← België

Arrest 208294 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.294 Rolnummer: A. 192336/X-14157 Zaak: Arrest 208294 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Arrest nr 208.294 van 21 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.294 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 192.336/X-14.157. In zake : 1. Guido NIJS 2. Sylvia NIJS 3. Richard CUSTERS 4. Jacqueline TIMP 5. Roeland CAMP 6. Anne-Marie VAESEN 7. Jos VASTMANS 8. Els SWENNEN 9. Jos CROIMANS 10. Rik SCHRIJVERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vaes kantoor houdend te 3500 HASSELT Herkenrodesingel 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van LIMBURG Tussenkomende partij : de v.z.w. MC Maasland Neeroeteren bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Kris Wauters kantoor houdend te 3500 HASSELT Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-14.157- 1/57 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 juni 2009, strekt tot de nietigverklaring van: - het besluit van 17 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van LIMBURG houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor “een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’ te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan”; - het besluit van 31 maart 2009 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van voormeld provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Waterloos” te Maaseik van de provincie Limburg. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 193.287 van 14 mei 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingewilligd. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 december 2009. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-14.157- 2/57 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristien Vaes, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de eerste verwerende partij, Tom Roosen, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Bij arrest nr. 170.824 van 7 mei 2007 van de Raad van State wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van: - het besluit van 19 april 2006 van de provincieraad van Limburg houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan, en - het besluit van 19 juni 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot goedkeuring van bovenvermeld provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, met uitsluiting van de met blauwe rand omlijnde delen van de stedenbouwkundige voorschriften. X-14.157- 3/57 3.2. Op 14 juni 2007 beslist de deputatie van de provincieraad van Limburg om de procedure ten gronde bij de Raad van State niet voort te zetten. De geschorste besluiten worden met toepassing van artikel 17, § 4bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, juncto artikel 15bis, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bij arrest nr. 175.705 van 12 oktober 2007 vernietigd. 3.3. Op 5 juli 2007 beslist de deputatie tot het volledig hernemen van de procedure tot opmaak van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP). De plenaire vergadering vindt plaats op 10 september 2007. 3.4. Er wordt tevens besloten een plan-MER te laten opstellen met betrekking tot het ontworpen PRUP “omloop voor grond gebonden gemotoriseerde sporten” te Maaseik (Neeroeteren). De kennisgeving van het plan-MER wordt door de dienst MER volledig verklaard op 9 oktober 2007. Het plan-MER wordt door de dienst MER goedgekeurd op 6 maart 2008. Inmiddels werd in opdracht van de v.z.w. MC Maasland- Neeroeteren reeds een project-MER opgemaakt, dat door de dienst MER wordt goedgekeurd op 11 december 2006. 3.5. Bij besluit van 16 april 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het ontwerp van PRUP “een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’” te Maaseik met het bijhorende onteigeningsplan voorlopig vastgesteld. 3.6. Het openbaar onderzoek wordt gehouden van 9 mei 2008 tot en met 7 juli 2008. Er worden 350 bezwaarschriften ingediend. 3.7. Bij besluit van 2 juni 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het ontwerp van PRUP gunstig geadviseerd. X-14.157- 4/57 3.8. In zitting van 30 juni 2008 verleent de gemeenteraad van de stad Maaseik een voorwaardelijk gunstig advies. 3.9. Op 1 oktober 2008 adviseert de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Procoro) van Limburg gunstig en worden een aantal “aanpassingen/aanvullingen” voorgesteld. 3.10. Bij het eerste bestreden besluit van 17 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het PRUP “een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten Waterloos” te Maaseik, omvattende een toelichtingsnota, stedenbouwkundige voorschriften, grafische plannen en het plan-milieueffectenrapport en het bijbehorende onteigeningsplan, definitief vastgesteld. 3.11. Bij het tweede bestreden besluit van 31 maart 2009 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het PRUP voor een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik van de provincie Limburg, bestaande uit twee verordenende grafische plannen met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, een weergave van de bestaande en juridische toestand en een bijbehorende onteigeningsplan, goedgekeurd. 3.12. Dit goedkeuringsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 april 2009. IV. Ontvankelijkheid - Belang Standpunt van de partijen 4.1. In het verzoekschrift tot nietigverklaring zetten de verzoekende partijen met betrekking tot hun belang bij het beroep, uiteen wat volgt: X-14.157- 5/57 “Verzoekers beschikken over een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang voor het indienen van onderhavig beroep tot vernietiging. Verzoekers wonen allemaal in het gehucht Waterloos te Neeroeteren, nabij het motorcrosscircuit dat het plangebied uitmaakt van de bestreden beslissing. Tot aan de bestreden beslissing was dit circuit gelegen in natuurgebied. Door de inwerkingtreding van de bestreden beslissing ligt het circuit in recreatiegebied, en wordt onmiddellijke regularisatie van het circuit mogelijk gemaakt, door het afleveren van de nodige stedenbouwkundigen, door het opheffen van het exploitatieverbod dat momenteel nog geldt, en door het afwijzen van het beroep dat werd ingediend tegen de inmiddels - illegaal - afgeleverde milieuvergunning van 10 juli 2008, dan wel - achteraf - door het afleveren van een nieuwe milieuvergunning. Dit betekent vervolgens dat de club opnieuw trainingsdagen en wedstrijden op het circuit kan laten doorgaan, en dat het circuit zal worden opengesteld voor nieuwe crossactiviteiten. De uitbating van het circuit veroorzaakt zeer ernstige hinder voor elk van de verzoekers, meer bepaald geluidshinder, geurhinder en stofhinder. Zoals blijkt uit de bestreden beslissing zelf, ligt het woonlint Waterloos binnen een straal van 500 meter ten opzichte van het circuit (…). De verste woningen liggen nog op minder dan 1500 meter van het betrokken circuit. Ten bewijze van de ernstige hinder die de exploitatie van het circuit veroorzaakt wordt verwezen naar volgende stukken :

  1. a)plan-MER Zowel het project-MER bij de milieuvergunning van 10 juli 2008 als het plan-MER dat werd opgemaakt ‘in functie van’ de bestreden beslissing komen tot de vaststelling dat de omwonenden - waaronder verzoekers - door de uitbating van het circuit geconfronteerd worden met ernstige geluids- en geurhinder. Er werd op verschillende plaatsen gemeten (…) - de geluidskwaliteit bij inactiviteit van de motorcross is als goed tot zeer goed te beoordelen - tijdens activiteit worden overschrijdingen van de geluidsnormen vastgesteld van 15 dB(A) tot 30 dB(A), afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van het circuit (oefenwedstrijd of officiële wedstrijd) en van het uitgangspunt (normen voor bestaande dan wel voor nieuwe inrichting) - voor de geurhinder komt het voorlopig MER-rapport tot de vaststelling dat negatieve tot zeer negatieve effecten worden waargenomen bij de omwonenden (Ledenweg, Waterlozeweg, Ketelstraat, Meyldersweg), die bij de overheersende windrichting - zuidwestenwind - permanent aanwezig zijn Bovendien besluiten de deskundigen van het projec(
  2. t)resp. het plan- MER : ‘De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden, zijnde 45 dB(A) zelf, is nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grenswaarde van 40 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten.
  3. b)eigen metingen X-14.157- 6/57 Verzoekers schakelden reeds in 2006 een eigen geluidsdeskundige in, m.n. de heer Patrick Pans van Ecolas, erkend deskundige ‘Geluid en Trillingen’. Deze voerde metingen uit van vrijdag 19 tot maandag 22 mei 2006, inclusief tijdens de wedstrijd van 21 en 22 mei 2006. De resultaten van deze metingen luiden als volgt (…) : ‘* het geluid afkomstig van de motorcrossactiviteiten gehouden op zaterdag 20 en zondag 21 mei heeft een significante impact op het omgevingsgeluid. Het gemiddelde omgevingsgeluid (als LAeq-waarneming) neemt met meer dan 10 dB(A) toe t.g.v. de geluidsbelasting van deze motorcrossactiviteiten. Dergelijke geluidsverhoging is zonder meer hinderlijk voor de leefomgeving. * in vergelijking met de VLAREM-geluidsvoorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 worden de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht met meer dan 26 dB(A) overschreden.’
  4. c)advies Gewestelijke Milieuvergunningscommissie De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie komt na analyse van de verschillende stukken van het dossier tot volgende conclusies - waarbij nogmaals weze benadrukt dat eerste verweerster voorafgaand aan de bestreden beslissing - en op eigen uitdrukkelijk verzoek - van dit advies in kennis werd gesteld (…) : ‘Overwegende dat hieruit kan besloten worden dat het niet helemaal zeker is dat de voorgestelde grenswaarde van 50 dB(A) in woongebied kan gehaald worden; dat in een ander vergund circuit te Genk een strengere grenswaarde in het woongebied wordt opgelegd van 45 dB(A); dat duidelijk gesteld wordt in het MER dat deze grenswaarde van 45 dB(A) niet gehaald kan worden in het woongebied naast het circuit van Maaseik; dat bovendien het betreffende circuit te Maaseik veel ongunstiger gelegen is dan de vergunde circuits te Lommel en Genk; dat bij het circuit van Maaseik deze bewoning zich veel dichter bij het circuit situeert ten opzichte van de situatie in Genk en Lommel; dat hieruit kan besloten worden dat de ruimtelijke ligging van het circuit te Maaseik zich niet leent voor een dergelijke exploitatie en dat bovendien de geluidshinder in het woongebied niet tot een aanvaardbaar niveau kan gereduceerd worden... Conclusie Overwegende dat in het MER en aanvraagdossier niet kan aangetoond worden dat de voorgestelde maatregelen tegen stofhinder, geurhinder en geluidshinder voldoende zullen zijn om de hinder uitgaande van de exploitatie van het motorcrosscircuit tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dat het bijgevolg aangewezen is om de vergunning hiervoor de weigeren’ (…) d)Nederlandse Studie Uit een Nederlandse studie blijkt dat voor een motorcrosscircuit in principe een afstand van minstens 1500 m nodig is om tot een immissiewaarde van 50 dB(A) te komen opzichtens de op deze afstand gelegen woningen (…) : p. 29 ‘Dat motorcrossterreinen tot de grote lawaaimakers kunnen worden gerekend blijkt wel uit het feit dat een gemiddeld crossterrein met circa 20 crossmotoren, die gedurende 6 uur crossen, X-14.157- 7/57 een totale emissierelevante bronsterkte heeft van ongeveer 122 à 130 dB(A), afhankelijk van de ligging in het vrije veld of in de bossen en de aanwezigheid van geluidswallen of ingegraven banen. ... In tabel 2 ziet U dat een motorcrossbaan, waar 10 motoren op het circuit aanwezig zijn en de totale emissierelevante bronsterkte LWr ongeveer 125 dB(A) bedraagt, een afstand tot woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen dient aan te houden van circa 1500 m, om aan de geluideis van 50dB(A) te voldoen. ... Het zal eenieder duidelijk zijn dat motorcrossterreinen een zeer grote geluidruimte nodig hebben.’ … p. 44 ‘Met name race- en crosscircuits worden als zeer hinderlijk beschouwd. Van degenen die race- en crosslawaai horen, blijkt ruim één op drie gehinderd te worden. ...’ De woningen van verzoekers liggen zonder uitzondering op een afstand die geringer is dan deze minimumafstand van 1500 meter. De bestreden beslissing maakt het derhalve mogelijk om de exploitatie van het circuit te hervatten, met alle gevolgen van dien voor verzoekers. Het PRUP is immers de basis voor het afleveren van de verdere vergunningen en vormt als het ware de rechtsgrond voor het gebruik van het circuit overeenkomstig de vastgestelde bestemming ‘recreatiegebied’ (…) Beslissingen die betrekking hebben op de regularisatie van de exploitatie van dit hinderverwekkend circuit - zoals in casu de bestreden beslissing - hebben derhalve een directe weerslag op de woonomgeving van verzoekers. Bovendien worden verzoekers sub 3 en 4 getroffen door het onteigeningsplan bij de bestreden beslissing (…) en de machtiging tot onteigening die wordt verleend aan de stad Maaseik. Zij zijn eigenaar van het perceel kadastraal gekend Maaseik, tweede afdeling sectie D nr. 980D, dat voor de volledige oppervlakte zou kunnen worden onteigend ten gevolge van de bestreden beslissing. Verzoekers beschikken over het vereiste belang voor onderhavig verzoek tot annulatie”. 4.2. De tussenkomende partij werpt een exceptie van niet ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen op. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt: “De verzoekende partijen lichten hun belang toe op pagina 4 tot 8 van hun verzoekschrift. Zij doen dit door er op te wijzen dat het circuit voor elk van de verzoekers bijzonder hinderlijk is qua geluidshinder, geurhinder en stofhinder. Om deze hinder te illustreren beweren zij dat ze binnen de 500 meter, minstens 1.500 meter van het circuit afliggen. De hinder zelf trachten ze aan te tonen door passages aan te halen uit : • Het plan MER X-14.157- 8/57 • Een verslag opgesteld door een door henzelf geraadpleegd geluidsbureau Ecolas • Het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie • Een Nederlandse studie Omtrent het beweerde belang wenst de tussenkomende partij op het volgende te wijzen : A. De belangen zijn niet gelijklopend voor alle verzoekende partijen a. Principe Wanneer meerdere verzoekers de schorsing en/of nietigverklaring van een eenzijdige administratieve rechtshandeling vorderen, vereist Uw Raad dat deze personen een ‘gelijklopend belang’ hebben : ‘Overwegende dat om een ordelijke en overzichtelijke procesvoering mogelijk te maken, de belangen van de verschillende verzoekers die met één collectief verzoekschrift hun vorderingen bij de Raad van State aanhangig maken, op zijn minst gelijklopend moeten zijn met het belang van de eerst in het verzoekschrift vermelde verzoeker; ... dat het beroep aldus zelfs meerdere voorwerpen lijkt te hebben die alle verband houden met hetzelfde gewestplan, maar daarom alleen nog niet onderling .zo nauw verbonden zijn dat een goede rechtsbedeling vereist dat ze in één zelfde geding worden afgedaan’ ‘Om een ordelijke en overzichtelijke procesvoering mogelijk te maken, moeten de belangen van de verschillende verzoekers die met één collectief verzoekschrift hun beroepen bij de Raad van State aanhangig maken, op zijn minst gelijklopend zijn met het belang van de eerst in het verzoekschrift vermelde verzoeker.’ Verschillende verzoekende partijen mogen wel allen een bezwaar hebben tegen een plan van aanleg; maar om samen een ontvankelijk verzoekschrift tegen dit plan in te dienen, moeten hun belangen wel gelijklopend zijn. De redenen waarom zij het plan geschorst en/of geannuleerd willen zien, moeten overeenstemmen. Hierbij fungeert het belang van de eerste verzoekende partij als referentiepunt. In een ander arrest stelde Uw Raad dat het feit dat bepaalde middelen de onwettigheid van het gehele besluit betreffen, en andere middelen slechts de gedeeltelijke onwettigheid van dit besluit aanvoeren, (een) aanduiding kan zijn van niet-gelijklopende belangen : ‘De middelen die de verzoekende partijen in hun verzoekschrift uiteenzetten, betreffen soms een onwettigheid die gans het besluit aantast, en in andere gevallen slechts een gedeelte. Aldus heeft het beroep meerdere voorwerpen die weliswaar alle verband houden met hetzelfde gewestplan, maar daarom alleen nog niet onderling zo nauw verbonden zijn dat een goede rechtsbedeling vereist dat ze in één zelfde geding worden afgedaan.’ b. Toepassing in casu In casu lopen (…) de belangen voor alle verzoekende partijen niet volledig gelijk. Er zijn 2 significante verschillen aan te duiden : → De situatie van de eerste en tweede verzoekende partij. Van de eerste en tweede verzoekende partij wordt gesuggereerd dat zij horen tot het ‘woonlint Waterloos dat binnen een straal van X-14.157- 9/57 500 meter ten opzichte van het circuit ligt. De verste woningen liggen nog op minder dan1500 meter van het betrokken circuit’. De tussenkomende partij wil dit ter informatie van de Raad van State toch aangeven dat de situatie van de verzoekende partijen voor de geschetste hinder toch sterk uiteenlopend is, zeker deze van de eerste en tweede verzoekende partij. Op basis van hun burgerlijk adres (3680 Neeroeteren, Leverenweg nr. 52) kan via de AGIV-database achterhaald worden dat zij op net geen 1.000 meter van de rand van het circuit wonen. (…) Daarmee verschilt de situatie van de eerste en tweede verzoekende partij grondig t.o.v. de andere partijen. De andere partijen wonen immers veel korter bij het circuit : (…) Gelet op de aard van de geschetste hinder (geluids-, geur- en stofhinder) is duidelijk dat de situatie van partijen die ongeveer 3 tot 4 keer zo ver van het circuit wonen, niet vergelijkbaar is (met) de situatie van de andere verzoekende partijen. Het plan-MER geeft voldoende aan dat de (…) deze hinder aanzienlijk afneemt met de afstand. De verzoekende partijen wijzen er trouwens zelf op dat het MER de haalbaarheid van de milieukwaliteitsdoelstellingen enkel betwijfelt voor de meest nabijgelegen woningen en dus zeker niet geldt voor de beweerde hinder van de woning van de eerste en de tweede verzoekende partij. Dit is echter een fout die de verzoekende partijen voortdurend maken : zij generaliseren de (…) telkens de ‘worst case’ onder de verzoekende partijen (m.n. de situatie van de dichtst gelegen verzoekende partijen - de bewoners van de woning Leedenweg 12) naar alle verzoekende partijen. De situatie en dus het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij is daarmee echter niet vergelijkbaar : zij wonen 7 keer zover van het circuit. Zoals uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt is echter het belang en dus de situatie van de eerste verzoekende partij referentieel. Van deze partijen is niet toegelicht waarin zijn / haar belang bestaat : dit betekent in wezen dat de verzoekende partijen hun ‘referentieel’ belang niet aantonen, zodat het niet bewezen is. Dit is op zich reeds voldoende om tot de onontvankelijkheid van het verzoekschrift bij gebreke aan bewezen belang te besluiten. Maar er is meer : het is maar zeer de vraag of de eerste en tweede verzoekende partijen enige hinder kunnen bewijzen om een voldoende belang te hebben bij het aanvechten van de bestreden beslissingen gelet op de afstand waarvan zij (van) het circuit wonen : → Wat de beweerde geurhinder betreft wordt er geen enkel geurverstorend effect vermeld voor de woonplaats van de eerste en tweede verzoekende partij. De tussenkomende partij verwijst terzake naar de figuur 17 pag 137 van het plan MER. De woning ligt verder dan de buitenste groene contour, die de grens markeert van mogelijke geurverstoring. • Voor de stofhinder worden er al helemaal geen contouren afgebakend in het plan-MER (…); de tussenkomende partij stelt X-14.157- 10/57 trouwens vast dat de verzoekende partijen in hun hele verzoekschrift nergens de stofhinder concreet maken. • Wat de geluidshinder betreft zijn er voor het adres van de eerste en tweede verzoekende partij slechts twee resultaten voorhanden : - Één gemeten resultaten, gemeten tijdens een ambulante meting op 9 april 2006 in wedstrijdomstandigheden tijdens de Paastrofee. Tijdens de meting werd er slechts gedurende 2 à 3 minuten gemeten (…) wat voor de woning van de eerste en tweede verzoekende partij leidde tot een resultaat van Laeq van 62,7 dB(A), LAmax van 70,2 dB(A) en LA95 van 57 dB(A)(…). Bij deze meting moet uiteraard vraagtekens geplaatst worden aangezien de normentoetsing moet gebeuren op basis van het Laeq,1h - niveau gemeten gedurende een gehele activiteitsdag (…). Dit betekent het gemiddeld geluidsniveau van één uur gemeten over de gehele activiteitsdag. Een ambulante meting van 3 minuten voldoet in feite niet. - Een berekend resultaat op basis van een rekenmodel (waarbij voor de oefensituatie een Laeq,1h wordt berekend van 52 dB(A) en voor de wedstrijdsituatie Laeq,1h 59 dB(A) De vraag is of deze situatie voldoende hinder oplevert voor de eerste en tweede verzoekende partij gelet op het bestaande geluidsniveau. Voor het adres Leverenweg 52 werden weliswaar geen geluidsmetingen gedaan zonder activiteit op het circuit maar de meest dichte adres (Ketelstraat 6) waar wel gemeten werd gaf voor 8 april 2006 (d.i. de dag voor de ambulante meting bij de eerste en tweede verzoekende partij) een geluidsniveau voor Laeq,1h van 64 dB(A) en voor LA95,1h van 42 dB(A). Dit betekent dat de gemeten en berekende normen lager liggen dan het gemeten bestaande achtergrondgeluidsniveau zonder activiteit. De eerste en tweede verzoekende partijen slagen derhalve niet in het bewijs van hun belang, terwijl dit belang referentieel is voor alle verzoekende partijen. → Daarnaast moet gewezen worden op een probleem in hoofde van de derde en vierde verzoekende partij. Op nog een ander vlak dan het vlak van de afstand loopt hun belang niet gelijk met dat van de eerste verzoekende partij. In het annulatieverzoekschrift leest men : ‘Bovendien worden verzoekers sub 3 en 4 getroffen door het onteigeningsplan bij de bestreden beslissing en de machtiging tot onteigening die wordt verleend aan de Stad Maaseik. Zij zijn eigenaar van het perceel kadastraal gekend Maaseik, tweede afdeling sectie D nr. 980 D, dat voor de volledige oppervlakte zou kunnen worden onteigend ten gevolge van de bestreden beslissing.’ (…) Op grond van dit belang, ontwikkelen de verzoekende partijen in het tweede onderdeel van het zevende middel alsook het achtste middel, waarin de onteigeningsmachtiging, onderdeel van het bestreden PRUP, aangevochten wordt. Men heeft in eenzelfde verzoekschrift dus enerzijds te maken met middelen die het bestreden besluit in haar geheel aanvallen, en anderzijds met middelen die slechts een gedeeltelijke vernietiging zouden kunnen X-14.157- 11/57 bewerkstelligen. Het gaat enerzijds om middelen gericht tegen de bestemming zoals aanvaard in het PRUP ‘Waterloos’ en anderzijds om middelen gericht tegen de onteigeningsmachtiging in dit PRUP. Derde en vierde verzoekende partij hebben een belang dat niet gelijkloopt met het belang van eerste verzoekende partij. Bij gebrek aan gelijklopend belang in hoofde van verzoekende partijen is hun vordering onontvankelijk. Minstens is er een gebrek aan gelijklopend belang in hoofde van derde en vierde verzoekende partijen, zij geen belang hebben en de vordering in hun hoofde onontvankelijk is. B. Omtrent de stukken waarnaar verwezen wordt Tot bewijs van hun belang verwijzen de verzoekende partijen naar enkele documenten die moeten aantonen hoe groot de door hun geleden geluidshinder zou zijn. Nog afgezien van het feit dat de verzoekende partijen daarbij de situatie van de slechts(
  5. t)geplaatste verzoekende partij extrapoleren naar alle verzoekende partijen wenst de tussenkomende partij bij deze documenten volgende opmerkingen te plaatsen. a. De eigen geluidsstudie Ecolas De verzoekende partijen brengen een geluidsmeting bij die zij hebben laten uitvoeren om hun hinder te bewijzen. Omtrent de meting wenst tussenkomende partij er op te wijzen dat deze meting eenzijdig is en er tijdens deze meting slechts op één plaats werd gemeten, nl. aan de Leedenweg nr. 14. Het gaat om het punt dat het dichtste bij de omloop ligt (dit punt is uiteraard uitdrukkelijk zo gekozen omdat gelet op de afstand en de overheersende windrichting dit allicht het beste resultaat zal geven voor de verzoekende partijen). Dit betekent dat de meting met de voor tussenkomende partij slechts(
  6. t)mogelijke resultaten ge(ë)xtrapoleerd wordt naar alle verzoekende partijen. Het is uiteraard evident dat dit niet kan : dergelijke meting is niet representatief; de tussenkomende partij heeft er hierboven al op gewezen dat de verzoekende partijen op zeer uiteenlopende afstanden en richtingen van het parcours wonen. De tussenkomende partij wil er bovendien op wijzen dat de betrokken geluidsmeting fouten bevat en in elk geval de meest negatieve benadering voor tussenkomende partij weergeeft. Daaromtrent wil tussenkomende partij volgende opmerkingen plaatsen : → Men vergelijkt de geluidshinder die de inrichting van tussenkomende partij zou meebrengen aan de normen vermeld in bijlage 2.2.1 van de VLAREM II, dit zijn de milieukwaliteitsnormen voor geluid in open lucht. Krachtens artikel 2.2.1.1. VLAREM II gelden deze normen als richtwaarden voor het specifieke geluid van een inrichting. Het zijn niet de juridisch bindende normen voor een inrichting. Deze worden vermeld in hoofdstuk 4.5 van VLAREM II ‘beheersing van geluidshinder’ en in bijlage 4.5.4. VLAREM II. De juridische geluidssituatie van de exploitatie van de tussenkomende partij is echter beschreven in artikel 5.32.10.1 § 3 VLAREM II : ‘Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in § 1.’ X-14.157- 12/57 De in artikel 5.32.10.1 § 1 VLAREM II bedoelde inrichtingen zijn de omlopen voor motorvoertuigen. Dit betekent dat de omloop van de tussenkomende partij vrijgesteld is van de geluidsnormen vermeld in VLAREM II. In feite zijn er derhalve geen geluidsnormen waarnaar er referentie kan worden gemaakt (dit wordt in de MER-studie ook erkend – (…)). → Als men al de vergelijking wil maken aan de normen van de bijlage 2.2. dan moet dit gebeuren conform de bepaling van artikel 2.2.1.1. VLAREM II : ‘De in bijlage 2.2.1. aangegeven waarden in dB(A) gelden als milieukwaliteitsnormen voor het LA95,1h niveau van het omgevingsgeluid in open lucht’. Zoals de studie zelf aangeeft is deze norm het A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende 95 % van het tijdsinterval (voor de toepassing van 2.2.1.1. gaat het om 1 h - dit is één uur) wordt overschreden. Welnu dit cijfer komt niet eens voor in het verslag van Ecolas; men heeft weliswaar een LA95 vermeld, maar niet met een tijdsinterval van één uur, maar van 10 minuten (het gaat om de waardes vermeld in de laatste kolom van de tabellen in bijlage 3 van het verslag). Welnu de gemiddelde waarde van alle LA95, 10 min gemeten op : • zaterdag tijdens de wedstrijd tussen 12u00 en 18u00 is 49,56. • Zondag tijdens de training tussen 8u00 en 12u00 is 55,63 • Zondag tijdens de wedstrijden tussen 10u00 en 18u00 is 59,23 In vergelijking met de referentienorm 45dB(A) is er dan geen sprake van een overschrijding met 26dB(A)(zoals de verzoekende partijen schrijven) maar met 4,56 dB(A) tot 14,23 dB(A). Maar in feite moet er rekening gehouden worden met de LA95,1h meting, die in het verslag Ecolas niet voorkomt. Uit de studie zelf blijkt dat het normale geluidsniveau van het omgevingsgeluid zonder enige motorcrossactiviteit reeds boven de norm ligt die men als referentienorm neemt. Men stelt dat de referentienorm 45dB(A) zou zijn op basis van bijlage 2.2.1. VLAREM II. Het normale omgevingsgeluid dat men gemeten heeft zonder motorcrossactiviteit bedraagt reeds 51 dB(A)(tabel 3.4 pag. 5 van het verslag). Dit betekent dat zonder enige activiteit van tussenkomende partij ter plaatse de richtwaarde van de bijlage 2.2.1 VLAREM II reeds niet kan worden gehaald. T.o.v. dit reeds aanwezige omgevings-geluidsniveau is er -tijdens wedstrijden- volgens de studie van Ecolas dan ook slechts sprake van een overschrijding van maximaal 8,23 dB(A). In dat verband wil tussenkomende partij er op wijzen dat de geluidsdruk van normaal verkeer, die men aanvaardt reeds ligt tussen 50 dB(A) en 70 dB(A)(…) → De meting geeft de voor tussenkomende partij meest negatieve situatie weer. Tussenkomende partij wijst daarvoor op volgende aspecten : • De meting is uitgevoerd op de absoluut dichtste afstand bij het parcours en is niet referentieel voor de buurt. De afstand tussen het meetpunt en het parcours is niet aangeduid, maar gelokaliseerd in de tuin van de woning van Leedenweg nr. 14. Deze tuin grenst quasi aan het perceel waarop het parcours is X-14.157- 13/57 gelegen. Het dichtste punt van deze tuin bevindt zich op 85 meter van de rand van de piste. Tussenkomende partij gaat uit van een afstand van 100 meter. • De meting waar men vooral naar verwijst is de meting tijdens de wedstrijd op zondag (dB(A) = 67,3). Uit de plan-MER is duidelijk gebleken dat de wedstrijdsituatie een hogere geluidsdruk meebrengt dan tijdens de oefensessies. Maar de wedstrijdsituatie is niet referentieel voor de activiteit van tussenkomende partij. Op het circuit van tussenkomende partij worden 3x per jaar wedstrijden ingericht. De referentiële activiteit van tussenkomende partij is deze waarbij het parcours wordt gebruikt door liefhebbers die komen trainen op het parcours. Daarbij wordt slechts zelden het volle vermogen ontwikkeld door een groot aantal piloten tegelijkertijd : in realiteit zijn er immers reeds minder piloten aanwezig en deze ontwikkelen nooit allemaal tegelijk het volle vermogen. Derhalve zal in de referentiële activiteit van tussenkomende partij de geluidsdruk altijd minder zijn. b. De M.E.R.-studie In het kader van het M.E.R. werd er gemeten op 2 plaatsen (Ledeweg 14 - zelfde punt als Ecolas op 70 meter van de rand van het circuit en Ketelstraat 6 op ongeveer 350 meter van de rand van het motorcrossterrein). Op deze 2 plaatsen werden telkens 2 metingen gedaan : → de eerste meting werd gedaan in oktober 2005 op een ogenblik dat het circuit enkel als oefencircuit werd gebruikt → de tweede meting werd gedaan in april 2006 n.a.v. een wedstrijd m.n. de Paastrofee. Bij deze metingen meet men : → Het omgevingsgeluid (geluid van de omgeving zonder gebruik van het circuit): • aan de Ledeweg : tussen 44 dB(A) en 46 dB(A) (meting LAeq,1h) en tussen 36 en 39dB(A)(meting LA95,1h) • aan de Ketelstraat : tussen 56 dB(A) en 64 dB(A) (meting LAeq,1h) en tussen 38 en 42 dB(A)(meting LA95,1h) bedroeg → het geluid met exploitatie in oefenomstandigheden : • aan de Ledeweg : tussen 57dB(A) en 59 dB(A) (meting LAeq,1h) en tussen 32 en 36 dB (A)(meting LA95,1h) • aan de Ketelstraat : 60 dB(A)(meting LAeq,1h) en tussen 36 en 39 dB(A)(meting LA95,1h) → het geluid met exploitatie in wedstrijdomstandigheden : • aan de Ledeweg : 70 dB(A)(meting LAeq,1h) en 53 dB(A)(meting LA95,1h) • aan de Ketelstraat : 69 dB(A)(meting LAeq,1h) en 51 dB(A)(meting LA95,1h) Daarnaast is er nog op 6 punten ambulant gemeten; het gaat om metingen met een duurtijd van 3 minuten op 6 verschillende plaatsen (weergave tabel 5.8 M.E.R.). Omwille van de tijdsduur van 3 minuten zijn deze metingen niet referentieel omdat voor referentiële metingen LA95, 1h of LAeq,1h er een uur moet gemeten worden. De tussenkomende partij wijst er X-14.157- 14/57 toch op dat de waardes LAeq,1h duidelijk lager liggen dan deze gemeten aan de Ketelstraat of Ledeweg. Bij dit verslag moeten volgende elementen benadrukt worden : → er is een duidelijk hogere geluidsdruk tijdens wedstrijden dan deze (tijdens) de oefensituatie. De Raad zal ermee rekening willen houden dat de wedstrijdsituatie zich in 2007 slechts 2 keer voordeed (en in de jaren voordien slechts 3 keer). De wedstrijdsituatie is derhalve weinig referentieel om de hinder in te schatten. → Er voor de situatie van tussenkomende partij geen specifieke geluidsnormen gelden in VLAREM II. Gebruikelijk (d.i. de vergunningssituatie van de Horensbergdam en het Circuit van Terlaemen) werkt men met een toetsingskader (…). Het MER wijst hier ook uitdrukkelijk op (…) maar zal verder wel de nonnen in bijlage 4.5.4 VLAREM II hanteren zonder acht te slaan op 5.32.10.1 § 3 VLAREM II. De uitvoerders van het MER wijzen er op dat gevraagd werd om te toetsen aan de VLAREM-grenswaarden voor zowel de nieuwe als bestaande inrichtingen. Het hoorde m.a.w. tot de opdracht van het betrokken studiebureau om een situatie te onderzoeken die strenger is dan de reglementair voorgeschreven situatie. De verzoekende partijen kiezen er voor om deze nuance niet duidelijk te maken aan Uw Raad. → Als men toch een vergelijking wil maken aan de VLAREM-normen dan is niet duidelijk of deze vergelijking wel tot de vaststelling leidt dat de normen overschreden zijn. Dit hangt af van de keuzes die men maakt in toepasselijk(
