id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.339 Rolnummer: A. 197934/XII-6377 Zaak: Arrest 208339 - Examens (onderwijs) - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Arrest nr 208.339 van 21 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.339 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 197.934/XII-6377 In zake: Anthony OPHOFF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mark Ballon kantoor houdend te Antwerpen Britselei 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW ONZE-LIEVE-VROUWECOLLEGE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Verstraete kantoor houdend te Antwerpen Schermersstraat 30 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 12 oktober 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 4 oktober 2010 van de delibererende klassenraad van het Onze-Lieve- Vrouwecollege te Antwerpen om aan Anthony Ophoff een oriënteringsattest C toe te kennen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martine Wendrickx, die loco advocaat Mark Ballon verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Rudy Lodefier, loco advocaat Jan XII-6377-1\16 Verstraete en bestuurder Robert Mennes, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 ingeschreven als leerling van het tweede jaar van de derde graad, wetenschappen-wiskunde, aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Antwerpen. 3.2. De over verzoeker delibererende klassenraad stelt aan het einde van het schooljaar vast dat verzoeker twee jaartekorten heeft, voor de vakken wiskunde (46%) en fysica (45,3%). De klassenraad stelt zijn beslissing over het slagen van verzoeker uit en beslist om hem bijkomende proeven op te leggen voor deze vakken. Voor de bijkomende proeven behaalt verzoeker 52% voor fysica en 44,6% voor wiskunde. Op 30 augustus 2010 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C te geven. 3.3. Op 31 augustus 2010 vraagt verzoeker of de delibererende klassenraad zijn beslissing wil heroverwegen. De directeur antwoordt op 3 september 2010 “dat er geen bereidheid was bij de leden van de klassenraad om opnieuw samen te komen”. Vervolgens dient verzoeker een beroep in bij de beroepscommissie. Op 15 september 2010 deelt het schoolbestuur aan verzoeker mee dat de delibererende klassenraad overeenkomstig het advies van de beroepscommis- sie niet opnieuw wordt samengeroepen. XII-6377-2\16 3.4. Bij arrest nr. 207.683 van 28 september 2010 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 september 2010 van het bevoegd gezag van het Onze- Lieve-Vrouwecollege te Antwerpen om de over Anthony Ophoff delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. 3.5. Naar aanleiding van voormeld schorsingsarrest is de delibererende klassenraad opnieuw samengekomen op 1 en 4 oktober 2010 om de resultaten van verzoeker te bespreken. Op 4 oktober 2010 beslist de delibererende klassenraad om het oriënteringsattest C te handhaven. Hij motiveert deze beslissing aldus: “Beslissing van de delibererende klassenraad dd. 4.10.2010: Anthony Ophoff behaalde een C-attest. Motivering (
- a)Resultaat van de stemming (indien stemming): beslissing in unanimiteit, 12 stemgerechtigde leden van de delibererende klassenraad kenden Anthony Ophoff op 4.10.2010 een C-attest toe. (
- b)Globaal resultaat: Anthony Ophoff 56,3%, 9e plaats op 9 leerlingen (
- c)Vakken waarvoor onvoldoende of zeer zwak gepresteerd werd: Vak: wiskunde Eindresultaat: 46% Bijkomende proef: 44,6% Evolutie: negatief, laatste deel van het proefwerk (statistiek, kansrekenen, combinatieleer) grotendeels blanco afgegeven. Vak: fysica Eindresultaat: 45,3% Bijkomende proef: 52% Evolutie: voldoende voor theorie, blijvend zwak voor de oefeningen Oorzaken/opmerkingen: Anthony slaagt mits voldoende studie-inzet voor kleinere leerstofgehelen (dagelijks werk) en kleinere deelproeven. Hij mist echter het inzicht en de vaardigheden om de verworven theoretische kennis om te zetten naar de toepassingen, de oefeningen. Dit geldt voornamelijk voor de vakken fysica en wiskunde en dit zowel tijdens het schooljaar, tijdens de examens en op de bijkomende proef. Voor fysica werkt het resultaat op theorie gedurende de evolutie doorheen het schooljaar onvoldoende de lacunes bij de toepassingen weg. Voor wiskunde werkt het resultaat behaald op theorie de zware onvol- doendes op de oefeningen NIET weg. De