster problemen te hebben gekend omwille van de combinatie van medicatie die zij nam én persoonlijke problemen. Zij overhandigt een kopie van de verpakking van de medicatie waarvan zij beweert die te hebben genomen ten tijde van de haar ten laste gelegde feiten. Met een schrijven dat aangetekend wordt verzonden op 26 november 2009 wordt het proces-verbaal van dit verhoor aan de verzoekster overgemaakt. Op 4 december 2009 stuurt de verzoekster dit proces-verbaal ondertekend terug met de vermelding een aantal opmerkingen te hebben, die zij ten gepaste tijde naar voren zal brengen. 3.6. Met een aangetekend schrijven van 11 december 2009 deelt haar hiërarchische meerdere aan de verzoekster mee het ondertekende proces-verbaal goed te hebben ontvangen en wordt haar het voorlopig voorstel van tuchtstraf, zoals uitgebracht door haar hiërarchische meerdere, ter kennis gebracht. Meer bepaald wordt het ontslag van ambtswege voorgesteld, dat als volgt wordt verantwoord: “Op basis van het dossier dat lastens u werd samengesteld, besluit ik dat uw gedrag op 20 juli 2009 en 7 oktober 2009 de continuïteit en de geloofwaardigheid van de dienst in het gevaar heeft gebracht, dat u zich gedroeg in strijd met de waardigheid van uw ambt en dat u door uw gedrag van 7 oktober het leven van een bedreigde persoon mogelijks in gevaar bracht.” IX-6847-6/31 Met een nota van 11 december 2009 maakt de hiërarchische meerdere van de verzoekster zijn voorlopig voorstel van tuchtstraf over aan de Voorzitster van het Directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken. 3.7. Met een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs van 22 december 2009 wordt de verzoekster uitgenodigd om te verschijnen voor het Directiecomité op 26 januari 2010, tijdstip waarop de zaak zal worden besproken teneinde een definitief voorstel te doen. De verzoekster wordt er op gewezen dat zij zich kan laten bijstaan door een persoon van haar keuze, dat zij haar dossier kan raadplegen en dat bij niet-verschijning zonder geldige reden het Directiecomité uitspraak zal doen op basis van de stukken van het dossier. Met een nota van 6 januari 2010 brengt de Voorzitster van het Directiecomité de hiërarchische overste van de verzoekster op de hoogte van de datum van de vergadering van het Directiecomité en verzoekt hem een ambtenaar te gelasten om het voorlopig tuchtvoorstel te komen verdedigen. 3.8. Tijdens de vergadering van het Directiecomité van 26 januari 2010 wordt eerst de permanentiechef gehoord, die de twee feiten van de tuchtprocedure samenvat. Vervolgens wordt het woord gegeven aan de verzoekster of diens verdediger. De verzoekster wenst niets toe te voegen. De verdediger van de verzoekster schetst nog de context waarin de feiten hebben plaatsgegrepen, doch geeft toe dat dit geen excuus is voor haar fouten. Nadat de verzoekster, haar verdediger en haar hiërarchische meerderen (namelijk de directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum en de permanentiechef) de vergadering hebben verlaten, delibereren de leden van het Directiecomité over de zaak. Er wordt vervolgens in geheime stemming geoordeeld over het definitief voorstel van tuchtsanctie. Met zes stemmen voor en één onthouding IX-6847-7/31 formuleert het Directiecomité het definitief voorstel van tuchtstraf, zijnde “het ontslag van ambtswege”. Met een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs van 23 februari 2010 wordt voornoemd definitief voorstel van tuchtstraf aan de verzoekster betekend. Hierin wordt de verzoekster erop gewezen dat zij overeenkomstig artikel 79, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 over de mogelijkheid beschikt om tegen dit definitief voorstel beroep aan te tekenen bij de Departementale Raad van Beroep binnen een termijn van 10 dagen die volgen op deze betekening. 3.9. Met een aangetekend schrijven van 3 maart 2010 stelt de verzoekster beroep in tegen het definitieve voorstel van tuchtstraf bij de Departementale Raad van Beroep. 3.10. Met een aangetekend schrijven van 11 maart 2010 wordt de verzoekster uitgenodigd op de zitting van de Departementale Raad van Beroep op 25 maart 2010. Bij brieven van 15 maart 2010 worden ook de verdediger van de verzoekster en haar hiërarchische meerdere op de hoogte gebracht van deze datum en wordt laatstgenoemde verzocht een ambtenaar te gelasten om in deze zaak het departement te vertegenwoordigen. 3.11. Met een schrijven dat de griffier-rapporteur van de Departementale Raad van Beroep op 23 maart 2010 ontvangt, stelt de verzoekster gebruik te willen maken van het recht van wraking van een assessor. 3.12. Tijdens de zitting van 25 maart 2010 van de Departementale Raad van Beroep worden de ten laste gelegde feiten voorgelezen en worden vervolgens zowel de verzoeksters hiërarchische meerdere (de permanentiechef) als zijzelf gehoord omtrent deze feiten. IX-6847-8/31 Naast een toelichting bij de feiten, wijst de permanentiechef op de exacte taak van het Crisiscentrum. Dit is namelijk opgericht met als doel over een permanentie te beschikken die 24u/24 alle communicatiekanalen in de gaten houdt om, indien nodig, de Minister in te lichten van gevaren of dreigingen. Een permanente bereikbaarheid van de medewerkers is hierbij van primordiaal belang. De permanentiechef acht de sanctie van het ontslag van ambtswege gerechtvaardigd, aangezien het gedrag van de verzoekster het hele bestaan van het Crisiscentrum ondermijnt. In haar verdediging stelt de verzoekster samengevat dat: - zij, wat het eerste feit betreft, haar collega heeft gewekt, maar deze niet is gekomen; - zij op het moment van de ten laste gelegde feiten privé-problemen had en verward was door een combinatie van medicatie. Haar verdediger stelt zich de vraag waarom de permanentiechef ten gevolge van de feiten op 20 juli 2009 niet heeft gereageerd via een officiële nota om verzoeksters afwezige gedrag of reactie op situaties aan te klagen; - er geen enkel bewijs is van haar