  7. e)normen en toepasselijke eenheden. Het plan-MER maakt al duidelijk dat er minstens 3 keuzes gemaakt kunnen worden hoe de resultaten van de geluidsmetingen moeten benaderd worden : • De eerste keuze die moet gemaakt worden is te weten welke norm moet toegepast worden : deze voor bestaande inrichtingen of deze voor nieuwe inrichtingen? - Op grond van artikel 4.5.4. VLAREM II geldt voor bestaande inrichtingen de normen vermeld in bijlage 4.5.4 als richtwaarden. (richtwaarden houdt in dat het geen absolute norm is; de gevolgen die VLAREM koppelt aan deze waarden is het uitvoeren van een saneringsplan : slechts wanneer deze richtwaarden met 10 dB(A) overschreden worden moet er een sanering plaatsvinden; wanneer deze richtwaarde overschreden wordt maar met minder dan 10 dB(A) dan kan de overheid een saneringsplan verplichten (maar ze is daartoe niet verplicht)). Als de inrichting van de tussenkomende partij een bestaande inrichting is (en daaraan kan niet getwijfeld worden gelet op de bovenstaande uiteenzetting met de geschiedenis van het circuit), dan geldt als richtwaarde 45 dB(A). - Op grond van artikel 4.5.3 VLAREM II hangt de geluidsnorm voor nieuwe inrichtingen af van het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid (d.i. het geluid zonder X-14.157- 15/57 het geluid van de inrichting). Als dit hoger of gelijk is aan de norm vermeld in bijlage 2.2.1 VLAREM II dan geldt de norm uit de bijlage tenzij het LA95,1h van het omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) lager is. Is (…) het LA95, 1h van het omgevingsgeluid lager dan de norm in de bijlage dan zal voor woongebieden het geluid niet meer mogen zijn dan de het LA95,1h van het omgevingsgeluid tenzij de norm vermeld in de bijlage 2.2.1 VLAREM II verminderd met 5 dB(A) lager is. Het MER stelt dat de toetsingsnorm als nieuwe inrichting moet bepaald worden op de LA95,1h van het omgevingsgeluid (MER pag. 107 - punt 5.1.6.4). Waarom dan de getallen 36 dB(A) en 38 dB(A) worden genomen voor respectievelijk Leedenweg en Ketelstraat en in tabel 52 dan nog eens maar dan voor oefensessie en wedstrijdsituatie is voor de tussenkomende partij onduidelijk (het is de tussenkomende partij (s)owiezo al onduidelijk hoe het geluid zonder activiteit kan verschillen voor een oefensessie en wedstrijdsituatie). Op basis van de metingen (vermeld pag. 98 MER) is dit immers de meest slechte situatie voor de tussenkomende partij. Bij de meer overwegende zuidwest-windrichting (meting 8 april) is de LA95,1h van het omgevingsgeluid immers als volgt : voor de Leedenweg 38 dB(A) en voor de Ketelstraat 42 dB(A). In dat geval is LA95,1h van het omgevingsgeluid lager dan de norm in de bijlage 2.2.1 (45 dB(A)) zodat als norm geldt voor de Leedenweg 38 dB(A) en voor de Ketelstraat 40 dB(A), nl. de richtnorm verminderd met 5 dB(A). • De tweede keuze die moet gemaakt worden is de eenheid waaraan de norm getoetst moet worden. Het MER maakt de keuze om de norm te toetsen op basis van de gemeten eenheid LAeq,1h (…). Deze keuze is evenwel niet evident : men vergelijkt immers aan een norm die opgesteld is in de eenheid LA95,1h. De tussenkomende partij meent dat deze keuze derhalve niet verantwoord is. Wat er ook van zij : zoals hieronder duidelijk gemaakt zal worden maakt het MER (…) hier een strenge en meer nadelige keuze voor het motorcrosscircuit. • En een laatste keuze die het plan MER maakt (of laat) is te weten of de gegevens van de hele beoordelingsperiode dan wel enkel de periodes dat er daadwerkelijk gecrost wordt moeten in aanmerking genomen worden. De Raad zal willen opmerken dat in de meettabellen in het MER (…) er 2 (twee) meetresultaten vermeld worden, m.n. de vetgedrukte resultaten zijn de meting tijdens de periodes dat er gecrost werd en de meting tussen haakjes zijn de metingen van de gehele beoordelingsperiode. Omdat er niet voortdurend gecrost wordt (zowel tijdens de oefensessies als in wedstrijden wordt er gereden in manches; tussen de manches zijn er een lange pauzes) zijn de resultaten van de metingen tijdens de gehele beoordelingsperiode uiteraard lager, X-14.157- 16/57 aangezien het gaat om gemiddelden. Het MER kiest er voor om rekening te houden met de meest nadelige cijfers voor de inrichting. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden (bestaande / nieuwe; LAeq,1h of LA95,1h resultaat enkel voor crossactiviteit of van gehele periode) komt men tot de volgende vaststelling bij de toetsing van de normen : Afhankelijk van de keuzes die men maakt verschillen de interpretaties van de hinder sterk. Er zijn zelfs enkele situaties waarbij de norm niet overschreden wordt (…). De tussenkomende partij wil met deze tabel vooral de ongenuanceerde benadering door de verzoekende partijen van het MER aantonen. Het plan MER is opgesteld om een evaluatie mogelijk te maken en heeft haar aanbevelingen (…) op de meest ongunstige keuzes voor het motorcrosscircuit geformuleerd. In realiteit is de inhoud veel genuanceerder. Het zal de Raad duidelijk zijn dat vooral de vergelijking met het reeds bestaande omgevingsgeluid, de hinder die de verzoekende partijen aan het geluid geven moet genuanceerd worden. → En tenslotte wekken de verzoekende partijen de indruk dat de notulen nooit zouden gehaald kunnen worden (citaat door de verzoekende partijen telkens omkaderd in het verzoekschrift). Bij dit citaat wil de tussenkomende partij het volgende opmerken : • Dit citaat komt niet voor in het MER. Het correct citaat is (…) : ‘De richtwaarde (voor bestaande inrichting) voor woongebieden zijnde 45 dB(A) zelf, is wellicht nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grenswaarde (nieuwe inrichting) van 36 dB(A) à 38dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten.’ Het gebruik van het door de verzoekende partijen weggelaten woordje ‘wellicht’ sluit niet uit dat de norm toch gehaald kan worden. • De tussenkomende partij herhaalt dat er als zodanig geen norm geldt voor motorcrosscircuits (gelet op artikel 5.32.10.1 § 3 VLAREM II). • De beweerde onhaalbaarheid wordt enkel beschreven voor de meest dichtstbijzijnde woningen, niet voor het gehele gebied. • De bewering wordt gemaakt wanneer 2 (twee) voorzorgsmaatregelen worden uitgevoerd, nl. het optrekken van geluidswallen en het controleren aan de bron van de motoren, zodat de motoren een maximaal geluidsniveau van 95 dB(A) op 5 meter afstand bij vol X-14.157- 17/57 vermogen produceren. Beide voorzorgsmaatregelen worden door het MER als realistisch ingeschat; als deze maatregelen worden uitgevoerd dan meent het MER dat het geluidsdrukniveau aan de dichtstbijzijnde woningen onder de 55 dB(A) zal vallen, hetgeen volgens de normen voldoende is voor bestaande inrichtingen (nl. overschrijding met minder dan 10 dB(A). Daarbij zijn echter nog twee punten van groot belang : - Als deze twee punten uitgevoerd worden dan daalt het geluidsdrukniveau voor de woningen verder dan deze aan de Ledenweg tot onder het achtergrondsgeluidsniveau (dit is het niveau zonder activiteit). De tussenkomende partij verwijst daartoe naar figuur 12 (…). Dit doet de verwachting rijzen in het MER dat wanneer deze 2 maatregelen uitgevoerd worden, het aantal gehinderden bij oefensessies tot 0 (nul) wordt herleid of verwaarloosbaar is (…). Voor wedstrijden wordt geen cijfermatige inschatting gemaakt maar men meent dat het aantal gehinderden op ‘hooguit enkelen’ kan geschat worden. - Maar bovendien stelt het plan-MER nog enkele additionele maatregelen voor die toelaten bijkomende geluidswinst te boeken : → Het aantal rijders per sessie te beperken → beperking van het aantal openingsdagen van het circuit (dit wordt verder uitgewerkt in de discipline mens aangezien dit niet louter een akoestische winst oplevert). → Een ander type omroepsysteem voor de wedstrijden. Door slechts enkele geluidsboxen op het terrein te voorzien en dit op een hoogte die boven het circuit uitsteekt, is de geluidsemissie per box veel te hoog en draagt het geluid van dit type omroepsysteem veel te ver. Door het aantal boxen te vermeerderen, de geluidsemissie per box te beperken, de spraakverstaanbaarheid van de boxen te verbeteren en de boxen op een lagere hoogte te bevestigen zal de geluidshinder door het omroepsysteem veel lager liggen. Derhalve schetsen de verzoekende partijen op basis van een onvolledig citaat een negatiever beeld dan op basis van het plan MER moet geschetst worden. c. Het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie en de Nederlandse Studie Aangezien deze beide documenten weinig meer inbreng kunnen doen dan het plan MER dat voorlegt meent de tussenkomende partij dat deze elementen weinig relevant zijn voor de beoordeling van het belang van de verzoekende partijen. C. Conclusie De verzoekende partijen tonen onvoldoende hun belang aan bij het ingediende verzoekschrift”. 4.3. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen wat volgt: X-14.157- 18/57 “Verzoekers beschikken over een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang voor het indienen van onderhavig beroep tot vernietiging. Verzoekers wonen allemaal in het gehucht Waterloos te Neeroeteren, nabij het motorcrosscircuit dat het plangebied uitmaakt van de bestreden beslissing. Tot aan de bestreden beslissing was dit circuit gelegen in natuurgebied. Door de bestreden beslissing komt het circuit in recreatiegebied te liggen, en wordt regularisatie van de uitbating van het circuit mogelijk gemaakt, enerzijds door het afleveren van de nodige stedenbouwkundigen, anderzijds door het opheffen van het exploitatieverbod dat momenteel nog geldt (het Hof van Beroep te Antwerpen lijkt te willen wachten op de uitspraak van de Raad van State alvorens standpunt in te nemen), en tenslotte door het afleveren van een nieuwe milieuvergunning. Dit betekent vervolgens dat de club opnieuw trainingsdagen en wedstrijden op het circuit kan laten doorgaan, en dat het circuit zal worden opengesteld voor nieuwe crossactiviteiten. De uitbating van het circuit veroorzaakt zeer ernstige hinder voor elk van de verzoekers, meer bepaald geluidshinder, geurhinder en stofhinder. Zoals blijkt uit de bestreden beslissing zelf, ligt het woonlint Waterloos binnen een straal van 500 meter ten opzichte van het circuit (…). De verste woningen liggen nog op minder dan 1500 meter van het betrokken circuit. Ten bewijze van de ernstige hinder die de exploitatie van het circuit veroorzaakt wordt verwezen naar volgende stukken :
  8. a)plan-MER Zowel het project-MER bij de milieuvergunning van 10 juli 2008 als het plan-MER dat werd opgemaakt ‘in functie van’ de bestreden beslissing komen tot de vaststelling dat de omwonenden - waaronder verzoekers - door de uitbating van het circuit geconfronteerd worden met ernstige geluids- en geurhinder. Er werd op verschillende plaatsen gemeten (…) - de geluidskwaliteit bij inactiviteit van de motorcross is als goed tot zeer goed te beoordelen - tijdens activiteit worden overschrijdingen van de geluidsnormen vastgesteld van 15 dB(A) tot 30 dB(A), afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van het circuit (oefenwedstrijd of officiële wedstrijd) en van het uitgangspunt (normen voor bestaande dan wel voor nieuwe inrichting) - voor de geurhinder komt het voorlopig MER-rapport tot de vaststelling dat negatieve tot zeer negatieve effecten worden waargenomen bij de omwonenden (Ledenweg, Waterlozeweg, Ketelstraat, Meyldersweg), die bij de overheersende windrichting - zuidwestenwind - permanent aanwezig zijn Bovendien besluiten de deskundigen van het project- resp. het plan- MER : ‘De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden, zijnde 45 dB(A) zelf, is nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grenswaarde van 40 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten.’ X-14.157- 19/57
  9. b)eigen metingen Verzoekers schakelden reeds in 2006 een eigen geluidsdeskundige in, m.n. de heer Patrick Pans van Ecolas, erkend deskundige ‘Geluid en Trillingen’. Deze voerde metingen uit van vrijdag 19 tot maandag 22 mei 2006, inclusief tijdens de wedstrijd van 21 en 22 mei 2006. De resultaten van deze metingen luiden als volgt (…) : ‘* het geluid afkomstig van de motorcrossactiviteiten gehouden op zaterdag 20 en zondag 21 mei heeft een significante impact op het omgevingsgeluid. Het gemiddelde omgevingsgeluid (als LAeq- waarneming) neemt met meer dan 10 dB(A) toe t.g.v. de geluidsbelasting van deze motorcrossactiviteiten. Dergelijke geluidsverhoging is zonder meer hinderlijk voor de leefomgeving. * in vergelijking met de VLAREM-geluidsvoorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 worden de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht met meer dan 26 dB(A) overschreden.’ Deze metingen liggen overigens volledig in de lijn van de metingen van de eigen deskundigen van tussenkomende partij en van eerste verweerster, geraadpleegd in het kader van het plan-MER en het project-MER. In de marge merken verzoekers nog op dat zowel Ecolas als Aeolus intussen zijn opgegaan in de Arcadisgroep. De interpretatie die tussenkomende partij meent te moeten geven aan de metingen doet geen afbreuk aan voormelde vaststellingen van de geluidsdeskundigen dat de hinder die het circuit veroorzaakt voor de omwonenden, waaronder verzoekers, zeer ernstig is, en bovendien niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden herleid.
