id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.291 Rolnummer: A. 196559/XII-6209 Zaak: Arrest 208291 - Varia (onderwijs en cultuur) - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-28 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-07-01 19:38 Fiche Arrest nr 208.291 van 21 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.291 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 196.559/XII-6209 In zake: Luc SCHEERS woonplaats kiezend te Zwijndrecht Constant Van Goeystraat 39 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 mei 2010, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van het ministerie van Onderwijs en Vorming, afdeling Studietoelagen, van 12 april 2010 inzake de studietoelage van Eneas Scheers. II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, en adviseur Marleen Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XII-6209-1/5 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Een aanvraag van verzoeker voor een studiefinanciering ten gunste van zijn zoon tijdens het academiejaar 2009-2010 wordt op 17 december 2009 gedeeltelijk ingewilligd. Verzoeker, die meent op een grotere toelage te mogen rekenen op grond van het toepasselijke decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap (hierna: decreet studiefinanciering), vraagt op 18 februari 2010 een herziening van de berekening. Op 12 maart 2010 tekent hij administratief beroep aan bij de afdeling Studietoelagen tegen de genoemde beslissing. Op 12 april 2010 antwoordt het afdelingshoofd van de dienst Studietoelagen dat het beroep wordt verworpen. IV. Rechtsmacht van de Raad van State - korte-debattenprocedure
- In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve het standpunt ingenomen dat de Raad van State van het voorliggend beroep geen kennis kan nemen wegens de bevoegdheid van de gewone rechter terzake, die de rechtsmacht van de administratieve rechter uitsluit.
- Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. XII-6209-2/5 Luidens de arresten nrs. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 van 20 december 2007 van het Hof van Cassatie veronderstelt het bestaan van een geschil over een subjectief recht dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, dient de bevoegdheid van die overheid gebonden te zijn.
- Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is gericht tegen een beslissing waarbij aan de zoon van verzoeker de studietoelage, ingesteld bij het decreet studiefinanciering van 8 juni 2007, wordt geweigerd. Dit decreet voorziet in de toekenning van een studietoelage in het hoger onderwijs aan de student die de gestelde voorwaarden vervult. Luidens artikel 4, tweede lid, van het decreet studiefinanciering van 8 juni 2007 verleent de Vlaamse regering studietoelagen aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs “overeenkomstig de regelen die bij en krachtens dit decreet zijn vastgesteld”. Het decreet stelt de te dezen aangevraagde studiefinan- ciering in als een recht voor de aanvrager die voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens het decreet zijn vastgesteld.
- Een beslissing om aan een student al dan niet de gevraagde studiefinanciering toe te kennen, kan door de bevoegde dienst niet worden genomen op grond van een concrete beoordeling en appreciatie van de graad van verdienste en de kwaliteit van de prestaties van de aanvrager, of in functie van de behartigens- waardige situatie van de aanvrager. Zoals de Raad van State reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 205.008 van 10 juni 2010, laat het decreet studiefinanciering van 8 juni 2007 aan het bestuur geen marge om naar redelijkheid of billijkheid van die voorwaarden of criteria af te wijken. Integendeel beschikt het bestuur te dezen slechts over een gebonden bevoegdheid en vergt zijn beslissing enkel een toetsing van de ingediende aanvraag aan het al dan niet vervuld zijn van de decretaal en reglementair gestelde voorwaarden.
- In de concrete zaak die voorligt, stoelt de beslissing dat de zoon van verzoeker niet in aanmerking komt voor studiefinanciering op de zogenaamde XII-6209-3/5 “pedagogische voorwaarden”, neergeschreven in de artikelen 21 en volgende van het decreet. De wezenlijke inzet van de betwisting tussen verzoeker en verwerende partij is gelegen in de vraag hoe de eerdere studiejaren van verzoekers zoon te kwalificeren zijn, waaruit dan voortvloeit of hij nog in aanmerking komt voor een studietoelage. Het antwoord op die vraag -of met andere woorden de wijze waarop het decreet studiefinanciering in het concrete geval toepassing krijgt- is geen zaak van appreciatie, maar van interpretatie. Het bestuur beschikt niet over enige beoordelingsvrijheid bij de toepassing van de toepasselijke bepalingen in een concreet geval.
- De voorwaarden die vervuld moeten zijn om in aanmerking te komen voor de toelage, inzonderheid de pedagogische voorwaarden, evenals de berekeningswijze en het uiteindelijke bedrag van de toelage worden volledig door de toepasselijke regelgeving zelf bepaald. Indien de objectief bepaalde decretale en reglementaire voorwaarden zijn vervuld, en enkel dan, ontstaat een precies bepaalbare verplichting voor verwerende partij jegens de aanvrager van de studiefinanciering. De vaststelling van het bestaan en de omvang van het recht op een studietoelage hangen te dezen niet af van enige discretionaire beslissing van het bestuur. De burgerlijke rechter, bij wie de aanvrager van een studiefinan- ciering zijn recht kan opeisen, kan over het bestaan en de omvang van het recht van de aanvrager uitspraak doen op grond van de voorwaarden zoals ze in het decreet zijn geformuleerd, zonder daarbij te moeten vaststellen dat het bestuur op bepaalde punten over een beleidsvrijheid beschikt. De rechter kan hierbij op autonome wijze artikel 21 en de overige relevante bepalingen van het decreet interpreteren en op grond daarvan het vervuld zijn van de pedagogische voorwaarden van verzoekers zoon kwalificeren. De Raad van State is aldus niet bevoegd om kennis te nemen van het voorliggend beroep, gericht tegen een beslissing waarbij het bestuur vaststelt dat verzoekers zoon niet in aanmerking komt voor studiefinanciering omdat één of meer voorwaarden voor de toekenning van de toelage niet zijn vervuld, aangezien het XII-6209-4/5 betrekking heeft op de vaststelling van een subjectief recht in hoofde van verzoekers zoon.
- Het auditoraat heeft, gelet op de eerdere rechtspraak van de Raad van State in dezelfde zin, met reden geoordeeld dat voor de oplossing van de zaak slechts korte debatten vereist waren. V. Kosten
- De Raad stelt vast dat verwerende partij ten tijde van de kennisgeving van de bestreden beslissing het annulatieberoep als beroepsmogelijk- heid aanwees en verzoeker aldus in dwaling heeft gebracht. In die omstandigheden past het om haar in de kosten van het beroep te verwijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 oktober 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6209-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.291 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.