kwade wil, in zoverre zij ervan beticht wordt met de kabels te hebben geknoeid; - uit haar ontwikkelingscirkel blijkt dat zij in het verleden naar behoren functioneerde en zij geen enkele hulp heeft gekregen op het ogenblik dat ze met privé-problemen te maken kreeg. De verzoekster en haar verdediging vragen daarom om een tuchtstraf te bepalen in de zin van overplaatsing naar een andere dienst binnen de FOD. Vervolgens worden onder meer volgende bijkomende vragen gesteld door de assessoren en de plaatsvervangende voorzitter. Op de vraag hoe het komt dat iemand die tot hiervoor goed heeft gefunctioneerd dergelijke fouten begint te maken, of er al eerdere incidenten zijn IX-6847-9/31 geweest en of de ten laste gelegde feiten een climax zijn van een reeks van incidenten, antwoordt de permanentiechef dat er al eerder incidenten zijn geweest, maar dat niet elk feit kan leiden tot een tuchtprocedure. Dat er met betrekking tot deze functioneringsproblemen niets was vermeld in verzoeksters ontwikkelcirkel, is volgens de permanentiechef te wijten aan het feit dat de gesprekken in het kader van de ontwikkelcirkel ook slechts een relatief gegeven zijn. De verzoekster acht het opmerkelijk dat zij geen enkele negatieve nota heeft ontvangen en dat plots werd overgegaan tot een tuchtsanctie. Op de vraag of het mogelijk is dat de verzoekster de kabels per ongeluk met haar voeten heeft losgetrokken, omdat zij verward was, antwoordt de permanentiechef dat het technisch gezien wel mogelijk is om de kabels los te maken door een verkeerde beweging. Op de vraag waarom het Crisiscentrum na het eerste feit niets ondernomen heeft en na het tweede incident plots een tuchtprocedure opstart, antwoordt de permanentiechef dat er na het eerste feit werd over nagedacht, maar dat het tweede feit doorslaggevend is geweest. De plaatsvervangend voorzitter stelt te kunnen begrijpen dat het Crisiscentrum een heel belangrijke missie heeft, maar stelt zich de vraag of het niet beter was om na het eerste incident op een gepaste manier te reageren en vraagt of de sanctie wel proportioneel is. Men had toch iets kunnen doen vooraleer een tuchtprocedure op te starten. De Departementale Raad van Beroep brengt ten slotte volgend advies uit: “De Raad van Beroep is van oordeel dat de feiten inderdaad als een ernstige beroepsfout kunnen gekwalificeerd worden die een tuchtmaatregel rechtvaardigt. Nochtans is de Raad van oordeel dat de voorgestelde tuchtmaatregel buitenproportioneel is, gezien ten eerste, de onberispelijke staat van dienst van IX-6847-10/31 de betrokkene tot dusverre en, ten tweede, dat het verkieslijk ware geweest dat men remediërend zou hebben opgetreden na het eerste incident. Het voorstel van de Raad is om met 5 voor- en 3 tegenstemmen de maatregel te herleiden tot verplaatsing bij tuchtmaatregel”. 3.13. Met een nota van 16 april 2010 wordt het advies van de zitting van 25 maart 2010 van de Departementale Raad van Beroep overgemaakt aan de Minister van Binnenlandse Zaken en wordt uitdrukkelijk gesteld dat bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen van 5 tegen 3 wordt geadviseerd dat de sanctie ontslag van ambtswege niet gerechtvaardigd is en dat de lagere sanctie verplaatsing bij tuchtmaatregel wordt voorgesteld als een meer proportionele straf. 3.14. Op 30 april 2010 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken conform artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 de volgende beslissing: “Gelet het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, in het bijzonder de artikels 77 en volgende, zoals gewijzigd tot op heden; Overwegende de elementen vermeld in de notulen van het directiecomité van 26 januari 2010; Overwegende de feiten die mevrouw Nancy De Mol, operationeel medewerker, niveau D, werkzaam bij de Algemene Directie Crisiscentrum van de Regering worden ten laste gelegd: ԟ Op 20 juli 2009 bleef betrokkene tussen 04u10 en 05u07 onbereikbaar voor haar permanentiechef Octaaf Pauwels die in deze periode herhaaldelijk telefoneerde naar het Crisiscentrum. Ze is in gebreke gebleven om de nachtpermanentie waar te nemen op een manier dat deze in samenwerking met haar collega en haar hiërarchische chefs zonder enige onderbreking kon vervuld blijven en bleef eveneens in gebreke door bij het beëindigen van haar dienst op 20 juli om 8u ’s morgens, geen rapport op te stellen. ԟ In de nacht van 7 oktober 2009 ontving mevrouw De Mol een telefonische oproep van een coördinatieofficier van de lokale politie Gent, waarin deze de permanentie in kennis heeft willen stellen van dreigingen, geuit tegenover de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 6 oktober in de namiddag. IX-6847-11/31 Uit de manier waarop dit telefoongesprek is verlopen, is duidelijk gebleken dat mevrouw De Mol niet in staat was om de gegevens ordelijk en correct op te nemen wat nochtans van groot belang was om de permanentiechef met nachtdienst en eventueel de hogere hiërarchie daarover in te lichten opdat, indien nodig, de vereiste maatregelen jegens de bedreigde rechter zouden kunnen worden genomen. In dit telefoongesprek heeft betrokkene ook bijna drie minuten nodig gehad om het telefaxnummer van de permanentie door te geven aan de coördinatieofficier. Mevrouw De Mol kon zich dit telefaxnummer niet herinneren terwijl dit een nummer is dat elke permanentieagent meteen moet kunnen meedelen en dat ook binnen handbereik van eenieder aan de permanentietafel ligt. Toen betrokkene uiteindelijk het nummer meedeelde, was ze er nog niet zeker van. Later diezelfde nacht belde zij naar de lokale politiezone Gent of het CIC te Gent om te vernemen waar de door de lokale politiezone beloofde fax bleef. Uit dit telefoongesprek blijkt dat zij niet meer de juiste naam kon herinneren van de desbetreffende coördinatieofficier, noch van de bedreigde rechter, waardoor ze aan de persoon aan de andere kant van de lijn onmogelijk kon uitleggen waarom ze belde. Zij pleegde deze