← België

Arrest 208384 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.384 Rolnummer: A. 197256/IX-6896 Zaak: Arrest 208384 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:19 Fiche Arrest nr 208.384 van 25 oktober 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 208.384 van 25 oktober 2010 in de zaak A. 197.256/IX-6896 In zake : Johan PAULUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick PANIS kantoor houdend te Genk Weg naar As 17 bus 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 31 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 14 juni 2010 waarbij Johan PAULUS als penitentiair beambte bij de gevangenis te Antwerpen ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-6896-1/25 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Dreier, die loco advocaat Patrick Panis verschijnt voor de verzoeker op basis van de brief van 11 oktober 2010 van de raadsman van de verzoeker, en advocaat Anthony Poppe, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker neemt deel aan de selectie van penitentiair beambten voor de strafinrichtingen in de provincie Vlaams-Brabant en Brussel (referentie ANG04835), met als uiterste inschrijvingsdatum 11 december
  6. Het selectiereglement verwoordt de deelnemings- en aanstellingsvoorwaarden als volgt: “Deelnemingsvoorwaarden · Je bent minstens 20 jaar op 11 december
  7. · Er is geen specifieke opleiding of diploma vereist. Aanstellingsvoorwaarden Als je geslaagd bent voor deze selectie, moet je -om benoemd te worden- op de datum van indiensttreding: · Belg zijn IX-6896-2/25 · een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking · de burgerlijke en politieke rechten genieten · voor de mannelijke sollicitanten: aan de dienstplichtwetten hebben voldaan. Je wordt benoemd nadat je de stageperiode met succes hebt vervuld.” Voorts worden in het selectiereglement tevens de kwaliteiten en competenties omschreven waarover de penitentiair beambte moet beschikken om deze functie uit te oefenen, en wel als volgt: “· goede communicatievaardigheden · kunnen werken in groep · integer en loyaal zijn · stressbestendig zijn.” 3.
  8. Op basis van deze selectie vat de verzoeker op 8 augustus 2005 zijn stage aan als penitentiair beambte en wordt hij benoemd met ingang van 1 september
  9. 3.
  10. Met een brief van 1 juli 2009 van het parket-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen wordt de verwerende partij in kennis gesteld van een Europees arrestatiebevel lastens de verzoeker en van het verslag van 29 juni 2009 van de Procureur des Konings te Tongeren. Uit het Europees arrestatiebevel van 10 mei 2009 van de Officier van Justitie bij het Arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad blijkt dat de verzoeker door de rechtbank van Maastricht bij verstekvonnis van 2 mei 2001 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden wegens inbreuken op de drugwetgeving, waarvan de verzoeker nog 300 dagen dient uit te zitten. Dit vonnis is aan de verzoeker betekend op 28 augustus
  11. Uit het verslag van 29 juni 2009 van de Procureur des Konings te Tongeren blijkt dat de verzoeker op 24 juni 2009 wordt voorgeleid voor de onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren, die geen IX-6896-3/25 beletsel vaststelt voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, doch verzoeker vrijlaat onder voorwaarden. Op 29 juni 2009 wordt de verzoeker verhoord door de Procureur des Konings. 3.
  12. Na de verzoeker te hebben gehoord, neemt de gevangenisdirecteur van de gevangenis te Antwerpen op 30 juli 2009 de ordemaatregel van het verbod om de inrichting te betreden vanaf deze datum omwille van de veiligheid en de hoogdringendheid. Deze beslissing wordt gesteund op de kennisgeving van 1 juli 2009 van het parket-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen, waardoor elke professionele samenwerking onmogelijk wordt, wegens onverenigbaarheid met de uitoefening van de functie van penitentiair beambte. 3.
  13. Op 5 augustus 2009 wordt het door de verzoeker bij de Nederlandse overheden ingediende gratieverzoek afgewezen door de Officier van Justitie. 3.
  14. Op 8 september 2009 neemt de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Justitie het besluit waarbij de verzoeker ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest. 3.
  15. Het voornoemde besluit van 8 september 2009 van de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Justitie wordt op 3 november 2009 door de verzoeker aangevochten met een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring (zaak A.194.496/IX-6574). Met betrekking tot de vordering tot schorsing wordt in het auditoraatsverslag van 11 december 2009 geadviseerd om de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit te bevelen. 3.
  16. Op 16 februari 2010 beslist de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Justitie het voornoemde besluit van 8 september 2009 in te trekken. IX-6896-4/25 De Raad van State heeft vervolgens in het arrest 201.359 van 26 februari 2010 de afstand van de vordering tot schorsing ingewilligd en in het arrest 205.312 van 16 juni 2010 wordt de afstand van het geding vastgesteld voor wat het annulatieberoep betreft. 3.
  17. Op 19 februari 2010 wordt de verzoeker uitgenodigd voor een verhoor dat plaatsvindt op 16 maart
  18. Tijdens dit verhoor kan de verzoeker zijn verweermiddelen doen gelden met betrekking tot het verzwijgen van zijn veroordeling in Nederland wegens inbreuken op de drugwetgeving, wat als een geval van arglist of bedrog in de zin van artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937) zou kunnen worden beschouwd en wat bijgevolg aanleiding zou kunnen geven tot het ambtshalve en zonder vooropzeg verliezen van de hoedanigheid van ambtenaar. Op 16 maart 2010 vindt dit verhoor plaats. Op 25 maart 2010 wordt een kopie van het proces-verbaal van dit verhoor aan de verzoeker overgemaakt. Hij beschikt over de mogelijkheid om binnen de zeven dagen na ontvangst ervan zijn opmerkingen schriftelijk over te maken. Met een e-mail van 31 maart 2010 wordt aan de verwerende partij meegedeeld dat geen opmerkingen betreffende de notulen van dit verhoor zullen worden overgemaakt, daar zij een correcte weergave zijn van het verhoor. 3.