  10. c)advies Gewestelijke Milieuvergunningscommissie De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie komt na analyse van de verschillende stukken van het dossier tot volgende conclusies - waarbij nogmaals weze benadrukt dat eerste verweerster voorafgaand aan de bestreden beslissing - en op eigen uitdrukkelijk verzoek - van dit advies in kennis werd gesteld (…) : ‘Overwegende dat hieruit kan besloten worden dat het niet helemaal zeker is dat de voorgestelde grenswaarde van 50 dB(A) in woongebied kan gehaald worden; dat in een ander vergund circuit te Genk een strengere grenswaarde in het woongebied wordt opgelegd van 45 dB(A); dat duidelijk gesteld wordt in het MER dat deze grenswaarde van 45 dB(A) niet gehaald kan worden in het woongebied naast het circuit van Maaseik; dat bovendien het betreffende circuit te Maaseik veel ongunstiger gelegen is dan de vergunde circuits te Lommel en Genk; dat bij het circuit van Maaseik deze bewoning zich veel dichter bij het circuit situeert ten opzichte van de situatie in Genk en Lommel; dat hieruit kan besloten worden dat de ruimtelijke ligging van het circuit te Maaseik zich niet leent voor een dergelijke exploitatie en dat bovendien de geluidshinder in het woongebied niet tot een aanvaardbaar niveau kan gereduceerd worden... … Conclusie X-14.157- 20/57 Overwegende dat in het MER en aanvraagdossier niet kan aangetoond worden dat de voorgestelde maatregelen tegen stofhinder, geurhinder en geluidshinder voldoende zullen zijn om de hinder uitgaande van de exploitatie van het motorcrosscircuit tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dat het bijgevolg aangewezen is om de vergunning hiervoor de weigeren’ (…) d)Nederlandse Studie Uit een Nederlandse studie blijkt dat voor een motorcrosscircuit in principe een afstand van minstens 1500 m nodig is om tot een immissiewaarde van 50 dB(A) te komen opzichtens de op deze afstand gelegen woningen (…) : p. 29 ‘Dat motorcrossterreinen tot de grote lawaaimakers kunnen worden gerekend blijkt wel uit het feit dat een gemiddeld crossterrein met circa 20 crossmotoren, die gedurende 6 uur crossen, een totale emissierelevante bronsterkte heeft van ongeveer 122 à 130 dB(A), afhankelijk van de ligging in het vrije veld of in de bossen en de aanwezigheid van geluidswallen of ingegraven banen. ... In tabel 2 ziet U dat een motorcrossbaan, waar 10 motoren op het circuit aanwezig zijn en de totale emissierelevante bronsterkte Lwr ongeveer 125 dB(A) bedraagt, een afstand tot woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen dient aan te houden van circa 1500 m, om aan de geluideis van 50dB(A) te voldoen. ... Het zal eenieder duidelijk zijn dat motorcrossterreinen een zeer grote geluidruimte nodig hebben.’ p. 44 ‘Met name race- en crosscircuits worden als zeer hinderlijk beschouwd. Van degenen die race- en crosslawaai horen, blijkt ruim één op drie gehinderd te worden. ...’ De woningen van verzoekers liggen zonder uitzondering op een afstand die geringer is dan deze minimumafstand van 1500 meter. De bemerking van tussenkomende partij, als zou het belang van verzoekers niet voldoende gelijklopend zijn om te ageren met een collectief verzoekschrift, wordt door bovenvermelde stukken tegengesproken. Binnen een straal van 1500 meter rond het circuit dient de geluids- en stofhinder die van dergelijk circuit uitgaat, als zeer hinderlijk te worden beschouwd. Alle verzoekers wonen binnen een straal van 1500 meter rond het circuit. Het is bovendien niet vereist dat zij precies dezelfde hinder ondervinden om van een gelijklopend belang te kunnen spreken. (…). De hinder wordt voor alle verzoekers veroorzaakt door dezelfde uitbating van hetzelfde circuit, waarvoor de bestreden beslissing de basis voor verdere exploitatie zal uitmaken. Het gaat bovendien om dezelfde soort hinder, zodat de argumenten die zij ter zake ontwikkelen eveneens gelijklopend zijn. (...) Deze redenering kan ook gemaakt worden voor alle verzoekers. Tussenkomende partij heeft verzoekers al geregeld verweten dat zij samen optreden. Op geen enkel ogenblik hebben verzoekers zich gepresenteerd als een collectief. Evenmin pretenderen zij een collectief of algemeen belang te behartigen. Zij komen elk op voor hun individueel, doch met elkaar gelijklopend belang. X-14.157- 21/57 Noch in de procedure tegen het eerste PRUP, noch in de schorsingsprocedure werd het gelijklopend belang van verzoekers overigens in vraag gesteld. Alleszins staat buiten kijf dat de belangen van elk der verzoekende partijen gevoelig beïnvloed worden door de oplossing die aan het door hen ingestelde beroep zal worden gegeven. Zoals terecht gesteld door uw Raad - zowel in de procedure tegen het eerste PRUP als in de schorsingsprocedure tegen de thans bestreden beslissing, - maakt het nieuwe PRUP het mogelijk om de exploitatie van het circuit te hervatten, met alle gevolgen van dien voor verzoekers. Het PRUP is immers de basis voor het afleveren van de verdere vergunningen en vormt als het ware de rechtsgrond voor het gebruik van het circuit overeenkomstig de vastgestelde bestemming ‘recreatiegebied’ (…) Beslissingen die betrekking hebben op de regularisatie van de exploitatie van dit hinderverwekkend circuit - zoals in casu de bestreden beslissing - hebben derhalve een directe weerslag op de woonomgeving van verzoekers. Bovendien worden verzoekers sub 3 en 4 getroffen door het onteigeningsplan bij de bestreden beslissing (…) en de machtiging tot onteigening die wordt verleend aan de stad Maaseik. Zij zijn eigenaar van het perceel kadastraal gekend Maaseik, tweede afdeling sectie D nr. 980D, dat voor de volledige oppervlakte zou kunnen worden onteigend ten gevolge van de bestreden beslissing. Verzoekers beschikken dan ook allen over het vereiste belang voor onderhavig verzoek tot annulatie. Bovendien is dit belang voldoende gelijklopend opdat zij hun vordering konden instellen in een collectief verzoekschrift”. Beoordeling 4.4. De verzoekende partijen stellen, hetgeen noch door de verwerende partijen, noch door de tussenkomende partij wordt betwist, dat zij “allemaal (wonen) in het gehucht Waterloos te Neeroeteren, nabij het motorcrosscircuit dat het plangebied uitmaakt van de bestreden beslissing”. Die niet betwiste hoedanigheid volstaat om een voldoende belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissingen. 4.5. Daarnaast beroepen de verzoekende partijen zich ook op een specifieker belang, met name de geluids-, geur- en stofhinder ten gevolge van de crossactiviteiten welke door de bestreden beslissingen mogelijk zullen worden gemaakt. Dat die hinder mogelijkerwijs niet voor alle verzoekende partijen in dezelfde mate zou kunnen worden aangenomen heeft niet voor gevolg X-14.157- 22/57 dat hun belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen niet gelijklopend zou zijn in die mate dat een ordelijke en overzichtelijke procesvorming niet meer mogelijk zou zijn. Doet aan die vaststelling niets af het feit dat de derde en vierde verzoekende partij zich tevens ook nog blijken te beroepen op het feit dat zij “eigenaar (zijn) van het perceel (…) dat voor de volledige oppervlakte zou kunnen worden onteigend ten gevolge van de bestreden beslissing” en specifiek daartegen middelen aanvoeren. 4.6. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het zesde middel Standpunt van de partijen 5.1. In een zesde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht, “Doordat de bestreden beslissing stelt dat de conclusie van de voorafgaande milieu-onderzoeken is dat de te verwachten hinder kan worden vermeden of beperkt worden door de voorgestelde ruimtelijke maatregelen Terwijl in werkelijkheid op grond van het plan-MER niet is aangetoond dat de in dit plan voorgestelde maatregelen tegen stofhinder, geurhinder en geluidshinder voldoende zullen zijn om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken Zodat de bestreden beslissing niet gestoeld is op deugdelijke motieven en niet zorgvuldig tot stand is gekomen, en derhalve tekort komt aan de materiële motiveringsplicht en aan (
  11. de)zorgvuldigheidsplicht. Toelichting Bij het tot stand komen van hun beslissingen zijn verweerders verplicht de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen teneinde tot een correcte feitenvinding te komen (...). Zowel in de voorbereiding ervan, als bij het nemen van de beslissing zelf, dienen verweerders zorgvuldig, redelijk en bedachtzaam te werk te gaan. De materiële motiveringsplicht is de vereiste van deugdelijke motieven, en houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden (...). X-14.157- 23/57 Op grond van het plan-MER kan enkel vastgesteld worden dat de bevindingen in de discipline geluid , stof en geurhinder van aard zijn de bestemmingswijziging van het gebied van natuur naar recreatiegebied af te wijzen. De vastgestelde geluidswaarden werden getoetst aan de richtwaarden van Vlarem II, zowel voor bestaande als voor nieuwe inrichtingen (...) : ‘De richtwaarde voor een bestaande inrichting bedraagt overdag 45 dB(A). De grenswaarde voor een nieuwe inrichting bedraagt 40 dB(A) (richtwaarde - 5 dB(A)). De specifieke bijdrage van de activiteiten van de motorcross tijdens oefeningen bedraagt momenteel bijna 60 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen. Tijdens de Paastrofee (wedstrijd) bedroeg het Laeq,lh, een maat voor het specifiek geluidsniveau, 70 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen.’ In vergelijking met de richtwaarden voor bestaande inrichtingen wordt vervolgens een overschrijding met 15 tot 25 dB(A) vastgesteld. In vergelijking met de richtwaarde voor nieuwe inrichtingen bedraagt de vastgestelde overschrijding 20 tot 30 dB(A). In beide gevallen wordt gesteld dat ‘sanering’ ‘verplicht’ zou zijn. Vervolgens worden een aantal bijkomende ‘milderingsmaatregelen’ uitgewerkt. Het effect van maximale afscherming wordt vervolgens geëvalueerd in het plan-MER (...) : ‘met betrekking tot het geluidsaspect blijkt echter dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is.’ In de bestreden beslissing wordt gesteld dat dit probleem moet worden opgelost met een aangepaste kalender. Het valt echter niet in te zien hoe een ‘aangepaste kalender’ ervoor kan zorgen dat de milieukwaliteitsdoelstellingen wel kunnen worden gehaald. Ook betreffende de andere voorgestelde milderende maatregelen gaan verweerders er ten onrechte van uit dat deze de te verwachten hinder tot een aanvaardbaar niveau zullen beperken: samen met verzoekers komt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie tot de conclusie dat nergens is aangetoond dat de in het plan-MER voorgestelde maatregelen de stofhinder, geurhinder en geluidshinder uitgaande van de exploitatie van het circuit tot een aanvaardbaar niveau zullen kunnen beperken. Bovendien vermogen verweerders zich niet verschuilen achter een vermeende onbevoegdheid om zich over de mogelijke gevolgen voor het leefmilieu van onder meer verzoekers te buigen, nu zij zogenaamd enkel over de aspecten van ruimtelijke ordening zou mogen/moeten uitspreken. Uw Raad heeft in arrest van 7 mei 2007 aangaande hetzelfde circuit reeds terecht het volgende opgemerkt (...) : ‘Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde overheden erkennen dat het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan een niet te verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat maatregelen noodzakelijk zijn om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden, Overwegend(