leerkrachten wiskunde en fysica maakten een analyse van de proefwerken 1e en 2e semester en van de bijkomen- de proef. Hieruit blijkt duidelijk dat leerplandoelstellingen en eindtermen voor de oefeningen/toepassingen niet gehaald werden. Leerlingen in een studierich- ting wetenschappen-wiskunde moeten de competentie hebben om de theorie in oefeningen te kunnen toepassen. Dit gebrek aan inzichtelijke verwerking van de leerstof werd ook ervaren in de niet-exact wetenschappelijke vakken. O.m. de leerkracht geschiedenis, dhr. Tanghe, merkte dat Anthony wel zuiver reproducerend (letterlijke kennisvra- gen) kon presteren maar zwak was op inzichtelijke en analyserende vraagstel- ling. Ook de andere leerkrachten waren aan het woord. Voor Engels was er sprake van een onregelmatige studie-inzet bij het studeren van het kennis-onderdeel XII-6377-3\16 woordenschat. Voor Frans was ook het inzichtelijke deel van de leerstof eerder zwak (ondanks zijn voorsprong in spreekvaardigheid) t.o.v. de andere leerstofonderdelen en vaardigheden. Voor vaardigheden scoorde Anthony voor de talen dan weer beter, vooral voor zijn spreekvaardigheid. Presentaties werden met een zekere flair gebracht. Voor Nederlands bleek ook in de luisteroefeningen (luistervaardigheid) dat Anthony het behoorlijk moeilijk had om een tekst te analyseren, samen te vatten. Remediëring of studiebegeleiding gedurende het schooljaar: Na de zeer slechte resultaten van het 1e semester werd aan Anthony gevraagd om een zelfevaluatie in te vullen. Daarin gaf Anthony zelf aan hoe gebrekkig zijn studie-inzet was geweest tijdens het 1e semester. Hij weet dit vooral aan een overmatig computergebruik. Met het bannen van de computer uit zijn studeerkamer zou er veel ten goede komen. Ook in het gesprek dat Anthony voerde met de heer T. De Bruyn, graadcoördinator 3e graad, kwam de gebrekkige studiemotivatie en -inzet ter sprake. De heer G. Faseur stelde bij aanvang van het 2e semester voor aan Anthony te werken met een studiecontract om hem zo te motiveren voor het studiewerk en hem te begeleiden bij een volgehouden studie-inspanning. Ook tijdens dit gesprek sprak Anthony over zijn ‘computerverslaving’. Anthony heeft deze hulp (studiecontract) geweigerd en vond het voldoende dat hij samen met een klasgenote [Z.] (6WEWIa) zou studeren. De klassenraad zag vooral een verbetering op het rapport van februari. Nadien ging het weer minder en kwamen er opnieuw onvoldoendes op het rapport te voorschijn. De klassenleraa[r], dhr. Faseur, betreurt ook dat de ouders van A. Ophoff niet zijn ingegaan op uitnodigingen om op oudercontact te komen, noch na de dramatische cijfers van Kerst, noch na de deliberatie van juni. Nochtans lagen juist daarin kansen om samen met de ouders te zoeken naar gepaste strategieën om beiderzijds pedagogisch doeltreffend te handelen met het oog op het welslagen van Anthony. (zie uitnodigingen - bijlage 8) Voor de vakken fysica en wiskunde werden er ter oefening en ter remediëring allereerst verplichte inoefentaken opgelegd. Voor wiskunde was er het steeds geldende aanbod dat leerlingen uit eigen initiatief oefeningen ter verbetering mochten aanbieden. Nooit is Anthony op dit aanbod ingegaan. Met de moeilijkheden die Anthony ondervond doorheen dit schooljaar en vanuit zijn negatieve ervaring van het verleden (5e jaar gedubbeld, negatief advies t.o.v. de studierichting wetenschappen-wiskunde) zou hij zeker van deze mogelijkheid gebruik hebben moeten maken. De gemaakte oefeningen zouden niet alleen verbeterd zijn geworden maar ook becommentarieerd op de gemaakte fouten. Dit laatste geldt ook voor fysica. De klassenraad ziet hierin opnieuw een bewijs van de gebrekkige studiehouding (zelf de problemen niet aanpakken, zich niet laten helpen maar ook zelf geen initiatief nemen) en studiemotivatie. (
- d)Redenen (naast deze uit (
