id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.196 Rolnummer: A. 162579/IX-4900 Zaak: Arrest 208196 - Wegverkeer van goederen - 19/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-02 03:56 Fiche Arrest nr 208.196 van 19 oktober 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.196 van 19 oktober 2010 in de zaak A. 162.579/IX-4900 In zake : Willy CEUSTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lutgart Gillis kantoor houdend te Aalst (Erembodegem) Ninovesteenweg 118 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(91)1 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa waarin de lidstaten worden opgeroepen een eenheidskaderregeling te ontwikkelen inzake administratieve sancties en waarin wordt aangehaald dat de bewijslast voor het bestuur geldt. Beoordeling 9.1. In het eerste onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 100 van het Strafwetboek en van artikel 4 van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: de wet van 21 juni 1985). Volgens de verzoeker wordt in de bestreden beslissing ten onrechte geen rekening gehouden met verzachtende omstandigheden. Ook ziet hij een discriminatie gelegen in de onmogelijkheid om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen in het kader van de administratieve procedure ingevolge een inbreuk op het Aslastendecreet, terwijl dit wel mogelijk is in het kader van de strafrechtelijke procedure. Hij meent dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat ter zake geen discriminatie zou bestaan omdat evenmin in de strafrechtelijke procedure verzachtende omstandigheden kunnen worden ingeroepen. IX-4900- 15/34 Artikel 100 van het Strafwetboek bepaalt dat bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen, de bepalingen van het eerste boek van dit wetboek worden toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85. Artikel 85 van het Strafwetboek houdt de mogelijkheid in om bij het opleggen van straffen verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen. 9.2. Op het ogenblik van de bestreden beslissing was, luidens artikel 59, ' 2, van het Aslastendecreet, het tarief van de administratieve geldboete gelijk aan de minimum geldboete overeenkomstig het overbelastingspercentage zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. Op dat ogenblik was het de wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse Regering niet toegelaten om bij het opleggen van een administratieve geldboete onder dat wettelijk minimum te gaan. In deze mogelijkheid is slechts voorzien bij decreet van 24 juni 2005. Er was derhalve geen wettelijke grondslag om aan de verzoeker wegens verzachtende omstandigheden een lagere administratieve geldboete op te leggen. 9.3. Wat de beweerde ongelijke behandeling betreft naargelang voor de gerechtelijke dan wel voor de administratieve afhandeling van de inbreuk op het Aslastendecreet wordt geopteerd, wordt in de bestreden beslissing terecht overwogen wat volgt: AOverwegende dat overeenkomstig artikel 100 Sw., artikel 85 Sw., waarin de regeling in verband met verzachtende omstandigheden vervat zit, steeds expliciet van toepassing moet verklaard worden; Dat voornoemd decreet artikel 85 Sw. niet van toepassing verklaart; Dat het feit dat de wet van 21 juni 1985, die de boetes bepaalt voor inbreuken op het KB Technische Eisen, artikel 85 Sw. toepasselijk maakt, niet relevant is bij de beoordeling of er een ongelijkheid bestaat tussen IX-4900- 16/34 personen die in het kader van voornoemd decreet voor de politierechter moeten verschijnen en zij die voor administratie moeten verschijnen; Overwegende dat er aldus geen sprake kan zijn van een discriminatie tussen beide categorieën van personen, vermits geen van beide aanspraak kan maken op de toepassing van verzachtende omstandigheden in het kader van voornoemd decreet.@ Met betrekking tot de door de verzoeker ingeroepen discriminatie, heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 immers overwogen wat volgt: AB.11.1. Wanneer de procureur des Konings beslist een vervolging in te stellen, kan de beklaagde een straf worden opgelegd die lichter is dan het wettelijke minimum, indien de rechter het bestaan erkent van verzachtende omstandigheden, met toepassing van artikel 85 van het Strafwethoek. Wanneer de procureur des Konings beslist geen strafrechtelijke vervolging in te stellen en wanneer er geen onmiddellijke inning is geweest, kan de aangewezen ambtenaar een administratieve geldboete opleggen zonder dat enige bepaling hem toestaat onder het wettelijke minimum te gaan. Volgens de verzoekende partijen zou dat verschil in behandeling discriminerend zijn. Zij verwijzen met name naar de arresten nrs. 40/97 en 45/97, waarin het