id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.332 Rolnummer: A. 185066/X-13448 Zaak: Arrest 208332 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Arrest nr 208.332 van 21 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.332 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 185.066/X-13.
- In zake : de gemeente KRAAINEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim Roelans kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Brusselstraat 59, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3000 LEUVEN J.P. Minckelersstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij :
- Patrick LOWYCK
- Nathalie DISTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katharina Erard kantoor houdend te 1703 SCHEPDAAL Oudstrijdersstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 september 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 2 juli 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende het onontvankelijk verklaren van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 oktober 2006, waarbij aan Patrick Lowyck en Nathalie X-13.448-1/11 Dister de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot regularisatie van een buitentrap met overloop, een terrasvenster en een nieuwe garagepoort aan de Arthur Dezangrélaan te Kraainem, kadastraal bekend sectie A, nr. 198/a
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 september
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jivan Dasgupta, die loco advocaat Tim Roelans verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bieke Claes, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Katharina Erard, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. X-13.448-2/11 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 3 oktober 2005 dienen de tussenkomende partijen een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van een buitentrap en een terrasvenster, en de plaatsing van een nieuwe garagepoort. De aanvraag heeft betrekking op een perceel gelegen te Kraainem, Arthur Dezangrélaan 30, kadastraal bekend sectie A, nr. 198/a
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is het betrokken perceel gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- Op 15 februari 2006 levert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem de regularisatievergunning af onder de volgende voorwaarden: “(…) 3° De werken overeenkomstig de ingediende en goedgekeurde bouwplannen uit te voeren en rekening te houden met volgende opmerkingen: - het terrasraam op de eerste verdieping wordt toegelaten; - de schouw wordt toegelaten. - het balkon en de betonnen trap moeten onmiddellijk afgebroken worden. - de nieuwe garagepoort wordt aanvaard, voorgesteld wordt om uit oogpunt van goede nabuurschap lichtdoorlatend niet doorzichtig glas te gebruiken; - het terrasraam op de tweede verdieping dat niet is opgenomen in huidige aanvraag blijft een stedenbouwkundige inbreuk, is vergunbaar maar moet het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke stedenbouwkundige aanvraag”. X-13.448-3/11
- De tussenkomende partijen stellen tegen deze beslissing administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, die op 12 oktober 2006 het beroep inwilligt onder de voorwaarde om een lichtdoorlatend scherm te plaatsen op de perceelsgrens over de lengte van de overloop.
- Op 20 februari 2007 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem tegen het voormelde besluit van de deputatie administratief beroep in bij de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening.
- In een brief van 6 maart 2007 van de advocaat van de tussenkomende partijen, gericht aan de ‘Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen’, wordt aangevoerd dat het beroep onontvankelijk is. Als reden wordt aangehaald dat het afschrift van het beroepsschrift, dat moet worden toegezonden aan de aanvrager, “op straffe van nietigheid, tevens de stukken (dient) te bevatten die integrerend deel uitmaken van het beroep, hetgeen in casu niet het geval is”.
- Op 2 juli 2007 neemt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het besluit “houdende het onontvankelijk verklaren van het beroep van het college van burgemeester en schepenen”. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “(…) Overwegende dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat het beroepschrift niet tezelfdertijd ter kennis van de aanvrager en de Vlaamse Regering werd gebracht; dat deze werkwijze van het college van burgemeester en schepenen zich geenszins kadert in voormeld artikel 53, §2 van het decreet; dat het niet naleven van deze regelgeving een schending van een substantiële vormvereiste betekent en bijgevolg in de onontvankelijkheid van het beroep van het college van burgemeester en schepenen resulteert; (…)”. X-13.448-4/11 IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- Aangaande haar belang stelt de verzoekende partij dat zij “als gemeente minstens een moreel belang heeft om haar beslissingen gehandhaafd te zien door de toeziende overheid”. Verder stelt zij dat haar eigen beslissing door de deputatie werd hervormd, terwijl haar bezwaren aangaande de beslissing van de deputatie door de verwerende partij niet ten gronde werden behandeld. Tot slot meent zij dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur haar “een minimale coherentie in continuïteit in haar beleid met betrekking tot de haar toegekende vergunningen” oplegt.
