id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.333 Rolnummer: A. 186239/X-13573 Zaak: Arrest 208333 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Arrest nr 208.333 van 21 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.333 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 186.239/X-13.573. In zake : 1. Rudi NELISSEN 2. Willy ILIAENS 3. de n.v. VANLIMMO 4. Carine BEX 5. Clement DUYSSENS 6. Eddy WINTMOLERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Andy Beelen kantoor houdend te 3580 BERINGEN Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 HASSELT Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Wauters kantoor houdend te 3500 HASSELT Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 december 2007, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van 20 juni 2007 van de provincieraad van Limburg houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” en de bijbehorende onteigeningsplannen, en X-13.573-1/15 b. het besluit van 21 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” in de gemeente Alken en waarbij tevens wordt bepaald dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen aangegeven op de onteigeningsplannen, en aan de gemeente Alken en de provinciale ontwikkelingsmaatschappij Limburg machtiging tot onteigening wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 186.117 van 8 september 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partijen sub 2, 3, 5 en 6 hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen sub 2, 3, 5 en 6 hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen sub 2, 3, 5 en 6 hebben een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Leila Tijini, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor X-13.573-2/15 de eerste verwerende partij, en advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij beslissing van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. In uitvoering van een beleidsoptie die is opgenomen in haar ruimtelijk structuurplan (hierna: RSPL), vat de provincie Limburg het plan op om voor het grondgebied van de gemeente Alken een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken. Dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan omvat twee deelgebieden. Vooreerst is er een gedeelte “Brouwerij Alken”, waar de Brouwerij Alken-Maes is gevestigd. De bedrijfsgebouwen en de terreinen daarrond zijn door het gewestplan Hasselt-Genk bestemd tot industriegebied, maar uit onderzoek is gebleken dat de waterhuishouding van de gronden een volledige benutting van dit gebied voor die doeleinden niet toelaat. Het niet te ontwikkelen gedeelte van het gebied wordt definitief geschrapt. Wegens de beperkte rol van Alken als economisch knooppunt wordt niet gezocht naar bijkomende bedrijventerreinen, tenzij als compensatie voor het schrappen van het definitief niet-realiseerbaar bedrijventerrein “Brouwerij- uitbreiding’. Samen met het natuurgebied van de beekvallei van de Herk wordt voor een gedeelte een herbestemming naar valleigebied doorgevoerd, terwijl enkel de gronden die onmiddellijk palen aan de bedrijfshallen worden X-13.573-3/15 bestemd tot “zone voor historisch gegroeide bedrijvigheid-brouwerij” en “zone voor regionale bedrijvigheid”. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan bevat ook een tweede gedeelte “uitbreiding Kolmen”, gesitueerd in noordwestelijke richting ten opzichte van de gebouwen van de brouwerij. Het betreft een ingesloten “strip” agrarisch gebied van het gewestplan, afgebakend door de spoorweg en de N722 (de “Steenweg”) en de Stationsstraat en de Meerdegatstraat. Dit gebied, dat aansluit bij de bestaande bedrijvenzone “Kolmen”, wordt omgevormd tot een zone voor regionale bedrijvigheid, met een bufferstrook van 25 meter ten opzichte van de bewoonde eigendommen langs de Steenweg en de Stationsstraat. 4. In het kader van het vooroverleg over het plan, wordt op 6 juli 2006 een plenaire vergadering gehouden. 5. Het ontwerp van provinciaal RUP wordt door de provincieraad van Limburg voorlopig vastgesteld op 14 november 2006. 6. Met een besluit van 27 februari 2007 adviseert de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het provinciaal RUP beter te onderbouwen “vanuit een globale visie op het economisch knooppunt in de ruimtelijk-economische structuur van de regio”, en worden ook nog een aantal planologisch-technische opmerkingen geformuleerd. 7. Tijdens het openbaar onderzoek over het plan wordt namens de verzoekende partijen een bezwaarschrift ingediend. In hun bezwaarschrift stellen de verzoekende partijen, onder meer, dat “de grondbalans onduidelijk en weinig transparant is” en dat er “geen bewijs (