Hof een identiek verschil in behandeling dat in het leven was geroepen door de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten onverenigbaar heeft geoordeeld met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.11.2. Het in het middel aangeklaagde verschil in behandeling lijkt prima facie onverantwoord, in zoverre het ertoe schijnt te leiden dat het personen wier gedrag minder laakbaar is vermits de procureur des Konings ervan heeft afgezien hen te vervolgen, strenger behandelt. Het hele systeem van administratieve geldboetes dat in de aangevochten decreten wordt georganiseerd, dient echter in concreto te worden onderzocht, teneinde te oordelen of het al dan niet discriminerend is. B.11.3. De aangevochten bepalingen verplichten de aangewezen ambtenaar niet om ambtshalve een administratieve geldboete op te leggen wanneer hij vaststelt dat het misdrijf is aangetoond. Artikel 59, ' 4, tweede lid, van het decreet preciseert immers dat de ambtenaar een dergelijke boete *kan+ opleggen, dat hij kan beslissen zulks niet te doen en dat hij geacht wordt daaraan te hebben verzaakt, indien hij zijn voornemen om zulks te IX-4900- 17/34 doen niet binnen een termijn van dertig dagen aan de procureur des Konings heeft meegedeeld. B.11.4. De straffen die de rechter kan opleggen, gaan van acht dagen tot een jaar gevangenisstraf en, naargelang de overlast 5, 10, 20 of meer dan 20 pct. bedraagt, kunnen de strafrechtelijke boetes respectievelijk 100 tot 10.000 frank, 300 tot 30.000 frank, 500 tot 50.000 frank of 750 tot 75.000 frank bedragen, verhoogd met de opdeciemen. De aangewezen ambtenaar kan, met toepassing van artikel 59, ' 2, slechts de minimale geldboete opleggen, zijnde een vaste straf die, naar gelang van de overlast, van 100 tot 750 frank schommelt, verhoogd met de opdeciemen. Daaruit volgt dat het tarief van de administratieve geldboetes veel gunstiger is voor de overtreder dan het tarief van de strafrechtelijke boetes. B.11.5. Behoudens in de gevallen waarin de overtreder heeft ingestemd met een onmiddellijke inning, kan de geldboete slechts worden opgelegd nadat de overtreder of zijn werkgever is opgeroepen, is gehoord, indien hij zulks wenst, het dossier heeft kunnen raadplegen, indien hij zulks wenst, een nota heeft kunnen indienen en zich heeft kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. De beslissing van de aangewezen ambtenaar, die binnen dertig dagen na de hoorzitting wordt genomen, wordt met redenen omkleed. Daartegen kan een opschortend hoger beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering die, na een procedure die vergelijkbaar is met die welke voor de ambtenaar wordt gevolgd, haar beslissing binnen drie maanden aan de overtreder of zijn werkgever ter kennis brengt, bij gebreke waarvan de geldboete stilzwijgend vervalt. Tegen de beslissing van de Vlaamse Regering kan een beroep tot vernieti- ging worden ingesteld bij de Raad van State. Uit die vaststellingen volgt dat het opleggen van een administratieve geldboete omringd is met waarborgen die verschillend zijn van die welke gepaard gaan met de veroordeling tot een strafrechtelijke boete maar het blijkt niet - en het wordt overigens niet aangevoerd - dat dat verschil van stelsel discriminerend zou zijn. B.11.6. Doordat de decreetgever de aangewezen ambtenaar slechts toestaat een administratieve geldboete op te leggen van 100 tot 750 frank, terwijl de strafrechter kan veroordelen tot een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en tot boetes die tussen 100 en 75.000 frank schommelen, hij aan die ambtenaar een beoordelingsbevoegdheid verleent die hij slechts, bij een met redenen omklede beslissing, uitoefent na een procedure op tegenspraak, hij een procedure in hoger beroep organiseert, hij strikte termijnen oplegt en hij het beroep bij de Raad van State mogelijk maakt, heeft hij de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen omringd met waarborgen en dusdanige beperkingen dat de enkele onmogelijkheid om IX-4900- 18/34 rekening te kunnen houden met de verzachtende omstandigheden niet onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan worden geacht. Aangezien hij beslist het bedrag van de administratieve geldboete vast te stellen op het minimale tarief van de strafrechtelijke boete, vermocht de wetgever geen verzachtende omstandigheden toe te laten opdat de geldboete haar ontradend karakter zou behouden.@ 9.4. