← België

Arrest 208198 - Varia (justitie) - 19/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.198 Rolnummer: A. 135340/IX-3969 Zaak: Arrest 208198 - Varia (justitie) - 19/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:17 Fiche Arrest nr 208.198 van 19 oktober 2010 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.198 van 19 oktober 2010 in de zaak A. 135.340/IX-3969 In zake : Tofec BEN KHAYI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Uyttendaele en Anne Feyt kantoor houdend te Brussel Bronstraat 68 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Levert kantoor houdend te Brussel Louizalaan 149/22 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de NV BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY (BIAC) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvain Silbert kantoor houdend te Brussel Dieweg 274 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 11 april 2003, strekt tot de nietigverklaring van het negatief advies dat de Staatsveiligheid verstrekte over het verlenen van een veiligheidsbadge aan Tofec Ben Khayi en van de beslissing waarbij aan Tofec Ben Khayi de aflevering werd geweigerd van een identificatiebadge die toegang moet verlenen tot de niet-openbare zones van de luchthaven te Zaventem en waarbij de badge die hij reeds bezat wordt ontnomen. IX-3969-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 203.042 van 19 april 2010 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een aanvullend verslag opgesteld. De partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september
  5. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joy Moens, die loco advocaten Marc Uyttendaele en Ann Feyt verschijnt voor de verzoeker, advocaat Anthony Poppe, die loco advocaat Philippe Levert verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Elisa Van Broeck, die loco advocaat Sylvain Silber verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. IX-3969-2/9 III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is sedert 2001 werkzaam in de luchthaven Brussel Nationaal. Op 1 oktober 2002 wordt hij op proef aangeworven door de NV Belgian Ground Services (hierna : NV BGS) en beschikt daartoe over een identificatiebadge, die afgeleverd wordt door de tweede verwerende partij, waardoor hij toegang heeft tot zekere niet-openbare zones van de luchthaven te Zaventem. De verzoeker wenst opgenomen te worden in een dienst van de NV BGS, “speciale eenheden” genaamd. Voor die dienst is ook een identificatie- badge vereist. 3.
  8. Op een niet nader te bepalen datum dient de verzoeker een aanvraag voor dergelijke badge in bij B.I.A.C. 3.
  9. Op 5 november 2002 geeft de dienst Veiligheid van de Staat een “ongunstig advies” over die aanvraag. Dit is het eerste voorwerp van het beroep. 3.
  10. Op 7 november 2002 laat de tweede verwerende partij aan de NV BGS weten dat “de luchthaveninspectie-Dienst Beveiliging -om redenen haar bekend- geen identificatiebadge voor de niet-publieke delen van de luchthaven Brussel- Nationaal kan afleveren op naam van BEN KHAYI Tofec” en verzoekt ze haar hem “niet binnen die zones te willen tewerkstellen”. Dit is het tweede voorwerp van het beroep. IX-3969-3/9 3.
  11. Op 13 november 2002 deelt de NV BGS ter bevestiging van een mondeling onderhoud van de vorige dag aan de verzoeker mee dat hij onmiddellijk ophoudt deel uit te maken van het personeel en vraagt zij hem de identificatiebadge terug te geven. 3.
  12. Op 18 november 2002 wordt de beslissing van 7 november 2002 naar de werkgever van de verzoeker gestuurd. 3.
  13. Bij brief van 26 februari 2003 deelt BIAC aan de raadsman van de verzoeker mee dat de weigering tot afgifte van de identificatiebadge het gevolg is van het negatief veiligheidsonderzoek en dat de eerder genomen beslissing ten aanzien van de verzoeker gehandhaafd blijft. IV. Ontvankelijkheid van het beroep De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing
  14. In het arrest nr. 203.042 van 19 april 2010 is reeds vastgesteld dat het advies van de Veiligheid van de Staat slechts een voorbereidend karakter heeft ten aanzien van de beslissing van de tweede verwerende partij en op zich niet vatbaar is voor vernietiging en dat het beroep tegen dat advies onontvankelijk is. De tijdigheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing Standpunt van de partijen
  15. De verwerende partijen werpen in hun memorie van antwoord op dat het beroep laattijdig ingediend is. Zij betogen dat de beslissing alleen aan de werkgever ter kennis werd gebracht aangezien de weigering tot aflevering van een badge niet rechtstreeks de juridische situatie van de verzoeker wijzigde, nu hij IX-3969-4/9 gebonden blijft door een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever, aan wie de exclusieve bevoegdheid wordt toegekend om over te gaan tot de beslissing van ontslag van de verzoeker. Daaruit volgt dat de beroepstermijn ten aanzien van de verzoeker aangevangen is op de dag waarop hij door zijn werkgever in kennis werd gesteld van zijn ontslag met als reden dat “het de Staatsveiligheid was die hem niet meer wilde zien op de tarmac”. Dit is op 12 november