  19. Op 14 juni 2010 neemt de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Justitie het thans bestreden besluit, waarbij de verzoeker ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest. Dit besluit is als volgt gemotiveerd: “Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, meer bepaald artikel 16, 2° en artikel 112, §3, 1°; Gelet op het ministerieel besluit van 12 oktober 2006 houdende overdracht van bevoegdheid inzake personeel voor de centrale diensten, het NICC, de IX-6896-5/25 Veiligheid van de Staat, de buitendiensten van het directoraat-generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen en het directoraat-generaal Justitiehuizen aan de Voorzitter van het Directiecomité en aan sommige directeurs-generaal en Stafdirecteurs van de Federale Overheidsdienst Justitie; Gelet op de kennisgeving van 1 juli 2009 van het parket bij het Hof van Beroep te Antwerpen van de veroordeling d.d. 2 mei 2001 van de heer Johan PAULUS door de rechtbank te Maastricht tot een gevangenisstraf van 15 maanden en dit wegens inbreuken op de drugwetgeving, en het Europees arrestatiebevel van 10 mei 2009 waarin staat vermeld dat op datum van 28 augustus 2001 de mededeling uitspraak in persoon aan de heer PAULUS betekend werd door F. Wijnen, hoofdinspecteur, Officier van Gerechtelijke Politie; Gelet op het schrijven van 30 juli 2009 uitgaande van de directie van de gevangenis te Antwerpen waarbij de heer Demuynck, adviseur gevangenisdirecteur, aan het hoger genoemd personeelslid de toegang tot de inrichting heeft ontzegd; Gelet op het proces-verbaal van verhoor van de heer Johan PAULUS van 30 juli 2009; Gelet op het schrijven van de officier van justitie van Nederland van 5 augustus 2009 die de FOD Justitie op de hoogte brengt van het afwijzen van het gratieverzoek van de heer PAULUS en van zijn veroordeling; Gelet op het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 8 september 2009 waarbij de heer Johan PAULUS, penitentiair beambte bij de gevangenis van Antwerpen, ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest; Gelet op het verzoekschrift dd. 3 november 2009 waarbij de heer Johan PAULUS voor de Raad van State de schorsing vordert van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van het besluit van 8 september 2009 waarbij hij als penitentiair beambte bij de gevangenis van Antwerpen, ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest; Gelet op het verslag van het auditoraat van de Raad van State, waarin het door de heer Johan PAULUS ingeroepen middel, nl. de schending van het recht om voorafgaand aan de bestreden beslissing gehoord te worden over de vraag of hij al dan niet bedrog gepleegd heeft door zijn veroordeling in Nederland te verzwijgen, ernstig wordt geacht in de mate dat hij niet vooraf gehoord werd; Overwegende dat het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 8 september 2009 waarbij de heer Johan PAULUS, penitentiair beambte bij de gevangenis van Antwerpen, ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest, onwettig is binnen de perken van bovenvermeld ingeroepen middel; IX-6896-6/25 Gelet op het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 16 februari 2010 waarbij het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 8 september 2009 waarbij de heer Johan PAULUS, penitentiair beambte bij de gevangenis van Antwerpen, ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest, wordt ingetrokken; Gelet op de uitnodigingsbrief dd. 19 februari 2010 waarbij de heer Johan PAULUS wordt uitgenodigd voor een verhoor op 16 maart 2010 teneinde hem toe te laten zijn verweermiddelen te doen gelden aangaande het verzwijgen van zijn veroordeling in Nederland wegens inbreuken op de drugwetgeving, hetgeen mogelijks als een geval van arglist of bedrog in de zin van artikel 112, § 3, 1°, van het K.B. van 2 oktober 1937 houdende het Statuut van de Rijksambtenaren kan worden beschouwd en bijgevolg aanleiding kan geven tot het ambtshalve en zonder vooropzeg verliezen van de hoedanigheid van ambtenaar; Gelet op het proces-verbaal van verhoor dd. 16 maart 2010, waaruit blijkt dat de heer Johan PAULUS zijn verweermiddelen heeft kunnen doen gelden; Gelet op de mail dd. 31 maart 2010 waarbij Erik DE WEERD, die Johan PAULUS heeft bijgestaan tijdens het verhoor, aangeeft dat Johan PAULUS geen opmerkingen heeft bij de notulen van het verhoor dat plaatsvond op 16 maart 2010; Overwegende dat de ambtenaar ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest als de onregelmatigheid van de benoeming werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; dat deze termijn niet geldig is in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar; Overwegende dat de heer PAULUS sinds 28 augustus 2001 op de hoogte is van zijn veroordeling bij verstek; dat hij deze veroordeling bewust heeft verzwegen totdat de overheid