- De tussenkomende partijen werpen in een eerste exceptie het volgende op aangaande de aanduiding van de verwerende partij in het verzoekschrift: “B. Onontvankelijkheid van het verhaal Inbreuk op artikel 48bis van de bijzondere wet van 8/8/1980 tot hervorming van de instellingen, zoals gewijzigd. De gemeente Kraainem betekent/richt het beroep tot nietigverklaring uitdrukkelijk tot ‘Het VLAAMS GEWEST, Departement Ruimtelijke Ordening, Woonplaats Onroerend Erfgoed, 1200 Brussel, Koning Albert II laan, 19/10, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening Dirk Van Mechelen’ TERWIJL krachtens voormeld artikel 48bis van voormelde wet het Vlaams Gewest als eiseres en verweerder wordt ‘vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering’ en aldus danig in die vorm moet worden aangeduid in het beroep tot nietigheid. In casu wordt het Vlaams Gewest expliciet als tegenpartij vermeld zonder evenwel de Vlaamse regering aan te duiden als door de wet aangesteld vertegenwoordigheidsbevoegd orgaan in rechte als verweerster. Het verhaal is derhalve onontvankelijk.”
- In een tweede exceptie werpen de tussenkomende partijen een gemis aan belang op in hoofde van de verzoekende partij. Volgens hen komt het de verzoekende partij “niet toe om de persoonlijke belangen van een inwoner van de gemeente (…) te verdedigen voor de Raad van State (temeer de buur zich persoonlijk nooit heeft verzet noch een beroep heeft ingeleid tegen deze X-13.448-5/11 vergunning afgeleverd tegen de verzoekers in tussenkomst) onder het mom van een moreel belang van de gemeente om minstens de beslissingen van de gemeente Kraainem gehandhaafd te zien”. Verder stellen zij dat “het verzoekschrift (…) ook niet aan(geeft) dat het gemeentelijk belang (de gemeentelijke gemeenschap) werd geraakt”. Beoordeling
- Het voorschrift van artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tot doel de identificatie van de verwerende partij mogelijk te maken. De regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is van inquisitoriale aard en bijgevolg moet de administratieve overheid, die als verwerende partij optreedt niet op straffe van niet-ontvankelijkheid in het verzoekschrift vermeld worden. Het volstaat dat de Raad van State aan de hand van de in het verzoekschrift vermelde gegevens in staat is om de verwerende partij te identificeren. Te dezen heeft de verzoekende partij duidelijk aangegeven wie zij als tegenpartij aanduidt en die aanduidingen volstonden om aan de griffie en aan het auditoraat toe te laten de tegenpartij te identificeren, zodat zij kon worden verwittigd en uitgenodigd om de voorgeschreven proceshandelingen te stellen. De eerste exceptie wordt verworpen.
- De verzoekende partij heeft het rechtens vereiste belang om de vernietiging te vorderen van het bestreden besluit, dat haar administratief beroep, waartoe zij op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) toegang heeft, onontvankelijk verklaart. De tweede exceptie wordt verworpen. X-13.448-6/11 V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van artikel 53, §2 van het gecoördineerde decreet omdat volgens haar “de interpretatie door de Vlaamse Overheid de ratio legis van artikel 53,§2 schendt” doordat het bestreden besluit “het beroep van verzoeker onontvankelijk heeft verklaard omwille van het feit dat het beroep niet terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering zou gebracht zijn”. Zij stelt meer bepaald dat zij het door haar ingestelde administratief beroep tegen het besluit van de deputatie van 12 oktober 2006 tijdig aan de tussenkomende partijen bij aangetekende brief op 19 februari 2007 ter kennis heeft gebracht en aan de Vlaamse regering bij aangetekend schrijven van 20 februari
- Naar haar mening is de doelstelling van artikel 53, §2 van het gecoördineerde decreet immers “om de aanvrager niet in het ongewisse te laten over het lot van de aan hem toegekende vergunning, en hem zo spoedig mogelijk uitsluitsel te geven hieromtrent, zodat de rechtszekerheid gestand wordt gedaan”. Volgens haar betekent dit dat “de aanvrager (…) dus uiterlijk de laatste dag van de termijn van dertig dagen (voor het instellen van het beroep) in kennis (dient) te zijn gesteld van het beroep, zoniet zou hij daags nadien ongestoord de hem toegekende vergunning kunnen uitvoeren”. Door de verwerende partij één dag later, maar binnen de voorziene beroepstermijn, op de hoogte te hebben gebracht van het beroep, hebben de tussenkomende partijen “dan ook geen enkel nadeel” geleden aangezien de vergunning “geschorst zou worden voor de duurtijd van het beroep en dat (…) (de) vergunning geenszins definitief was, zodat (…) (zij) geen gebruik mocht(en) maken van de uitvoering van deze vergunning”.