- is)dat de 16,45 ha oppervlakte nieuwe ruimte die voor ‘uitbreiding Kolmen’ wordt aangesneden geen overcompensatie is”. 8. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van Limburg (hierna: de PROCORO) verleent op 9 mei 2007 advies, en stelt voor om X-13.573-4/15 de bezwaren grotendeels te verwerpen en het RUP definitief vast te stellen, mits een aantal voorwaarden en opmerkingen. 9. Bij het thans bestreden besluit van 20 juni 2007 stelt de provincieraad van Limburg het provinciaal RUP definitief vast. De provincieraad stelt uitdrukkelijk zich aan te sluiten bij het advies van de PROCORO. 10. Bij het thans eveneens bestreden besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 21 september 2007 wordt het provinciaal RUP en het daarbij horende onteigeningsplan goedgekeurd. Het besluit wordt bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober 2007. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 11. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten, aan de verzoekende partijen melding gemaakt van artikel 17, § 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De verzoekende partijen sub 1 en 4 hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten is verworpen. Dit wordt door de X-13.573-5/15 verzoekende partijen sub 1 en 4 niet betwist. Te hunne aanzien geldt een vermoeden van afstand van het geding. V. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen 12. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 19 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële en formele motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten hun middel als volgt uiteen: “Verzoekers formuleerden volgend bezwaar in hun aangetekend schrijven d.d. 28.02.2007 aan de PROCORO (…): ‘3. De grondbalans is onduidelijk en weinig transparant - Geen bewijs dat de 16,45 ha oppervlakte nieuwe ruimte die voor ‘ui(t)breiding Kolmen’ wordt aangesneden geen overcompensatie vormt Op pag. 213 van het RSPL is bepaald: ‘Wegens de beperkte economische rol van Alken wordt niet gezocht naar bijkomende bedrijventerreinen, tenzij als compensatie voor het schrappen van het definitief niet-realiseerbaar bedrijventerrein ‘Brouwerij-uitbreiding’. In de Memorie van Toelichting wordt deze tekst trouwens ook geciteerd als één van de essentiële uitgangspunten voor het PRUP (…). Het woord compensatie is duidelijk: de oppervlakte nieuwe ruimte bedrijventerrein mag de oppervlakte van de definitief niet- realiseerbare gronden van het bedrijventerrein ‘Brouwerij- uitbreiding’ niet overschrijden. Op pag. 213 van het RSPL was aangegeven dat de oppervlakte van de waterzieke gronden binnen ‘Brouwerij-uitbreiding’ 27 ha bedroeg: ‘Er ligt nog 27ha (definitief niet-realiseerbare) gronden op ‘Brouwerij-uitbreiding’, maar het betreft voornamelijk waterzieke gronden.’ Het zou dan ook getuigen van duidelijke en transparante communicatie indien in de Memorie van Toelichting, en in het bijzonder op de ‘grondbalans: ruimtelijke interpretatie’ die daarin is opgenomen, van die oppervlakte van 27ha binnen ‘Brouwerij- uitbreiding’ wordt vertrokken om vervolgens te specificeren welk gedeelte van die oppervlakte van die 27ha toch nog direct of indirect wordt aangewend voor bedrijfsdoeleinden, om uiteindelijk te komen X-13.573-6/15 tot de (definitief niet-realiseerbare) oppervlakte die kan worden gecompenseerd, ev. in de ‘uitbreiding Kolmen’. Dit gebeurt echter niet in de Memorie van Toelichting (…). Op de grondbalans wordt immers uitgegaan van een totale oppervlakte industriegebied van 39,37ha. Vervolgens kan men bij studie van balans alleen maar vaststellen dat een oppervlakte van 22,70 ha binnen ‘Brouwerij-uitbreiding’ toch nog effectief wordt gebruikt voor bedrijfsdoeleinden (…) Dat is ook niet meer dan logisch want de praktijk wijst uit dat de waterproblematiek ter plaatse aan de Brouwerij zo niet verdwenen dan toch zeker beheersbaar is. Dit wordt ook expliciet bevestigd op pag. 18 van het PRUP met verwijzing naar zeer recent uitgevoerd onderzoek: ‘In verband met de zone ‘uitbreiding brouwerij’ toonde onderzoek na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Alken door de Provincie en de afdeling Water dat een gedeelte van het waterzieke gebied de watertoets doorstaat (gedeelte tussen Herk en Stationsstraat) en onder bepaalde voorwaarden toch kan bebouwd worden.’ Vertrekkende van de oppervlakte die in het RSPL werd vermeld (27ha) en van het principe van de compensatie, zou dit benutte ruimtegebruik van 22,70ha binnen ‘Brouwerij-Uitbreiding’ echter nog hoogstens toelaten om 4,30ha nieuwe ruimte aan te snijden als ‘uitbreiding Kolmen’. Thans wordt met het ontwerp PRUP echter 16,45ha nieuwe ruimte aangesneden (…). Die oppervlakte van 4,30 ha komt trouwens zeer dicht in de buurt van de oppervlakte van 5ha waterzieke gronden waarover de GECORO het had in haar advies over het GRS van de gemeente Alken: ‘Behoud zo veel als mogelijk de industriezone tussen de brouwerij en de Jardinstraat in de mate dat het gebied niet waterziek is. Daarnaast kan de herlocatie van het waterzieke gedeelte worden beperkt tot een oppervlakte van 5ha, die in dat geval bij voorkeur tussen de Meerdegatstraat en het waterzuiveringsstation wordt geplaatst.’ (…). Daarenboven is ook niet nagegaan of men de beweerde ‘waterzieke gronden’ niet zou kunnen opwaarderen door bijvoorbeeld drainagewerken of andere ingrepen. Bovendien moet ook nog rekening gehouden worden met het feit dat het de industriezones zelf zijn die de bufferzone moeten omvatten (art. 7.2 KB 28.12.1972 betreffende inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen). Bij het beoordelen van de ‘compensatie’ moet de bufferzone ‘N80- Jardinstraat’ met een oppervlakte van 2,28ha dan ook bij het benutte gedeelte van de ‘Brouwerij-uitbreiding’ worden meegeteld (wat dan tot een totaal benutte oppervlakte van 24,98ha van de 27ha zou leiden en de te compenseren oppervlakte tot 2,02ha herleiden). De bufferzone in de ‘uitbreiding Kolmen’ (2,34ha) wordt in die grondbalans trouwens wél reeds als ten laste van het industriegebied ingeschreven. Ook op dat punt is er dus inconsistentie.’ X-13.573-7/15 Dit bezwaar werd in het advies van de PROCORO d.d. 05.09.2007 als volgt beantwoord (…): ‘3. De ruimtebalans (…) geeft enkel de oppervlakten weer van de bestemmingen binnen de 2 deelgebieden. De huidige bestemming industriegebied op het gewestplan bedraagt 39,37ha. Voor het gedeelte ‘Brouwerij-Alken’ wordt deze gereduceerd tot 22,70ha omdat hier een schrapping van industriegebied gebeurt (39,37 - 22,70 = 16,67ha). In het gedeelte ‘Uitbreidingszone Kolmen’ wordt geschrapte gedeelte gecompenseerd, de te bestemmen oppervlakte hier bedraagt 16,46ha. Dit betekent dat er 0,21ha te weinig wordt gecompenseerd. Op basis van het advies van de VMM zal het open ondergronds waterbufferbekken uit het PRUP geschrapt worden, hetgeen een aanpassing van de ruimtebalans zal geven (schrapping van 0,63ha bij het regionaal bedrijventerrein ‘Brouwerij-Alken). Zie ook antwoord bij A3. Er is dus zeker geen sprake van overcompensatie. Er wordt meermaals verwezen naar het Gecoro-advies terwijl naar aanleiding van dit openbaar onderzoek de gemeenteraad expliciet vermeldt dat de Gecoro geen advies heeft uitgebracht. Een aantal van de waterzieke gronden wordt behouden en zullen als bedrijventerrein ontwikkeld worden. De andere waterzieke gronden hebben te maken met de ligging in overstromingsgebied van de Herk. Deze gronden komen niet in aanmerking om via werken of ingrepen bebouwingsklaar te maken. Zie ook advies A3, antwoord bij A3 en B2. De bufferzone ‘N80-Jardinstraat’ is geschrapt als industriezone en wordt herbestemd naar een bufferzone voor de N80 en niet voor het regionaal bedrijventerrein. De herbestemming heeft te maken met de bestaande toestand: ze wordt gekenmerkt als de meest waardevolle natuurlijk-ecologische zone binnen het projectgebied en omvat grotendeels de vallei van de Simsebeek. De bufferzones bedoeld om de regionale bedrijvigheid te bufferen, worden in provinciale RUP’s als onderdeel van het bedrijventerrein beschouwd en horen dus ook thuis in de ruimtebalans bij deze bestemming.’ De bestreden beslissing(