- b)én (c)) waarop de conclusie van de delibereren- de klassenraad gebaseerd is: De klassenraad ontkent zeker dat er bij de beoordeling van de resultaten van Anthony sprake kan zijn van schending van het discriminatiebeginsel. De ver- gelijking tussen leerlingen blijft een delicaat gegeven. Men is dieper ingegaan op de vergelijking tussen de leerlingen [X.] en Anthony Ophoff. [X.] had in het 2e semester voor het vak wiskunde een voldoende gehaald zowel voor dagelijks werk als voor het proefwerk. Zijn totaaltekort was alleen te wijten aan het slechte resultaat van het 1e semester (39 %). [X.] was een nieuwe leerling in het 6e jaar (kwam van een andere school). Hij had duidelijk aanpassingsproblemen en had tevens een achterstand in de geziene leerstof. Het leerplan wiskunde is immers een graadleerplan en bij de overgang naar een andere school kunnen XII-6377-4\16 bepaalde leerstofonderdelen nog niet gezien zijn. [X.] heeft in het 2e semester bewezen dat hij de leerplandoelen en eindtermen behaald heeft. Voor het vak fysica was het tekort van [X.] (47%) minder zwaar dan voor Anthony Ophoff (39%). Gezien het duidelijk betere algemeen resultaat (62,2%- 2e plaats op 9 in de klasgroep) t.o.v. Anthony Ophoff (56,3% - 9e plaats op 9) oordeelde de klassenraad de punten voor [X.] als voldoende en kon men hem een A-attest toekennen. Voor de andere leerling waarmee men vergeleek, [Y.] gaat het over andere vakken (een taalvak, niet behorend tot de hoofdcomponent van de richting en waarvoor de leerling in het 2e semester ook bewees te kunnen slagen en een wetenschap waarvoor de evolutie in het 2e semester niet voldoende was maar gezien haar voldoende resultaten voor wiskunde en voor de andere drie wetenschappen (steeds geslaagd, doorheen gans het jaar) was de klassenraad ook hier bereid het onvoldoende als voldoende te beschouwen). Zowel in de beoordeling van A. Ophoff als in deze van de twee klasgenoten werd de totaliteit van de prestaties in ogenschouw genomen en is er op dezelfde manier beoordeeld geweest. Ook Anthony mocht, wegens de gunstige evolutie in het 2e semester, op een zekere clementie van de delibererende klassenraad rekenen. Daarom werd hem op 30 juni niet meteen een C-attest toegekend. Zéér uitzonderlijk werd hem toegestaan over de vakken wiskunde en fysica bijkomende proeven af te leggen. Dit in tegenstelling tot leerlingen die wel in juni een C-attest behaalden. De klassenraad kon enkel vaststellen dat Anthony deze uitzonderlijke kans onvoldoende heeft benut. De klassenraad stelt zich ook vragen bij het verhaal van de ‘black-out’ op het laatste proefwerkonderdeel voor de bijkomende proef wiskunde. Men kan de oorzaken van deze black-out niet duiden maar uit de analyse van de leerkracht wiskunde, mevr. P. Boogaert, blijkt dat Anthony voor datzelfde onderdeel (kansrekenen, statistiek en telproblemen) ook bij het proefwerk van juni een zwaar onvoldoende (39%) haalde op de oefeningen. De leerplandoelen voor dit onderdeel zijn zeker niet gehaald. Als er in het 2e semester een kleine vooruitgang werd geboekt voor wiskunde dan was dit voor kleinere leerstofonderdelen (getoetst in kleinere testen) maar zeker niet bij het proefwerk in juni. Anthony was zich zeker bewust van zijn falen op studiegebied. In juni dankte hij de klassenraad (via de klassenleraar) uitvoerig dat hij bijkomende proeven mocht afleggen en dat hij zich opnieuw mocht bewijzen. Ook na de bijkomende proeven schreef Anthony in een e-mail naar de directeur en in een brief naar de klassenraad dat hij besefte dat hij zijn studies verkeerd had aangepakt. De klassenraad betreurt dat Anthony in zijn studieloopbaan het advies van de delibererende klassenraden (motivering C-attest juni 2008- ‘om verdere studieproblemen te vermijden beter van studierichting en/of school zou veranderen’ - zie bijlage) naast zich heeft neergelegd en toch in de studierich- ting wetenschappen-wiskunde heeft willen volharden. Dit heeft hem in het 5e jaar reeds een dubbeljaar gekost. Bij opvolging van de adviezen en mits een doorgedreven studie-inzet had hij wellicht in een andere studierichting succesvoller kunnen zijn. Hoewel de klassenraad de totaliteit van het dossier van Anthony in ogenschouw heeft genomen en daarbij duidelijk rekening gehouden heeft met de positieve elementen (o.a. de algemene evolutie, de progressie in het 2e semester) die in het dossier aanwezig zijn, kan men niet om de essentiële beoordeling van de studieresultaten heen. Deze zijn in de beoordeling van de unanieme klassenraad als onvoldoende beschouwd voor het toekennen van een A-attest. Anthony heeft het 2e leerjaar van de 3e graad niet met vrucht beëindigd.” XII-6377-5\16 Deze beslissing wordt met een brief van 5 oktober 2010 aan verzoeker meegedeeld, met als bijlagen onder meer de nota’s van de leerkrachten wiskunde en fysica waarvan sprake in de geciteerde beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden 4. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden. V. Ernst van de middelen 5. Verzoeker voert drie middelen aan. A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van de middelen 6. Het eerste middel is geput uit “de schending van de materiële motiveringsplicht, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van art. 5, § 5, 38, 3/, en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit), schending van de deliberatienormen” omdat de bestreden beslissing uitgaat van onjuiste premissen. Verzoeker merkt op dat hij onterecht als negende leerling wordt geklasseerd, aangezien hij eenzelfde percentage heeft behaald als de leerling op plaats acht. Het hoofdmotief dat hij op de negende plaats van negen leerlingen komt is feitelijk en in rechte onjuist zodat hiermee de materiële motiveringsplicht en de algemene zorgvuldigheidsplicht geschonden is. Onder verwijzing naar “de deliberatienormen” geeft hij aan slechts voor één vak, namelijk wiskunde, een vaktekort te hebben om te besluiten dat aldus XII-6377-6\16 het hoofdmotief “de vakken waarvoor onvoldoende werd gepresteerd” niet bewezen is. Wat betreft de “vakken waarvoor zeer zwak gepresteerd werd”, waarbij verwerende partij de resultaten van de vakken geschiedenis, Engels, Frans en Nederlands aanhaalt om het beweerde “gebrek aan inzichtelijke verwerking van de leerstof” aan te tonen, zijn deze vakken geen hoofdcomponenten en is verzoeker voor al deze vakken geslaagd en zelfs positief geëvolueerd gedurende het schooljaar. Verzoeker bespreekt vervolgens deze vakken (blz. 8-9 van zijn verzoekschrift) en stelt niet in te zien hoe een onderzoek ervan tot de vaststelling zou kunnen leiden dat hij de leerstof van zijn studierichting niet heeft verwerkt aangezien hij voor al deze vakken geslaagd is. Hij vergelijkt ook voor sommige vakken met resultaten van andere leerlingen. Verwerende partij diende het tekort op wiskunde ook af te toetsen tegen de algemene progressie van verzoeker op zijn hoofdcomponenten, tegen de prestaties van zijn niet-hoofdcomponenten en tegen de zwakke prestaties van zijn klas. Volgens verzoeker is een aantal feiten niet in aanmerking genomen : zijn positieve evolutie op vele vakken, zijn voldoendes op andere vakken, zijn globaal resultaat van 56,3% hetgeen volgens de deliberatienormen “geslaagd” is. Hoewel de klassenraad wel stelt de totaliteit van het dossier in ogenschouw te hebben genomen en daarbij rekening te hebben gehouden met de positieve elementen die in het dossier aanwezig zijn, blijkt dit niet uit de motieven. Het is volgens verzoeker eerder een typeformulering zonder concrete invulling. Er werd overdreven veel rekening gehouden met de éne onvoldoende voor wiskunde. Verzoeker gaat ook nader in op het aspect “remediëring of studiebegeleiding gedurende het schooljaar”, dat volgens hem van een aantal pertinente onwaarheden uitgaat. 7. Het tweede middel is geput uit “de schending van de materiële motiveringsplicht, een schending van art. 5 § 5 en § 6 van het organisatiebesluit, schending van de deliberatienormen, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel” omdat de delibererende XII-6377-7\16 klassenraad de resultaten enkel afweegt tegen niet-hoofdcomponenten zonder rekening te houden met het klasgemiddelde en de progressie van verzoeker. Met betrekking tot de motivering over de resultaten van wiskunde en fysica verwijst verzoeker naar het klasgemiddelde voor wiskunde en stelt hij dat de klassenraad met de vaststelling dat het een zwakke klasgroep betreft geen rekening heeft gehouden. Een medeleerling met een A-attest haalde 48% op wiskunde. Verzoekers stijgend resultaat voor wiskunde (hoger dan klasgemiddelde) werd niet in rekening gebracht. Voor fysica heeft verzoeker enkel voor verschillende onderdelen van de oefeningen de leerplandoelstellingen niet bereikt en voor de theorie wél en wijst de leerkracht op de “significante vooruitgang”; hij behaalt op vier van de zes oefeningen minstens 50%. Verzoeker verwijst nogmaals naar resultaten van andere leerlingen. Beoordeling 8. In de nota met opmerkingen maakt verwerende partij aannemelijk dat de percentages van de leerlingen afgeronde cijfers zijn en dat verzoeker dus prima facie terecht als negende op negen leerlingen geplaatst is, eenmaal de cijfers verder na de komma mee in rekening worden genomen. Overigens ziet de Raad niet goed in welke belang verzoeker bij het bestrijden van dit “hoofdmotief” mag hebben, nu hij niet betwist dat hij hoe dan ook de zwakste -weze het mogelijk ex aequo- leerling van zijn groep is. Voorts is de Raad het niet met verzoeker eens dat de klassenraad zijn klassement als een “hoofdmotief” beschouwt. Integendeel lijkt verwerende partij bijgevallen te moeten worden, waar zij in haar nota opmerkt dat de punten (a), (
