id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.400 Rolnummer: A. 129713/IX-3598 Zaak: Arrest 208400 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 05:19 Fiche Arrest nr 208.400 van 25 oktober 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.400 van 25 oktober 2010 in de zaak A. 129.713/IX-3598 In zake : Anja RANSON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 november 2002, strekt tot de nietigverklaring van “de vermelding in BP 09/2002 LM van 30 april 2002, [...], waarbij beslist werd dat [Anja Ranson] voor bevordering in de hogere graad een anciënniteitsverlies van 54 maand oploopt”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 193.644 van 29 mei 2009 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. IX-3598-1/14 De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekster, en kolonel militair-administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 7 december 1991 wordt het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot instelling van een bijzondere werving en een vorming van kandidaat-aanvullingsvrijwilligers (hierna: het koninklijk besluit van 13 november 1991) bekendgemaakt. Artikel 2, § 1, van dit koninklijk besluit bepaalt dat bij wijze van overgangsmaatregel een bijzondere werving en een vorming van kandidaat-aanvullingsvrijwilligers worden ingesteld totdat de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, in zijn geheel in werking wordt gesteld voor de kandidaat-vrijwilligers. Luidens artikel 5, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit kan de kandidaat, ten vroegste dertig maanden na de datum van zijn aanvaarding, door de minister van IX-3598-2/14 Landsverdediging worden aanvaard als aanvullingsvrijwilliger en worden benoemd in de graad van korporaal nadat hij geslaagd is voor de in artikel 4 bedoelde vormingscyclus. 3.
- Op 17 maart 1993 neemt de verzoekster voor twee jaar dienst als kandidaat-aanvullingsvrijwilliger bij de landmacht. Zij wordt aangeworven op grond van het voormelde koninklijk besluit van 13 november
- 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 1994 wordt het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het beroepskader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst (hierna: het koninklijk besluit van 11 augustus 1994) bekendgemaakt. De artikelen 9 en 12 van dit koninklijk besluit voegen in het voormelde koninklijk besluit van 11 juni 1974 respectievelijk een artikel 44quater en een artikel 45bis in, die als volgt luiden: - artikel 44quater: “Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45bis, wordt de aanvullingsvrijwilliger in de hoedanigheid van beroepsvrijwilliger opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. De aanvullingsvrijwilliger wordt gerangschikt na de beroepsvrijwilliger met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad.” - artikel 45bis: “In afwijking van de bepalingen van artikel 44quater, eerste lid, van dit besluit, gaat de anciënniteit in de graad van korporaal als beroepsvrijwilliger in na een periode van 54 maanden werkelijke dienst te rekenen vanaf de dag van zijn benoeming in de graad van korporaal als aanvullingsvrijwilliger voor de aanvullingsvrijwilliger aangeworven bij toepassing van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot instelling van een bijzondere werving en een vorming van kandidaat-aanvullingsvrijwilligers.” IX-3598-3/14 Bij artikel 14 juncto artikel 15 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 houdende de inwerkingstelling van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel, wordt het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit van 11 juni 1974 in werking gesteld op 15 augustus
- 3.
- Op 27 september 1995 wordt de verzoekster opgenomen in het kader van de aanvullingsvrijwilligers en benoemd in de graad van korporaal. Op 31 december 1997 wordt zij opgenomen in het kader van de beroepsvrijwilligers. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1999 wordt het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie en de sociale promotie naar een hogere personeelscategorie (hierna: het koninklijk besluit van 9 juni 1999) bekendgemaakt. De artikelen 5 en 6 van dit koninklijk besluit nemen woordelijk de tekst over van de artikelen 44quater en 45bis van het voormelde koninklijk besluit van 11 juni
- De desbetreffende artikelen zijn opgenomen onder hoofdstuk I van titel II van het koninklijk besluit. Titel II betreft “de overgang binnen dezelfde personeelscategorie”. Hoofdstuk I van deze titel betreft “de opname van de aanvullingsvrijwilliger in de hoedanigheid van beroepsvrijwilliger”. Artikel 45 heft onder meer de artikelen 44quater en 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 op. Het koninklijk besluit van 9 juni 1999 treedt in werking op 1 januari
- 3.
- In het Bulletin van het Personeel nr. LM/FT-9/2002 van 30 april 2002 wordt, onder een rubriek “3.