- en)voorzien niet in relevante en meer concrete motivering t.a.v. het geformuleerde bezwaar. De weerlegging van de PROCORO volstaat niet. Ingevolge het RSPL is het aan de overheid om aan te tonen dat de aansnijding van de nieuwe ruimte ter uitbreiding van Kolmen maximaal een loutere compensatie vormt voor het schrappen van het definitief niet- realiseerbare deel van het bedrijventerrein Brouwerij-uitbreiding. In het richtinggevend gedeelte van het RSPL werd de oppervlakte voornamelijk waterzieke gronden geconcretiseerd in een oppervlakte van 27ha. Bijgevolg had in de bestreden beslissing - en in de grondbalans (…) - van diezelfde oppervlakte van 27ha moeten worden vertrokken om vervolgens tot het definitief geschrapte gedeelte te komen, en niet van de oppervlakte van 39,37ha die door het gewestplan als industriegebied zou zijn ingekleurd. X-13.573-8/15 De grondbalans toont hoogstens aan dat de totale oppervlakte industriegebied ongeveer dezelfde zal blijven, niet dat 16,67ha van het bedrijventerrein Brouwerij-uitbreiding niet-realiseerbaar is. Het is bovendien onduidelijk of de 4,28ha ‘industriegebied zuiden Grootstraat’ die in de grondbalans is opgenomen wel behoort tot het bedrijventerrein Brouwerij-uitbreiding. Verder omzeilen de verwerende partij de plicht om de bufferzone aan de Jardinstraat (2,28ha) als deel uitmakend van het industriegebied te moeten aanrekenen door te stellen dat deze zone dient als bufferzone voor de N80, niet voor het regionaal bedrijventerrein (...): (...) Onderaan pag. 21 van haar advies stelt dezelfde Procoro echter expliciet dat het aan de Jardinstraat gaat om nieuwe ontsluitingsinfrastructuur die specifiek voor de ontwikkelingszone moet worden aangelegd (…): ‘M.b.t. de voorwaarde dat de zone rechtstreeks ontsluitbaar moet zijn via primaire en secundaire wegen, moet gezegd worden dat voor de ontwikkeling van elk van de 5 vooropgestelde zoeklocaties een nieuwe ontsluitingsinfrastructuur aangelegd moet worden. Dit geldt als dusdanig niet alleen voor de zone ‘Uitbreiding Brouwerij-Alken’. De Jardinstraat sluit rechtstreeks aan op het bovenlokale verkeersknooppunt N80-Meerdegatstraat (waar in het streefbeeld bovendien een verbeterde aansluiting voorzien wordt) en deze nieuwe ontsluiting (tussen de ontwikkelingszone en de N80) doorkruist geen enkele woonomgeving.’ De bufferzone aan de Jardinstraat dient bijgevolg de facto wel degelijk voor het bedrijventerrein en had bijgevolg in de compensatie moeten worden verrekend. Dit is niet gebeurd en alleen al die vaststelling impliceert dat een overcompensatie heeft plaatsgevonden. Minstens zijn de geciteerde motiveringen tegenstrijdig. Het middel is gegrond”. 13. De eerste verwerende partij repliceert dat “het bestreden goedkeuringsbesluit (...) de weerlegging van de PROCORO bij(treedt)” door te overwegen “dat er in de loop van het openbaar onderzoek meer dan 700 bezwaren zijn ingediend” en “dat deze bezwaren uitvoerig gemotiveerd zijn behandeld en weerlegd in het advies van de PROCORO van 9 mei 2007”. 14. De tweede verwerende partij betwist vooreerst de ontvankelijkheid van het middel. Zij stelt enerzijds dat “een beslissing houdende goedkeuring van een PRUP (...) een reglementair besluit is (...) (
- en)niet onder het toepassingsgebied van de formele motiveringsplicht (valt)”. Bovendien kunnen de verzoekende partijen volgens haar “niet tegelijkertijd een schending van de formele motiveringsplicht en de materiële motiveringsplicht inroepen”. X-13.573-9/15 Anderzijds is het middel volgens haar “onduidelijk en onnauwkeurig” omdat zij “op geen enkele wijze echter uit(leggen) op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden” en zij “in de toelichting van het middel (...) immers enkel naar één richtinggevende bepaling van het RSPL (verwijzen)”. Tot slot stelt zij dat de verzoekende partijen “het middel vooral opbouwen rond een schending van een passage in het RSPL”, maar zich in toelichting bij het middel zelf niet baseren op een schending van dit provinciaal ruimtelijk structuurplan. Zij repliceert aangaande de gegrondheid van het middel dat de bevoegde overheden die moeten oordelen over een RUP “in het licht van de in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid (beschikken)”. Voorts tonen de verzoekende partijen volgens haar “in hun vordering op geen enkele wijze aan in welke mate deze overwegingen