- b)en (
- c)veeleer feitelijke gegevens zijn en de uitgebreide motivering haar beslag krijgt onder punt (
- d)van de bestreden beslissing. 9. Uit het geheel van de bestreden beslissing, zoals hiervóór aangehaald, begrijpt de Raad van State in de huidige stand van de procedure integendeel dat de delibererende klassenraad in hoofdorde tot het oriënteringsattest is gekomen op grond van de concrete resultaten van verzoeker, inzonderheid voor wiskunde en fysica. XII-6377-8\16 De delibererende klassenraad besloot om verzoeker voor wiskunde en fysica bijkomende proeven op te leggen, omdat op het einde van het schooljaar voor deze vakken onvoldoende informatie voorlag om al een eindbeslis- sing te kunnen nemen. Een andere leerling met vergelijkbare resultaten werd toen reeds een C-attest toegekend. De verwerende partij merkt op dat verzoeker bijkomende proeven mocht afleggen, net omdat hij progressie had gemaakt tijdens het tweede semester. Volgens de Raad maken de stukken van het administratief dossier dit aannemelijk. 10. Uit de nota van de leerkracht fysica blijkt dat verzoeker voor dit vak bij het kerstexamen een diffuus beeld geeft, met voldoende cijfers voor bepaalde onderdelen en “totaal onvoldoende” voor oefeningen dynamica : “Anthony kan de beginselen van Newton (de basis van de klassieke mechanica) niet toepassen bij berekeningen in situaties waarbij een voorwerp versneld, vertraagd of eenparig beweegt (leerplandoelstellingen fysica totaal niet bereikt)”. Voor het tweede semester behaalt verzoeker 39%. Het jaartotaal is 45,3%. Voor de bijkomende proef “werd geopteerd voor een haalbaar pakket”, alleen een gedeelte van het tweede semester moest opnieuw worden gestudeerd. Inderdaad behaalt verzoeker vervolgens voor de theorie “een duidelijke vooruitgang” met 72% en verklaart de leerkracht dat hier de leerplandoelstellingen bereikt zijn. Hij voegt eraan toe: “Dit vergt echter weinig eigen inbreng. Hij moet hierbij aantonen dat hij op een verstaanbare manier fysische eigenschappen en fenomenen kan beschrijven, uitleggen en verklaren”. Voor de oefeningen behaalt hij 40% en geeft de leerkracht volgende toelichting aan de klassenraad: “Bij verschillende onderdelen is de leerplandoelstelling niet bereikt. • De wet van behoud van mechanische energie toepassen bij het opstellen van een energiebalans van een mechanisch systeem: (vraagstuk 1 +2). Er is verbetering in het verwerven van deze doelstelling, maar zeker nog niet bereikt. (5/14) • Standaardproblemen i.v.m. ECB niet verwerkt. Bovendien komt daar nog het tweede beginsel van Newton bij, waar bij Kerstmis was gebleken dat die doelstelling niet bereikt was. Er zit geen verbetering in het bereiken van deze doelstelling. (2/8) •Lopende golven als voortplanting van een harmonische trilling: daarvan zijn de basisbegrippen voldoende gekend (letterlijke formules toepassen) maar begrippen zoals faseverschil en fasoren totaal niet. Kan hij niet berekenen. •Frequentieverandering bij bewegen van een bron/voorwerp: doelstelling totaal niet bereikt (0/6). Hij begrijpt het verschijnsel niet, kan het niet uitleggen en kan het bijgevolg deze leerstof niet toepassen. De uitleg van het verschijnsel werd op het eindexamen theorie gevraagd (7/30). Deze oefening werd gevraagd op de laatste test, uitgelegd, gevraagd op het eindexamen en uiteindelijk opnieuw gevraagd op de bijkomende proef. [...] XII-6377-9\16 Het eindresultaat fysica (na bijkomende proef) geeft een gemengd beeld. Er is voor een aantal onderdelen een vooruitgang tot zelfs een significante vooruitgang • Theorie (van 47% naar 72% (significante vooruitgang) • Oefeningen: er is vooruitgang maar niet voldoende (van 18% naar 40%) o Slechts in één oefening haalt hij meer dan 50% o In drie oefeningen juist 50% o In twee oefeningen haalt hij geen 50% (25% en 0%)”. Zoals de Raad van State reeds in het eerste schorsingsarrest