op de hoogte werd gesteld door het parket, terwijl hij erkent in het verhoor dd. 16 maart 2010 dat dit belangrijke informatie is; Overwegende dat de heer Johan PAULUS dus toegeeft dat de achtergehouden informatie, nl. het hebben van een buitenlandse veroordeling, een inlichting is waarover de aanwervende overheid, gelet op de veiligheidsfunctie van penitentiair beambte, had moeten beschikken, doch zich verschuilt achter het feit dat er niet expliciet naar gevraagd is; Dat hieruit blijkt dat hij de betrokken informatie bewust achtergehouden heeft terwijl hij wist dat dit belangrijke informatie is; Overwegende overigens dat geen redelijke persoon kan denken dat een veroordeling wegens inbreuken op de drugswetgeving geen belangrijke IX-6896-7/25 informatie is in het kader van een sollicitatie voor een betrekking van penitentiair beambte; Overwegende dat er dan ook sprake is van bedrog, of minstens arglist, in hoofde van de heer PAULUS door het bewust verzwijgen van zijn veroordeling; Dat de onregelmatigheid van de benoeming van de heer PAULUS bijgevolg nog mag worden vastgesteld buiten de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; Overwegende dat niemand tot Rijksambtenaar mag worden benoemd indien hij een gedrag heeft dat niet in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; Overwegende dat deze voorwaarde nog uitdrukkelijk herhaald werd in het selectiereglement van Selor voor de selectie van penitentiair beambten; Overwegende dat het geen redelijke interpretatie is van deze voorwaarde indien men zou stellen dat men enkel het beoogde gedrag moet hebben op 1 dag, namelijk enkel op de dag van de indiensttreding of benoeming; Dat het al dan niet beantwoorden aan deze vereiste vanzelfsprekend kan blijken uit strafrechtelijke veroordelingen die een kandidaat heeft opgelopen; Dat dit zeker zo is voor een functie van penitentiair beambte; Gelet op het schrijven van 29 juli 2009 uitgaande van de afgevaardigde bestuurder van Selor, de destijds bevoegde instantie om te oordelen over de toelaatbaarheidsvereisten die gelden voor de functie van penitentiair beambte, waarin te lezen staat dat mocht hij op de hoogte zijn geweest van de strafrechtelijke veroordeling van betrokkene, hij niet zou nagelaten hebben vóór zijn aanstelling de bevoegde Procureur om een relaas van de feiten te vragen en tevens zijn advies zou hebben ingewonnen betreffende de toegankelijkheid van de functie van penitentiaire beambte voor betrokkene, en dat vermits het hier gaat om een veroordeling voor drugsfeiten met een effectieve gevangenisstraf tot gevolg de aanstelling zou geweigerd zijn; Overwegende dat uit de brief van 29 juli 2009 uitgaande van de afgevaardigde bestuurder van Selor, de heer Van Hemelrijck, blijkt dat de aanstelling van de heer Johan PAULUS geweigerd zou zijn geweest, mocht Selor op de hoogte zijn geweest van de strafrechtelijke veroordeling van betrokkene voor drugsfeiten met een effectieve gevangenisstraf; Overwegende dat de heer Johan PAULUS benoemd werd tot penitentiair beambte; Overwegende dat het een veiligheids- en voorbeeldfunctie betreft; IX-6896-8/25 Dat deze functie dan ook een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt; Dat inbreuken op de drugswetgeving getuigen van een gedrag dat onverenigbaar is met de functie van penitentiair beambte; Overwegende dat het dan ook effectief zo is dat de heer PAULUS zeker niet benoemd zou zijn geweest indien hij zijn veroordeling niet zou hebben verzwegen; Overwegende dat de benoeming van de heer Johan PAULUS in de hoedanigheid van penitentiair beambte dan ook onregelmatig is; Dat er dan ook moet worden vastgesteld dat hij de hoedanigheid van Rijksambtenaar ambtshalve en zonder vooropzeg verliest”. 3.
  20. Door een aangetekend schrijven van 16 juni 2010 wordt het voornoemd besluit aan de verzoeker ter kennis gebracht. IV. Onderzoek van de vordering
  21. Overeenkomstig artikel 17, ' 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  22. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de motiveringsplicht. IX-6896-9/25 De verzoeker voert in dit verband in essentie aan wat volgt. Dat in geval van een vroegere strafrechtelijke veroordeling advies moest worden ingewonnen bij de bevoegde Procureur betreffende de toegankelijkheid van het penitentiair ambt, wat blijkt uit de brief van 29 juli 2009 uitgaande van de afgevaardigd bestuurder van Selor, betekent volgens de verzoeker dat dienaangaande geen enkel wettelijk beletsel bestaat. De selectie- en aanwervingsvoorwaarden voor het ambt van penitentiair beambte bepalen niet dat een buitenlandse veroordeling a priori als uitsluitingsvoorwaarde geldt. De verzoeker voert voorts aan dat de vraagstelling tijdens het verhoor van 16 maart 2010 bijzonder suggestief verliep. Er werd hem immers herhaaldelijk gevraagd te bevestigen dat hij zijn vroegere strafrechtelijke