- Verandering van anciënniteit”, het volgende bekendgemaakt: IX-3598-4/14 “ Reeks Affectie-eenheid Naam / Stamnr. Graad - Mutatie Datum Categorie 723 2A RANSON, A. CPL BV Anc CPL BV: 23042002 2A 9302181 27032000 G24021 ” Deze vermelding in het Bulletin van het Personeel, waarbij volgens de verzoekster “beslist werd dat [zij] voor bevordering in de hogere graad een anciënniteitsverlies van 54 maand oploopt”, maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep. 3.
- Op 7 augustus 2002 vraagt de verzoekster middels een model B om de “rechtzetting van de 54 maanden anciënniteitsverlies”. Zij voegt bij dat model B een bijlage waarin in essentie wordt aangevoerd dat zij vóór 1 januari 2000 -datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 9 juni 1999- in het beroepskader werd opgenomen op grond van de toen geldende artikelen 44 tot 44quater van het koninklijk besluit van 11 juni 1974, zodat artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 niet op haar situatie kan worden toegepast. 3.
- Met een brief van 21 augustus 2002 verstrekt de secretaris-generaal van de Algemene Directie Human Resources van de Krijgsmacht aan de verzoekster toelichtingen bij de “wijziging van anciënniteit in de graad van korporaal” waarover zij via de bekendmaking in het Bulletin van het Personeel werd geïnformeerd. Deze brief luidt als volgt: “[...] Om elke dubbelzinnigheid of verkeerde interpretatie betreffende deze wijziging van anciënniteit te vermijden, houd ik eraan u volgende toelichtingen mee te delen: IX-3598-5/14
- In afwachting van het nieuwe statuut van de beroepsvrijwilligers heeft de Krijgsmacht, gedurende de periode van 15 januari 1992 tot 30 juni 1994, aanvullingsvrijwilligers van de speciale werving gerekruteerd. Het is in dit kader dat u bent aangeworven.
- In de hoedanigheid van aanvullingsvrijwilliger bent u benoemd tot Korporaal na 30 maanden actieve dienst.
- Op 1 juli 1994 is het nieuwe statuut van kandidaat-beroepsvrijwilliger (KBV) in werking getreden. Deze militairen moeten eerst benoemd worden in de graad van 1ste soldaat en kunnen slechts benoemd worden tot korporaal na minimum 7 jaren actieve dienst, hetzij 84 maanden.
- U hebt kunnen genieten van de mogelijkheid tot overgang naar het kader van de beroepsvrijwilligers en dit met behoud van de graad van korporaal, die u verworven hebt als aanvullingsvrijwilliger. Dankzij deze overgang naar het kader van de beroepsvrijwilligers hebt u de mogelijkheid toe te treden tot de hogere graden.
- Opdat er echter geen enkel onderscheid zou bestaan tussen de kandidaten, gerekruteerd als beroepsvrijwilligers, en deze, gerekruteerd in het kader van de aanvullingsvrijwilligers van de speciale werving (categorie waartoe u behoorde), werd de aanvang van uw anciënniteit in de graad van korporaal als beroepsvrijwilliger met 54 maanden uitgesteld. Hierdoor wordt deze anciënniteit op 84 maanden gebracht (zijnde 54 maanden toegevoegd aan de 30 maanden voorafgaand aan uw benoeming in het aanvullingskader).
- Deze maatregel heeft u toegelaten uw graad van korporaal, die u verworven hebt na 30 maanden (zijnde 54 maanden eerder dan een beroepsvrijwilliger), te behouden en heeft u in dezelfde anciënniteitsvoorwaarde qua graad geplaatst als alle andere beroepsvrijwilligers voor het verwerven van de graad van korporaal-chef. Elke bijkomende informatie m.b.t. hetgeen voorafgaat, kan bekomen worden bij de bovenvermelde contactpersoon. [...]” 3.
- Op 10 september 2002 ondertekent Maj HRG-C3 B. F. het model B van de verzoekster, met de vermelding “zonder gevolg (Ref: Reg A 16 K 20 Hfst 1 Art 6)”. 3.
- In een zaak met een identiek voorwerp -het ontnemen van 54 maanden anciënniteit aan de verzoeker- heeft de Raad van State in het arrest nr. 181.152 van 17 maart 2008 gewezen dat de wet van 12 juli 1973 betreffende IX-3598-6/14 het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de Krijgsmacht (hierna: de wet van 12 juli 1973) “geen enkele bepaling bevat die de Koning de mogelijkheid biedt om de anciënniteit van de beroepsvrijwilligers uit het aanvullingskader anders te regelen dan die van de andere beroepsvrijwilligers; dat het uitvoeren van de wet niet verenigbaar is met het scheppen van regels die afwijken van hetgeen wettelijk is bepaald; dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en tevoren artikel 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 geen rechtsgrond hebben, doordat ze de anciënniteit in de graad van korporaal als beroepsvrijwilliger later doen ingaan; dat de toepassing van die artikelen van de hand moet worden gewezen”. Vervolgens heeft de Raad van State de in die zaak bestreden beslissing vernietigd. 3.
