← België

Arrest 208289 - Examens (onderwijs) - 21/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.289 Rolnummer: A. 197770/XII-6355 Zaak: Arrest 208289 - Examens (onderwijs) - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Arrest nr 208.289 van 21 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.289 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 197.770/XII-6355 In zake: Jo VAN HOOF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leo Vermeulen kantoor houdend te Kontich Antwerpsesteenweg 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT GABRIELSCOLLEGE -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 september 2010, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 23 juli 2010 van het schoolbestuur van het Sint-Gabriëlcollege te Boechout, waarbij wordt beslist om de over Jo Van Hoof delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De verwerende partij heeft een nota neergelegd. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6355-1\9 Advocaat Leo Vermeulen, die verschijnt voor de verzoekende partij en algemeen directeur Jean-Marie Van Gavere en adjunct-directeur Veronique Roelstraete, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 leerling in het tweede leerjaar van de tweede graad, studierichting economie (ASO), aan het Sint-Gabriëlcollege te Boechout. Einde juni 2010 behaalt verzoeker een jaartotaal van 61% met één jaartekort voor geschiedenis (47%). De delibererende klassenraad kent verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor alle studierichtingen in het ASO. Als motivering wordt meegedeeld: “De klassenraad baseerde zich op volgende elementen: - negatieve evolutie - zwak tweede semester - jaartekort voor: Geschiedenis 47 - zwakke jaarresultaten: Wiskunde 57 Frans 50 Biologie 57 Engels 53”. Als advies geeft de klassenraad mee: “Heroriënteren naar TSO volgens eigen interesse en/of contacteer CLB”. 3.
  6. Verzoekers ouders plegen daarop overleg met onder meer de directeur. Wanneer dat ook na een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad niet tot het gewenste resultaat leidt, tekenen zij op 30 juni 2010 beroep aan bij de XII-6355-2\9 beroepscommissie. Onder meer wijzen zij erop dat verzoeker slechts één tekort had, voor geschiedenis (47%), en een totaal resultaat van 61%. Ook argumenteren zij dat de laatste examens wegens omstandigheden die zij uiteenzetten, een totaal verkeerd beeld geven “van wat Jo normaal brengt”. Volgens de ouders moeten daarom de jaarresultaten -met inbegrip dus van de kerstresultaten en het dagelijks werk- zwaarder wegen dan de negatieve evolutie op het einde van het jaar. 3.
  7. Met een brief van 23 juli 2010 deelt de voorzitter van het schoolbestuur aan de ouders van verzoeker mee dat het “beslist heeft om het advies van de Interne Beroepscommissie te volgen om de delibererende klassenraad niet meer bijeen te roepen om opnieuw te beraadslagen over [verzoeker]”, waarna de gronden om daartoe te besluiten worden aangehaald: “- Uw beroep is ontvankelijk, want correct ingediend, maar is niet gegrond. - Uit nazicht van het dossier, blijkt dat de procedure correct gevolgd is. - Er is vooraf een gesprek met de directie (i.c. met mevr. Veronique Roelstrae- te) geweest. - De delibererende klassenraad is - na het gesprek met mevr. Veronique Roelstraete - op 30 juni ll. opnieuw bijeengeweest. Hij is echter bij zijn beslissing gebleven. - Na deze nieuwe beraadslaging (en beslissing) worden er door U in uw bezwaarschrift geen nieuwe elementen aangebracht om een nieuwe bijeenroe- ping van de delibererende klassenraad te verrechtvaardigen. o De zaken waar U op steunt, kwamen aan bod tijdens het gesprek met mevr. Roelstraete en werden ingebracht in de hoger genoemde bijkomende klassen- raad van 30 juni ll.. - Het is o.i. niet aan het CLB om te oordelen of het opportuun is om een klassenraad opnieuw bijeen te roepen. - Het is niet omdat een leerling aanvaard en erkend wordt als dyslexie- en dysorthografieleerling, dat dit automatisch zou leiden tot het slagen van die