id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.349 Rolnummer: A. 188361/X-13788 Zaak: Arrest 208349 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Arrest nr 208.349 van 21 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.349 van 21 oktober 2010 in de zaak A. 188.361/X-13.
- In zake :
- Maria JANSSENS
- Greet JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de stad SCHERPENHEUVEL-ZICHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 MECHELEN Antwerpsesteenweg 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 april 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem waarbij aan de b.v.b.a. Frederickx de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het plaatsen van twintig poortbeschermingspalen op een perceel gelegen te Scherpenheuvel-Zichem, Schuttersveldstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 262/n en 262/r. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.788-1/8 Eerste auditeur Peter Soubron heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Laura Valgaeren, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De b.v.b.a. Frederickx produceert gewapende betonelementen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem. 3.
- Op 16 november 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de b.v.b.a. Frederickx de aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van twintig poortbeschermingspalen. X-13.788-2/8 3.
- Het bedrijfsterrein is volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest deels gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en deels in agrarisch gebied. 3.
- Vier palen met een hoogte van 1 meter 60 zouden worden geplaatst aan de ingang van het bedrijfsterrein aan de Schuttersveldstraat. De overige zestien palen van 2 meter hoog zouden per groep van vier geplaatst worden aan verschillende poorten die toegang geven tot de productiehallen. Twaalf van deze palen situeren zich in agrarisch gebied. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek dient de eerste verzoekster een bezwaarschrift in. Zij stelt dat de poortbeschermingspalen niet wettelijk vergund kunnen worden omdat ze aanhorigheden zijn van een bedrijfsgebouw dat niet hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn. 3.
- Op 8 januari 2008 verleent de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling een gunstig advies. Op 28 maart 2008 brengt de gewestelijke stedenbouwkundige eambtenaar eveneens een gunstig advies uit over de aanvraag. 3.
- Op 7 april 2008 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoeksters op de volgende wijze: “2.- Luidens artikel 19, eerste lid, R.v.St.-wet, kunnen de aanvragen, moeilijkheden en beroepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13 en 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of een belang. Dit belang moet bovendien persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd, alsmede actueel zijn. X-13.788-3/8 Elke mogelijke twijfel daaromtrent moet door verzoekers worden weggenomen (...). Laten verzoekers dit na, of slagen zij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk (...). In casu gebeurt dit geenszins, wel integendeel. Verzoekers beperken zich de nietszeggende stijlformule ter hoogte van de feitelijke uiteenzetting: ‘Het gebouwencomplex van de BVBA FREDERICKX bevindt zich op 100 m van de tuin en op minder dan 150 m van de woning van mevrouw Maria JANSSENS en op minder dan 150 m van de tuin en op minder dan 200 m van de woning van Greet JANSSENS. (...) Enkel al omwille van de geringe afstand tussen de woningen van verzoeksters enerzijds en de percelen, hebben eerstgenoemden een evident belang bij onderhavig verzoekschrift.’ 2.- Het is vaststaande rechtspraak van Uw Raad van State dat een beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is tegen een rechtshandeling die niet groefhoudend is waarbij voor de ontvankelijkheid van het beroep wat de persoon betreft, het niet volstaat dat de bestuurshandeling op zichzelf, objectief gezien, griefhoudend is wat het voorwerp betreft maar is bovendien vereist dat ze ook effectief nadeel toebrengt aan de verzoekende partij m.a.w. hem schaadt (...) Verzoekende partijen zijn gevestigd op respectievelijk meer dan 200 - 250 meter van de geplande poortbeschermingspalen. Zelfs vertrekkende van achteraan de tuin van verzoekende partijen -alwaar het betrokken bedrijf waarschijnlijk enkel met een telescoop door de dichte gewassen te aanschouwen is- bedraagt de afstand tot aan de poortbeschermingspalen voor beiden tussen de 150 en 200 meter! Er kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Raad dat enkel verzoekers die aantonen in de onmiddellijke nabijheid wonen van het perceel waarvoor een vergunning werd afgegeven van het vereiste belang doen blijken.