- De verwerende partij repliceert dat de door de verzoekende partij gegeven interpretatie van artikel 53, §2 van het gecoördineerde decreet “contra legem” is en niet kan worden aanvaard. Bovendien is de tekst van het artikel duidelijk waardoor “er helemaal geen interpretatie gegeven (dient) te worden” en heeft “de decreetgever een gelijke behandeling van partijen (…) beoogd”, ook voor wat betreft de termijnen. Zij concludeert dat de kennisgeving X-13.448-7/11 op dezelfde datum diende te gebeuren en dat “logischerwijze geen beroep kan worden ter kennis gegeven aan de aanvrager wanneer het nog niet is aangetekend verstuurd aan de minister aangezien het beroep pas is ingediend wanneer het aangetekend wordt verzonden”. Beoordeling
- Artikel 53, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet, zoals dit van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, luidt als volgt: “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. (...)”. De aangehaalde bepaling legt aan het college van burgemeester en schepenen de verplichting op het beroepschrift zelf ter kennis te brengen van de aanvrager. Alleen de kennisgeving van het beroepschrift stelt de aanvrager in de gelegenheid na te gaan of het beroep van het college regelmatig werd ingesteld. De mededeling van het beroepschrift licht de aanvrager in over de datum van het beroep, de overheid bij dewelke het is ingediend, of het op redenen is gesteund en welke die redenen zijn. Uit de parlementaire voorbereiding van deze bepaling blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen, en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”. Wil de door de wetgever beoogde objectieve rechtsbedeling bereikt worden, is de gelijke behandeling van de partijen een onmisbare vereiste. Dienvolgens moet de bouwaanvrager, ten aanzien van de aanzegging van het beroep, op gelijke voet X-13.448-8/11 worden gesteld met de minister. Dit betekent dat de aanvrager op het zelfde ogenblik moet beschikken over het beroepschrift waarover de minister beschikt. Het is derhalve in strijd met de aangehaalde decretale regeling en met de ratio legis ervan, een “beroep” ter kennis te brengen van de aanvrager, alvorens het beroepschrift bij de beroepsinstantie is ingediend. Wanneer de aanvrager, zoals in casu, in die omstandigheden een kennisgeving van een “beroep” ontvangt, beschikt hij op dat ogenblik immers niet, en kan hij ook nog niet beschikken, over het beroepschrift waarover de minister zal moeten beschikken, vermits dat beroepschrift op dat ogenblik nog niet eens bestaat, laat staan dat de inhoud ervan reeds vaststaat. Op dat ogenblik beschikt de aanvrager dus in wezen alleen over een stuk waaruit blijkt dat de gemeente de intentie heeft een beroep in te stellen op de in dat stuk vermelde gronden. Alsdan beschikt hij ook niet over de datum van het beroep, dat nog daadwerkelijk moet worden ingesteld. Het eerste middel is ongegrond. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- Het tweede middel luidt als volgt : “Tweede middel Getrokken uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht. Doordat het bestreden besluit stelt dat: ‘Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat het beroepschrift niet tezelfdertijd ter kennis van de aanvrager en de Vlaamse Regering werd gebracht; dat deze werkwijze zich geenszins kadert in voormeld artikel 53, § 2 van het decreet’ Terwijl deze motivering geen rechtens aanvaardbaar motief is, als evenmin een beleidsmatig aanvaardbaar motief. Toelichting : ‘Motieven die op zichzelf consistent zijn, hoeven echter nog niet rechtens aanvaardbaar te zijn. De onaanvaardbaarheid kan blijken t.a.v. de toepasselijke wettelijke voorschriften. Een beslissing waaraan ‘een onjuiste wettelijke grondslag’ ligt, mist om die reden een draagkrachtige motivering’ (…) X-13.448-9/11 In casu steunt het besluit, nl. de onontvankelijkheidssanctie, niet op draagkrachtige motieven die naar rechte verantwoord zijn: hierdoor komt de interne wettelijkheid van deze administratieve rechtshandeling in het gedrang. Verzoekster verwijst hier onverkort naar wat zij uiteenzette in de toelichting bij het eerste middel aangaande de draagwijdte en interpretatie van de ‘gelijktijdigheidsvereiste’ van art. 53, § 2 van het decreet, en herneemt deze argumentatie. Door te stellen dat de werkwijze van verzoekende partij, nl. het niet terzelfder tijd ter kennis brengen aan aanvrager en Vlaamse regering, doch alleszins binnen de voorziene termijn, niet kadert binnen art. 53, §2 van het decreet, miskent de bestreden beslissing de doelstelling van art. 53, §2 en is deze motivering onwettig, onzinnig en mist zij grondslag. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Uit het ongegrond bevinden van het eerste middel, vloeit noodzakelijkerwijze de ongegrondheid van het tweede middel, dat gesteund is op het eerste middel en verwijst naar de uiteenzetting in de toelichting bij het eerste middel. Ook het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, ieder voor de helft. X-13.448-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.448-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div