- De wetgever heeft hieraan geremedieerd door middel van artikel 33 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) (hierna: de wet van 22 december 2008). Artikel 33 luidt als volgt: “Artikel 7bis van de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de Krijgsmacht, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1994, wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘De anciënniteit in de graad van korporaal of in een gelijkwaardige graad van de aanvullingsvrijwilliger, opgenomen in de categorie van de beroepsvrijwilligers, kan niet aanvangen op een vroegere datum dan deze van de beroepsvrijwilliger van de normale werving. De Koning bepaalt de nadere regels betreffende het aanvangen van deze anciënniteit.’” Overeenkomstig artikel 71 van de wet van 22 december 2008 heeft artikel 33 uitwerking met ingang van 15 augustus
- 3.
- Op 28 mei 2009 heeft de verzoekster bij het Grondwettelijk Hof een beroep ingesteld tot vernietiging van artikel 33 van de wet van 22 december
- In zijn arrest nr. 34/2010 van 22 april 2010 heeft het Grondwettelijk Hof dit beroep verworpen op grond van volgende overwegingen: “B.
- Het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 33 van de wet van 22 december 2008 met de artikelen 10 en 11 van de IX-3598-7/14 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en met de beginselen van rechtszekerheid en niet-retroactiviteit, in zoverre het bestreden artikel de temporele werking van artikel 7bis van de wet van 12 juli 1973 wijzigt, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan verworven rechten. B.4.
- Het bestreden artikel 33 heeft tot doel een wettelijke rechtsgrond, in overeenstemming met artikel 182 van de Grondwet, te verlenen aan de anciënniteitsbeperking, zoals die was vastgesteld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie en de sociale promotie naar een hogere personeelscategorie, en voorheen in artikel 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht. De wetgever beoogde de rechtsonzekerheid die was ontstaan ingevolge het arrest nr. 181.152 van 17 maart 2008 van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te herstellen: ‘Dit artikel verleent aan de Koning een meer solide wettelijke basis voor de machtiging om de regels met betrekking tot het bepalen van de aanvangsdatum van de anciënniteit in de graad van korporaal of in een gelijkwaardige graad van de aanvullingsvrijwilliger die overgaat naar de categorie van de beroepsvrijwilligers, vast te leggen. In het arrest nr. 181.152 van 17 maart 2008 stelt de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een gebrek aan wettelijke basis vast voor de uitoefening van de bevoegdheid van de Koning inzake het vastleggen van een anciënniteitverlies van 54 maanden in de graad van korporaal bij de overgang van aanvullingsvrijwilliger naar beroepsvrijwilliger bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie en de sociale promotie naar een hogere personeelscategorie. De wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht verleent de Koning noch een machtiging om de anciënniteit van de ex-aanvullingsvrijwilliger, nu beroepsvrijwilliger, anders te regelen dan van de beroepsvrijwilliger van de normale werving, noch een machtiging om afwijkingen aan de bepalingen van de voornoemde wet van 12 juli 1973 vast te leggen. Door het niet toepassen van het anciënniteitverlies van 54 maanden in geval van overgang van aanvullingsvrijwilliger naar beroepsvrijwilliger wordt een discriminatie gecreëerd ten opzichte van de beroepsvrijwilligers van de normale werving. De ex-aanvullingsvrijwilliger zou genieten van een versnelde loopbaan, louter op basis van de overgang naar de categorie van de beroepsvrijwilligers. Dit artikel beoogt de rechtszekerheid voor Defensie en voor de betrokken vrijwilligers te herstellen door het invoegen van een voldoende wettelijke basis in de voornoemde wet van 12 juli
- De bepaling laat zo toe rekening te IX-3598-8/14 houden met de door de Raad van State geformuleerde kritiek met behoud van de gecontesteerde maatregel inzake het anciënniteitverlies van 54 maanden in de graad van korporaal voor de aanvullingsvrijwilligers bij de overgang naar de categorie van de beroepsvrijwilligers’ (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, pp. 29-30). B.4.