veroordeling had moeten meedelen. Door alzo te handelen heeft de verwerende partij volgens de verzoeker haar eigen nalatigheid bij de selectievoorwaarden trachten af te wentelen op de verzoeker. Immers, de verwerende partij heeft met betrekking tot een dergelijke strafrechtelijke veroordeling zelf niets vermeld in de aanwervingsvoorwaarden en heeft er evenmin naar gevraagd tijdens het aanwervingsgesprek. Indien zij het bestaan van een vroegere strafrechtelijke veroordeling in het buitenland van belang achtte voor een tewerkstelling als penitentiair beambte, had zij dit volgens hem expressis verbis in de aanwervingsvoorwaarden moeten opnemen of daarnaar uitdrukkelijk moeten vragen tijdens de selectieprocedure, wat niet is gebeurd. De verzoeker meent dat hij buiten de wettelijke selectievoorwaarden om, zijn vroegere strafrechtelijke veroordeling niet zelf spontaan diende mee te delen. De verzoeker stelt dan ook dat uit het verhoor van 16 maart 2010 onterecht wordt afgeleid dat hij erkent bewust belangrijke informatie (met name zijn vroegere strafrechtelijke veroordeling) te hebben achtergehouden en er aldus sprake is van bedrog, minstens van arglist, in zijnen hoofde, en dit doordat hij heeft verklaard dat strafrechtelijke informatie belangrijke informatie is waarover de verwerende partij (zijnde de aanwervende overheid) had moeten beschikken. IX-6896-10/25 Uit de motivering van het thans bestreden besluit leidt de verzoeker af dat de reden van het verlies van zijn hoedanigheid van Rijksambtenaar dubbel is. Enerzijds is het gesteund op het bestaan van een buitenlandse veroordeling en anderzijds op het verzwijgen van deze buitenlandse veroordeling bij de selectie. Volgens de verzoeker wordt niet gemotiveerd waarom elke professionele samenwerking wegens het bestaan van een vroegere veroordeling onmogelijk is wegens onverenigbaarheid met de functie van penitentiair beambte. Evenmin wordt gemotiveerd waarom zijn gedrag, omwille van de bestaande voorafgaande veroordeling, niet overeenstemt met de eisen van de beoogde betrekking. Er wordt enkel vermeld dat geen redelijke persoon zou denken dat een veroordeling wegens inbreuken op de drugswetgeving geen belangrijke informatie zou zijn in het kader van een sollicitatie voor een betrekking van penitentiair beambte. Welnu, hieruit blijkt naar het oordeel van de verzoeker ten overvloede, dat de verwerende partij zélf deze voorwaarde in het selectiereglement had moeten invoegen. Hij betwist een buitenlandse veroordeling, daterend van vier jaar vóór zijn aanstelling, te hebben verzwegen. Hij herhaalt dat dit hem namelijk niet werd gevraagd én dit geen wettelijke vereiste is om benoemd te worden tot ambtenaar. Hij beklemtoont te hebben voldaan aan alle aanstellingsvoorwaarden, zo ook aan de voorwaarde dat hij op datum van indiensttreding een gedrag vertoonde dat in overeenstemming was met de eisen van de beoogde betrekking. Deze voorwaarde heeft volgens hem namelijk helemaal geen betrekking op het gedrag in het verleden, doch heeft enkel betrekking op het gedrag op datum van indiensttreding. Hij volgt de verwerende partij derhalve niet in haar overweging in het bestreden besluit dat deze voorwaarde niet redelijk wordt geïnterpreteerd, indien er wordt vanuit gegaan dat IX-6896-11/25 de kandidaat penitentiair beambte enkel moet beantwoorden aan het beoogde gedrag, op de dag van de indiensttreding of benoeming. Het blijkt niet dat de aanstelling van de verzoeker zou zijn geweigerd omwille van zijn veroordeling voor drugsfeiten met een effectieve gevangenisstraf, aangezien deze veroordeling dateert van ruim vóór zijn aanstelling en er geen wettelijke basis is om op die grond de aanstelling te weigeren. De verzoeker beklemtoont dat, in zoverre het bestaan van een voorafgaande strafrechtelijke veroordeling als een uitsluitingsgrond kan worden beschouwd om toegelaten te worden tot het ambt van penitentiair beambte -wat bij ontstentenis van enige wetsbepaling terzake niet het geval is-, de eigen nalatigheid van de verwerende partij niet afgewenteld kan worden op de verzoeker door te stellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog of arglist. Het niet meedelen van niet-gevraagde inlichtingen kan niet doorgaan voor bedrog of arglist. De verwerende partij kon er aldus niet van uitgaan dat de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State wegens bedrog of arglist in hoofde van de verzoeker niet geldt en aldus kon worden overgegaan tot het vaststellen van het ambtshalve en zonder vooropzeg verlies van de hoedanigheid van Rijksambtenaar. Ten overvloede roept de verzoeker artikel 6 van het EVRM in, wat een verbod op zelfincriminatie inhoudt. Dit principe uit het strafrecht is volgens de verzoeker bij uitbreiding van toepassing op de administratieve fasen in fiscale, medische en tuchtrechtelijke procedures.