  12. e)dat, indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de impact van de voorziene bestemmingen op het leefmilieu, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; X-14.157- 24/57 ...’ Bovendien volstaat het niet om te voorzien in - zomaar - maatregelen. Enkel maatregelen die op een rechtszekere manier een oplossing bieden aan de vastgestelde problemen kunnen aanvaard worden om van zorgvuldige besluitvorming te spreken (...). Voor de te verwachten geluidshinder wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat deze niet tot een aanvaardbaar niveau te herleiden is. Vervolgens wordt de - door verweerders zelf onmogelijke geachte - oplossing voor dit probleem verschoven naar een nog nader te bepalen ‘aangepaste’ kalender. De voorgestelde maatregelen bieden geen rechtszekere oplossing voor de te verwachten hinder. Er is daarom sprake van onzorgvuldige besluitvorming in hoofde van verweerders. Deze heeft tegelijkertijd tot gevolg dat de bestreden beslissing niet wordt gedragen door rechtens aanvaardbare motieven die de beslissing kunnen schragen”. 5.2. De tweede verwerende partij antwoordt: “Dit middel is niet gegrond, m.n. om de volgende redenen: 6.1 Zorgvuldige besluitvorming via doorwerking gevoerde milieueffectenrapportages Zoals hierboven reeds werd gesteld werd bij de voorbereiding, vaststelling en goedkeuring van het hier bestreden PRUP Waterloos op een zeer bepalende wijze rekening gehouden met de bevindingen en resultaten van zowel het plan-MER (specifiek opgesteld in functie van het PRUP en voorafgaand goedgekeurd door de dienst MER) als het project-MER (eerder reeds al opgesteld en goedgekeurd op initiatief van de exploitant in functie van vergunningsprocedures). Dit blijkt duidelijk uit de toelichtingsnota bij het huidige PRUP waar de meest relevante gegevens uit beide gevoerde milieueffectrapportages worden weergegeven, evenals de wijze waarop deze doorwerking hebben gekregen in het PRUP zelf (…). Vanuit zowel het plan- als het project-MER werd de volgende conclusie geformuleerd: ‘(...) Het grootste aandeel van de aanwezige/te verwachten effecten kunnen vermeden of voldoende beperkt worden door de voorgestelde maatregelen, aanvullend op de bestaande maatregelen/werkwijzen die reeds worden gehanteerd. Met betrekking tot het geluidsaspect blijkt echter dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is. Om een voldoende goede leefkwaliteit te kunnen garanderen, is op dit vlak een aanpassing van de kalender, in samenspraak met de omwonenden dan ook absoluut noodzakelijk. De opening van het terrein Horensbergdam sinds mei 2006 biedt ten opzichte van de vroegere situatie op dit vlak meer mogelijkheden. (...) Maatregelen die vanuit de verschillende disciplines zijn voorgesteld, moeten binnen de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP mogelijk zijn.’ N.a.v. het plan-MER werden meer bepaald de volgende maatregelen als verplichtend vooropgesteld (…): ‘(...) X-14.157- 25/57 • Aanleg geluidsbermen en -schermen zo dicht mogelijk bij het circuit (niet in verwevingsstrook en bosbuffer). Landschappelijke inkleding van schermen die ook visuele hinder vanuit bewoning beperkt. • Plaatsing meetposten (incl. eventueel voorzien van bekabeling) op 5 m van het circuit. • In noordelijke berm kunnen eventueel tribunes geïntegreerd worden, maar op voorwaarde dat akoestische reflectie wordt vermeden. • Voorzien van dicht beboste strook tussen circuit en woningen thv Leedenweg en Waterlozenweg; gedeeltelijke boscompensatie in noorden van site. • Voorzien van een hemelwaterput, een ondoorlatend bufferbekken en ondoorlatende verhardingen voor gemotoriseerd verkeer. • Ontbossing in verwevingszone en bosbuffer niet noodzakelijk ifv voorgestelde maatregelen; binnen kernzone en zone voor ondersteunende functies wel mogelijk mits boscompensatie. • Herbestemming terrein Dorre i.f.v. boscompensatie; realisatie van een halfopen landschap krijgt op deze locatie de voorkeur. • Termijnen voorop te stellen waarbinnen boscompensatie effectief moet gerealiseerd zijn. • Alle voorgestelde sporten (motorcross, 4x4, quad, BMX, mountainbike, oriëntatielopen, wandelen, hondensport, boogschieten en veldrijden) uitgezonderd gebruik van terrein als start- en eindpunt voor enduro ritten over lange-afstand, zijn mogelijk. De verschillende sporttakken (uitz. BMX op kindercircuit) kunnen echter niet gelijktijdig plaatsvinden. Geluidsbelastende activiteiten (trial, BMX) kunnen niet toegestaan worden in de verwevingszone. Deze moeten binnen de schermen zoals voorzien in de kernzone (eventueel met een nieuw circuit) voorzien worden.’ Ook n.a.v. het project-MER werden milderende maatregelen vooropgesteld, dan wel verder gedetailleerd voor de disciplines geluid, luchtkwaliteit, bodem- en waterkwaliteit, natuur- en landschappelijke waarden en bundeling van sporten (geen hoogdynamische sporten zoals trial en BMX meer binnen de verwevingszone) (…). Wat betreft het geluidsaspect wordt in beide milieueffectenrapporten meer bepaald gesteld dat met de hierin voorgestelde schermmaatregelen (grondbermen, gronddammen en afsluiten oostelijke lus tijdens oefensessies) en de bijkomende reductie van de geluidsemissie aan de bron (ten belope van 8dB(A)) een ‘sterke verbetering, respectievelijk zeer sterke verbetering van het geluidsklimaat kan bekomen worden vergeleken bij de huidige situatie en dit zowel voor verderaf gelegen woningen als respectievelijk dichtbij gelegen woningen’, dat ‘het mogelijk is om de richtwaarden voor de omgeving met minder dan 10 dB(A) te overschrijden’, dat ‘dergelijke overschrijding is toegestaan voor een bestaande inrichting indien alle mogelijke technische maatregelen genomen zijn en dit volgens best beschikbare technieken’ en dat ‘de vergelijking tussen het aantal gehinderden in de huidige situatie en situatie met uitvoering van voorgestelde maatregelen dan ook de noodzaak onderbouwt X-14.157- 26/57 tot het treffen van de voorgestelde maatregelen (schermmaatregelen en bronreductie)’ (…). Ter beperking van de stofhinder wordt naast de aanleg van een bosbuffer ook het nathouden van het circuit aangeduid. Als bijkomende maatregel ter beperking van de geurhinder wordt, naast de aanleg van een bosbuffer, het beter afstellen van de motoren en het overgaan van 2-takt naar 4-takt motoren voorgesteld. De vertaling en dwingende oplegging van al deze vanuit de milieurapportages voorgestelde milderende maatregelen - die ruimtelijk- planologisch vertaalbaar zijn - vindt zijn weerslag in de stedenbouwkundige voorschriften zelf van het PRUP, nl. in de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 (…). Hiervoor kan o.a. worden verwezen naar de volgende dwingende voorschriften: • alle milieumilderende maatregelen zijn principieel vergunbaar (art. 4) • maatregelen om erosievorming van de taluds te beperken, zijn verplicht • verhardingen ter realisatie van controlerijstrook en constructies ter ondersteuning van meetposten zijn toegelaten in kernzone voor grondgebonden gemotoriseerde sporten (art. 5) • in de taluds ingewerkte tribunes binnen de kernzone mogen geen erosie, noch akoestische reflectie veroorzaken (art. 5) • 90% van de oppervlakte van verwevingszone voor grondgebonden gemotoriseerde sporten moet ingericht worden in functie van behoud en versterking van bestaande bos- en groenwaarden (art. 6) • verplichte aanleg (of vervollediging) van bosbuffer als mantelzone (art. 7) • stedenbouwkundige vergunning in kernzone, verwevingszone en zone voor ondersteunende functies enkel mogelijk na integrale realisatie van bosbuffer (art. 5, 6 en 8) • verplichte aanleg van permanente geluidsbuffers (langsheen noordwestelijke, noordoostelijke, zuidoostelijke en zuidwestelijke zijde), oprichting van massieve toegangspoort en aanleg van periodieke geluidswal voor afsluiting van de oostelijke lus tijdens oefensessies (art. 9). Niet planologisch te vertalen maatregelen (bijv. verplichte vermindering van geluidsemissie aan bron, controle op geluidsemissie, nat houden van circuit, ...) konden uiteraard niet worden opgenomen in het PRUP en moesten hun uitwerking krijgen in de milieuvergunning, wat in casu ook gebeurde, zoals blijkt uit de milieuvergunningsbeslissing van 10 juli 2008. Voor een overzicht van alle ruimtelijke aspecten vanuit de milieueffectenrapportage kan worden verwezen naar het schema opgenomen in de toelichtingsnota bij het PRUP op blz. 55-60/92. Uit het voorgaande kan dan ook worden afgeleid dat het PRUP dus planologisch voldoende en rechtszekere waarborgen biedt voor het effectief realiseren van de nodige milderende maatregelen voorgesteld vanuit de deskundig gevoerde milieueffectrapportages. Hierdoor wordt op afdoende en rechtszekere wijze en op een vanuit planningsoogpunt maximale wijze een oplossing geboden voor de te X-14.157- 27/57 verwachten negatieve effecten op het milieu (vanuit de verschillende disciplines). Hierbij moet ten slotte nog worden aangetekend dat uit de deskundig en objectief gevoerde milieueffectenrapportages voldoende blijkt dat met de voorgestelde milderende maatregelen de hinder (geluidshinder, geur- en stofhinder en andere nadelige effecten voor de omgeving wel degelijk tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Het is in ieder geval geenszins onredelijk geweest van de provincie, noch van de Vlaams minister om te oordelen dat met de maximale vertaling van de ruimtelijk-planologische maatregelen in het PRUP zelf de hinder voor de omgeving op voldoende (en aanvaardbare) wijze wordt beperkt, in het licht van de vaststellingen uit de milieueffectenrapporten. 6.2 Weerlegging standpunt van uw Raad in het schorsingsarrest In het schorsingsarrest van (…) oordeelde uw Raad dat aangezien is erkend dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is wat betreft het geluidsaspect, maar hieraan volgens de MER- rapporten kan worden geremedieerd door een ‘aanpassing van de kalender’, in samenspraak met de omwonenden, het PRUP geen rechtszekere oplossing biedt voor het niet voldoen aan de geldende milieukwaliteitsnormen (voor nieuwe inrichtingen), nl. omdat de voorgestelde remediëring via de aanpassing van de kalender geen neerslag vindt in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP. Allereerst wenst de verwerende partij hiertegen in te brengen dat het motorcrosscircuit geenszins als een nieuwe inrichting in de zin van Vlarem moet worden beschouwd, zoals hierboven (…) reeds op uitvoerige en afdoende wijze werd aangetoond. Het motorcrosscircuit is, gelet op de milieutechnische vergunningssituatie, immers een ‘bestaande inrichting’ in de zin van art. 1.1.2 van Vlarem II. Uw Raad heeft dan ook ten onrechte verwezen naar de stelling in de MER-rapporten dat de grenswaarden voor nieuwe inrichtingen van 36dB(A) à 38dB(A) helemaal niet realiseerbaar is, stelling die overigens enkel werd ingenomen omdat het MER de geluidsnormen heeft getoetst voor beide situaties (crosscircuit te beschouwen als bestaande, dan wel als nieuwe inrichting). Bij de weerlegging van de bezwaren in het PRUP en ook hierboven werd reeds afdoende aangetoond dat het motorcrosscircuit als een bestaande inrichting kan en moet worden beschouwd. Verder blijkt uit het plan-MER: • dat op basis van de metingen het LAeq,1h aan de meest nabijgelegen woningen ongeveer 70 dB(A) bedraagt tijdens wedstrijden en ongeveer 60 dB(A) tijdens oefensessies (…) • dat de grenswaarde/richtwaarde voor geluid in open lucht in woongebied, nl. 45dB(A) overdag, juridisch gezien niet van toepassing is op motorcrossomlopen (…); dit volgt trouwens uit art. 5.32.10.1, §3 van Vlarem II waarin, m.b.t. omlopen voor motorvoertuigen, is bepaald dat de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5 van Vlarem II (o.a. de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht) niet van toepassing zijn op dergelijke inrichtingen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning X-14.157- 28/57 • dat het aan de (milieu)vergunningverlenende overheid is om een toetsingskader uit te werken, zoals dat voor de meeste permanente circuits in Limburg gebeurt • dat er zowel maatregelen in de overdracht (geluidsschermen en buffering) als maatregelen aan de bron nodig zijn om de geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen • dat bij maximale afscherming een reductie van 6 dB(A) realiseerbaar is, waarbij het LAeq,1h tijdens wedstrijden aan de meest nabijgelegen woningen in de Leedenweg nog ongeveer 64 dB(A) zal bedragen • dat de bronmaatregelen volgens BBT (geluidsdemping, afstellen motors) een bijkomende reductie van 8 dB(A) kan opleveren • dat een aanzet wordt gegeven om te komen tot een controlesysteem (met 2 meetpunten, een vast en mobiel, binnen het crossterrein én een permanente meetpost in de Leedenweg nr. 14), dat samen met de gronddammen een waarborg geeft om de geluidshinder te beperken; hierbij bedragen de voorgestelde grenswaarden voor op 5 m van crossmotor bij vol vermogen respectievelijk 95 dB(A) tijdens trainingssessies en 100 dB(A) tijdens wedstrijden; voor het meetpunt in de Leedenweg wordt als toetsingskader vooropgesteld dat tijdens de normale exploitatie het LAeq,1h van het specifiek geluid beperkt wordt tot 50 dB(A) in de Leedenweg en op 200 meter van het circuit en dat de pieken van het specifiek geluid van de exploitatie uitgedrukt in LAeq,1h op dezelfde locatie beperkt worden tot 70 dB(A), waarbij deze waarden tijdens wedstrijden en oefenritten ter gelegenheid van deze wedstrijden mogen worden overschreden met 5 dB(A) • dat met behulp van deze twee maatregelen (schermmaatregelen en bronmaatregelen) een sterke verbetering, respectievelijk zeer sterke verbetering van het geluidsklimaat kan worden bekomen vergeleken bij de huidige situatie en dit zowel voor verderaf gelegen woningen als respectievelijk dichtbij gelegen woningen, dat het aantal gehinderden sterk gereduceerd wordt en bij oefensessies verwaarloosbaar wordt en dat het mogelijk moet zijn om de richtwaarden voor de omgeving met minder-dan-10. dB(A) te overschrijden,wat voor een bestaande inrichting toegelaten is indien alle mogelijke technische maatregelen genomen zijn en dit volgens best beschikbare technieken. Als eindconclusie wordt dan ook in het plan-MER gesteld dat de scherm- en bronmaatregelen noodzakelijk zijn, maar wel voldoende om het omgevingsgeluid tijdens de motorcrossactiviteiten ‘tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen’ (…). Verder werd ook gesteld dat daarnaast, eveneens om een goede leefkwaliteit te garanderen, een aanpassing van de kalender in samenspraak met de omwonenden noodzakelijk is (…). Het is geenszins onredelijk van de verwerende partijen om in het licht van de vermelde gegevens uit de milieueffectenrapportages het PRUP definitief vast te stellen, respectievelijk goed te keuren. Uw Raad leidde eerder in zijn schorsingsarrest uit de passage i.v.m. de nodige aanpassing van de kalender, eveneens opgenomen in het X-14.157- 29/57 ministerieel goedkeuringsbesluit, af dat het geluidsprobleem geen afdoende en rechtszekere oplossing heeft gekregen in het PRUP zelf. Deze stelling kan evenwel worden weerlegd door te wijzen op het feit dat enkel planologisch te vertalen maatregelen als dwingend kunnen worden opgelegd én ook effectief werden opgelegd in het PRUP, gelet op de inhoud en draagwijdte van een dergelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. De kalenderproblematiek hoort daarentegen duidelijk thuis in de context van de exploitatie van het crosscircuit zelf, waarvoor de milieuvergunning het instrument is om regelend op te treden, en niet in een bestemmingsplan. Het aantal dagen waarop het circuit kan worden geëxploiteerd, werd trouwens ook effectief steeds geregeld in de milieuvergunningen voor het circuit. Om deze reden kan het gegeven dat de openingskalender geen neerslag vindt in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP zelf geen onzorgvuldigheid opleveren in hoofde van de verwerende partijen. In dit verband kan trouwens nog worden opgemerkt dat in het ministerieel besluit van 19 juni 2006 waarbij het eerste PRUP ‘Waterloos’ werd goedgekeurd uitdrukkelijk door de minister een passage uit de stedenbouwkundige voorschriften was uitgesloten van goedkeuring, nl. het als ‘algemene beheersmaatregel’ geformuleerde artikel 6, waarin o.m. de evaluatie van de sportieve kalender door een stuurgroep werd geregeld. Deze uitsluiting was net ingegeven doordat het artikel voornamelijk bepalingen bevatte ‘die niet ruimtelijk van aard’ waren, maar veeleer gericht waren organisatorische aspecten zoals de activiteitenkalender’ (…). Nu stellen dat de kalenderproblematiek, die trouwens werd geregeld in de milieuvergunning(en), zijn neerslag had moeten vinden in het PRUP zelf druist ook in tegen de voorgaande vaststelling. Het middel is dan ook ongegrond. 