telefoon omdat ze uitdrukkelijk aangaf dat ze deze gegevens moest doorgeven aan de permanentiechef met nachtdienst om hem toe te laten eventueel de nodige maatregelen te nemen. Nochtans heeft ze in de loop van de nacht op geen enkel moment deze permanentiechef ingelicht over de haar gemelde feiten, zodat de dienst niet de maatregelen kon nemen die zich eventueel opdrongen. In het rapport van de nachtdienst dat ’s morgens om 08u00 werd opgemaakt, werd op geen enkele manier melding gemaakt door betrokkene van de problemen aan de telefoon. Er werd integendeel blijkbaar een rapport opgemaakt aan de hand van de fax die de lokale politiezone Gent om 01u34 effectief doorstuurde. Betrokkene heeft ook op geen enkel moment haar collega, die op de benedenverdieping vertoefde, om bijstand verzocht. Zij heeft daarenboven nagelaten haar permanentiechef met nachtdienst in te lichten terwijl zich jegens de bedreigde rechter nochtans maatregelen hadden kunnen opdringen; Overwegende het advies van de Departementale Raad van Beroep van 25 maart 2010; Overwegende dat de feiten inderdaad als ernstige beroepsfouten kunnen gekwalificeerd worden die een tuchtmaatregel rechtvaardigen; Overwegende dat de 24u permanentie van het Crisiscentrum en het permanent opvolgen van alle communicatiekanalen de kerntaak is van het Crisiscentrum; Overwegende dat mevrouw Nancy De Mol in de nacht van 20 juli 2009 en 7 oktober 2009 tekort gekomen is in haar plicht om de permanentie te garanderen; IX-6847-12/31 Overwegende het feit dat de functie van mevrouw De Mol een grote verantwoordelijkheid vereist en dat het vertrouwen in haar professionele ernst onherstelbaar geschonden is; Overwegende dat zij hierdoor een groot risico heeft veroorzaakt voor wat de politieke verantwoordelijkheid betreft van de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat bijgevolg de sanctie van ontslag van ambtswege zal genomen worden ten aanzien van mevrouw Nancy De Mol”. 3.15. Het betreft de tweede bestreden beslissing. Met een aangetekend schrijven van 5 mei 2010 wordt de verzoekster door de Voorzitster van het Directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken van voornoemde beslissing van de Minister op de hoogte gebracht. Dit schrijven bevat de vermelding dat er beroep kan aangetekend worden bij de Raad van State. 3.16. Op 17 mei 2010 neemt ook de Voorzitster van het Directiecomité een beslissing waarbij de verzoekster met ingang van 1 mei 2010 het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. 3.17. Het betreft de eerste bestreden beslissing. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Gelet op de artikelen 5, 7, 77 e.v. van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; Gelet op het voorlopige tuchtvoorstel, zijnde het ontslag van ambtswege, van de heer Jaak RAES, Directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum, betekend bij aangetekend schrijven tegen bericht van ontvangst van 11 december 2009 aan mevrouw Nancy De Mol, operationeel medewerkster binnen de permanentie bij de Algemene Directie Crisiscentrum; Gelet op het definitieve tuchtvoorstel, zijnde het ontslag van ambtswege, geformuleerd door het Directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken tijdens de zitting van 26 januari 2010, betekend aan mevrouw De Mol bij aangetekend schrijven tegen bericht van ontvangst van 23 februari 2010; IX-6847-13/31 Overwegende dat mevrouw De Mol bij brief van 3 maart 2010, ontvangen op de griffie van de Departementale Raad van Beroep op 5 maart 2010, beroep heeft aangetekend tegen dit definitief tuchtvoorstel bij de Departementale Raad van Beroep; Gelet op het advies van de Departementale Raad van Beroep van 25 maart 2010 om mevrouw De Mol de verplaatsing bij tuchtmaatregel op te leggen; Gelet op de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 april 2010, betekend bij aangetekend schrijven tegen bericht van ontvangst van 5 mei 2010, waarbij zij zich aansluit bij het definitief tuchtvoorstel en beslist om de maatregel van ontslag van ambtswege op te leggen; Overwegende dat mevrouw De Mol op 20 juli 2009 tussen 04.10u en 05.07u onbereikbaar bleef voor haar permanentiechef; Dat zij hierdoor in gebreke is gebleven om de nachtpermanentie waar te nemen op een manier dat deze in samenwerking met haar collega en haar hiërarchische chefs zonder enige onderbreking kon vervuld blijven; Overwegende dat mevrouw De Mol bij het beëindigen van haar dienst op 20 juli 2009 om 8u ’s morgens geen rapport heeft opgesteld en hierdoor eveneens in gebreke is gebleven; Overwegende dat het feit dat in de nacht van 7 oktober 2009 mevrouw De Mol een telefonische oproep ontving van een coördinatieofficier van de lokale politie Gent, waarin deze de permanentie in kennis heeft willen stellen van dreigingen geuit tegenover de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent; Dat uit de manier waarop dit telefoongesprek is verlopen, duidelijk is gebleken dat mevrouw De Mol niet in staat was om de gegevens ordelijk en correct op te nemen wat nochtans van groot belang is om de juiste maatregelen te kunnen nemen in het kader van deze dreiging; Dat betrokkene, hoewel onontbeerlijk, zich het faxnummer van de permanentie niet meer kon herinneren en meer dan drie minuten nodig had om dit nummer door te geven aan de coördinatieofficier; Dat uit een later telefoongesprek, gevoerd door mevrouw De Mol naar de lokale politiezone te Gent of het CIC te Gent, bleek dat betrokkene zich niet meer de juiste naam kon herinneren van de desbetreffende coördinatieofficier, noch van de bedreigde rechter; Overwegende dat in het rapport van de nachtdienst dat ’s morgens om 08.00u wordt opgemaakt, op geen enkele manier melding werd gemaakt door betrokkene van de problemen aan de telefoon en ook de permanentiechef niet IX-6847-14/31 werd ingelicht, noch de aanwezige collega van betrokkene om bijstand werd verzocht; Overwegende dat de feiten als ernstige beroepsfouten kunnen worden