(...) Uit de rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat met de onmiddellijke nabijheid ‘vlakbij’ wordt bedoeld. Uw Raad is in bepaalde gevallen zelfs van mening dat onder onmiddellijke omgeving een kring van ongeveer 100 meter dient te worden verstaan (...). In het arrest (…) werd een afstand van 100 à 150 meter als te ver beschouwd (...), meerdere honderden meters ook (...). Aangezien huidig verzoekende partijen geenszins wonen in dergelijke ‘onmiddellijke nabijheid’ van de inrichting, getuigen zij niet van het vereiste belang. Bovendien kan Uw Raad samen met verwerende partij enkel vaststellen dat noch in het door eerste verzoekende partij tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaar, noch in het inleidend verzoekschrift zelfs maar getracht wordt het griefhoudend karakter van de bestreden stedenbouwkundige vergunning toe te lichten. Nochtans wordt het persoonlijk belang slechts vermoed in hoofde van verzoekers die aantonen dat zij in de onmiddellijke nabijheid wonen van het perceel waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning is verleend X-13.788-4/8 -quod non in casu- maar kunnen in ieder geval concrete elementen dit vermoeden weerleggen. Zo doet een verzoeker, bij ontstentenis van een door het bestaan van een gebouw veroorzaakt en aangetoond aanwijsbaar nadeel, niet blijken van het wettelijk vereiste direct belang om de vernietiging te bekomen van de voor het optrekken van dat gebouw verleende vergunning, indien dat gebouw volkomen buiten het gezichtsveld van zijn eigendom dient opgetrokken te worden (...) Gelet het voorwerp van de aanvraag, poortbeschermingspalen met een hoogte van 1,6 meter tot 2,0 meter en een breedte van 0,15 meter alsook een inplanting in de onmiddellijke nabijheid van bestaande toegangspoorten en gebouwen, zijn de palen zonder twijfel niet zichtbaar vanuit het perceel van de woning van verzoekende partijen, laat staan van binnen de woning. Verzoekende partijen beweren dit zoals gesteld zelfs niet. De bestreden stedenbouwkundige vergunning betreft werken die zeer miniem zijn, waarbij ieder objectief gegeven ontbreekt om uit te maken in hoeverre die werken meer dan het reeds vergunde, voor verzoekers een buitenmatige hinder kunnen betekenen (...). Verzoekers getuigen gelet de grote afstand van hun woonplaats en het voorwerp van de stedenbouwkundige vergunning alsook het voorwerp van de vergunning zelf waaruit het gebrek aan griefhoudend karakter blijkt, geenszins van het wettelijk vereiste belang bij onderhavige vordering tot nietigverklaring zodat zij onontvankelijk dient te worden verklaard”. 5.
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de Raad van State, desnoods ambtshalve, dient te onderzoeken of de verzoeksters getuigen van het rechtens vereiste belang. De houding van de verwerende partij tijdens de administratieve procedure doet hierbij niet ter zake. 5.
- De verzoeksters zijn omwonenden van de inrichting van de b.v.b.a. Frederickx, aanvrager van de bestreden vergunning voor poortbeschermingspalen. Meer bepaald bevindt het gebouwencomplex zich op ongeveer 100 meter van de tuin en 150 meter van de woning van de eerste verzoekster en op ongeveer 150 meter van de tuin en 200 meter van de woning van de tweede verzoekster. De verzoeksters stellen in het verzoekschrift dat zij “enkel al omwille van de geringe afstand” tussen hun woningen en het bedrijfsterrein van de b.v.b.a. Frederickx “een evident belang” hebben bij het beroep tot nietigverklaring. In de memorie van wederantwoord stellen zij nog dat zij van hun woonplaats rechtstreeks zicht hebben op de palen geplaatst aan de ingang van X-13.788-5/8 het terrein en aan de buitenzijde van de oostelijke toegangspoort tot de productieloods - dit laatste evenwel slechts op de ogenblikken dat deze palen niet aan het zicht onttrokken zijn door opeengestapelde betonwelfsels. Ten slotte zouden de verzoeksters alle beschermingspalen kunnen zien wanneer zij zich in de omgeving per fiets of te voet verplaatsen. Zij stellen tevens dat zij er belang bij hebben “zich te verzetten tegen de zonevreemde uitbreiding van het bedrijf”. 5.