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 10. In het tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat de verwerende partij ten onrechte zou hebben geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Overeenkomstig artikel 142, derde lid, van de Grondwet is het Grondwettelijk Hof slechts bevoegd om uitspraak doen over een prejudiciële vraag die gesteld wordt door een rechtscollege. In het reeds aangehaalde arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 heeft het Grondwettelijk Hof onder meer overwogen wat volgt: AB.14.3. De beslissing van de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren om een administratieve geldboete op te leggen of de beslissing, op administratief beroep daartegen, van de Vlaamse Regering zijn administratieve rechtshandelingen. Daartegen kan, enerzijds, een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden ingesteld of kan, anderzijds, een exceptie van illegaliteit bij elke rechter worden opgeworpen. Zowel de afdeling administratie van de Raad van State als de in artikel 159 van de Grondwet bedoelde rechtscolleges oefenen op voormelde administratieve rechtshandelingen een controle in rechte en in feite uit.@ De administratieve overheden die de administratieve geldboete opleggen, treden derhalve niet op als jurisdictioneel orgaan. Bijgevolg kan aan de verwerende partij niet worden ten grieve geduid dat zij geen prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof. IX-4900- 19/34 Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. 11. In het derde onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat het persoonlijk karakter van de straf wordt miskend, aangezien hij strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een inbreuk die hij niet heeft gepleegd. Vóór de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005 luidde artikel 59, ' 5, van het Aslastendecreet als volgt: A' 5. Wanneer het misdrijf bedoeld in artikel 56 begaan is door een aangestelde of een lasthebber is de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd.@ Die bepaling stelt de werkgever derhalve burgerrechtelijk aansprakelijk voor de administratieve geldboete die ingevolge het misdrijf bedoeld in artikel 56 wordt opgelegd. In de bestreden beslissing wordt desbetreffend het volgende overwogen: AOverwegende dat appellante meent dat zij als dader van het misdrijf vervolgd wordt; Overwegende dat dit een onjuiste opvatting is; Dat het misdrijf begaan werd door dhr. Jozef Raeymaekers, werknemer van appellante; Dat de administratieve geldboete werd opgelegd aan de werknemer; Dat appellante als werkgever enkel burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld voor de betaling ervan, dit overeenkomstig artikel 59 ' 5 van voor- noemd decreet; Dat dergelijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid bepaald wordt in artikel 1384 B.W.@ IX-4900- 20/34 De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor de betaling van de administratieve geldboete houdt niet in dat aan de werkgever een straf wordt opgelegd. Aangezien de werkgever niet vervolgd wordt is de verwijzing naar het persoonlijk karakter van de straf niet relevant. Om de werkgever voor de betaling van de administratieve geldboete aansprakelijk te kunnen stellen, moet niet de schuld van de werkgever, maar wel de schuld van diens aangestelde of lasthebber worden vastgesteld. De bepalingen van het Aslastendecreet sluiten niet uit dat de werkgever de schuld van zijn aangestelde of lasthebber kan betwisten en dat de aangestelde of lasthebber op verzoek van de werkgever door het bestuur wordt gehoord. Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond. 12. In het vierde onderdeel van het middel betwist de verzoeker het bedrag van de administratieve geldboete. Hij stelt vooreerst dat enkel met de totale overlading van het voertuig rekening mocht worden gehouden. Artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet, zoals vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, luidt als volgt: AHet is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa=s of massa=s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, '' 1, 2 of 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto=s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.@ IX-4900- 21/34 Artikel 18, ' 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, waarnaar het voormeld artikel 56 verwijst, luidde ten tijde van de bestreden beslissing als volgt: AOnverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer het gewicht op de grond onder elk van de assen of, eventueel, het maximumgewicht onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 % overschrijdt.