  23. Volgens de verwerende partij blijkt uit het bestreden besluit alleen al welke motieven haar ertoe hebben gebracht dit besluit te nemen. De verzoeker betwist in wezen de deugdelijkheid van deze motieven. Er kan derhalve slechts sprake zijn van een schending van de materiële motiveringsplicht indien sprake is van een kennelijk onredelijk motief. IX-6896-12/25 Het bestreden besluit werd genomen daar de twee voorwaarden, zoals bepaald door artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, vervuld bleken te zijn. Er is met andere woorden wel degelijk sprake van een onregelmatige benoeming en de termijn van zestig dagen is niet beginnen lopen omwille van bedrog in hoofde van de verzoeker. Ten eerste heeft de verzoeker opzettelijk zijn strafrechtelijke veroordeling in Nederland verzwegen, en aldus bedrog gepleegd. Volgens één van de in artikel 16 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 opgenomen toelaatbaarheidsvereisten moet men -om benoemd te kunnen worden- een gedrag vertonen dat overeenstemt met de eisen van de beoogde betrekking. Specifiek met betrekking tot de functie van penitentiair beambte werd onder de aanstellingsvoorwaarden in het selectiereglement voornoemde toelaatbaarheidsvereiste uitdrukkelijk herhaald. Voor de verwerende partij is het dan ook overduidelijk dat de kandidaat die postuleert voor de functie van penitentiair beambte zelf een onbesproken gerechtelijk verleden dient te hebben. De verzoeker was hiervan volgens haar ook op de hoogte en wist wel degelijk dat hij niet zou worden aangeworven indien zij had geweten dat hij veroordeeld was geweest wegens drugsfeiten. Met betrekking tot het verbod op zelfincriminatie en de door de verzoeker aangehaalde rechtspraak, voert de verwerende partij aan dat deze rechtspraak betrekking heeft op een tuchtrechtelijke procedure. De verzoeker heeft er daarentegen zelf voor gekozen deel te nemen aan een selectieprocedure om als penitentiair beambte te worden benoemd, zodat de rechten van verdediging en artikel 6 van het EVRM geen toepassing vinden. Om benoemd te kunnen worden, heeft de verzoeker opzettelijk verzwegen dat hij veroordeeld is geweest wegens drugsdelicten. IX-6896-13/25 De verwerende partij wijst er voorts op dat de verzoeker op 16 maart 2010 werd gehoord om zijn opmerkingen te doen gelden in verband met de betrokken feiten. Hij kon echter geen sluitend argument formuleren ter rechtvaardiging van zijn stilzwijgen aangaande zijn strafrechtelijke veroordeling. Zij acht het trouwens merkwaardig, gezien de beweringen in het inleidend verzoekschrift, dat de verzoeker haar geen schriftelijke opmerkingen aangaande het verhoor heeft overgemaakt en volledig instemde met de weergave ervan in het proces-verbaal. Ten tweede is er sprake van een onregelmatigheid in de zin van artikel 112, § 3, juncto artikel 16 van het koninklijk besluit van 2 oktober
  24. De eisen van de beoogde betrekking houden naar het oordeel van de verwerende partij in dat de kandidaat geen strafrechtelijke veroordeling mag hebben opgelopen. Indien dit wel het geval zou zijn, dan zou de voorbeeldfunctie en het moreel gezag van de ambtenaar -en in het bijzonder van de penitentiair beambte ten opzichte van de gedetineerden- immers volledig zijn verdwenen. Het is objectief onbetwistbaar dat het vervoer en de verkoop van drugs, gedragingen zijn die niet in overeenstemming zijn met de eisen van een betrekking van een penitentiair beambte. Er dient dan ook besloten te worden dat de benoeming van de verzoeker op 1 september 2005 niet regelmatig was. De benoeming zou niet zijn gebeurd indien de verwerende partij op de hoogte was geweest van de vroegere strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker. Zij zou hebben beslist dat hij geen gedrag vertoonde dat in overeenstemming is met de algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden. De verwerende partij verwijst nog naar de brief van 29 juli 2009 van de afgevaardigd bestuurder van Selor, waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat vermits het hier gaat om een veroordeling voor drugsfeiten met een effectieve gevangenisstraf tot gevolg, de aanstelling geweigerd zou zijn, wat evenzeer een indicatie is dat de benoeming wel degelijk onregelmatig is. IX-6896-14/25 Het is dan ook niet kennelijk onredelijk dat besloten werd dat in casu sprake is van een onregelmatige benoeming, waardoor de verzoeker ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest. Beoordeling
  25. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan het besluit ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met het besluit te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om het besluit te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in het hem aanbelangende besluit zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is het besluit met een annulatieberoep te bestrijden.
  26. Het bestreden besluit geeft aan op grond van welke overwegingen de verwerende partij tot haar besluit is gekomen. Uit de lezing van het bestreden besluit blijkt op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de verwerende partij heeft geoordeeld dat de verzoeker ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest. IX-6896-15/25 Uit het eerste middel dat de verzoeker aanvoert blijkt dat de verzoeker de motieven van het bestreden besluit kent, dit betekent dat hij begrijpt op grond van welke feitelijke en juridische gegevens het bestreden besluit is genomen. Bijgevolg werd de formele motiveringsplicht nageleefd.