heeft opgemerkt, is het resultaat van de bijkomende proef een aanvullend gegeven waarmee de klassenraad rekening moet houden, maar is het behaalde resultaat op die proef in beginsel niet alléénbepalend. De klassenraad die een bijkomende proef oplegt, doet zulks vanzelfsprekend met het oog op de bijkomende informatie over de leerling die hij nodig heeft voor zijn eindbeslissing. Die proef moet daartoe dan ook relevant zijn, en het behaalde resultaat heeft een belang in evenredigheid. De klassenraad is echter niet verplicht, zo lijkt, om met een bijkomende proef álle leerstof van het afgelopen jaar, of minstens de leerstof waarvan de doelstellingen niet zijn bereikt, opnieuw te toetsen. Hier is dat ook niet gebeurd, aangezien slechts een onderdeel van de leerstof van het tweede semester is getoetst. Evenmin lijkt te dezen een welbepaalde weging te bestaan, op grond waarvan het eerdere jaarresul- taat verrekend wordt met het resultaat op de bijkomende proef om alzo een nieuw totaal resultaat te verkrijgen. Een en ander leidt tot de conclusie, vooralsnog, dat het de klassenraad niet mag worden ontzegd om bij de beoordeling van het vak fysica naast de resultaten voor de bijkomende proef toch ook nog rekening te houden met de doorheen het jaar behaalde resultaten en tekorten, en lijkt niet zonder meer de 52% die verzoeker behaalde op de bijkomende proef dermate gunstig te zijn om het jaartekort van 45,3% op te krikken tot een algemeen voldoende. 11. Ook voor het vak wiskunde heeft de bijkomende proef enkel betrekking op een deel van de leerstof, en hoe dan ook slaagt verzoeker er niet voor. De leerkracht analyseert een en ander als volgt ten behoeve van de klassenraad: “Anthony behaalde zowel met kerst als in juni een onvoldoende voor het vak wiskunde. Met kerst werden dus een aantal specifieke eindtermen wiskunde niet behaald. Het gaat hier reeds over ongeveer 40% van de leerstof op jaarbasis. In de loop van het 2de semester was er wel de hoop dat hij een beter resultaat zou halen. De testjes over een klein afgebakend geheel leverden immers een voldoende op voor dagelijks werk. Ook een test over complexe getallen (ongeveer 5% van de lestijd op jaarbasis) leverde een voldoende op (22,5/40). Het geheel blijft wel zeer oppervlakkig en daar waar naar enige diepgang gepeild wordt, blijft hij in gebreke. De wiskundige problemen worden niet XII-6377-10\16 geanalyseerd en planmatig aangepakt. Ook de wiskundige notatie is niet nauwkeurig. Het examen in juni was echter opnieuw onvoldoende. Hij behaalde een onvoldoende op de verschillende onderdelen: integralen (ongeveer 20% van de lestijd op jaarbasis), telproblemen, kansrekenen en statistiek (ongeveer 20% van de lestijd op jaarbasis), ruimtemeetkunde (ongeveer 10% van de lestijd op jaarbasis). Het grootste deel van de eindtermen, specifiek voor een richting met pool wiskunde werden niet bereikt. Nochtans werden de examens telkens afgelegd op een maandag en was er dus ruim voldoende tijd om zich goed voor te bereiden (integralen en ruimtemeetkunde op maandag 14 juni; telproblemen, kansrekenen en statistiek op maandag 21 juni) De klassenraad besliste in juni om Anthony omwille van de vooruitgang nog een kans te geven om zijn tekorten recht te zetten door bijkomende proeven. Om het geheel niet te zwaar te maken, werd aan Anthony meegedeeld dat hij in de bijkomende proef wiskunde over een deel van de leerstof geëvalueerd zou worden. Op het onderdeel integraalrekening haalt hij net voldoende op theorie (5,5/10). Dit resultaat is toch wel pover te noemen. De oefeningen leveren echter een onvoldoende op (9/22). Hij is daarbij niet in staat om de formules op een voldoende wijze adequaat te gebruiken in oefeningen, om het probleem goed te analyseren en aan te pakken. De specifieke eindtermen werden hier dan ook niet voldoende bereikt. Op het onderdeel ruimtemeetkunde heeft hij zijn theorie goed gestudeerd (4,5/5). Op de oefeningen haalt hij echter maar een nipte voldoende (9/17). Een oefening die iets meer vraagt dan het onmiddellijk toepassen van een formule lukt niet. Hij haalt voor dit onderdeel de eindtermen wel op voldoende wijze. Op het onderdeel telproblemen, kansrekenen en statistiek haalt hij opnieuw een voldoende op theorie (7/11). Op oefeningen haalt hij onvoldoende (6/26). Slechts 2 oefeningen werden goed opgelost, bij 2 oefeningen werd iets geschreven, maar fout. De overige 7 oefeningen werden blanco gelaten. Ook op het examen in juni werden deze oefeningen ook op onvoldoende wijze opgelost (39%). Anthony heeft de eindtermen statistiek en kansrekening niet behaald”. 