6.3 Motivering in het vaststellingsbesluit van de provincieraad zelf m.b.t. de hinder, in het bijzonder de geluidshinder en de milderende maatregelen uit de MER’s In het vaststellingsbesluit van de provincieraad wordt hierover bij de gemotiveerde bespreking van de bezwaren nog het volgende gesteld: ‘In het project-MER (goedgekeurd d.d. 11 december 2006) en het plan-MER (goedgekeurd d.d. 6 maart 2008) staat inderdaad vermeld dat uit geluidsmetingen tijdens trainings- en wedstrijdactiviteiten evenals uit het geluidsmodel blijkt dat zich zowel in de overdracht als aan de bron maatregelen opdringen om tijdens crossactiviteiten de hinder bij de omwonenden te beperken: - Maatregelen in de overdracht: gronddammen en geluidsschermen. - Bronmaatregelen: geluidsemissie per motor beperken (FIM- controle) - Een strikte monitoring en handhaving zijn vereist om de bronmaatregelen te kunnen afdwingen: controlerijstrook en een vast immissiemeetpunt zijn vereist. Als aanzet tot een voorstel geluidsnormenkader is voorgesteld twee meetpunten te voorzien binnen het crossterrein en één meetpunt ter hoogte van de woning in de Leedenweg nr. 14. Met behulp van deze maatregelen moet het mogelijk zijn om de richtwaarden voor de gebieden in de omgeving met minder dan X-14.157- 30/57 10 dB(A) te overschrijden, wat voor een bestaande inrichting toegelaten is indien alle mogelijke technische maatregelen genomen zijn en dit volgens de best beschikbare techniek. De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden is (gezien de zeer nabije ligging van een aantal woningen) wellicht nooit haalbaar en de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen is inderdaad uitgesloten. Overeenkomstig de sectorale voorwaarden voor omlopen uit titel II van het Vlarem gelden echter geen algemene geluidsvoorwaarden voor dergelijke omlopen maar kunnen wel specifieke geluidsvoorwaarden in de milieuvergunning worden opgenomen. Ook een beperking van het aantal openingsdagen van het circuit zal de leefkwaliteit voor de bewoners verbeteren. Een aantal van deze voorgestelde maatregelen, welke ‘ruimtelijk’ van aard zijn, werden vertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van voorliggend ontwerp-PRUP. Overige maatregelen werden opgenomen in de milieuvergunning (besluit deputatie d.d. 10 juli 2008) of zullen verder vertaald worden in de stedenbouwkundige vergunningen. De locaties waar deze geluidsmetingen werden uitgevoerd, werden bepaald door erkende MER-deskundigen, welke door de overheid erkend zijn en waarvan men mag aannemen dat zij bevoegd en bekwaam zijn om hun (in hoofdzaak technische en wetenschappelijke) beoordeling van de betrokken discipline (i.c. geluid) te doen. Bovendien werden project-MER en plan-MER beiden goedgekeurd, respectievelijk op 11 december 2006 en 6 maart 2008, door de Dienst MER van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse Overheid.’ en ‘Uit het project-MER blijkt inderdaad dat de richtwaarden voor geluid van titel II van het Vlarem niet gehaald kunnen worden. Overeenkomstig de sectorale voorwaarden voor omlopen uit titel II van het Vlarem gelden echter geen algemene geluidsvoorwaarden voor dergelijke omlopen maar kunnen wel specifieke geluidsvoorwaarden in de milieuvergunning worden opgenomen. In het besluit d.d. 10 juli 2008 betreffende de milieuvergunning aan MC MAASLAND - NEEROETEREN werden dergelijke voorwaarden opgelegd als bijzonder vergunningsvoorwaarde. Uit het project-MER blijkt eveneens dat onder deze voorwaarden in normale omstandigheden zelfs voldaan kan worden aan de algemene geluidsvoorwaarden voor bestaande inrichtingen, mochten deze van toepassing zijn op de omloop. Tijdens wedstrijden kan hier niet aan voldaan worden. Maar gelet op het bestaand karakter van dit terrein voor wedstrijden vanaf de jaren ’70 en gezien de beperking het aantal toegelaten wedstrijden, wordt deze verhoging gedurende het beperkte aantal wedstrijden aanvaardbaar geacht.’ en ‘In functie van de omloop van Waterloos werd een project-MER en plan-MER opgesteld. Hoewel het atypisch is dat het project-MER voor het plan-MER opgemaakt werd, hebben beiden de officiële X-14.157- 31/57 procedure doorlopen en werden respectievelijk goedgekeurd door de Dienst MER op 11 december 2006 en 6 maart 2008. Het plan-MER is opgesteld ter onderbouwing van voorliggend ontwerp-PRUP. Het project-MER werd aangewend om de besluitvorming over de milieuvergunning te onderbouwen. Het opstellen van een MER gaat met heel wat waarborgen gepaard, zoals het inschakelen van erkende MER-deskundigen, het verbod voor deze deskundigen op belangenvermenging, het opstellen van richtlijnen door een onafhankelijke administratie en de toetsing van het MER door deze administratie. Zowel het project-MER als het plan-MER werden opgesteld door een team van onafhankelijke deskundigen die daarvoor door de overheid erkend moeten zijn, waarvan men mag aannemen dat zij bevoegd en bekwaam zijn om hun (in hoofdzaak technische en wetenschappelijke) beoordeling te doen. Bovendien gebeurt de toetsing door de Dienst MER, waarvan eveneens aangenomen mag worden dat deze werkt met technische onderlegde en deskundige personen. Er kan dan ook niet aan een vergunningverlenende overheid gevraagd worden om te oordelen over de degelijkheid, de objectiviteit en de volledigheid van een goedgekeurd MER.’ en ‘Door de ruimtelijke milderende maatregelen vanuit de milieueffectrapportage te vertalen in de stedenbouwkundige voorschriften van voorliggend ontwerp-PRUP wordt reeds een eerste stap gezet in het voeren van een adequaat beleid voor de ontwikkeling van de site van Waterloos tot omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten in relatie tot de aanliggende natuurwaarde en bebouwing. Verdere vertaling van de visie van het PRUP zal gebeuren bij het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen welke enkel afgeleverd kunnen indien zij passen binnen het verordenend gedeelte van de stedenbouwkundige voorschriften van voorliggend PRUP. Ook de vertaling van de overige milderende maatregelen, zoals beperkte aantal openingsdagen/ evenwichtige kalender, naar de milieuvergunning zullen bijdragen aan de plaatselijke draagkracht. - Het plan-MER toont aan dat met behulp van de voorgestelde maatregelen het mogelijk moet zijn om de richtwaarden voor geluid voor dergelijke gebieden met minder dan 10 dB(A) te overschrijden, wat voor een bestaande inrichting toegelaten is indien alle mogelijke technische maatregelen genomen, zijn en dit volgens de best beschikbare techniek. Aangezien de omloop op 1 januari 1993 vergund was bij besluit van de deputatie d.d. 15 oktober 1992 en sedert deze datum ononderbroken vergund is gebleven, wordt de omloop als een bestaande inrichting beschouwd, conform de definities van Vlarem II. Bijgevolg zijn, overeenkomstig artikel 5.32.10.2§4 van Vlarem II, de verbods- en afstandregels niet van toepassing. Momenteel bestaat er geen wetgeving voor geur. Er zijn dus geen luchtkwaliteitsnormen inzake geur en een toetsingskader beschikbaar.’ en X-14.157- 32/57 ‘Met de titel van het plan-MER wordt aangegeven in functie van welk planprogramma dit MER-rapport opgesteld werd. Anders gezegd; het plan-MER werd opgesteld ter onderbouwing van een plan/programma, in dit geval voorliggend-PRUP. Vandaar dat er ook duidelijk vermeld wordt dat er hoofdzakelijk aandacht geschonken werd aan effecten en milderende maatregelen met een ruimtelijke impact. Deze dienden immers vertaald te worden in stedenbouwkundige voorschriften en eventueel zoneringen in de bestemmingstypen binnen het op te stellen PRUP. (…) en ‘Middels het implementeren van de milderende maatregelen zoals voorgesteld in het plan-MER, in het PRUP, de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunningen, wordt enerzijds de geluids-, stof-en geurhinder aangepakt en wordt anderzijds een evenwichtige kalender (met beperking van openingsdagen- en tijden) vastgelegd’ en ‘In de opsomming van de milderende maatregelen vanuit de milieueffectrapportage in het vernoemde hoofdstuk wordt bovendien een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de ruimtelijke aspecten welke opgenomen werden binnen de stedenbouwkundige voorschriften van voorliggend ontwerp-PRUP en de overige aspecten die in milieu- en stedenbouwkundige vergunningen dienen opgenomen te worden.’ en ‘Het PRUP biedt enkel het ruimtelijk kader. Het aantal openingsdagen werd vastgelegd in de milieuvergunning d.d. 10 juli 2008.’ en ‘Van de in het project- en plan-MER voorgestelde milderende maatregelen zijn enkel de ruimtelijke aspecten vertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het voorliggende ontwerp- PRUP. De overige maatregelen vonden/vinden een plaats in milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning. - Zowel voor stof- als voor geluidshinder zijn meerdere milderende maatregelen voorgesteld, welke weliswaar niet enkel ruimtelijk van aard zijn. (…)’ . Deze motivering toont afdoende aan dat het PRUP op zorgvuldige wijze werd opgesteld, uitermate rekening houdende met de resultaten van de gevoerde milieueffectrapportages. Stellen dat geen afdoende planologische waarborgen in het PRUP worden gegeven om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken is manifest onwaar en zou afbreuk doen aan de degelijk door onafhankelijke deskundigen gevoerde en door de bevoegde instantie goedgekeurde MER- rapporten. De ‘aangepaste kalender’ werd enkel vermeld als zijnde een noodzakelijke aanvullende, niet ruimtelijk-planologisch te vertalen, maatregel om de hinder, in het bijzonder de geluidshinder te beperken voor de omgeving. Er wordt hier gerefereerd naar de strikte en beperkte X-14.157- 33/57 openingskalender en de maximale openingstijden van het circuit, op te leggen en inmiddels opgelegd in de huidige milieuvergunning”. 5.3. De eerste verwerende partij antwoordt: “2. In tegenstelling met de eerdere definitieve vaststelling van het PRUP Waterloos in Maaseik, werd thans wel degelijk de resultaten van het plan-MER afgewacht en ‘met behulp van deze maatregelen moet het mogelijk zijn om de richtwaarden voor de gebieden in de omgeving met minder dan 10dB(A) te overschrijden, wat voor een bestaande inrichting toegelaten is indien alle mogelijke technische maatregelen genomen zijn en dit volgens de best beschikbare techniek. De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden is, gezien de zeer nabije ligging van een aantal woningen, wellicht nooit haalbaar en de grenswaarden voor nieuwe inrichtingen is inderdaad uitgesloten. Overeenkomstig de sectorale voorwaarden voor omlopen uit titel II van het VLAREM gelden echter geen algemene geluidsvoorwaarden voor dergelijke omlopen maar kunnen wel specifieke geluidsvoorwaarden in de milieuvergunning worden opgenomen. Ook een beperking van het aantal openingsdagen van het circuit zal de leefkwaliteit voor de bewoners verbeteren. Een aantal van deze voorgestelde maatregelen, welke ‘ruimtelijk’ van aard zijn, werden vertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het voorliggend ontwerp - PRUP. Overige maatregelen werden opgenomen in de milieuvergunning (besluit deputatie dd. 10 juli 2008) of zullen verder vertaald worden in de stedenbouwkundige vergunningen. (…). In vergelijking met het PRUP dd. 19 juni 2006 voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’ te Maaseik werden o.a. volgende wijzigingen/aanvullingen aangebracht ter vertaling van de voorgestelde milderende maatregelen vanuit het plan-MER : - ‘Het woord ‘permanent’ werd geschrapt in het voorliggende PRUP waardoor benadrukt wordt dat het circuit weliswaar permanent is maar dat de activiteiten niet permanent mogen plaatsvinden. - De stedenbouwkundige voorschriften werden aangepast/aangevuld zodat de voorgestelde maatregelen zeker vergunbaar zijn binnen de voorgestelde bestemmingszones. - Bij de stedenbouwkundige voorschriften werd onder de algemene voorschriften artikel 4 toegevoegd, specifiek over de bepalingen in verband met milderende maatregelen in functie