gekwalificeerd die een tuchtmaatregel rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel bepaalt dat de rijksambtenaren hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze dienen uit te oefenen; Dat zij daarbij de van kracht zijnde wetten, reglementen en richtlijnen dienen na te leven; Dat de erkende feiten zonder twijfel een inbreuk uitmaken op de ter zake geldende reglementen en richtlijnen en op artikel 7, § 1, van voornoemd koninklijk besluit; Overwegende dat artikel 14 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat inbreuken op artikel 7, § 1, kunnen worden bestraft met een tuchtstraf, onverminderd de toepassing van de strafwetten; Overwegende dat de 24u permanentie van het Crisiscentrum en het permanent opvolgen van alle communicatiekanalen de kerntaak is van het Crisiscentrum; Overwegende dat mevrouw Nancy De Mol in de nacht van 20 juli 2009 en 7 oktober 2009 tekort gekomen is in haar plicht om de permanentie te garanderen; Overwegende het feit dat de functie van mevrouw De Mol een grote verantwoordelijkheid vereist en dat het vertrouwen in haar professionele ernst onherstelbaar geschonden is; Overwegende dat zij hierdoor een groot risico heeft veroorzaakt voor wat de politieke verantwoordelijkheid betreft van de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat eerder vernoemde feiten allerminst bijdragen tot het respecteren van deze waarden en normen; Dat, rekening houdend met alle voorgaande elementen, de voorgestelde sanctie verantwoord is”. 3.18. Met een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs van 26 mei 2010 wordt voornoemde beslissing van de Voorzitster van het IX-6847-15/31 Directiecomité aan de verzoekster ter kennis gebracht. Dit schrijven bevat eveneens de vermelding dat er beroep kan aangetekend worden bij de Raad van State. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Voorwerp van het beroep 4. Ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing van 17 mei 2010 genomen werd door de Voorzitster van het Directiecomité, terwijl zij niet bevoegd was, om zich na een gunstig advies van de Departementale Raad van Beroep uit te spreken over het opleggen van een tuchtstraf. Weliswaar bepaalt artikel 78, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel dat voor de ambtenaren van de niveaus B, C en D de tuchtstraf wordt uitgesproken door de tot benoemen bevoegde overheid, dit is de Voorzitter van het Directiecomité of zijn gemachtigde. Artikel 94, eerste lid, bepaalt echter dat de beslissing altijd door de minister wordt genomen, als het advies van de Raad van Beroep gunstig is. Daar in casu de Departementale Raad van Beroep heeft geadviseerd om de verplaatsing bij tuchtmaatregel op te leggen en dit advies ten opzichte van de verzoekster bijgevolg gunstig is, is alleen de minister bevoegd een beslissing te nemen met betrekking tot het opleggen van de tuchtstraf. De eerste bestreden beslissing van 17 mei 2010 van de Voorzitster van het Directiecomité bevat dezelfde overwegingen als het ministerieel besluit van 30 april 2010. Het betreft bijgevolg een overbodige beslissing die niets toevoegt aan de beslissing van de minister, die uitsluitend bevoegd is tot het nemen van de beslissing met betrekking tot het opleggen van een tuchtstraf. De rechtstoestand van de verzoeker wordt niet gewijzigd door de IX-6847-16/31 beslissing van de Voorzitster van het Directiecomité. Laatstgenoemde beslissing heeft geen eigen rechtsgevolgen en moet buiten het rechtsverkeer blijven. V. Onderzoek van de vordering 5. Overeenkomstig artikel 17, ' 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6. De verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de materiële motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel. 7. De verzoekster voert aan dat de bestreden beslissingen niet beantwoorden aan de materiële motiveringsplicht en niet afdoende zijn gemotiveerd, daar zonder meer gesteld wordt dat het ontslag van ambtswege de enige en correcte beteugeling is van de begane tuchtfeiten. Overeenkomstig artikel 77 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 is het ontslag van ambtswege de op één na zwaarste tuchtsanctie. IX-6847-17/31 Er bestaan namelijk negen graduele soorten tuchtsancties, waarbij het ontslag van ambtswege de achtste in rij is. De Departementale Raad van Beroep heeft volgens de verzoekster wel op een correcte en afdoende wijze gemotiveerd waarom de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege buitenproportioneel is en waarom wordt geadviseerd de tuchtsanctie te herleiden tot verplaatsing bij tuchtmaatregel (d.i. de vierde lichtste tuchtsanctie). De Raad van Beroep weerhoudt hiervoor meer bepaald twee belangrijke argumenten: 1) De onberispelijke staat van dienst van de verzoekster; 2) De overheid heeft zelf nagelaten om remediërend op te treden na het eerste incident van 20 juli 2009. Hoewel dit advies van de Raad van Beroep met betrekking tot de voorgestelde tuchtsanctie niet bindend is, rust volgens de verzoekster een bijzondere motiveringsplicht op de minister ingeval dit advies niet wordt gevolgd. Welnu, in weerwil van dit advies, werd beslist toch de op één na zwaarste tuchtsanctie op te leggen, zonder dat wordt gerepliceerd, minstens geargumenteerd, waarom er wordt afgeweken van het advies van de Raad van Beroep. De minister maakt er zich volgens de verzoekster van af met enkele nietszeggende stijlformules. Indien de minister meent dat het ontslag van ambtswege de enige mogelijke tuchtsanctie is, dient zij concreet te motiveren waarom de beweegredenen van de Raad van Beroep niet werden gevolgd (meer bepaald de onberispelijke staat van dienst van de verzoekster en het feit dat de overheid geen remediërende maatregelen heeft genomen na 20 juli 2009). De tuchtbeslissing maakt zelfs geen melding van de bevindingen van de Raad van Beroep. De bestreden beslissing verduidelijkt aldus niet waarom geen rekening werd gehouden met de elementen die de Raad van Beroep wel in aanmerking nam (met name de lange vlekkeloze beroepscarrière en het inert IX-6847-18/31 blijven van de overheid na 20 juli 2009). Dit maakt volgens de verzoekster evenzeer een schending uit van het zorgvuldigheidsbeginsel. 