leerlingen, waarbij zonder meer over alle mogelijke tekorten gekeken wordt. - De delibererende klassenraad heeft zijn beslissing voldoende gemotiveerd. Hiervoor verwijzen we naar het rapport en het individueel syntheseblad. o Hieruit onthouden we vooral: P dat er een negatieve evolutie geweest is in de loop van het schooljaar, nl. van 65 % (in het 1ste trimester), over 60 % (in het 2de trimester, met een beperkte examenreeks) tot 58 % in het 3de trimester (wat een kort trimester is). P dat - op jaarbasis - een aantal hoofdvakken (met name Frans en wiskunde) bijzonder zwak waren (resp. 47 % en 57 %). P dat - eveneens op jaarbasis - ook voor een aantal andere vakken (met name biologie, Engels en geschiedenis) zwak gepresteerd werd. o De klassenraad is van oordeel dat dit een te zwakke basis vormt om de 3de graad ASO aan te kunnen.” XII-6355-3\9 IV. Onderzoek van de middelen
  8. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift drie vernietigings- gronden aan. In het auditoraatsverslag is enkel het tweede middel onderzocht omdat dit, naar het oordeel van de auditeur-verslaggever, de oplossing van het geschil mogelijk maakt. Overeenkomstig artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de Raad van State uitspraak over de conclusies van dit verslag. Tweede middel Standpunt van de partijen
  9. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit). Hij doet daarbij onder meer het volgende gelden: “Aangezien aan verzoeker een B-attest wordt uitgereikt, erkent verweerder dat verzoeker zijn schooljaar met vrucht heeft beëindigd. Desondanks worden in de clausulering alle ASO-richtingen voor verzoeker uitgesloten. Nochtans behaalde verzoeker voor verschillende vakken, waaronder hoofdvak economie, goede punten. Zonder enige motivering worden echter ook de richtingen economie-wetenschappen, humane wetenschappen en sportweten- schappen voor verzoeker uitgesloten. Nochtans mag uit de punten van verzoeker blijken dat deze over de capaciteiten beschikt om een opleiding op het niveau van het ASO te volgen. Ook het Centrum voor Leerlingenbegeleiding meent dat verzoeker de richting economie-wiskunde tot een goed einde kan brengen en adviseerde derhalve verzoeker om het beroep aan te tekenen tegen de beslissing. De clausulering voor alle ASO-richtingen werd echter op geen enkele wijze gemotiveerd.”
  10. In de nota met opmerkingen, ingediend in de schorsingsprocedure, merkt verwerende partij “[v]ooraf” op dat de verwoording van de motivatie op het rapport “[op] het eerste gezicht” relatief kort is. Dit komt volgens haar omdat de motivering eerder een concluderende synthese is van de besprekingen die in de klassenraad zijn gevoerd en geen uitgebreid verslag van het verloop van deze besprekingen zelf, waarbij alle pro’s en contra’s uitvoerig op een rij worden gezet. XII-6355-4\9 Vervolgens reageert verwerende partij op de grieven van verzoeker, zonder deze middel per middel apart te beantwoorden. Uit de nota onthoudt de Raad als te betrekken op het hier besproken onderdeel van het tweede middel het volgende. Volgens verwerende partij, die erkent dat verzoeker “op jaarbasis inderdaad slechts 1 tekort” had, heeft de delibererende klassenraad zich niet uitsluitend gesteund op dit gegeven. Vervolgens geeft de verwerende partij een algemene beschouwing over de wijze van delibereren: dit geschiedt op grond van alle relevante gegevens zijnde naast de cijfers ook de evolutie van de resultaten, handicaps, inspanningen, vaardigheden en bovenal wordt prospectief beoordeeld. Welnu, de delibererende klassenraad hééft zoals gevraagd door de ouders ook gekeken naar de jaarresultaten en de hiervóór genoemde elementen. De evolutie van de cijfers is duidelijk neerwaarts naarmate het schooljaar vordert. Die evolutie is er ook van het eerste tot het vierde jaar, wat aangeeft dat verzoeker “op vlak van dalen weinig reserve heeft naar de 3de graad toe”. In elk trimester zijn er tekorten, ook op de tussentijdse rapporten. Examenresultaten wegen zwaarder door dan de resultaten van het dagelijks