12. Uit wat voorafgaat blijkt dat de delibererende klassenraad de tekorten van verzoeker voor de beide vakken wiskunde en fysica gedetailleerd heeft geanalyseerd in hun onderscheiden componenten en in de wijze waarop de theorie is gekend en de praktijk is beoefend. Op het eerste gezicht vermag de delibererende klassenraad aan de hand van deze gegevens te concluderen dat verzoeker voor fysica de lacunes bij toepassingen niet voldoende heeft weggewerkt en dat hij voor wiskunde de zware onvoldoendes op oefeningen niet heeft weggewerkt, om daaruit te besluiten dat verzoeker voor beide profielbepalende vakken de leerplandoelstellingen voor de oefeningen en toepassingen niet heeft behaald op het niveau van competentie dat verwacht mag worden van een leerling in de richting wiskunde-wetenschappen. XII-6377-11\16 13. De daaropvolgende referentie, door de klassenraad, aan de niet- exact wetenschappelijke vakken vormt prima facie geen doorslaggevend motief. Door deze vergelijking te maken, voldoet de klassenraad wél aan de verzuchting van verzoeker tijdens de eerdere procedure om het geheel in overweging te nemen en ook oog te hebben voor zijn globale prestaties. De klassenraad maakt hier als het ware de bevestigende tegenproef. Voor die andere vakken is verzoeker inderdaad geslaagd, en die slaagcijfers kunnen uit zichzelf vanzelfsprekend geen C-attest verantwoorden of onderbouwen. Dit neemt echter niet weg dat de klassenraad zich in zijn beoordeling over verzoekers kennis en kunde gesterkt mag weten door zijn vaststellingen omtrent de niet-exact wetenschappelijke vakken, namelijk dat ook voor die vakken de slaagcijfers veeleer te danken zijn aan reproductieve kennis en niet aan toepassingsvaardigheden. Die vaststelling bevestigt met andere woorden dat verzoeker de theorie niet kan omzetten in praktijk en gebrek aan inzicht heeft in de te verwerken leerstof en verantwoordt aldus mee waarom verzoeker niet kan gedelibereerd worden voor wiskunde en fysica. Een analyse van de vakken waarvoor verzoeker wel is geslaagd en van de wijze waarop verzoeker deze vakken heeft verwerkt wordt bijgevolg enkel gemaakt om verzoekers resultaat voor wiskunde en fysica als niet delibereerbaar aan te merken. Met deze ontleding versterkt de klassenraad met andere woorden het draagvlak om vanuit de behaalde tekorten ertoe te besluiten dat verzoeker niet geslaagd is, nu het onderliggend motief niet eenmalig of uitzonderlijk blijkt te zijn, maar symptomatisch mag worden geacht voor een onafgewerkt studieparcours. Zoals verwerende partij hierover opmerkt in haar nota: meer heeft de delibererende klassenraad niet willen aanbrengen. 14. Volgens verzoeker stroken de motieven van de bestreden beslissing niet ten aanzien van het computergebruik, het leercontract, de oudercon- tacten en de aangeboden remediëring. Die grieven brengt verzoeker prima facie evenwel niet in een aantoonbaar rechtstreeks verband met de wettigheid van de bestreden beslissing over het aan hem afgegeven oriënteringsattest en vermogen dan ook niet aan te tonen dat het niet geslaagd verklaren op onwettige wijze is gebeurd. De eventuele vaststelling van de onrechtmatigheid van deze motieven immers, kan wel aantonen wie al dan niet schuld draagt aan een XII-6377-12\16 afwezigheid van begeleiding doch dit kan niet meer het eindresultaat van verzoeker beïnvloeden. Met andere woorden: daargelaten de vraag of de argumenten van verzoeker in feite juist zijn, falen ze in rechte. Wat ter staving ervan door de verzoeker wordt aangewend, kan mogelijk aantonen dat de school mede aansprake- lijk is voor het minder gunstig resultaat, maar vermag niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat, indien een leerling de school terecht verwijt geen opmerkingen op de onvoldoende resultaten in de loop van het schooljaar te hebben gemaakt en geen remediëringen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat het door verzoeker nu eenmaal behaalde resultaat daardoor plots gunstiger wordt en wél verantwoordt dat hem een diploma wordt afgeleverd. Aldus moeten deze motieven als overtollige motieven worden bestempeld. 