8. De verwerende partij antwoordt dat de materiële motiveringsplicht niet werd geschonden. De bestreden beslissing kan namelijk perfect gedragen worden door de motieven in feite en in rechte, opgenomen in het administratief dossier. Wat de formele motiveringsplicht betreft, vermeldt de bestreden beslissing duidelijk de begane tuchtfeiten, de redenen waarom deze feiten een inbreuk maken op de tucht en waarom zij de opgelegde straf rechtvaardigen. Uit de bestreden beslissing blijkt namelijk duidelijk dat de verzoekster door de ernstige beroepsfouten, begaan op 20 juli 2009 en 7 oktober 2009, tekortschoot aan haar plicht om de permanentie van het Crisiscentrum te garanderen, te meer daar de 24 uren permanentie en het permanent opvolgen van alle communicatiekanalen de kerntaak van het Crisiscentrum is. Daarnaast is door deze tuchtfeiten het vertrouwen in de professionele ernst van de verzoekster onherstelbaar geschonden en heeft zij een groot risico veroorzaakt voor de politieke verantwoordelijkheid van de minister. Deze motieven, die duidelijk, concreet, nauwkeurig en draagkrachtig zijn, verklaren waarom tot het ontslag van ambtswege werd besloten. Er kan geen sprake zijn van nietszeggende stijlformules. In zoverre de verwerende partij is afgeweken van het advies van de Departementale Raad van Beroep, is het volgens haar niet vereist dat zij dit advies moet weerleggen. Het volstaat dat uit de beslissing duidelijk blijkt om welke redenen er volgens haar moet worden afgeweken van het advies. De Departementale Raad van Beroep oordeelde enerzijds dat de feiten inderdaad als een ernstige beroepsfout gekwalificeerd kunnen worden die een tuchtmaatregel rechtvaardigt, doch dat de voorgestelde tuchtmaatregel buitenproportioneel is, gezien ten eerste, de onberispelijke staat van dienst van de betrokkene tot dusver en, ten tweede, dat het verkieslijk ware geweest dat men remediërend zou hebben opgetreden na het eerste incident. De verwerende partij sluit zich aan bij de IX-6847-19/31 vaststelling van de Raad van Beroep dat de verzoekster ernstige fouten heeft gemaakt. Vervolgens wordt in de bestreden beslissing overwogen dat de verzoekster door de tuchtfeiten tekortschoot om de kerntaak van het Crisiscentrum -met name de permanentie waarborgen- te garanderen. Hierdoor is het vertrouwen in haar professionele ernst onherstelbaar geschonden en heeft zij een groot risico veroorzaakt voor de politieke verantwoordelijkheid van de minister. Door te overwegen dat het vertrouwen in de professionele ernst onherstelbaar is geschonden, meent de verwerende partij te hebben aangegeven dat de onberispelijke staat van dienst niet voldoende is om deze vertrouwensbreuk te herstellen, zodat ook niet dient ingegaan te worden op deze overweging van het advies van de Raad van Beroep. Deze onherstelbare vertrouwensbreuk kan dan ook niet anders dan resulteren in het ontslag van ambtswege. Met betrekking tot het argument van het remediërend optreden, merkt de verwerende partij op dat het aan de bevoegde overheid toekomt om te kiezen of er tuchtrechtelijk of remediërend zal worden opgetreden naar aanleiding van de feiten. Het betreft een discretionaire bevoegdheid van de bevoegde overheid. Het komt niet aan de Departementale Raad van Beroep toe om ter zake een beslissing te nemen. Bovendien staat er niets aan in de weg om naar aanleiding van de bepaalde feiten zowel tuchtrechtelijk als remediërend op te treden. Tijdens de tuchtprocedure werd tevens gesteld dat niet elk feit kan leiden tot een tuchtprocedure, maar dat het tweede feit doorslaggevend is geweest. Dat er niet remediërend was opgetreden naar aanleiding van het eerste feit, was voor de verwerende partij niet doorslaggevend daar de feiten geleid hebben tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Verder blijkt uit het administratief dossier dat naar aanleiding van het eerste feit overleg plaatsvond om al dan niet passend op te treden. Gelet op wat voorafgaat blijkt naar het oordeel van de verwerende partij waarom werd afgeweken van het advies van de Raad van Beroep. IX-6847-20/31 De verwerende partij meent dan ook dat zij bij het nemen van de bestreden beslissing zorgvuldig te werk is gegaan op basis van de stukken van het administratief dossier. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 9. De verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de algemene rechtsbeginselen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en van het proportionaliteitsbeginsel. 10. De verzoekster acht het redelijkheidsbeginsel geschonden daar omtrent dezelfde feitelijkheden een duidelijk ander standpunt wordt ingenomen in de bestreden beslissing enerzijds en in het advies van de Departementale Raad van Beroep anderzijds. De verzoekster erkent dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat over een discretionaire bevoegdheid beschikt, doch stelt dat dit niet mag leiden tot willekeur. Een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf kan dan ook als onwettig worden beschouwd door de Raad van State. Ingevolge het evenredigheidsbeginsel kan een mineur feit niet gestraft worden met de zwaarste sanctie. 