  16. De verzoeker heeft zich bovendien ook niet beijverd om een kopie van de bestreden beslissing te bekomen.
  17. De verzoeker antwoordt hierop dat de bestreden beslissing niet aan hem betekend werd. Hij werd niet in kennis gesteld van de beroepsmogelijkheden, noch van de wijze en termijn van indiening ervan. Krachtens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de beroepstermijn dan ook geen aanvang genomen. Hij heeft ook niet te lang gewacht om een afschrift van de bestreden beslissing te vragen: twee weken nadat hij kennis genomen heeft van het bestaan van een advies van de Staatsveiligheid heeft hij klacht ingediend bij de comités P en R; twee maanden later is aan de verwerende partij een afschrift van de bestreden beslissingen gevraagd en een maand na het antwoord van de eerste verwerende partij is het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend. Beoordeling
  18. Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient het beroep tot nietigverklaring te worden ingesteld binnen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. Wanneer een bestuurshandeling moet worden betekend, begint de beroepstermijn slechts vanaf die betekening te lopen, en bovendien slechts op voorwaarde dat de betekening het bestaan van de IX-3969-5/9 mogelijkheid om een annulatieberoep in te stellen en de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt.
  19. De beslissing waarbij een identificatiebadge aan de verzoeker geweigerd werd, raakt rechtstreeks zijn individuele rechtstoestand en moest hem dus betekend worden. Het feit dat de identificatiebadge door zijn toenmalige werkgever werd aangevraagd, doet daaraan geen afbreuk. De ontvankelijk bestreden beslissing is aan de verzoeker niet betekend en dus heeft de beroepstermijn geen aanvang genomen.
  20. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  21. In zijn derde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 9 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart alsmede de onbevoegdheid van de auteur van de bestreden handeling, “doordat de tweede bestreden beslissing genomen werd door een of meerdere leden van B.I.A.C. zonder dat verzoekende partij ze kan identificeren noch uitmaken of ze al dan niet bevoegd waren om de bestreden beslissing te nemen”.
  22. De eerste verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord “naar de argumentatie van de tweede verwerende partij”. De tweede verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord “naar de argumenten ontwikkeld door de Belgische Staat“.
  23. De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat “gelet op het gebrek aan enig antwoord vanwege de verwerende partij, i.h.b. IX-3969-6/9 vanwege de tweede verwerende partij, […] het middel enkel gegrond [kan] worden beschouwd”.
  24. In haar laatste memorie stelt de tweede verwerende partij dat de administratie de bevoegdheid voor het afleveren van veiligheidsbadges nooit zelf heeft uitgeoefend doch deze steeds heeft toegewezen aan B.I.A.C. Zij wijst in dit verband vooreerst op artikel 180, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, overeenkomstig hetwelk B.I.A.C. onder meer belast is met “het uitoefenen van activiteiten van luchthaveninspectie en het handhaven van de veiligheid op de grond op de luchthaven Brussel-Nationaal en de aanhorigheden ervan, met uitsluiting van de taken van algemene politie en luchtvaartinspectie”. Voorts wijst zij op artikel 10, § 1, van het Beheerscontract tussen de Belgische Staat en B.I.A.C. afgesloten op 14 augustus 1998 en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 25 augustus 1998- dat bepaalt dat: “B.I.A.C. [in]staat […] voor de luchthaveninspectie en de veiligheid aan de grond volgens de normen en regels die op nationaal en internationaal vlak van kracht zijn” en naar artikel 4, 4°, van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap B.I.A.C., dat bepaalt dat de houder van de exploitatielicentie instaat voor “de luchthaveninspectie en het handhaven van de veiligheid en de beveiliging op de grond, met uitsluiting van de taken van algemene politie en luchtvaartinspectie, alsook van de militaire taken”. Volgens haar is B.I.A.C. dan ook de wettelijk aangewezen instantie om identificatiebadges uit te reiken en heeft deze organisatie terecht een voorafgaand veiligheidsonderzoek bij de Staatsveiligheid aangevraagd aangezien zij niet over de mogelijkheden beschikt om de voorgeschreven achtergrondcontrole of veiligheidscontrole van personen uit te voeren. IX-3969-7/9 Beoordeling
  25. De verzoeker voert de schending aan van artikel 9 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart, dat luidt: “De bij de artikelen 6, 7 en 8 bedoelde luchthavenidentificatiebadges en toegangsbewijzen worden uitgereikt door de door de directeur-generaal van het Bestuur van Luchtvaart aangewezen instantie overeenkomstig zijn voorschriften.”
  26. Volgens de tweede verwerende partij is de bestreden beslissing tot weigering van afgifte van de badge genomen door generaal A. Gravet, die op dat ogenblik lid was van het directiecomité van B.I.A.C. en die het veiligheidscomité van B.I.A.C. voorzat. De verwerende partijen wijzen evenwel geen besluit aan waaruit blijkt dat de directeur-generaal van het Bestuur van Luchtvaart de genoemde generaal heeft aangewezen als instantie om identificatiebadges uit te reiken. Het derde middel is gegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt de beslissing, opgenomen in de brief van 7 november 2002 en bevestigd in de brief van 26 februari 2003, waarbij aan Tofec Ben Khayi een identificatiebadge wordt geweigerd, die toegang moet verlenen tot de niet-openbare zones van de luchthaven en waarbij hem de badge die hij reeds bezat wordt ontnomen. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  28. De tweede verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-3969-8/9 Het door de verzoeker op het verzoekschrift teveel gekweten recht ten belope van 175 euro, dient te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3969-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.198 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.129.232 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.