@ Uit die bepalingen volgt dat niet alleen wegdekbeschadiging door overlading van het voertuig in zijn geheel verboden is, maar eveneens de beschadiging van het wegdek door gewichtsoverschrijding per as. Voorts betwist de verzoeker de berekening van de administratieve geldboete. Artikel 59, ' 2, van het Aslastendecreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 22 december 1999 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, bepaalde dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk was aan de minimum geldboete, overeenkomstig het overbelastingspercentage, zoals bepaald in artikel 57 van het Aslastendecreet, verhoogd met de opdeciemen. Artikel 57 van het Aslastendecreet voorzag tot aan de vervanging van die bepaling bij het decreet van 24 juni 2005 onder meer in een verschillend tarief, naargelang de overbelasting minder dan 5 %, 5 tot en met 10 %, 11 tot en met 20% of meer dan 20 % bedroeg. De regeling kwam erop neer dat bij een overbelasting van minder dan 5 % een administratieve geldboete van 550 euro verschuldigd was, bij een overbelasting van 5 tot en met 10 % een administratieve geldboete van 1.650 euro, bij een overbelasting van 11 tot en met 20 % een administratieve geldboete van 2.750 euro en bij een overbelasting van meer dan 20 % een administratieve geldboete van 4.125 euro. In de bestreden beslissing wordt in verband met het bedrag van de administratieve geldboete het volgende opgemerkt: IX-4900- 22/34 AOverwegende dat wel dient opgemerkt te worden dat op de eerste as van de oplegger een overlading van 20,0025 % gemeten werd; Dat dergelijke overtredingen binnen de vierde categorie van geldboetes vallen; Dat de administratieve geldboete in casu 4125 i, inclusief opdeciemen, bedraagt in plaats van de door de wegeninspecteur-controleur opgelegde 2750 i; Overwegende dat echter van in het begin van de procedure appellante werd voorgehouden dat de wegeninspecteur-controleur het voornemen had een administratieve geldboete van 2750 i op te leggen; Dat het aldus niet zou stroken met de beginselen van behoorlijk bestuur appellante alsnog een hogere administratieve geldboete op te leggen.@ Te dezen heeft de verwerende partij er dus voor geopteerd om het tarief te hanteren voorzien voor een overbelasting van 11 tot en met 20 % in plaats van het tarief voor een overbelasting van meer dan 20 %. In de bestreden beslissing wordt dan ook terecht het tarief van 2.750 euro toegepast. Het vierde onderdeel van het middel is niet gegrond. 13. In het vijfde onderdeel van het middel stelt de verzoeker in essentie dat het Aslastendecreet gesteund is op een onwettig strafrechtelijk vermoeden van wegdekbeschadiging, zonder dat wordt aangetoond dat het wegdek daadwerkelijk beschadigd wordt. Op het ogenblik van de bestreden beslissing luidde artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: AHet is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa=s of massa=s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, '' 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto=s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.@ Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat wat het oorzakelijk verband tussen de overlading en de beschadiging van het IX-4900- 23/34 wegdek betreft, werd verwezen naar het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto=s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, omdat Auit onderzoek van onder meer het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw (...) gebleken (
- is)dat voertuigen die niet voldoen aan deze normen een abnormale slijtage aan het wegdek teweegbrengen@. Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 21 september 2004 (AR P.04.0717.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.18), overwogen dat de overschrijding van de maximale toegelaten massa=s of massa=s onder de assen in artikel 56 van het Aslastendecreet strafbaar is. Het Hof oordeelde dat het materiële bestanddeel van het misdrijf bewezen is wanneer de overschrijding van de maximale toegelaten massa=s of massa=s onder de assen aangetoond is. De Raad van State treedt het standpunt van het Hof van Cassatie bij en maakt het tot het zijne. Artikel 56 van het Aslastendecreet steunt derhalve op een wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging. Om een inbreuk op die bepaling te kunnen vaststellen is derhalve niet vereist dat, behalve de overlading, ook de beschadiging van het wegdek en het oorzakelijk verband tussen de overlading en de beschadiging van het wegdek wordt aangetoond. Waar de verzoeker aanvoert dat het om een onwettig strafrechtelijk vermoeden zou gaan, dient vooreerst te worden opgemerkt dat deze grief niet de bestreden beslissing betreft, maar wel de decretale bepalingen waarop die beslissing is gesteund. Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof in verband met het vermoeden van wegdekbeschadiging reeds overwogen dat, aangezien kan worden aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek, de IX-4900- 24/34 gewichtsoverschrijding van het voertuig, die wordt gemeten aan de hand van criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld, een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf is gepleegd. Het Hof oordeelde dat artikel 56 van het Aslastendecreet niet ongrondwettig is, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging inhoudt (arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 overweging B.7. en arrest nr. 198/2006, overweging B.5.8.). De verzoeker stelt enkel dat het Aslastendecreet een onwettig strafrechtelijk vermoeden instelt en dat door de verbalisanten geen schade aan het wegdek werd vastgesteld. Hiermee weerlegt hij geenszins het vermoeden van wegdekbeschadiging, dat schade beoogt door abnormale slijtage die zich slechts na verloop van tijd manifesteert, onder meer door spoorvorming en een verminderde levensduur van het wegdek (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 198/2006, 13 december 2006). De Raad van State sluit zich aan bij de voornoemde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en komt tot een identiek besluit. Het vijfde onderdeel van het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 14. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het motiveringsbeginsel. Volgens de verzoeker moest in de motivering van de bestreden beslissing worden aangegeven waarom hij niet in aanmerking kwam om van de administratieve geldboete te worden vrijgesteld en waarom hem de voorziene geldboete werd opgelegd. Hij meent dat, naar analogie met artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering, een specifieke motivering voor de straftoemeting vereist is. IX-4900- 25/34 15. De verwerende partij antwoordt dat voor het bepalen van de strafmaat geen bijzondere motiveringsplicht geldt, aangezien het bedrag van de administratieve geldboete is vastgesteld op het minimaal tarief van de strafrechte- lijke geldboete. 16. De verzoeker repliceert dat het argument dat het bedrag van de administratieve geldboete gelijk is aan het minimaal tarief van de strafrechtelijke boete geen afdoende uitleg vormt, aangezien de wegeninspecteur-controleur of, in graad van beroep, de minister niet verplicht is een administratieve geldboete op te leggen. 17. In zijn laatste memorie schrijft de verzoeker dat zelfs indien het misdrijf is bewezen, de ambtenaar nog steeds kan beslissen de administratieve geldboete niet op te leggen, waardoor er sprake is van een discretionaire bevoegdheid in hoofde van de ambtenaar, wat een bijzondere motivering vereist. Volgens de verzoeker heeft het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 zelf erkend dat de beslissing met redenen omkleed moet zijn, hetgeen inhoudt dat in elk geval moet worden gemotiveerd waarom het opleggen van de administratieve geldboete aangewezen is, ook al wordt slechts het minimumbedrag opgelegd. De verzoeker betoogt dat in de bestreden beslissing noch gemotiveerd wordt waarom hij niet wordt vrijgesteld van de boete, noch waarom hem de boete alsnog wordt opgelegd. Beoordeling 18. Overeenkomstig artikel 59, ' 2, van het Aslastendecreet is het tarief van de administratieve geldboete gelijk aan het minimum van de strafrechtelijke boete per overbelastingspercentage. Ten tijde van de bestreden beslissing betekende dit dat naargelang de overbelasting minder dan 5 %, 5 tot en met 10 %, 11 tot en met 20% of meer dan 20 % bedroeg, respectievelijk 550 euro, 1.650 euro, 2.750 euro of 4.125 euro verschuldigd was. Aangezien er IX-4900- 26/34 derhalve bij het bepalen van de strafmaat geen keuzemogelijkheid bestond, was desbetreffend geen bijzondere motivering vereist. De bepalingen van het Aslastendecreet verplichten de aangewezen ambtenaar en de Vlaamse regering niet om een administratieve geldboete op te leggen wanneer zij vaststellen dat het misdrijf is aangetoond. (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 127/2000, overweging B. 11.3.). Daaruit volgt evenwel niet dat die overheden in alle gevallen verplicht zouden zijn om te motiveren waarom geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid om geen administratieve geldboete op te leggen. Uit het dossier blijkt niet dat de verzoeker in zijn verweer specifieke argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan de verwerende partij desgevallend had kunnen beslissen om voor de inbreuk geen administratieve geldboete op te leggen. Bij ontstentenis van dergelijk verweer moest in de bestreden beslissing niet worden aangegeven waarom geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid om geen administratieve geldboete op te leggen. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 19. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker betoogt vooreerst dat geen objectief bewijs van de overlading werd geleverd, omdat in tegenstelling tot wat in de bestreden IX-4900- 27/34 beslissing wordt overwogen, in het dossier dat hem werd overgemaakt zich geen bewijs of attest van ijking bevond en dit bewijs slechts tijdens de hoorzitting op 23 februari 2005 overhandigd werd. Bovendien, zo stelt de verzoeker, vormt het ijkingsattest geen objectief en betrouwbaar bewijs van ijking omdat er geen ijking is gebeurd van de bewuste weegbrug, doch enkel van de asweger. Volgens de verzoeker is het onduidelijk of de test die op 7 oktober 2002 door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken werd uitgevoerd als een officiële ijking kan worden beschouwd en slaat deze enkel op de asweger en niet op de gehele weegbrug. Voorts is het volgens de verzoeker evenmin duidelijk welke de maximumcapaciteit van de weegbrug is. Het is evenmin mogelijk na te gaan met welk toestel de ijking werd uitgevoerd en of deze ijking nog geldig is, terwijl een certificaat van ijking steeds de geldigheidsduur aangeeft, aldus de verzoeker. Verder stelt de verzoeker dat in de bestreden beslissing geen concreet overladingspercentage is bepaald. In het strafdossier is sprake van een totale overlading van 2,1 %, doch de bestreden beslissing neemt een veel grotere overlading in aanmerking, op grond van de overlading per as. Volgens de verzoeker dient evenwel de overbelasting op het totaal in aanmerking te worden genomen. Voorts meent hij dat de beslissing niet coherent is, aangezien enerzijds sprake is van een overbelasting van 10 tot 20 % en anderzijds van een overbelasting van meer dan 20 %. 20. De verwerende partij antwoordt dat in de loop van de procedure een kopie van het ijkingscertificaat aan de raadsman van de verzoeker bezorgd is en dat de verzoeker, nadat hij kennis had genomen van dat certificaat, hierover verder geen betwisting heeft gevoerd. 21. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het wegingsresultaat onvoldoende garantie biedt, daar te dezen niet valt na te gaan op welke datum de ijking opnieuw diende te gebeuren. Zelfs het beste meetinstrument vertoont immers vroeg of laat een zekere onstabiliteit. De IX-4900- 28/34 verzoeker betoogt dat de omgevingsomstandigheden en de gebruiksvoorwaarden de stabiliteit van een meetinstrument kunnen beïnvloeden en dat identieke meetinstrumenten van dezelfde makelij, hetzelfde type en met hetzelfde meetbereik verschillende metingswaarden kunnen aangeven. Volgende de verzoeker bestaat over al deze parameters in casu niet de minste duidelijkheid wat een schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling 22. De verzoeker voert vooreerst aan dat de verwerende partij, wat de betrouwbaarheid van de bij de weging gebruikte apparatuur betreft, niet van de vereiste zorgvuldigheid blijk heeft gegeven. Het proces-verbaal van 13 mei 2004 waarbij de inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet wordt vastgesteld, vermeldt dat de asweger door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid werd getest op 7 oktober 2002. Uit het administratief dossier blijkt dat met een brief van 4 november 2004 de wegeninspecteur-controleur onder meer een kopie van Ahet ijkingsattest van de weegbrug van Aarschot@ aan de raadsman van de verzoeker zou hebben toegezonden. De verzoeker beweert dat dit document hem slechts overhandigd is op de hoorzitting van 23 februari 2005. In elk geval heeft de verzoeker in de loop van de administratieve procedure van het bedoeld attest kennis kunnen nemen. De verzoeker betwist dat dit attest een objectief en betrouwbaar bewijs van ijking zou zijn, omdat de ijking alleen zou slaan op de asweger en niet op de weegbrug. Er valt evenwel niet in te zien hoe die grief in de onderhavige zaak tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing zou kunnen leiden, IX-4900- 29/34 aangezien de administratieve geldboete niet werd opgelegd wegens de totale overlading van het voertuig, maar wel wegens de overschrijding van de toegelaten asdruk. Wat de geldigheidsduur betreft, vermeldt het verslag van de metrologische controle van de betrokken asweger wat volgt: ADe geldigheidsduur van het huidige verslag is niet van rechtswege beperkt. Het is de houder aangeraden het toestel naargelang van de noodwendigheden aan nieuwe metrologische controles te onderwerpen (b.v. om de twee jaar).