11. Bij het opleggen van het ontslag van ambtswege dient de tuchtoverheid niet alleen rekening te houden met de persoonlijke situatie van de betrokkene, maar tevens met het belang van de dienst. Welnu, in casu heeft de tuchtoverheid onvoldoende rekening gehouden met beide elementen. De verzoekster wijst erop dat zij een vlekkeloze beroepsloopbaan heeft. Er heeft zich volgens haar nooit enig probleem voorgedaan. Met deze verzachtende omstandigheden werd volgens haar geen en/of onvoldoende rekening gehouden bij het bepalen van de strafmaat. Het blijft bevreemdend dat de Raad van Beroep wel rekening hield met de ingeroepen argumentatie, terwijl de minister deze IX-6847-21/31 argumenten zelfs niet eens in overweging neemt en het advies van de Raad van Beroep negeert. Dit houdt naar haar oordeel een schending in van het evenredigheidsbeginsel. De verzoekster acht het totaal onredelijk dat de verwerende partij onmiddellijk is overgegaan tot de bestraffing met de op één na zwaarste tuchtstraf. Het gaat hier immers om een eenmalig feit, dat veroorzaakt werd door (tijdelijke) persoonlijke privé-problemen waardoor de verzoekster genoodzaakt was om de gepaste medicatie te nemen met alle gevolgen vandien. Geen enkele andere overheid zou volgens haar in dezelfde situatie dezelfde beslissing hebben genomen. 12. In zoverre de verzoekster aanhaalt dat de verwerende partij met betrekking tot de strafmaat omtrent dezelfde feitelijkheden een duidelijk ander standpunt heeft ingenomen dan de Departementale Raad van Beroep, wijst de verwerende partij erop dat dit eigen is aan een discretionaire bevoegdheid. De verzoekster dient concreet aan te tonen waarom de bestreden beslissing onredelijk is. De loutere verwijzing naar het feit dat een ander standpunt werd ingenomen volstaat niet. De verwerende partij betwist het argument van de verzoekster als zou zij bij het opleggen van het ontslag van ambtswege onvoldoende rekening hebben gehouden met de persoonlijke situatie van de verzoekster en met het belang van de dienst. Door de ernst van haar fouten schoot de verzoekster tekort om de permanentie te verzekeren van het Crisiscentrum, wat een kerntaak van dit centrum uitmaakt. Hierdoor is het vertrouwen in de professionele ernst van de verzoekster onherstelbaar geschonden en heeft zij een groot risico veroorzaakt voor de politieke verantwoordelijkheid van de minister. Het ontslag van ambtswege diende dan ook te worden opgelegd. De verwerende partij erkent dat het gaat om een strenge straf, doch een strenge straf is niet noodzakelijk een onevenredige straf. IX-6847-22/31 De verwerende partij betwist tevens het argument van de verzoekster dat het slechts om een éénmalig feit gaat. Uit de bestreden beslissing alleen al blijkt namelijk duidelijk dat de tuchtprocedure is opgestart naar aanleiding van de feiten die plaatsvonden op 20 juli 2009 en 7 oktober 2009. In zoverre de verzoekster de feiten wijt aan de medicatie die zij op het ogenblik van de feiten zou hebben genomen, is het volgens de verwerende partij aan de verzoekster om aan te tonen dat zij ten tijde van de feiten onder invloed van deze medicatie was en dat het nemen van die medicatie die feiten tot gevolg heeft gehad. De verzoekster laat echter gedurende de hele tuchtprocedure na om dit naar behoren te bewijzen. Dat zij deze medicatie effectief nam of diende te nemen kon zij eenvoudig laten verklaren door haar behandelende geneesheer samen met een verklaring over de bijwerking van de verschillende geneesmiddelen. Zij liet echter na dit te doen. De verwerende partij meent dan ook geen rekening te moeten houden met dit argument, aangezien de verzoekster niet naar behoren het bewijs leverde dat zij deze geneesmiddelen diende in te nemen. Rekening houdende met het advies van de Departementale Raad van Beroep heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing geoordeeld dat van dit niet-bindend advies dient afgeweken te worden. De verzoekster is namelijk tekortgekomen aan haar plicht de permanentie van het Crisiscentrum te garanderen, zodat het vertrouwen in haar professionele ernst onherstelbaar geschonden is en zij een groot risico heeft veroorzaakt wat de verantwoordelijkheid van de minister betreft. Het ontslag van ambtswege kan dan ook als een gerechtvaardigde en gepaste tuchtstraf beschouwd worden voor de feiten van 20 juli 2009 en 7 oktober 2009. Beoordeling 13. In de uiteenzetting van beide middelen richt de verzoekster zich tegen de ernst van de tuchtsanctie. Zij betwist aldus niet dat de feiten bewezen zijn, IX-6847-23/31 noch de vaststelling dat deze feiten tuchtrechtelijk dienen te worden gesanctioneerd. Uit de lezing van de bestreden beslissing zelf blijkt dat de volgende feiten aan de verzoekster worden ten laste gelegd: 1) Feiten begaan tijdens de nachtpermanentie van 20 juli 2009: - Tussen 04u10 en 05u07 blijft de verzoekster onbereikbaar voor haar permanentiechef. Zij is aldus in gebreke gebleven om de nachtpermanentie waar te nemen op een manier dat deze in samenwerking met haar collega en haar hiërarchische chefs zonder enige onderbreking kan vervuld blijven. - Bij het beëindigen van haar dienst om 08u00 ’s morgens laat zij na een rapport op te stellen. 2) Feiten begaan tijdens de nachtpermanentie van 7 oktober 2009: - De verzoekster blijkt niet in staat te zijn gegevens, dewelke haar gemeld worden naar aanleiding van een telefonische oproep van een coördinatieofficier van de lokale politie Gent in verband met dreigingen geuit tegenover de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, ordelijk en correct op te nemen. Dit is nochtans van belang om de permanentiechef met nachtdienst en eventueel de hogere hiërarchie in te lichten met het oog op het nemen van de eventueel vereiste, juiste maatregelen. - Zij heeft bijna drie minuten nodig alvorens zij aan de coördinatieofficier het faxnummer van de permanentie kan doorgeven. Hoewel onontbeerlijk, kan zij zich dit faxnummer namelijk niet herinneren - faxnummer dat ook binnen handbereik op de permanentietafel ligt. Als zij uiteindelijk het faxnummer meedeelt, is zij er nog niet zeker van. - In een later telefoongesprek dat zij zelf voert met de lokale politiezone Gent of het CIC te Gent, blijkt dat zij zich niet meer de juiste naam van de IX-6847-24/31 coördinatieofficier, noch van de bedreigde rechter kan herinneren, en kan zij aldus niet uitleggen waarom zij precies belt. - In dit later telefoongesprek geeft zij aan dat zij de gegevens moet doorgeven aan de permanentiechef met nachtdienst om hem toe te laten de nodige maatregelen te nemen. Zij heeft evenwel in de loop van de nacht op geen enkel moment deze permanentiechef ingelicht over de feiten die haar door de coördinatieofficier zijn gemeld, terwijl zich eventuele maatregelen jegens de bedreigde rechter hadden kunnen opdringen. - De verzoekster verzoekt haar aanwezige collega op geen enkel moment om bijstand. - In het rapport van de nachtdienst dat ’s morgens om 08u00 wordt opgemaakt, maakt zij geen enkele melding van de problemen aan de telefoon. Integendeel wordt een rapport opgemaakt aan de hand van de fax die de lokale politiezone Gent om 01u34 heeft doorgestuurd. 