  27. De verzoeker betwist in wezen de deugdelijkheid van de motieven waarop het bestreden besluit steunt. Bijgevolg voert hij de schending aan van de materiële motiveringsplicht. Het middel wordt verder vanuit dit oogpunt onderzocht. Bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht behoort het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht slechts bevoegd na te gaan of deze overheid bij haar beoordeling de haar toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het thans bestreden besluit is genomen op grond van de artikelen 16, 2°, en 112, § 3, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 2 oktober
  28. Laatstgenoemd artikel luidt als volgt: “Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar 1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn is niet geldig in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar”. Bijgevolg kan slechts worden besloten tot het ambtshalve en zonder vooropzeg verlies van de hoedanigheid van ambtenaar, indien is voldaan aan de volgende twee voorwaarden: IX-6896-16/25 1) de vaststelling dat de benoeming onregelmatig is; 2) deze vaststelling gebeurd is binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, tenzij er sprake is van arglist of bedrog in hoofde van de ambtenaar. Wat de eerste voorwaarde betreft, wordt in de motivering van het bestreden besluit overwogen dat niemand tot Rijksambtenaar mag worden benoemd indien hij een gedrag vertoont dat niet in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking - wat uitdrukkelijk herhaald wordt in het selectiereglement van Selor -, dat de interpretatie als zou de kandidaat enkel van het beoogde gedrag moeten doen blijken op de dag van de indiensttreding of de benoeming niet redelijk is, dat het niet beantwoorden aan een dergelijk gedrag kan blijken uit opgelopen strafrechtelijke veroordelingen - wat zeker zo is voor de functie van penitentiair beambte -, dat Selor de aanstelling van de verzoeker zou hebben geweigerd als Selor destijds op de hoogte was geweest van de strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker voor drugsfeiten met een effectieve gevangenisstraf, dat inbreuken op de drugwetgeving getuigen van een gedrag dat onverenigbaar is met de functie van penitentiair beambte - omdat het om een veiligheids- en voorbeeldfunctie gaat die een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt -, en dat de verzoeker zeker niet zou zijn benoemd indien hij zijn veroordeling had meegedeeld. De verzoeker betwist dat zijn benoeming omwille van zijn eerdere strafrechtelijke veroordeling niet overeenstemt met de algemene toelaatbaarheidsvereisten en dat bijgevolg zijn benoeming onregelmatig zou zijn. Overeenkomstig artikel 16, 2°, van voornoemd koninklijk besluit van 2 oktober 1937 kan niemand tot Rijksambtenaar worden benoemd, indien hij niet voldoet aan de algemene toelaatbaarheidsvereiste dat zijn gedrag moet overeenstemmen met de vereisten van de beoogde betrekking. Deze toelaatbaarheidsvereiste werd bovendien uitdrukkelijk opgenomen in het selectiereglement voor de selectie van penitentiair beambten. Deze IX-6896-17/25 toelaatbaarheidsvereiste is dermate ruim geformuleerd, dat elke aanwijzing van een gedrag dat niet strookt met de vereisten van de beoogde betrekking, aanleiding kan geven tot het niet vervuld zijn van deze voorwaarde, en tot de niet-benoeming van de betrokkene. Dit betekent dan ook dat een strafrechtelijke veroordeling een indicatie kan zijn dat men niet voldoet aan deze toelaatbaarheidsvereiste. De strafrechtelijke veroordeling die de verzoeker in Nederland heeft opgelopen is het gevolg van inbreuken die hij heeft begaan op de drugwetgeving. Door in het bestreden besluit te oordelen dat dergelijke inbreuken op de drugwetgeving niet stroken met het gedrag dat van een penitentiair beambte wordt verwacht, heeft de verwerende partij niet onredelijk gehandeld. De verwerende partij voert terecht aan dat de specifieke functie van penitentiair beambte een veiligheids- en voorbeeldfunctie betreft, die een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt. De verwerende partij is aldus op het eerste gezicht in alle redelijkheid tot de vaststelling gekomen dat de benoeming van de verzoeker onregelmatig is, daar zij is gebeurd in strijd met voornoemde algemene toelaatbaarheidsvereiste, en dit gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling in Nederland ten gevolge van inbreuken op de drugwetgeving.
  29. In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, kan uit de brief van 29 juli 2009 van de afgevaardigd bestuurder van Selor niet worden afgeleid dat een strafrechtelijke veroordeling geen beletsel vormt om te voldoen aan de algemene toelaatbaarheidsvereisten om benoemd te worden. Uit deze brief volgt op het eerste gezicht dat het gedrag van een kandidaat voor een bepaalde functie dient getoetst te worden aan de algemene toelaatbaarheidsvereiste van artikel 16, 2°, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  30. Indien de betrokkene een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen, dient te worden nagegaan of de betrokkene wel voldoet aan deze toelaatbaarheidsvereiste, dit rekening houdend met de feiten en gedragingen die aan die strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen. Uit voornoemde brief blijkt weliswaar dat de bevoegde Procureur zou worden gevraagd naar het relaas van de feiten en naar diens advies omtrent de toegankelijkheid van de functie van penitentiair beambte in hoofde van betrokkene, doch blijkt evenzeer dat er geen twijfel lijkt over te bestaan dat ten IX-6896-18/25 gevolge van de door de verzoeker begane drugsfeiten niet voldaan was aan de toelaatbaarheidsvereiste en derhalve niet tot benoeming zou zijn overgegaan.
  31. De verzoeker kan op het eerste gezicht evenmin worden gevolgd in zijn argument als zou hij wel degelijk hebben voldaan aan de voorwaarde van artikel 16, 2°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en aan de aanstellingsvoorwaarden vervat in het selectiereglement van de selectie van penitentiair beambten, daar hij op datum van zijn indiensttreding wel degelijk een gedrag vertoonde in overeenstemming met de eisen van de betrekking van penitentiair beambte. Het kan op het eerste gezicht niet de bedoeling zijn dat deze voorwaarde dermate strikt moet worden begrepen dat een kandidaat enkel en alleen op de datum van zijn indiensttreding een gedrag moet vertonen dat overeenstemt met de vereisten van de betrekking van penitentiair beambte. Deze toelaatbaarheidsvereiste heeft namelijk weinig zin indien zij in zo een strikte zin moet worden begrepen dat de gedragingen van de betrokkene in het verleden, die geenszins stroken met het gedrag dat van een penitentiair beambte kan worden verwacht, helemaal niet in rekening zouden kunnen worden gebracht bij het beoordelen van het al dan niet in aanmerking komen voor een benoeming op basis van deze voorwaarde. Hoewel zijn strafrechtelijke veroordeling dateert van 2 mei 2001 voor feiten begaan in de periode van 31 januari 2000 tot en met 23 mei 2000, betekent dit niet dat met deze feiten helemaal geen rekening moest worden gehouden bij de beoordeling van voornoemde toelaatbaarheidsvereiste daar zij dateren van vóór de datum van indiensttreding, zijnde 1 september
  32. Uit wat voorafgaat volgt dat de vaststelling door de verwerende partij dat de benoeming van de verzoeker onregelmatig was, op het eerste gezicht niet onredelijk is.