- De wetgever verantwoordde de terugwerkende kracht van voormeld artikel 33 als volgt: ‘Dit artikel legt de inwerkingtreding vast van de bepaling van het wetsontwerp met terugwerkende kracht tot 15 augustus 1994, de dag waarop de bepaling met betrekking tot het anciënniteitverlies van 54 maanden in geval van overgang van aanvullingsvrijwilliger naar beroepsvrijwilliger in werking is getreden bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 houdende de inwerkingtreding van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel. De terugwerkende draagwijdte die aan deze bepaling gegeven wordt, beantwoordt aan een doel van algemeen belang aangezien ze ernaar streeft een discriminatie te vermijden bij de beroepsvrijwilligers van de normale werving. Zoals uiteengezet in het commentaar van artikel 30, zouden deze voorbijgegaan worden voor de bevordering door de ex-aanvullingsvrijwilligers van de uitzonderlijke werving, enkel op basis van de overgang van deze laatsten naar de categorie van de beroepsvrijwilligers. Sinds de invoering van de mogelijkheid, om van het aanvullingskader naar het beroepskader over te gaan, lag het echter nooit in de bedoeling van de administratie om een versnelde loopbaan te verlenen aan de ex-aanvullingsvrijwilligers (cf. artikel 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, opgeheven en vervangen bij artikel 6 van het voornoemde besluit van 9 juni 1999). In deze zin heeft de voorziene maatregel niet tot gevolg eventuele rechten aan te tasten, noch het algemene rechtsbeginsel van rechtszekerheid en niet-discriminatie te overtreden. Het invoeren van de bepaling kan bijgevolg beschouwd worden als een louter formele regularisatie aangezien het de rechten van de individuen geenszins wijzigt. De terugwerkende kracht zal het gezag van gewijsde van eventuele juridische beslissingen niet aantasten’ (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, pp. 38-39). B.5.
- De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van de rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een bepaalde zin wordt IX-3598-9/14 beïnvloed of dat rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden van de wetgever verantwoorden, dat ten nadele van een categorie van burgers afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen. B.5.
- De invoering met terugwerkende kracht door de wetgever van een voldoende wettelijke basis voor het anciënniteitsverlies voor aanvullingsvrijwilligers die zijn overgegaan naar het kader van beroepsvrijwilligers, en dienvolgens de gedeeltelijke overname van het voormelde koninklijk besluit van 9 juni 1999 in een wet, hebben tot gevolg dat de Raad van State en de hoven en rechtbanken zich niet langer kunnen uitspreken over de wettigheid van de overgenomen bepalingen en de daarop gebaseerde beslissingen. B.5.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt dat de wetgever in het bijzonder de rechtsonzekerheid en de uit het arrest nr. 181.152 van de Raad van State voortvloeiende discriminatie tussen ex-aanvullingsvrijwilligers en beroepsvrijwilligers via de normale werving heeft willen vermijden. Het gebrek aan een wettelijke grondslag kan niet tot gevolg hebben dat de wetgever in de onmogelijkheid zou verkeren de hierdoor ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen en tevens tegemoet te komen aan de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid. B.5.
- Ten slotte doet de bestreden bepaling geen rechtsonzekerheid ontstaan. Ondanks haar retroactieve karakter bevat zij geen bepaling die niet voorkwam in de voormelde koninklijke besluiten, zodat zij niets anders heeft gedaan dan bepalingen consolideren waarvan de adressaten de draagwijdte kenden. B.5.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de wetgever maatregelen heeft genomen die zijn ingegeven door dwingende motieven van algemeen belang. B.