kennelijk onredelijk of niet draagkrachtig zouden zijn om de beslissingen inzake de compensatie te kunnen ondersteunen”. Zij stelt dat de verzoekende partijen ten onrechte beweren “dat het begrip ‘compensatie’ zou inhouden dat het creëren van nieuwe ruimte precies gelijk zou moeten zijn aan de te schrappen definitief niet-realiseerbare gronden”. Zij heeft gemotiveerd, na het advies van de PROCORO tot het hare te hebben gemaakt, “hoe de lichte afwijking tot stand kwam”. Meer bepaald repliceert zij te hebben geoordeeld “dat in het kader van de bestreden beslissing 16,67 ha niet- realiseerbaar industriegebied zou worden geschrapt” en dit vervolgens te hebben afgenomen “op de grond, die in het RSPL als 27 ha niet-realiseerbare grond is aangeduid en op de ROG-kaarten als overstromingsgebied is aangeduid”. De verzoekende partijen slagen er haar inziens niet in concreet aan te tonen “dat deze gronden wel realiseerbaar zouden zijn”. Zij concludeert dat voldaan is aan de bepalingen van het RSPL aangezien “voor het overige (...) de geschrapte grond praktisch in zijn geheel gecompenseerd (is)” en “alle andere overwegingen van de verzoekende partijen (...) niet relevant (zijn)”. 15. In de laatste memorie stelt de tweede verwerende partij dat de verzoekende partijen uitgaan van “verkeerde cijfers” waardoor zij een “redeneringsfout maken”. Voorts stelt zij dat de motivering om “slechts een deel van die 27 ha te schrappen (...) rechtstreeks uit het RSPL (volgt)”, “dat uitdrukkelijk een compensatie toelaat van 27 ha”. Aldus diende dit volgens haar X-13.573-10/15 niet verder gemotiveerd te worden in het bestreden besluit aangezien zij “enkel een beslissing uit(voert), die ze reeds eerder had genomen bij het vastleggen van het RSPL”. De bezwaren, door de verzoekende partijen geuit in de administratieve procedure, zijn volgens haar afdoende beantwoord door de PROCORO “gecombineerd met de cijfers in de toelichtingsnota”. Zij concludeert derhalve dat “door haar goedkeuring te geven aan het verslag van de PROCORO, aan de grafische plannen en aan de bijhorende toelichtingsnota, (...) zij zich volledig van haar taak gekweten (heeft) ten aanzien van het door de verzoekende partijen geuite bezwaar”. Beoordeling Ontvankelijkheid 16. In tegenstelling tot wat de tweede verwerende partij voorhoudt kan een middel zowel de schending van de formele als van de materiële motiveringsplicht inroepen. De exceptie wordt verworpen. 17. Met de tweede verwerende partij dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in de toelichting bij het middel niet verduidelijken welk onderdeel van artikel 19 DRO, dat bestaat uit acht paragrafen, volgens hen zou zijn geschonden. De argumentatie die in het middel wordt opgebouwd, wordt niet concreet in verband gebracht met de inhoud van het artikel waarvan de schending wordt aangevoerd. Het middel is onontvankelijk in zoverre een schending van artikel 19 DRO wordt aangevoerd. Gegrondheid 18. In het bestreden besluit van 20 juni 2007, waarbij de tweede verwerende partij het PRUP “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” en de bijbehorende onteigeningsplannen definitief vaststelt, sluit zij zich uitdrukkelijk aan “bij de beoordeling door de PROCORO X-13.573-11/15 (meerderheidsstandpunt) van de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte adviezen, opmerkingen en bezwaren, de argumentatie en het voorwaardelijk gunstig advies van de PROCORO (meerderheidsstandpunt) (die zij) wenst bij te treden en de motivering van de PROCORO (meerderheidsstandpunt) (die zij) tot de (hare) wenst te maken (met verwijzing naar het register van de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren (...))”. 19. Artikel 19, §3 DRO bepaalt onder meer het volgende: “§3. Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen, niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. (...)”. In het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan van de provincie Limburg is de volgende bepaling, waarnaar eveneens in het bezwaarschrift wordt verwezen, relevant: “(...) Er ligt nog 27ha (definitief niet-realiseerbare) gronden op ‘Brouwerij- uitbreiding’, maar het betreft voornamelijk waterzieke gronden. (...) Wegens de beperkte economische rol van Alken wordt niet gezocht naar bijkomende bedrijventerreinen, tenzij als compensatie voor het schrappen van het definitief niet-realiseerbaar bedrijventerrein ‘Brouwerij-uitbreiding’ (...)”