van beperken milieuhinder. - Onder artikel 6 : verwevingszone voor grond gebonden gemotoriseerde sporten, werd expliciet opgenomen dat enduro- trial en BMX niet binnen deze bestemmingszone kunnen. - Bij de stedenbouwkundige voorschriften werd artikel 9 in verband met geluidsbuffer toegevoegd (…). X-14.157- 34/57 In het plan-MER (…) werden verschillende milderende maatregelen op het planniveau vooropgesteld. Ook in het project-MER werden milderende maatregelen voorgesteld. De voorgestelde milderende maatregelen moeten niet alleen blijken uit het Ruimtelijk Uitvoeringsplan, maar ook uit de te verlenen vergunningen. De vertaling en dwingende oplegging van de in de MER weerhouden milderende maatregelen, die ruimtelijk - planologisch vertaalbaar zijn, werden opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP (artt. 4 t.e.m. 10). Niet planologisch te vertalen milderende maatregelen kunnen daarentegen niet in een PRUP worden opgenomen, maar moeten uitgewerkt worden in de te verlenen vergunningen. ‘Door de ruimtelijke milderende maatregelen vanuit de milieueffectenrapportage te vertalen in de stedenbouwkundige voorschriften wordt reeds een eerste stap gezet in het voeren van een adequaat beleid voor de ontwikkeling van de site van Waterloos tot omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten in relatie tot de aanliggende natuurwaarden en bebouwing. Verdere vertaling van de visie van het PRUP zal gebeuren bij het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen welke enkel afgeleverd kunnen indien zij passen binnen het verordenend gedeelte van de stedenbouwkundige voorschriften van het voorliggend PRUP. Ook de vertaling van de overige milderende maatregelen, zoals beperkte aantal openingsdagen/evenwichtige kalender, naar de milieuvergunning zullen bijdragen aan de plaatselijke draagkracht. (…). Zoals aangegeven in het definitief vaststellingsbesluit van het PRUP van 17 december 2008 werden milderende maatregelen opgenomen in de milieuvergunning van 10 juli 2008 aan de Deputatie van de provincie Limburg. ‘Een aantal van deze voorgestelde maatregelen, welke 'ruimtelijk' van aard zijn, werden vertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het voorliggend ontwerp- PRUP. Overige maatregelen werden opgenomen in de milieuvergunning (besluit Deputatie dd. 10 juli 2008) of zullen verder vertaald worden in de stedenbouwkundige vergunningen. 3. Dit (zesde) middel werd in het schorsingsarrest nr. (…) als ernstig weerhouden. Uw Raad oordeelde dat, aangezien erkend is dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is wat betreft het geluidsaspect, en hieraan op grond van de conclusie van de MER-rapporten kan worden geremedieerd door een ‘aanpassing van de kalender in samenspraak met de omwonenden’, deze ‘voorgestelde remediering geen neerslag vindt in de stedenbouwkundige voorschriften’. Het PRUP biedt aldus ‘geen rechtszekere oplossing’ voor het gestelde probleem. Eerste verwerende partij kan zich helemaal niet aansluiten bij deze overwegingen en de aangehouden redenering. X-14.157- 35/57 De stelling van uw Raad zou er immers op neerkomen dat bij het goedkeuren van RUP’s alle milderende maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP (moeten) vertaald worden, dus ook de niet ruimtelijke en ook de maatregelen die zich op het uitvoerings- of vergunningsniveau bevinden. Art. 4.1.7. DABM heeft betrekking op de doorwerking van het plan- MER in de besluitvorming. ‘De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerking en de commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten 1 ° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaalde alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft 2 ° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3° de in het rapport of de rapporten voorgestelde maatregelen;’ Een plan-MER dient om gegevens aan te reiken om de beslissing met kennis over de mogelijke impact op het leefmilieu te nemen, maar het bevat geen keuze of beslissing. Dit zou trouwens een oneigenlijk gebruik betekenen van het instrument. Het plan-MER heeft in casu de milieueffecten van het voorgenomen plan onderzocht. De realisatie van de bestemming kan geluidsproblemen veroorzaken. Één van de voorgestelde milderende maatregelen is dat afspraken gemaakt worden met omwonenden omtrent een kalender van gebruik van het terrein. Deze maatregel is terug te vinden in de toelichtingsnota bij het PRUP en in een verwijzing naar deze maatregel in het goedkeuringsbesluit. Aangezien het niet gaat om ruimtelijke aspecten geeft het plan-MER ook niet aan dat deze maatregel moet opgenomen worden in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP, maar wel in de af te leveren vergunningen op projectniveau. Dit is conform de bepalingen van artikel 4.1.70 DABM. ‘Het standpunt van de verzoekende partijen dat het bestreden vaststellingsbesluit, door te overwegen dat de ‘MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden dat heel wat milderende maatregelen uit de MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen opgenomen worden in de stedenbouwkundige voorschriften of de grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen’, artikel 4.1.7 DABM zou schenden, kan op grond van hetgeen hiervoor uiteengezet, op het eerste gezicht niet worden aangenomen’ (…). X-14.157- 36/57 Belangrijk is dat de Vlaamse Regering kennis heeft van de voorgestelde milderende maatregelen bij de beslissing over het programma van het RUP en de andere maatregelen die moeten genomen worden. Dit heeft te maken met het met kennis van de gevolgen voor het leefmilieu een beslissing kunnen nemen wat de taak is van het plan-MER. Dit betekent bijgevolg niet dat alle voorgestelde milderende maatregelen op planniveau moeten opgenomen worden. Gelet op de inhoud en de draagwijdte van een PRUP, kunnen enkel planologisch te vertalen maatregelen, dus de ruimtelijke milderende maatregelen, als dwingend opgelegd worden in het PRUP. De kalenderproblematiek hoort daarentegen thuis bij de exploitatie van het crosscircuit zelf, waarvoor de milieuvergunning het instrument is om regelend op te treden en niet het bestemmingsplan. Dit is gebeurd in de milieuvergunning van 10 juli 2008. De aangepaste kalender werd vermeld als een noodzakelijke aanvullende, niet ruimtelijk-planologisch te vertalen maatregel om de hinder, in het bijzonder de geluidshinder te beperken voor de omgeving. 4. Stellen dat het PRUP geen afdoende planologische waarborgen biedt om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken is manifest onjuist en doet afbreuk aan de door onafhankelijke deskundigen gevoerde en door de bevoegde Dienst MER goedgekeurde MER- rapporten. Het bestreden PRUP heeft tot doel een ruimtelijk, juridisch kader te creëren waarin de ruimtelijke ontwikkeling van een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten bepaald wordt. Bij de besluitvorming van het PRUP werd terdege rekening gehouden met de resultaten van het plan-MER en de voorgestelde milderende maatregelen werden waar mogelijk vertaald in de stedenbouwkundige voorschriften. Middels het implementeren van de milderende maatregelen, zoals voorgesteld in het plan-MER, in het PRUP, de milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning, wordt enerzijds de geluids-, stof- en geurhinder aangepakt en wordt anderzijds een evenwichtige kalender (met beperking van openingsdagen - en tijden) vastgelegd. De geur- en stofhinder wordt niet onder geluidsaspecten besproken maar wel onder het hoofdstuk luchtkwaliteit. De conclusies met betrekking tot de effecten op de gezondheid werden afgeleid op basis van gemeten/berekend geluidsniveau’s en waarnemingsdrempels uit de literatuur. De beperking van openingstijden en -dagen steunt hoofdzakelijk op een doel tot vermindering van de geluidshinder naar omwonenden en geldt voor het hele pakket van toegestane activiteiten van de gemotoriseerde sporten. Aangezien het project- en plan-MER aantoonden dat de akoestische verstoring vanwege onderhoudswerken verwaarloosbaar is, worden deze toegestaan buiten de openingsdagen (…). Al is het juist dat het PRUP de rechtsgrond is voor de realisatie van de in dat plan voorziene bestemming (zie schorsingsarrest), dan moet hieraan worden toegevoegd dat een invulling van deze bestemming (lees exploitatie) niet kan zonder de nodige vergunningen en dat de vergunningen conform moeten zijn met het PRUP en de in het plan- X-14.157- 37/57 MER én project-MER voorziene milderende maatregelen op uitvoeringsniveau. Dit vormt de rechtszekerheid. In tegenstelling met hetgeen verzoekende partijen voorhouden werden de bestreden beslissingen geenszins onzorgvuldig tot stand gebracht”. 5.4. De tussenkomende partij laat in haar memorie gelden wat volgt: “Het middel kan niet worden weerhouden om diverse redenen :

(1)Het middel gaat uit van de veronderstelling dat het gaat om een nieuwe inrichting Zoals hierboven reeds uitvoerig toegelicht onder de hoofdding belang was het MER er op gericht om de situatie van het circuit te evalueren voor alle mogelijk toepasselijke normen. Het MER zelf wees er reeds op dat er voor de hinderlijke inrichtingen uit rubriek 32.10 in feite geen geluidsnormen zijn. Toch werd er een toetsing doorgevoerd aan de normen voor nieuwe en bestaande inrichtingen. De tussenkomende partij heeft hierboven reeds aangetoond dat bij deze toetsing steeds de strengste normen toegepast werden t.o.v. de betrokken inrichting. De conclusie die aangehaald wordt, om het middel op te baseren is de conclusie die geformuleerd wordt voor het realiseren van de kwaliteitsnormen die gelden voor nieuwe inrichtingen. De tussenkomende partij heeft reeds uitvoerig bij de beantwoording van de eerste drie middelen aangetoond dat de inrichting moet beschouwd worden als een bestaande inrichting. De tussenkomende partij herneemt deze argumentatie hier uitdrukkelijk. Het uitgangspunt waarop het middel gebaseerd is, is derhalve niet correct, hetgeen op zich voldoende is om het middel als ongegrond af te wijzen. Dit betekent ook dat de prima facie beoordeling die de Raad gemaakt heeft in haar arrest van (…) niet correct is. Allicht omdat aan de Raad niet uitvoerig is toegelicht hoe de juiste situatie van de tussenkomende partij in elkaar steekt. De tussenkomende partij gaat er van uit dat gelet op de toelichting van de juiste toedracht de Raad ook tot een andere conclusie zal komen. Minstens bewijst deze toedracht dat het allerminst onzorgvuldig is vanwege de verwerende partijen om te besluiten dat de inrichting een bestaande inrichting was.
(2)Het middel gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat de milieukwaliteitsnormen met grenswaardes 36 dB(A) en 38 dB(A) van toepassing zijn Het middel is gebaseerd op de vaststelling op het citaat dat het realiseren van de milieukwaliteitsdoelstellingen niet kunnen worden verwezenlijkt wat het geluidsaspect betreft. Daarbij worden de meest strenge kwaliteitsdoelstellingen als te behalen norm gehanteerd, m.n. de grenswaardes van 36 dB(A) en 38 dB(A). *De tussenkomende partij heeft onder de hoofdding ‘het belang van de verzoekende partijen’ de toepassing van deze milieukwaliteitsnormen zoals X-14.157- 38/57 deze afgeleid worden uit het MER reeds uitvoerig besproken. De tussenkomende partij herneemt deze bespreking hier uitdrukkelijk. Naast het feit dat de betrokken normen niet van toepassing zijn omdat de inrichting geen nieuwe inrichting maar een bestaande inrichting is (…) heeft de tussenkomende partij daarbij 2 duidelijke conclusies getrokken : • Er gelden voor haar situatie geen specifieke geluidsnormen in VLAREM II. Gelet op de inhoud van artikel 5.32.10.1 § 3 VLAREM II (‘Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning in de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in § 1.’) zijn de normen in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing. De milieukwaliteitsnormen waarnaar verwezen wordt in het middel horen tot dit hoofdstuk. • Maar zelfs indien deze normen toepasselijk zouden zijn werd in het plan MER systematisch de meest strenge toepassing gemaakt bij het beoordelen van deze normen. De tussenkomende partij heeft daarbij toegelicht dat voor het toepassen van deze normen een aantal keuzes gemaakt moeten worden en dat afhankelijk van deze keuzes er al dan niet een overschrijding is. Het plan MER is opgesteld om een evaluatie mogelijk te maken en heeft daarbij haar aanbevelingen geformuleerd op de voor het motorcrosscircuit meest ongunstige situatie. De inhoud van het MER is veel genuanceerder. Het middel wordt evenwel geformuleerd vanuit de meest ongunstige en zelfs foute veronderstelling (nl. dat een milieukwaliteitsnorm van 36 à 38 dB(A) van toepassing zou zijn). Dit is op zich voldoende om te besluiten tot de ongegrondheid van het middel.
(3)De omvang van de beweerde hinder Het middel is gebaseerd op de vaststelling op het citaat dat het realiseren van de milieukwaliteitsdoelstellingen niet kunnen worden verwezenlijkt wat het geluidsaspect betreft. Daarbij worden de meest strenge kwaliteitsdoelstellingen als te behalen norm gehanteerd, m.n. de grenswaardes van 36 dB(A) en 38 dB(A). Zoals de tussenkomende partij hoger reeds enkele malen heeft toegelicht heeft het betrokken citaat over de beweerde onhaalbaarheid van de meest strenge kwaliteitsdoelstellingen als te behalen norm enkel betrekking op de meest dichtstbijzijnde woningen (Leedenweg) en niet voor het gehele gebied.