- Het enige middel is niet gegrond.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In haar eerste middel voert de verzoekster de schending aan van de artikelen 5 en 20septies van de wet van 12 juli 1973 en stelt zij dat de bestreden IX-3598-10/14 beslissing geen rechtsgrond heeft en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen miskent. Zij betoogt dat noch artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 dat op haar werd toegepast, noch artikel 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974, dat gold tussen 15 augustus 1994 en 31 december 1999, een wettige grondslag vindt in de artikelen 5 en 20septies van de wet van 12 juli 1973, in de mate dat enkel voor de categorie van vrijwilligers van de bijzondere werving tussen 15 januari 1992 en 30 juni 1994 op grond van het koninklijk besluit van 13 november 1991 een forfaitair anciënniteitsverlies van 54 maanden wordt opgelegd voor bevordering in de hogere graad bij de opname in het beroepskader. Zij besluit dat deze bepalingen op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten. Beoordeling
- Zoals hiervόόr gesteld heeft de wetgever met artikel 33 van de wet van 22 december 2008, dat artikel 7bis van de wet van 12 juli 1973 aanvult, een wettelijke grondslag gegeven aan de regeling die voorheen door de Koning was ingesteld en inzonderheid artikel 45 bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 en artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni
- Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 34/2010 geoordeeld dat noch artikel 33 van de wet van 22 december 2008, noch de retroactieve inwerkingstelling van die bepaling met ingang van 15 augustus 1994 strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel. Hieruit dient dan ook besloten te worden dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 -dat op de verzoekster werd toegepast om haar een anciënniteit van 54 maanden te ontnemen-, geacht moet worden ab initio over de vereiste wettelijke rechtsgrond te beschikken. Het middel is niet gegrond. IX-3598-11/14 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In haar tweede middel voert de verzoekster opnieuw de schending aan van de artikelen 5 en 20septies van de wet van 12 juli 1973 en stelt zij dat de bestreden beslissing zonder rechtsgrond is en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt. De schending van de artikelen 5 en 20septies van de wet van 12 juli 1973 licht zij toe als volgt: - zij werd vóór 1 januari 2000 opgenomen in het beroepskader, zodat geen toepassing kon gemaakt worden van artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, dat pas op 1 januari 2000 in werking is getreden; - de verwerende partij kan met de bestreden beslissing evenmin nog toepassing maken van artikel 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974, aangezien die bepaling op 31 december 1999 opgehouden heeft uitwerking te hebben; - de verwerende partij had bij de opname van de verzoekster in het beroepskader op 31 december 1997, binnen de zestig dagen haar nieuwe anciënniteit binnen dat kader moeten bepalen. Door dit niet te doen moet aangenomen worden dat zij met haar graad en anciënniteit (van aanvullingsvrijwilliger) daarin opgenomen werd. Vermits dergelijke nalatigheid rechten in hoofde van de verzoekster heeft doen ontstaan, kon de verwerende partij daar slechts op terugkomen binnen de termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad van State, want er is te dezen geen sprake van een handeling die door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat ze voor onbestaande moet worden gehouden; - de aanvullingsvrijwilligers, aangeworven tussen 15 januari 1992 en 30 juni 1994 en met toepassing van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 benoemd tot korporaal, zullen ook met een anciënniteitsverlies van 54 maanden, altijd eerder tot korporaal-chef bevorderd worden dan de beroepsvrijwilligers die in dienst traden na 15 augustus 1994, omdat deze laatsten nooit dezelfde anciënniteit in de graad (van korporaal) kunnen verwerven aangezien die anciënniteit bepaald IX-3598-12/14 wordt op grond van de benoemingsdatum in die graad ongeacht het kader (aanvullingsvrijwilliger of beroepsvrijwilliger) waartoe men behoort. Een en ander heeft tot gevolg dat de bestreden beslissing volgens de verzoekster niet deugdelijk gemotiveerd is. Beoordeling
- De vraag rijst of de verzoekster wel belang heeft bij dit middel. Zoals hoger werd uiteengezet heeft de wetgever met terugwerkende kracht tot 15 augustus 1994 een artikel 7bis ingevoegd in de wet van 12 juli 1973 en biedt die bepaling een rechtsgrond voor wat voorheen bepaald was in de artikelen 45bis van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 en artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni
- De wetgever heeft aldus ten aanzien van de anciënniteit van de aanvullingsvrijwilligers, die opgenomen worden in het beroepsvrijwilligerskader, bepaald dat de anciënniteit niet kan aanvangen op een vroegere datum dan deze van de beroepsvrijwilliger van de normale werving en dat de Koning de nadere regels betreffende het aanvangen van deze anciënniteit bepaalt. Die regeling laat geen ruimte voor een discretionaire bevoegdheid van het bestuur. Zelfs indien het tweede middel van de verzoekster in enige mate gegrond bevonden zou worden, zou de verwerende partij in het kader van het rechtsherstel dat moet volgen op een vernietigingsarrest, enkel een beslissing kunnen nemen waarbij zij de verzoekster opnieuw een anciënniteit van 54 maanden in de graad van korporaal ontneemt.
- In haar laatste memorie verwijst de verzoekster nog naar argumenten die in de zaak die aanleiding gegeven heeft tot het arrest nr. 181.152 van 17 maart 2008 naar voren waren gebracht. In het licht van het regelend optreden van de wetgever -artikel 33 van de wet van 22 december 2008- is die argumentatie achterhaald en van elke relevantie ontdaan.
- Het middel is onontvankelijk. IX-3598-13/14 V. Kosten
- Aangezien de verwerping van het beroep inzonderheid steunt op de door de verwerende partij opgezette regularisatie van de rechtstoestand van onder meer de verzoekster, past het de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3598-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.400 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div