@ Op het ogenblik van de weging van het voertuig van de verzoeker (op 13 mei 2004) was nog geen twee jaar sedert deze metrologische controle (op 7 oktober 2002) verlopen. Er blijkt dan ook niet dat de verwerende partij, wat de betrouwbaarheid van de gebruikte apparatuur betreft, niet van de vereiste zorgvuldigheid blijk zou hebben gegeven. De verzoeker stelt voorts dat geen duidelijkheid zou bestaan inzake het overladingspercentage. Uit het proces-verbaal van 13 mei 2004 blijkt evenwel dat een totale overlading van 2,1 % werd vastgesteld op de sleep en een overlading van 20 % op de eerste as van de oplegger, van 16,3 % op de tweede as en van 14,4 % op de derde as. Bij de bespreking van het vierde onderdeel van het eerste middel is gebleken dat overeenkomstig de op het ogenblik van de bestreden beslissing geldende bepalingen van het Aslastendecreet, niet enkel de totale gewichtsoverschrijding van het voertuig, maar ook de gewichtsoverschrijding per as wordt gesanctioneerd. Uit de bestreden beslissing blijkt dat zij gesteund is op de overlading van 20,0025 % op de eerste as van de oplegger. IX-4900- 30/34 Verder blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat bij het bepalen van het bedrag van de administratieve geldboete, in het voordeel van de verzoeker, niet het normale tarief (4.125 euro) voor een overlading van meer dan 20 % werd toegepast, omdat Avan in het begin van de procedure appellante werd voorgehouden dat de wegeninspecteur-controleur het voornemen had een administratieve geldboete van 2750 i op te leggen@. Aldus werd het tarief voor een overlading van 11 tot 20 % toegepast (2.750 euro). Er blijkt dan ook niet dat bij de vaststelling van het overladings- percentage enige onzorgvuldigheid werd begaan. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 23. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van Ahet algemeen beginsel inzake structurele/objectieve onpartijdigheid@. De verzoeker betoogt dat hangende de beroepsprocedure een e-mail van zijn raadsman beantwoord werd door de wegeninspecteur-controleur die de beslissing in eerste aanleg had genomen. Hiermee werd de schijn gewekt dat Ade administratieve magistraat uit eerste aanleg nog betrokken wordt bij de behandeling in beroep@. Bovendien zou de hele procedure volgens de verzoeker door een schijn van partijdigheid zijn aangetast, omdat zowel de beoordeling in eerste aanleg als de beoordeling in beroep onder dezelfde administratie ressorteert, namelijk het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement bevoegd voor Openbare Werken. IX-4900- 31/34 24. De verwerende partij antwoordt dat de afdeling Wegenbeleid slechts een kopie van het dossier aan de verzoeker heeft overgemaakt en dat zulks geenszins kan worden beschouwd als een inmenging in de beroepsprocedure, laat staan als een schending van het algemeen beginsel inzake Astructurele/objectieve onpartijdigheid@. 25. De verzoeker repliceert dat de verwerende partij het beginsel van de onpartijdigheid ten onrechte als een inhoudelijk beginsel beschouwt, terwijl het in de eerste plaats om een zuiver formeel beginsel gaat. Volgens de verzoeker werd de schijn gecreëerd dat tussen de diverse administratieve rechters over een hangend dossier communicatie wordt gevoerd. Het beginsel van de onpartijdigheid vereist niet dat het bewijs van partijdigheid wordt geleverd. De schijn daartoe volstaat. 26. In zijn laatste memorie betoogt de verzoeker dat de wegeninspecteur-controleur en de minister in graad van beroep administratieve rechters zijn, minstens organen van het actief bestuur die rechtsprekende handelingen stellen en dat bijgevolg het beginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid dat van toepassing is op alle rechtscolleges ook op deze instanties van toepassing is. Beoordeling 27. De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister bevoegd voor Openbare Werken treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het Aslastendecreet niet op als jurisdictionele organen, maar wel als organen van het actief bestuur. Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids- plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en moet zij verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de IX-4900- 32/34 eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de administratieve procedure door de decreetgever geregeld werd. Aan de onpartijdigheid van de Vlaamse minister die in beroep oordeelt over het opleggen van de administratieve geldboete wordt geen afbreuk gedaan doordat de wegeninspecteur-controleur hangende de beroepsprocedure een kopie van het dossier aan de raadsman van de verzoeker heeft overgemaakt. Ook het feit dat de gehele administratieve procedure onder dezelfde overheid ressorteert houdt geen schending in van het beginsel van de onpartijdigheid. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-4900- 33/34 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4900- 34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.196 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div