  33. Wat de tweede voorwaarde betreft, is naar het oordeel van de verwerende partij sprake van arglist of bedrog in hoofde van de verzoeker, wat in het bestreden besluit wordt gemotiveerd als volgt. IX-6896-19/25 De verzoeker is sinds 28 augustus 2001 op de hoogte van zijn veroordeling, doch heeft dit bewust verzwegen totdat de verwerende partij op de hoogte werd gesteld door het parket. In het verhoor van 16 maart 2010 erkent de verzoeker nochtans dat dit belangrijke informatie is waarover de aanwervende overheid -gelet op de veiligheidsfunctie van penitentiair beambte- had moeten beschikken. Hij verschuilt zich evenwel achter het feit dat de verwerende partij er niet expliciet naar heeft gevraagd. Hieruit blijkt dat hij deze informatie bewust heeft achtergehouden, terwijl hij wist dat het belangrijke informatie was. Geen redelijk denkende overheid kan besluiten dat een veroordeling wegens inbreuken op de drugwetgeving geen belangrijke informatie is in het kader van een sollicitatie voor een betrekking van penitentiair beambte.
  34. De verzoeker betwist dat er sprake kan zijn van arglist of bedrog in zijnen hoofde. Meer bepaald betwist hij zijn vroegere strafrechtelijke veroordeling in Nederland bewust en/of opzettelijk te hebben verzwegen. Hij erkent wel het bestaan van deze veroordeling, waarvan hij sinds 28 augustus 2001 op de hoogte is, niet spontaan te hebben meegedeeld aan de verwerende partij, doch wijt dit aan de verwerende partij zelf die er hem tot 1 juli 2009 niets over heeft gevraagd. Het is op het eerste gezicht niet onredelijk te overwegen dat een strafrechtelijke veroordeling ten gevolge van inbreuken op de drugwetgeving in het kader van een selectie voor de functie van penitentiair beambte essentiële informatie betreft. Dit wordt trouwens door de verzoeker zelf -zij het dan impliciet- erkend tijdens het verhoor van 16 maart
  35. Bovendien weet de kandidaat bij zijn deelname aan de selectie van penitentiair beambte aan de hand van het selectiereglement wat de functie inhoudt (het gaat om een veiligheidsfunctie), welke competenties zijn vereist (waaronder integer en loyaal zijn), en welke voorwaarden moeten zijn vervuld om te worden aangesteld (de kandidaat dient om te worden benoemd op datum van indiensttreding, een gedrag te vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking). Uit de samenlezing van deze elementen weet de kandidaat (of behoort hij althans te weten) dat een strafrechtelijke veroordeling een invloed kan IX-6896-20/25 hebben op zijn benoeming en het aldus essentiële informatie betreft. Van een dergelijke essentiële informatie kan dan ook redelijkerwijze verwacht worden dat de kandidaat deze uit eigen beweging meedeelt, zonder dat hij hieromtrent expliciet wordt bevraagd. Hoewel de verzoeker sinds 28 augustus 2001 op de hoogte is van zijn strafrechtelijke veroordeling en hij wist (of althans behoorde te weten) dat het essentiële informatie was in het kader van een aanstelling als penitentiair beambte, heeft de verwerende partij op het eerste gezicht zijn stilzwijgen desbetreffende dan ook terecht beschouwd als een bewust en opzettelijk stilzwijgen.
  36. In zoverre de verzoeker tracht aan te tonen dat het verbod op zelfincriminatie, zoals bepaald in artikel 6 van het EVRM, van toepassing is door te verwijzen naar het arrest Van Laenen, nr. 139.674 van 24 januari 2005 van de Raad van State, kan niet dienstig worden verwezen naar dit arrest. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat dit arrest betrekking heeft op het verbod van zelfincriminatie in een tuchtrechtelijke procedure. Huidige zaak betreft geenszins een tuchtrechtelijke procedure, doch een ambtshalve en zonder vooropzeg verlies van de hoedanigheid van Rijksambtenaar in de zin van artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  37. Het verbod op zelfincriminatie wordt in voorliggende procedure door de verzoeker aangehaald in de mate dat hij tracht aan te tonen dat er geen sprake kan zijn van een bewust en opzettelijk verzwijgen van zijn strafrechtelijke veroordeling bij zijn aanstelling in de betrekking van penitentiair beambte en er dienvolgens niet voldaan is aan één van de voorwaarden van voornoemd artikel 112, § 3, 1°. Zoals gezegd, kon van de verzoeker in het kader van een aanstelling als penitentiair beambte worden verwacht dat hij zijn strafrechtelijke veroordeling wel uit eigen beweging zou meedelen. Dit onderdeel van het middel wordt bijgevolg niet dienstig aangevoerd. IX-6896-21/25
  38. De verzoeker kan ten slotte op het eerste gezicht niet worden gevolgd waar hij beweert dat de vraagstelling tijdens het verhoor van 16 maart 2001 bijzonder suggestief is verlopen. Uit het administratief dossier blijkt dat dit verhoor georganiseerd werd precies om de verzoeker te horen aangaande zijn argumenten met betrekking tot het al dan niet bewust en opzettelijk verzwijgen van zijn eerdere strafrechtelijke veroordeling. Aan de verzoeker werd de mogelijkheid geboden zijn standpunt hieromtrent te doen kennen. Er kan dan ook niet worden ingezien in welke mate dit verhoor suggestief zou zijn verlopen. Bovendien voert de verzoeker deze grief voor het eerst aan in zijn inleidend verzoekschrift bij de Raad van State. Nochtans werd hem de mogelijkheid geboden om zijn opmerkingen op het verhoor aan de verwerende partij zelf over te maken. Hij heeft dit evenwel niet gedaan, doch heeft expliciet verklaard dat hij geen opmerkingen had op het proces-verbaal dat een correcte weergave is van het verhoor. Mede gelet hierop, staaft de verzoeker geenszins zijn argument met betrekking tot het suggestieve verloop van het verhoor, en betreft het enkel en alleen een loutere bewering vanwege de verzoeker die op het eerste gezicht feitelijke grondslag mist.