15. Verzoeker heeft niet op ernstige wijze de schending van de door hem aangevoerde regels en beginselen aangetoond. Het eerste en tweede middel zijn niet ernstig. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van “het verbod op discriminatie en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”, omdat “de delibererende klassenraad met het C-attest verzoeker (voor één tekort op wiskunde) bijzonder streng heeft beoordeeld terwijl zij overging tot het verlenen van een A-attest aan een medeleerling met twee tekorten voor wiskunde en fysica”. Beoordeling 17. In het eerste schorsingsarrest oordeelde de Raad van State dat verzoeker “ van verwerende partij mocht verwachten dat zij aantoont de deliberatie- XII-6377-13\16 criteria op beide leerlingen op gelijke wijze toegepast te hebben zodat enkel in de onderscheiden concrete dossiers de reden is terug te vinden dat hij bijkomende proeven moest afleggen en een C-attest kreeg, terwijl de andere leerling een diploma heeft verworven”. Thans heeft de klassenraad op die grief genoegzaam geantwoord, zo lijkt. Door erop te wijzen dat de andere leerling een ander parcours heeft gevolgd, dat het jaartekort voor die leerling voor het vak wiskunde uitsluitend te wijten was aan de resultaten van de kerstperiode, dat het tekort voor fysica minder zwaar was en dat die leerling als tweede in de groep geklasseerd is met een totaal voor álle vakken van 62,2%, heeft de delibererende klassenraad immers wel degelijk een concrete, globale en geïndividualiseerde afweging gemaakt van de kennis en kunde van deze leerling die op het eerste gezicht vermag tot een andere eindbeoordeling te leiden zonder dat aldus gelijke situaties ongelijk worden behandeld. 18. De Raad van State is geen beroepsinstantie die, opnieuw oordelend, zijn eigen opvattingen over het al dan niet toekennen van een diploma in de plaats mag stellen van de delibererende klassenraad. Enkel mag de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole nagaan of het oordeel van de klassenraad binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. De bestreden beslissing mag volgens verzoeker dan wel streng zijn, de Raad van State kan een leerling niet beschermen tegen strenge beslissingen, enkel tegen onwettige beslissingen. Onwettig is een beslissing, als blijkt dat ze niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de ervoor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen de ruim geachte discretionaire bevoegdheid van de klassenraad tot stand is kunnen komen: waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder en milder oordeel zou komen. Appreciatievrijheid houdt nu eenmaal de mogelijkheid in van verschillende zienswijzen die elk niet onredelijk zijn. XII-6377-14\16 De delibererende klassenraad heeft geoordeeld over het al dan niet slagen van verzoeker, rekening houdend met al de beschikbare gegevens. Verzoeker kan de Raad van State er vooralsnog niet van overtuigen dat de delibererende klassenraad door verzoeker op grond van die gegevens een diploma te onthouden, de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid en, bijgevolg, het redelijkheidsbeginsel, heeft miskend. 19. Het derde middel is niet ernstig. C. Besluit 20. Nu geen ernstig middel wordt aangevoerd, is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Rechtsplegingsvergoeding 21. Verwerende partij vraagt verzoeker te veroordelen tot “alle kosten van het geding” en meer bepaald tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro. 22. De kosten die verbonden zijn aan procedures bij de Raad van State worden geregeld door artikel 30, §§ 5 tot 9, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en door artikel 66 van het algemeen procedurereglement. Er is daarin geen sprake van een rechtsplegingsvergoeding. Deze aan de Raad van State eigen regeling sluit uit dat toepassing wordt gemaakt van de gemeenrechtelijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met eenzelfde onderwerp. Niet ingegaan wordt dan ook op de vordering van verwerende partij om haar een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.200 euro toe te kennen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-6377-15\16 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 oktober 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6377-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div