werk. Verzoeker mag de resultaten van het eerste trimester ook niet als “prachtig” voorstellen. Ze waren integendeel zwak genoeg om na het kerstrapport al aan de ouders uitdrukkelijk een heroriëntatie voor te stellen. Verzoeker staat niet klaar voor economie-wiskunde in de derde graad, net zo min als voor welke andere richting in ASO die aanleunt bij de richtingen die de school zelf aanbiedt. De redenen voor de uitsluiting van deze ASO-richtingen zijn volgens verwerende partij de volgende: “- Jo kan heel moeilijk grotere gehelen verwerken; nochtans essentieel in een 3de graad, waar een semestersysteem op vlak van examens gehanteerd wordt voor alle vakken. - Wat het verwerken van grotere gehelen betreft, valt Jo op meerdere vakken uit, en niet alleen op geschiedenis. - Vooral op de taalvakken valt Jo uit. Taalvakken zijn in elke ASO-richting een hoofdvak en het belang en het gewicht van de vaardigheden (net het zwakke punt bij Jo) nemen nog toe in de 3de graad. - In het 2de jaar van de 2de graad volgde Jo de richting Economie, optie wiskunde en niet de richting Economie-Wiskunde. Die laatste bestaat niet in de 2de graad. - Volledigheidshalve dienen we te vermelden dat er nog twee ASO-richtingen niet geclausuleerd werden, nl. de Steinerpedagogie en Yeshiva. Over deze richtingen wenste de klassenraad zich niet uit te spreken omdat deze richtingen te verschillend zijn van de andere ASO-richtingen.” Op de terechtzitting onderstreept verwerende partij dat de beslissing volgens haar zó vanzelfsprekend is, in acht genomen de rapporten die verzoeker bekend zijn, dat bijkomende motivering overbodig wordt. Zij wijst er nog XII-6355-5\9 op dat de klassenraad reeds opnieuw was samengekomen en dat aan verzoeker ook mondelinge toelichting is gegeven. Beoordeling
  11. Verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Dit betekent dat hij het getuigschrift behaalt van de tweede graad van het secundair onderwijs. Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het organisatiebesluit “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen” waarbij artikel 38, 1/, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling met vrucht het tweede leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstel- lingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Die definitie van een B-attest doet aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de delibererende klassenraad toch de toegang tot welbepaalde richtingen moet worden ontzegd. Dit is ook wezenlijk de vraag die verzoeker stelt.
  12. Verzoeker wordt niet toegelaten tot een eerste jaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs. Een lineaire, algemene clausulering als die welke de delibererende klassenraad aan verzoeker oplegt, die hem immers een ganse onderwijsvorm ontzegt, vergt een nóg grotere zorg bij de motivering waarom precies álle studierichtingen in die bepaalde onderwijsvorm worden uitgesloten. De delibererende klassenraad zal des te meer een beroep moeten doen op concrete en overtuigende gegevens uit het individuele leerlingendossier. Een delibererende klassenraad die zijn noodzakelijk ook deels subjectieve oordeel over een gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar immers niet kan relateren aan de objectieve gegevens van het dossier overschrijdt de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid. XII-6355-6\9 Overigens is het precies in een eerdere zaak tegen ditzelfde Sint-Gabriëlcollege, en ook in verband met een volgens de in die zaak optredende verzoekster té ruime clausulering, dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat weliswaar begrip kan worden opgebracht voor een synthetische motivering aan het einde van het schooljaar, maar dat net de beroepsprocedure “de school moet brengen tot nadere explicitering van een oorspronkelijk misschien te beknopte en daardoor voor de leerling onaanvaardbare motivering”. Het arrest nr. 162.923 van 28 septem- ber 2006 inzake Parmentier lijkt verwerende partij in de huidige procedure niet tot lering gestrekt te hebben.