. Deze richtinggevende bepaling laat de creatie van bijkomende bedrijventerreinen niet toe, tenzij dit gebeurt “als compensatie voor het schrappen van het definitief niet-realiseerbaar bedrijventerrein ‘Brouwerij-uitbreiding’”. 20. Zoals de verzoekende partijen terecht voorhouden ligt de bewijslast in dit verband bij de verwerende partijen en komt het aan die verwerende partijen toe om aan te tonen dat de aansnijding van de nieuwe ruimte ter uitbreiding van Kolmen een loutere compensatie vormt voor het schrappen X-13.573-12/15 van het definitief niet-realiseerbare deel van het bedrijventerrein ‘Brouwerij- uitbreiding’. De uitdrukkelijke motiveringsplicht die het indienen van het bezwaar tot gevolg heeft, vereist immers dat in het advies van de PROCORO een concreet antwoord terug te vinden is aangaande de maximaal toelaatbaar te compenseren oppervlakte aan ‘definitief niet-realiseerbaar bedrijventerrein’. Uit het antwoord van de PROCORO op het door de verzoekende partijen geformuleerde bezwaar, is af te leiden dat een schrapping van ‘industriegebied’ gebeurt ter grootte van 16,67 ha, waaraan wordt toegevoegd dat “in het gedeelte ‘Uitbreidingszone Kolmen’ (...) het geschrapte gedeelte (wordt) gecompenseerd (...)”. Waar de PROCORO melding maakt van 16,67 ha, wordt uitgegaan van de oppervlakte van 39,37 ha die in het gewestplan is aangeduid als ‘industriegebied’, welke oppervlakte vervolgens wordt “gereduceerd tot 22,70 ha omdat hier een schrapping van industriegebied gebeurt (39,37 – 22,70 = 16,67 ha)” terwijl, zo blijkt uit de betrokken richtinggevende bepaling van het RSPL, nochtans de geschrapte oppervlakte aan “definitief niet- realiseerbaar bedrijventerrein” als referentieoppervlakte in aanmerking moet worden genomen. In het antwoord van de PROCORO is alleszins geen verduidelijking terug te vinden op de in het bezwaar vervatte vraag welke gronden als “het definitief niet-realiseerbaar bedrijventerrein” kunnen worden gecompenseerd. De verduidelijking van de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de “verwerende partij heeft afgenomen op de grond, die in het RSPL als 27 ha niet-realiseerbare grond is aangeduid en op de ROG- kaarten als overstromingsgebied is aangeduid”, kan niet in de plaats komen van de vereiste motivering en kan bovendien bij gebrek aan aangetoonde gegevens daaromtrent in het advies van de PROCORO, niet worden aangenomen. Bijgevolg dient te worden besloten dat de wijze waarop de PROCORO het bezwaar weerlegt, niet afdoende is. Vermits de motivering niet afdoende is, is het bij gebrek aan de noodzakelijke gegevens daartoe, evenwel onmogelijk om op basis van het advies van de PROCORO, waar de verzoekende partijen in het middel uitdrukkelijk naar verwijzen en op steunen, tot de vaststelling te komen dat er maximaal sprake is van een loutere compensatie en geen overcompensatie. De door de tweede verwerende partij aangebrachte cijfers doen aan deze vaststelling geen afbreuk. X-13.573-13/15 Het derde middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State stelt de afstand vast in hoofde van de eerste en vierde verzoekende partij. 2. De Raad van State vernietigt: a. het besluit van 20 juni 2007 van de provincieraad van Limburg houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” en de bijbehorende onteigeningsplannen, en b. het besluit van 21 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” in de gemeente Alken en waarbij tevens wordt bepaald dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen aangegeven op de onteigeningsplannen, en aan de gemeente Alken en de provinciale ontwikkelingsmaatschappij Limburg machtiging tot onteigening wordt verleend. 3. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het tweede vernietigde besluit. 4. De eerste en de vierde verzoekende partijen, elk ten belope van 175 euro, en het Vlaamse Gewest, ten belope van 700 euro, worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 1050 euro Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. X-13.573-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.573-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.333 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div