- Met de verzoeksters kan worden gesteld dat in beginsel wordt aanvaard dat een verzoekende partij die op deugdelijke wijze aantoont dat zij eigenaar is van een pand of een perceel, dat gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de constructie waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is verleend, daardoor alleen reeds doet blijken van het wettelijk vereist belang bij de nietigverklaring van de stedenbouwkundige vergunning voor die constructie. Dit betekent evenwel niet dat er in dat geval in hoofde van die verzoekende partij een onweerlegbaar vermoeden van belang bestaat. Concrete elementen, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de vergunde constructie, kunnen dit vermoeden weerleggen. 5.
- Te dezen wordt in het bestreden besluit de vergunning verleend voor het plaatsen van twintig poortbeschermingspalen. De betrokken palen hebben een diameter van 15 cm. Zoals uit de feiten blijkt hebben vier palen, geplaatst aan de inrit van het bedrijf aan de Schuttersveldstraat, een hoogte van 1 m 60, en hebben de overige zestien palen, geplaatst aan de verschillende poorten die toegang geven tot de bedrijfsgebouwen, een hoogte van 2 meter. Zij zijn beschilderd met afwisselend gele en zwarte banden. 5.
- Daargelaten de vraag of de verzoeksters bijzondere inspanningen moeten leveren om de vergunde palen of sommige ervan te kunnen zien, blijkt uit de gegevens van de zaak dat hun zichtschade, waar zij zich zelf op beroepen, niet het gevolg is van de vergunde poortbeschermingspalen. Uit de bij de vergunningsaanvraag gevoegde foto’s blijkt namelijk dat de palen aan de Schuttersveldstraat geplaatst zijn tegen en ongeveer op dezelfde of zelfs lagere hoogte van de bestaande omheining van het bedrijf die bestaat uit betonplaten en X-13.788-6/8 groenaanplantingen. De beschermingspalen aan de oostelijke toegangspoort, alsook aan de andere toegangspoorten, zijn geplaatst tegen de muur van de productieloods. Rondom die loods bevinden zich verschillende stapelplaatsen voor de geproduceerde betonwelfsels. In visueel en ruimtelijk opzicht zijn de betrokken palen, mede gelet op hun omvang, zeer geringe constructies die niets toevoegen aan de bestaande toestand, zeker wanneer rekening gehouden wordt met de afstand tot de woonplaats van de verzoeksters, die er te dezen enkel toe kan leiden dat de vergunde palen nog minder opvallen. Het feit dat deze palen zwart-geel geschilderd zijn, kan niet tot een andere conclusie leiden. 5.
- Het valt niet in te zien dat het plaatsen van een aantal poortbeschermingspalen in agrarisch gebied een “bestendiging” zou inhouden van de beweerde zonevreemde uitbreiding van het betrokken bedrijf. Met het plaatsen van de betrokken palen gaat immers geen zonevreemde uitbreiding van het bedrijf gepaard. De palen, die geplaatst worden aan de binnen- en de buitengevel van het beweerd zonevreemd gedeelte van de productieloodsen, dienen zich aan als bijkomstigheden die los van de bestaande gebouwen geen enkele bestaansreden hebben. Zoals door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar terecht werd opgemerkt, hebben te dezen de poortbeschermingspalen op zich geen enkele impact op de omgeving. In de mate dat de verzoeksters hun belang omschrijven als een “verzet tegen de bestendiging van een zonevreemde uitbreiding”, situeren zij hun belang niet op het niveau van het bestreden besluit, maar refereren zij aan een toestand die zijn wezenlijke oorzaak vindt in andere (stedenbouwkundige) beslissingen. De voormelde feitelijkheden in acht genomen, kan dan ook niet worden ingezien welk nadeel de verzoeksters ondervinden dat verminderd of weggenomen kan worden door de nietigverklaring van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. De exceptie is gegrond. X-13.788-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.788-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div