14. De bestreden beslissing geeft ook aan waarom deze feiten tuchtrechtelijk dienen te worden gesanctioneerd. In de tweede bestreden beslissing van 30 april 2010 van de minister wordt namelijk gesteld dat de feiten als ernstige beroepsfouten kunnen gekwalificeerd worden die een tuchtmaatregel rechtvaardigen. In zoverre de verzoekster in het eerste middel aanvoert dat de motivering van de strafmaat niet volstaat, wordt de motiveringsplicht wat de rechtvaardiging voor de uiteindelijk opgelegde tuchtsanctie betreft stringenter opgevat wanneer het gaat om tuchtsancties die, zoals het ontslag van ambtswege, sterk op de persoonlijke levenssituatie van de betrokken ambtenaar ingrijpen en wanneer het advies van de Departementale Raad van Beroep gunstig is. In de bestreden beslissing wordt de strafmaat van het ontslag van ambtswege als volgt gemotiveerd: IX-6847-25/31 - De 24u permanentie van het Crisiscentrum en het permanent opvolgen van alle communicatiekanalen is de kerntaak van het Crisiscentrum; - De verzoekster is in de nacht van 20 juli 2009 en 7 oktober 2009 tekortgekomen aan haar plicht om de permanentie te garanderen; - De functie van de verzoekster vereist een grote verantwoordelijkheid en het vertrouwen in haar professionele ernst is onherstelbaar geschonden; - Hierdoor heeft de verzoekster een groot risico veroorzaakt voor wat de politieke verantwoordelijkheid betreft van de minister van Binnenlandse Zaken. In de bestreden beslissing wordt aldus zeer concreet aangegeven waarom een dergelijke strafmaat als het ontslag van ambtswege dient te worden opgelegd in het specifieke geval van de verzoekster en waarom op dit punt aldus afgeweken wordt van het advies van de Departementale Raad van Beroep, waarin de verplaatsing bij tuchtmaatregel wordt geadviseerd. Hoewel de bestreden beslissing de overwegingen uit het advies van de Raad van Beroep (namelijk de onberispelijke staat van dienst van de verzoekster enerzijds en het feit dat niet remediërend werd opgetreden na het eerste incident van 20 juli 2009 anderzijds), niet letterlijk en afzonderlijk beantwoordt, blijkt uit de lezing van de beslissing op het eerste gezicht de onherstelbare vertrouwensbreuk ten aanzien van de verwerende partij en het veroorzaakte risico, wat de politieke verantwoordelijkheid van de minister betreft ten gevolge van tekortkomingen tot tweemaal toe (op 20 juli 2009 en op 7 oktober 2009) in de plicht de permanentie te garanderen, zwaarder doorwegen voor de verwerende partij dan de onberispelijke staat van dienst en het niet remediërend optreden. De motieven in de bestreden beslissing aangaande de strafmaat zijn derhalve allerminst nietszeggend en kunnen geenszins worden beschouwd als loutere stijlformules. Uit de lezing van deze motieven in de bestreden beslissing blijkt integendeel waarom naar het oordeel van de verwerende partij de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege dient te worden opgelegd voor de begane tuchtfeiten. 15. Uit het voorgaande volgt op het eerste gezicht dat het eerste middel vanuit de formele motiveringsplicht niet ernstig is. IX-6847-26/31 16. In zoverre het eerste middel de materiële motiveringsplicht betreft, wordt het samen behandeld met het tweede middel. 17. Bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtsanctie beschikt de tuchtoverheid over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Bij het bepalen van de tuchtsanctie zal de tuchtoverheid rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. De Raad van State heeft bij de toetsing van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. Dit betekent dat hij zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen, maar enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan kwalificeren, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. Luidens artikel 77, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken: 1. terechtwijzing; 2. blaam; 3. inhouding van wedde; 4. verplaatsing bij tuchtmaatregel; 5. tuchtschorsing; 6. lagere inschaling; 7. terugzetting; 8. ontslag van ambtswege; 9. afzetting. De minister heeft ervoor geopteerd de achtste, en de op één na zwaarste tuchtsanctie, op te leggen, zoals op 26 januari 2010 was voorgesteld door IX-6847-27/31 het Directiecomité en dit met een overgrote meerderheid van stemmen (namelijk zes stemmen voor tegenover slechts één onthouding). Weliswaar werd in de tweede bestreden beslissing aldus ten opzichte van dezelfde tuchtrechtelijk te sanctioneren feiten een totaal ander standpunt ingenomen wat de strafmaat betreft en een veel zwaardere tuchtsanctie opgelegd dan de door de Departementale Raad van Beroep geadviseerde tuchtmaatregel van verplaatsing, doch in dit verband dient te worden opgemerkt dat de Raad van Beroep slechts met een kleine meerderheid van voor-stemmen deze tuchtmaatregel van verplaatsing heeft geadviseerd (namelijk vijf voor- en drie tegenstemmen). Bovendien wordt in de tweede bestreden beslissing op zeer concrete wijze deze strafmaat verantwoord en wordt aan de hand van deze verantwoording op het eerste gezicht op afdoende wijze aangegeven waarom het advies van de Departementale Raad van Beroep niet kan worden gevolgd. Deze overwegingen in de bestreden beslissing kunnen derhalve het ontslag van ambtswege wel degelijk staven. Met de verwerende