  13. De over verzoeker delibererende klassenraad verwijst in zijn eerste beslissing naar een “negatieve evolutie”, een “zwak tweede semester”, het jaartekort voor geschiedenis en “zwakke jaarresultaten” voor wiskunde, Frans, biologie en Engels. De Raad van State is van oordeel dat voor de beoordeling van het middel geen rekening te houden is met de handgeschreven “[a]anvullende motivering” die op 30 juni 2010 op het individueel syntheseblad blijkt te zijn aangebracht, aangezien van die beweerde nieuwe beraadslaging geen proces-verbaal of notulen voorliggen en, vooral, nergens uit blijkt dat die motivering ook aan verzoeker is meegedeeld op behoorlijke wijze. Die aanvullende motieven zijn overigens minstens even bondig als de eerder genoteerde motivering (“13% gezakt t.o.v. 3e jaar (weinig reserve)”, “proefwerken: veel zwakke resultaten”, “3e graad: semestersysteem voor alle vakken”, “vaardigheden Frans: problematisch - belangrijk in de 3e graad”). Gesteld tegenover de concrete gegevens van deze zaak geeft deze motivering geen blijk van de grote omzichtigheid waartoe een prospectieve deliberatie nochtans noopt. Zo faalt de over verzoeker delibererende klassenraad om concreet aan te geven hoe de gegevens van verzoekers individuele leerlingendossier hem tot het besluit brengen dat verzoeker de toegang tot álle studierichtingen in het ASO moet worden ontzegd, waarbij verzoeker meer bepaald de richtingen economie-wiskunde, economie-wetenschappen, humane wetenschappen en sport-wetenschappen vermeldt. De delibererende klassenraad mag de jaarresultaten voor wiskunde (57%), Frans (50%), biologie (57%) en Engels (53%) dan wel zwak noemen en gewag maken van een “zwak tweede trimester” -waarover in de bestreden beslissing overigens maar cijfers voor vier vakken worden bijgebracht- en een “negatieve evolutie”, feit blijft wel dat verzoeker voor alle vakken, behalve geschiedenis, een voldoende jaarresultaat behaalt. XII-6355-7\9 Aangenomen mag worden dat een door de klassenraad niet verder besproken en toegelicht jaarcijfer in beginsel een correcte weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer. Daaruit volgt, ook weer in principe, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoel- stellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om dan toch te argumenteren dat verzoeker de toegang tot álle studierichtingen in het ASO moet worden ontzegd -een beslissing waarmee een delibererende klassenraad zijn stellige overtuiging weergeeft dat de betrokken leerling geen redelijke slaagkansen heeft in de bedoelde onderwijsvorm- moet de klassenraad met grote omzichtigheid, omstandig en precies, aan de hand van eindtermen en leerplannen gerelateerd aan de concreet behaalde (deel)resultaten, kunnen uiteenzetten waarom de voorhanden zijnde -voldoende- resultaten toch de kansen van verzoeker determineren voor de volgend jaar in een te clausuleren richting of onderwijsvorm vereiste kennis en kunde voor die vakken. Die noodzakelijke onderbouw van het B-attest, is in de bestreden beslissing niet tot uitdrukking gebracht, zelfs niet indien de Raad ook met de “aanvullende motivering” zou rekening houden aangezien deze ook niet helpt de algemeenheid van de clausulering méér inzichtelijk te maken.
  14. Het valt alléén de delibererende klassenraad toe om over de -omvang van de- attestering van verzoeker te beraadslagen en te oordelen, zodat wat het schoolbestuur of de beroepscommissie ook zouden hebben toegevoegd aan de motivering van de delibererende klassenraad terzake niet relevant is, want niet uitgaande van het enige daartoe door de regelgeving aangewezen orgaan. Ook met de argumenten die verwerende partij thans in de nota met opmerkingen of ter terechtzitting aanbrengt, mag de Raad van State om diezelfde reden geen rekening houden. Overigens hebben die argumenten ook nog steeds enkel betrekking op de clausulering van economie-wiskunde en niet van de overige door verzoeker opgesomde ASO-richtingen.
  15. In die mate is het tweede middel gegrond. XII-6355-8\9 V. Korte-debattenprocedure
  16. Het auditoraat heeft op goede grond gemeend dat het voorliggende beroep slechts korte debatten vereist en er dienovereenkomstig onverwijld verslag over uitgebracht. VI. De vordering tot schorsing
  17. De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. BESLISSING
  18. De Raad van State vernietigt de beslissing van 23 juli 2010 van het schoolbestuur van het Sint-Gabriëlcollege te Boechout, waarbij wordt beslist om de over Jo Van Hoof delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.
  19. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 oktober 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6355-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.