(4)Het middel gaat er ten onrechte van uit dat er geen remediërende maatregelen zouden zijn Volkomen ten onrechte meent het middel dat de enige remediërende maatregel er in zou - bestaan om in samenspraak met de omwonenden een kalender op te stellen die rekening zou houden met alle verzuchtingen. Dit is volkomen onjuist. De tussenkomende partij heeft bij de toelichting van het belang van de verzoekende partijen reeds toegelicht dat zij ten onrechte de indruk geven dat het MER besluit dat er onvoldoende realistische remediërende maatregelen mogelijk zouden zijn. Het plan-MER beschrijft in wezen 2 andere milderende maatregelen, m.n. : • het optrekken van geluidswallen X-14.157- 39/57 • het controleren aan de bron van de motoren, zodat de motoren een maximaal geluidsniveau van 95 dB(A) op 5 meter afstand bij vol vermogen produceren. Beide voorzorgsmaatregelen worden door het MER als realistisch ingeschat : het optrekken van de geluidswallen is een infrastructurele en derhalve permanente maatregel (en dus ook op eenvoudige en rechtszekere wijze te controleren). De andere maatregel is evenzeer realistisch aangezien de motorsportfabrikanten op dit ogenblik reeds werk(en) met een norm van 94 dB(A). Ook deze maatregel is eenvoudig en met voldoende rechtszekerheid op te volgen : het is een controlemaatregel die enkel de aanschaf van een decibelmeter veronderstelt en toepassing vraagt. Als deze maatregelen worden uitgevoerd dan meent het MER dat het geluidsdrukniveau aan de dichtstbijzijnde woningen onder de 55 dB(A) zal vallen, hetgeen volgens de nonnen voldoende is voor bestaande inrichtingen (nl. overschrijding met minder dan 10 dB(A). Belangrijk is dat het MER ook onderzoekt wat het gevolg is van de hinder voor de omwonenden wanneer deze 2 maatregelen geïmplementeerd worden. Daarbij formuleert het MER dat als deze twee maatregelen uitgevoerd worden het geluidsdrukniveau voor de woningen verder dan deze aan de Ledenweg tot onder het achtergrondgeluidsniveau (dit is het niveau zonder activiteit) zal dalen. De tussenkomende partij verwijst daartoe naar figuur 12 (…). Dit doet de verwachting rijzen in het MER dat wanneer deze twee maatregelen uitgevoerd worden, het aantal gehinderden bij oefensessies tot 0 (nul) wordt herleid of verwaarloosbaar is (…). Voor wedstrijden wordt geen cijfermatige inschatting gemaakt maar men meent dat het aantal gehinderden op ‘hooguit enkelen’ kan geschat worden. En derhalve is het middel gebaseerd op de onjuiste lezing van het MER : enerzijds stelt het MER andere milderende maatregelen voor dan deze die de verzoekende partijen aangeven in het verslag en anderzijds beoordeelt het MER de effectiviteit van deze maatregelen als hoog. De maatregel waarnaar het middel verwijst is in het plan-MER een additionele maatregel die zou moeten toelaten om bovenop de reductie van de 2 reeds vermelde maatregelen, nog bijkomende geluidswinst te boeken. Het plan MER stelde 3 bijkomende maatregelen voor : • Het aantal rijders per sessie te beperken • beperking van het aantal openingsdagen van het circuit (dit wordt verder uitgewerkt in de discipline mens aangezien dit niet louter een akoestische winst oplevert). • Een ander type omroepsysteem voor de wedstrijden. Door slechts enkele geluidsboxen op het terrein te voorzien en dit op een hoogte die boven het circuit uitsteekt, is de geluidsemissie per box veel te hoog en draagt het geluid van dit type omroepsysteem veel te ver. Door het aantal boxen te vermeerderen, de geluidsemissie per box te beperken, de spraakverstaanbaarheid van de boxen te verbeteren en de boxen op een lagere hoogte te bevestigen zal de geluidshinder door het omroepsysteem veel lager liggen. Derhalve schetsen de verzoekende partijen in hun middel een onjuiste weergave van het MER en een negatiever beeld dan op basis van het plan MER moet geschetst worden. X-14.157- 40/57
(5)Het middel gaat voorbij aan de aard van de bestreden beslissingen De bestreden beslissingen houden enerzijds de definitieve vaststelling van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en anderzijds de goedkeuring van dit zelfde ruimtelijke uitvoeringsplan in. ‘De Provincie treedt ter zake op in het raam van een toegewezen bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening. Artikel 38, § 1 DRO stipuleert uitdrukkelijk welke vermeldingen een dergelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan bevatten. De in casu relevante elementen zijn: de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer, een weergave van de feitelijke en juridische toestand. Het doel van een RUP werd als volgt omschreven: - ‘De essentie van een RUP, als verordenend plan, is en blijft om via stedenbouwkundige voorschriften, rechtsregels dus, de ruimte te ordenen. De effectieve realisatie op het terrein van de toegelaten of gewenste ruimtelijke ontwikkelingen vereist de inzet van andere middelen of instrumenten, acties, overleg,...Wordt de opmaak van een RUP ingegeven door een project, dan is het ook geen goed idee om alle uitvoeringmodaliteiten van het project in detail in het RUP vast te leggen. Bij de minste bijsturing van het project wordt het RUP dan een obstakel in plaats van een hefboom’ - ‘dat een ruimtelijk uitvoeringsplan de toekomstige bestemming, inrichting of beheer aangeeft van een gebied dat een deel of delen van het grondgebied van respectievelijk het Gewest, de provincie of de gemeente kan omvatten’ - ‘een plan dat een juridisch verbindende concretisering aangeeft van de ruimtelijke ordening, waarvan de hoofdlijnen in het corresponderende structuurplan zijn weergegeven’. Het kan bijgevolg niet de bedoeling zijn dat een dergelijk PRUP bepalingen voorziet, die erop moeten gericht zijn om het leefmilieu te vrijwaren. De Provincie is in het raam van de bestreden beslissingen zelfs niet bevoegd om een beleid inzake leefmilieu te voeren. Men kan in het gegeven kader ook niet stellen dat de bedoelde bestemming niet realiseerbaar zou zijn. Gezien het feit dat de bewuste inrichting een bestaande inrichting is, moet zij niet voldoen aan absolute geluidsnormen en heeft bijgevolg de bevoegde overheid inzake leefmilieu bij het afleveren van milieuvergunningen mogelijkheden om voorwaarden op te leggen, die zoveel mogelijk tegemoet komen aan de voorziene richtwaarden. Het MER is ter zake duidelijk. Aangaande alle parameters is er geen enkel probleem om ter plaatse een motorcrossinrichting uit te baten. Het MER geeft ook aan dat een voldoende goede leefkwaliteit kan worden gegarandeerd, zodat de uitbating realiseerbaar is. Het realiseren van het leefbaar karakter kan echter niet plaatsvinden via de voorschriften van een RUP. Deze voorschriften kunnen enkel gericht zijn op de ruimtelijke ordening. Zij kunnen enkel een bestemming geven aan een perceel grond of betrekking hebben op de inrichting en het beheer ervan. Dergelijke voorschriften kunnen echter geen geluidsnormen bevatten of maatregelen die het geluid tegengaan. Het PRUP is in casu een verdere concretisering van het RSPL. In dit PRUP vindt men betreffende de kwestieuze percelen volgende passage: X-14.157- 41/57 ‘Wegens de reële behoeften moeten lawaaisporten, zoals motorcross, karting, motorsport, enz. de nodige ruimtelijke kansen krijgen binnen een duidelijk ruimtelijk kader. Om de verstoring tot een minimum te beperken, wordt gekozen voor een clustering van de terreinen voor lawaaisporten. Daarbij is het belangrijk dat niet enkel professionelen, maar ook liefhebbers terechtkunnen op die terreinen. Er wordt voor de selectie van gewenste permanente lawaaisportterreinen zoveel mogelijk uitgegaan van de bestaande infrastructuur’. In het bindend gedeelte heeft de Provincie het gebied Waterloos als toeristisch recreatief knooppunt type IIb geselecteerd. Ten aanzien van deze vaststellingen hebben verzoekende partijen geen enkele kritiek geuit”. 5.
  1. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “Bij het tot stand komen van hun beslissingen zijn verweerders verplicht de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen teneinde tot een correcte feitenvinding te komen (…). Zowel in de voorbereiding ervan, als bij het nemen van de beslissing zelf, dienen verweerders zorgvuldig, redelijk en bedachtzaam te werk te gaan. De materiële motiveringsplicht is de vereiste van deugdelijke motieven, en houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden (…) Op grond van het plan-MER kan enkel vastgesteld worden dat de bevindingen in de discipline geluid-, stof- en geurhinder van aard zijn de bestemmingswijziging van het gebied van natuur- naar recreatiegebied af te wijzen. De vastgestelde geluidswaarden werden getoetst aan de richtwaarden van Vlarem II, zowel voor bestaande als voor nieuwe inrichtingen (…) : ‘De richtwaarde voor een bestaande inrichting bedraagt overdag 45 dB(A). De grenswaarde voor een nieuwe inrichting bedraag(t) 40 dB(A) (richtwaarde - 5 dB(A)). De specifieke bijdrage van de activiteiten van de motorcross tijdens oefeningen bedraagt momenteel bijna 60 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen. Tijdens de Paastrofee (wedstrijd) bedroeg het LAeq,ih, een maat voor het specifiek geluidsniveau, 70 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen.’ In vergelijking met de richtwaarden voor bestaande inrichtingen wordt vervolgens een overschrijding met 15 tot 25 dB(A) vastgesteld. In vergelijking met de richtwaarde voor nieuwe inrichtingen bedraagt de vastgestelde overschrijding 20 tot 30 dB(A). In beide gevallen wordt gesteld dat ‘sanering’ ‘verplicht’ zou zijn. Vervolgens worden een aantal bijkomende ‘milderingsmaatregelen’ uitgewerkt. Het effect van maximale afscherming wordt vervolgens geëvalueerd in het plan-MER (…) : X-14.157- 42/57 ‘met betrekking tot het geluidsaspect blijkt echter dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is.’ In de bestreden beslissing wordt gesteld dat dit probleem moet worden opgelost met een aangepaste kalender. Het valt echter niet in te zien hoe een ‘aangepaste kalender’ ervoor kan zorgen dat de milieukwaliteitsdoelstellingen wel kunnen worden gehaald. Ook betreffende de andere voorgestelde milderende maatregelen gaan verweerders er ten onrechte van uit dat deze de te verwachten hinder tot een aanvaardbaar niveau zullen beperken : samen met verzoekers komt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie tot de conclusie dat nergens is aangetoond dat de in het plan-MER voorgestelde maatregelen de stofhinder, geurhinder en geluidshinder uitgaande van de exploitatie van het circuit tot een aanvaardbaar niveau zullen kunnen beperken. Bovendien vermogen verweerders zich niet verschuilen achter een vermeende onbevoegdheid om zich over de mogelijke gevolgen voor het leefmilieu van onder meer verzoekers te buigen, nu zij zogenaamd enkel over de aspecten van ruimtelijke ordening zou mogen/moeten uitspreken. Uw Raad heeft in arrest van 7 mei 2007 aangaande hetzelfde circuit reeds terecht het volgende opgemerkt (…) : ‘Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde overheden erkennen dat het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan een niet te verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat maatregelen noodzakelijk zijn om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; Overwegend dat, indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de impact van de voorziene bestemmingen op het leefmilieu, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; …’ De verplichting om voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing een plan-MER te laten opstellen zou volledige uitgehold worden indien verwerende partijen achteraf volledig abstractie zouden mogen/moeten maken van de bevindingen in dit plan-MER. De overheid die bevoegd is voor de aspecten van ruimtelijke ordening mag met andere woorden niet blind zijn voor de feiten en elementen inzake leefmilieu. Wanneer - zoals in casu - vaststaat dat het circuit vanuit milieurechtelijk standpunt onvergunbaar zal zijn, getuigt het van manifest onzorgvuldig bestuur om niettemin het planologisch kader te scheppen voor dergelijk onvergunbaar circuit. Bovendien volstaat het niet om te voorzien in - zomaar - maatregelen. Enkel maatregelen die op een rechtszekere manier een oplossing bieden aan de vastgestelde problemen kunnen aanvaard worden om van zorgvuldige besluitvorming te spreken (…). Voor de te verwachten geluidshinder wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat deze niet tot een aanvaardbaar niveau te herleiden is. Vervolgens wordt de - door verweerders zelf onmogelijke geachte - oplossing voor dit probleem verschoven naar een nog nader te bepalen ‘aangepaste’ kalender. X-14.157- 43/57 De voorgestelde maatregelen bieden geen rechtszekere oplossing voor de te verwachten hinder. Er is daarom sprake van onzorgvuldige besluitvorming in hoofde van verweerders. Deze heeft tegelijkertijd tot gevolg dat de bestreden beslissing niet wordt gedragen door rechtens aanvaardbare motieven die de beslissing kunnen schragen. Tussenkomende partij tracht het zesde middel te ontkrachten door haar eigen interpretatie van de geluidsmetingen in de plaats te stellen van die van de verschillende deskundigen die zich over het geluidsprobleem van het circuit hebben gebogen, om vervolgens te poneren dat er geen probleem van bovenmatige hinder zou zijn. Deze stelling druist in tegen de stukken op basis waarvan verweerders tot de bestreden beslissing zijn gekomen. Zoals hiervoor aangetoond komen alle deskundigen (Nederlandse studie, Arcadis (plan-MER), Aeolus (project-MER) en Ecolas (eigen deskundige van verzoekers) tot dezelfde vaststelling dat herleiding van de hinder tot een aanvaardbaar niveau niet mogelijk is. Verwerende partijen hebben zoals hiervoor aangetoond in de bestreden beslissing op geen enkele nuttige wijze aangegeven waarom de bevindingen van de deskundigen niet zouden moeten worden gevolgd. De interpretatie van tussenkomende partij ter zake deze metingen en bevindingen kan alleszins geen element zijn in de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing”. 5.
  2. In haar laatste memorie laat de tweede verwerende partij nog gelden wat volgt: “Overwegende dat ons college, ter aanvulling van wat reeds in onze memorie van antwoord werd geargumenteerd, nog het volgende wenst te antwoorden ter weerlegging van het advies van de eerste auditeur- afdelingshoofd: 1 Betreffende de toepasselijkheid van de geluidsnormen en de milieukwaliteitsdoelstellingen Overwegende dat het uitgangspunt van het door de eerste auditeur besproken en gegrond bevonden middel de vaststelling in het plan-MER betreft dat de milieukwaliteitsdoelstellingen m.b.t. het geluidsaspect niet zouden kunnen worden gerealiseerd; dat de eerste auditeur zijn ongunstig advies opbouwt op basis van zijn stelling dat de plannende overheden, in casu de eerste en tweede verwerende partij, rekening moeten houden met de geluidsnormen bedoeld in artikel 4.5 van Vlarem II, net zoals de milieuvergunnende overheid dit moet doen; dat, niettegenstaande zowel de provincieraad als de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening via een zorgvuldig onderzoek van het plan-MER en een doorwerking van de resultaten in het PRUP wel degelijk maximaal rekening hebben gehouden met o.a. de vaststellingen in het plan-MER inzake geluidshinder, het vermelde standpunt van de eerste auditeur de jure niet opgaat; dat immers zoals duidelijk blijkt uit de bestreden beslissingen zelf en zoals ook niet betwist wordt, zelfs niet in het auditoraatsverslag, de geluidsnormen bedoeld in artikel 4.5 van Vlarem II, krachtens artikel X-14.157- 44/57 5.32.10.1, §3 van Vlarem II, niet van toepassing zijn op ‘omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen (...), met inbegrip van recreatief gebruik, niet volledig gelegen op de openbare weg (…)’ dat in casu het aan de milieuvergunnende overheid toekomt om desgewenst geluidsnormen op te leggen, zoals expliciet blijkt uit het vermelde artikel 5.32.10.1, §3 Vlarem II; dat dan ook niet kan worden ingezien, ook niet onder

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.