partij wordt namelijk vastgesteld dat de verzoekster tot twee maal toe - namelijk op 20 juli 2009 en op 7 oktober 2009- tekort is geschoten in haar plicht om de permanentie van het Crisiscentrum te garanderen, wat nochtans een kerntaak uitmaakt van het Crisiscentrum. Door deze tekortkomingen heeft de verzoekster de goede werking van de dienst in het gedrang gebracht, wat voor de verwerende partij een belangrijke rol heeft gespeeld bij het bepalen van de strafmaat, precies omwille van het feit dat een dergelijke permanentie tot één van de kerntaken van het Crisiscentrum behoort. Uit het administratief dossier blijkt dat de aan de verzoekster ten laste gelegde feiten op het eerste gezicht als ernstige beroepsfouten kunnen worden gekwalificeerd, die aldus op het eerste gezicht een “zwaardere” tuchtsanctie IX-6847-28/31 kunnen rechtvaardigen. De verzoekster heeft immers tijdens de nachtpermanentie van 20 juli 2009 twee beroepsfouten begaan, met name: - het onbereikbaar zijn voor haar permanentiechef en het aldus in gebreke blijven om de nachtpermanentie waar te nemen; - het niet-opstellen van een rapport bij het beëindigen van haar dienst. Tijdens de nachtpermanentie van 7 oktober 2009 heeft zij zes fouten begaan, waarvan weliswaar met betrekking tot het feit dat zij zich in een later telefoongesprek niet meer de juiste naam van de coördinatieofficier kon herinneren en evenmin de naam van de bedreigde rechter, nog zou kunnen worden aangenomen dat dit voortvloeit uit de eerste door de verzoekster begane fout tijdens deze nachtpermanentie, namelijk dat zij de gegevens in het eerder telefoongesprek niet op ordentelijke en correcte manier heeft opgenomen. Het gaat om de volgende fouten: - het niet in staat zijn om bij een telefonische oproep de hierin gemelde gegevens ordelijk en correct op te nemen; - verzoekster had bijna drie minuten nodig om het faxnummer van de permanentie -dat een permanentieagent dient te kennen en dat trouwens binnen handbereik ligt op de permanentietafel- door te geven; - het zich niet meer kunnen herinneren van de juiste naam van de coördinatieofficier en de bedreigde rechter in een later telefoongesprek, waardoor zij niet kon uitleggen waarom zij precies belde; - het niet-inlichten van de permanentiechef omtrent de haar telefonisch gemelde gegevens; - het niet verzoeken om bijstand van een tevens aanwezige collega; - het niet melden van deze haar telefonisch gemelde gegevens in het rapport, opgesteld bij het beëindigen van haar dienst. Wat de nachtpermanentie van 7 oktober 2009 betreft gaat het op zijn minst om vijf beroepsfouten. Uit het voorgaande blijkt dat de verzoekster zeven verschillende beroepsfouten heeft begaan tijdens twee nachtpermanenties. IX-6847-29/31 Er kan dan ook, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert in haar verzoekschrift, allerminst sprake zijn van een “mineur feit”. 18. Gezien een herhaling van dergelijke professionele fouten op relatief korte termijn (eerst op 20 juli 2009 en nadien op 7 oktober 2009), heeft de verwerende partij op het eerste gezicht in redelijkheid de tuchtsanctie van ontslag van ambtswege kunnen opleggen. Ter verantwoording van een dergelijke tuchtsanctie kon de verwerende partij dan ook overwegen dat het vertrouwen in de professionele ernst van de verzoekster onherstelbaar geschonden is en dat zij een groot risico veroorzaakte voor wat de verantwoordelijkheid van de minister betreft. Dit kan in redelijkheid verantwoorden waarom, ondanks de onberispelijke staat van dienst van de verzoekster en het niet remediërend optreden van de verwerende partij naar aanleiding van het eerste incident op 20 juli 2009, deze tuchtstraf wordt opgelegd. 19. De verzoekster lijkt voorts nog te willen aantonen dat de minister bij het bepalen van de strafmaat onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke situatie, en meer bepaald met de privé-problemen die zij kende ten tijde van de haar ten laste gelegde feiten en met de gevolgen van de medicatie die zij diende te nemen. De verzoekster werd aangaande de medicatie ondervraagd tijdens de zitting van de Departementale Raad van Beroep, doch over dit element wordt niets gezegd in het advies. Met de verwerende partij wordt in dit verband vastgesteld dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de verzoekster in de loop van de tuchtprocedure heeft aangetoond aan de hand van een medisch attest dat zij deze medicatie effectief nam of diende te nemen, noch dat deze medicatie effectief een invloed had op de feiten die haar ten laste worden gelegd. De verzoekster heeft namelijk enkel een kopie van de verpakkingen van deze medicatie voorgelegd in het kader van het verhoor van 18 november 2009 bij haar hiërarchische meerdere en heeft enkel beweerd dat zij deze medicatie nam of diende te nemen en dat deze wel degelijk een invloed had op haar functioneren. Bovendien blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekster pas voor het eerst melding heeft gemaakt van deze medicatie in het kader van de tuchtprocedure, IX-6847-30/31 doch voordien de overheid hiervan niet op de hoogte lijkt te hebben gebracht. Het lijkt ook niet kennelijk onredelijk te zijn dat bij de verantwoording van de strafmaat in de bestreden beslissing dit element niet wordt vermeld. Bovendien lijkt dit element ook geen afbreuk te doen aan het feit dat een onherstelbare vertrouwensbreuk ten aanzien van de verzoekster is ontstaan, wat het doorslaggevend element voor het ontslag van ambtswege lijkt te zijn. 20. Gelet op voorgaande argumenten, lijkt op het eerste gezicht de opgelegde tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege niet in een kennelijk onredelijke verhouding tot de begane tuchtfeiten te staan. 21. Het eerste middel en tweede middel zijn derhalve niet ernstig. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6847-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.195 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.