  39. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  40. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. De verzoeker meent dat de opgelegde straf kennelijk in wanverhouding staat tot de tuchtfeiten. Er werd hem immers onmiddellijk de zwaarste sanctie opgelegd. Nochtans wordt volgens hem nergens bepaald dat een vroegere buitenlandse veroordeling onverenigbaar is met de uitoefening van het ambt van penitentiair beambte, wat nu net de reden voor zijn ontslag lijkt te zijn. IX-6896-22/25 Hij wijst erop geen enkele tuchtsanctie te hebben opgelopen gedurende zijn ganse loopbaan, doch integendeel een gewaardeerd penitentiair beambte te zijn geweest. Indien de feiten dan toch als zwaarwichtig genoeg werden beoordeeld, had naar zijn oordeel een mildere tuchtstraf kunnen opgelegd worden. De thans bestreden maatregel heeft zeer ingrijpende gevolgen, zowel wat de loopbaan van de verzoeker betreft als wat zijn pensioenrechten betreft. Het bestreden besluit is volgens de verzoeker dan ook kennelijk onredelijk. Het betreft immers feiten die dateren van vier jaar vóór zijn aanwerving, die na een vlekkeloze en alom gewaardeerde loopbaan van vijf jaar worden gesanctioneerd met de zwaarst mogelijke sanctie. De verzoeker is dan ook van oordeel dat de opgelegde tuchtmaatregel onwettig is, minstens buiten alle proporties en kennelijk onredelijk is.
  41. De verwerende partij antwoordt in haar nota dat krachtens artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 het bestaan van een vroegere strafrechtelijke veroordeling automatisch leidt tot het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar, en dit zelfs buiten de beroepstermijn bij de Raad van State zo er sprake is van bedrog in hoofde van de ambtenaar. Zij stelt voorts dat de verzoeker nalaat een onderscheid te maken tussen een tuchtstraf enerzijds en de vaststelling van de onregelmatigheid van de benoeming anderzijds. In casu is er geen sprake van een tuchtstraf die voortvloeit uit de wijze waarop de verzoeker zijn functie uitoefende of uit feiten door hem gepleegd op een ogenblik dat hij zijn functie reeds uitoefende. Het bestreden besluit werd daarentegen genomen omdat werd vastgesteld dat de benoeming van de verzoeker onregelmatig was. Het voornoemd artikel 112, § 3, 1°, laat geen IX-6896-23/25 ruimte aan de overheid in de keuze van de maatregel wanneer wordt vastgesteld dat een benoeming op een onregelmatige wijze werd verricht. Indien de overheid oordeelt dat een benoeming onregelmatig is, dan kan zij niet anders dan besluiten tot het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van Rijksambtenaar. Er kon dan ook helemaal geen “mildere tuchtstraf” worden uitgesproken. De enige maatregel die volgens de verwerende partij kon worden genomen was deze van het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van Rijksambtenaar. Beoordeling
  42. Het tweede middel vertrekt van het uitgangspunt dat het bestreden besluit een tuchtmaatregel is. Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds werd overwogen is dat niet het geval. Het gaat om een ontslag in toepassing van artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, artikel dat geen keuze laat wat de te nemen maatregel betreft. Het aanvoeren van een schending van het evenredigheidsbeginsel, dat alleen speelt in tuchtzaken, kan dan ook niet dienstig worden aangevoerd.
  43. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij op het eerste gezicht terecht heeft vastgesteld dat de benoeming van de verzoeker onregelmatig was en dat er sprake is van arglist of bedrog in zijnen hoofde, zodanig dat wegens de vaststelling van die onregelmatigheid, alleen nog kon worden overgegaan tot de in artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voorziene maatregel van het ambtshalve en zonder vooropzeg verlies van de hoedanigheid van Rijksambtenaar. Met het thans bestreden besluit heeft de verwerende partij niets anders gedaan dan de gevolgen vast te stellen die krachtens voornoemd artikel 112, § 3, 1°, uit een onregelmatige benoeming en bij bedrog of arglist vanwege de ambtenaar, zo die onregelmatigheid buiten de beroepstermijn van de IX-6896-24/25 Raad van State is vastgesteld, voortvloeien. De verwerende partij diende aldus op het eerste gezicht over te gaan tot de in artikel 112, § 3, 1°, voorziene maatregel.
  44. Het tweede middel is niet ernstig. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Daniël Moons IX-6896-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.384 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.