← België

Arrest 208402 - Personeel van de rechterlijke orde - 25/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.402 Rolnummer: A. 197191/IX-6892 Zaak: Arrest 208402 - Personeel van de rechterlijke orde - 25/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:19 Fiche Arrest nr 208.402 van 25 oktober 2010 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 208.402 van 25 oktober 2010 in de zaak A. 197.191/IX-6892 In zake : Josephina BREMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Kelchtermans kantoor houdend te Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. het SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID (SELOR)
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 26 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - de beslissing van Selor, medegedeeld bij brief van 25 mei 2010, waarbij Josephina Brems niet geslaagd wordt verklaard voor de vergelijkende selectie voor bevordering naar niveau A voor de rechterlijke orde; - de vacantverklaring van de betrekking van hoofdgriffier (vakklasse A2) van het vredegerecht van het kanton Westerlo. IX-6892-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  5. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Geerts, die loco advocaat Bert Kelchtermans verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoekster is griffier bij het vredegerecht te Westerlo. Omdat de hoofdgriffier sinds 2 maart 2006 met ziekteverlof is, wordt zij eind 2006 door de vrederechter aangewezen om de hoofdgriffier tijdens diens afwezigheid te vervangen. Na de oppensioenstelling van de hoofdgriffier wordt zij bij ministerieel besluit van 20 april 2009 aangewezen als waarnemend hoofdgriffier voor een termijn van zes maanden. Bij ministerieel besluit van 27 oktober 2009 wordt die IX-6892-2/10 opdracht met zes maanden verlengd. 3.
  8. In het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2009 wordt de betrekking van hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Westerlo vacant verklaard. Op 22 april 2009 stelt de verzoekster zich kandidaat. De vacantverklaring is de tweede bestreden beslissing. 3.
  9. Op 9 maart 2010 wordt de verzoekster uitgenodigd voor een mondelinge vergelijkende selectieproef die zal plaatsvinden op 14 april
  10. De brief beschrijft de selectieproef als volgt: “De selectie bestaat uit een onderhoud uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met een functie van de klasse A
  11. De sollicitant zal vóór de selectie over 45 minuten beschikken om een dossier te bestuderen en voor te bereiden dat hem/haar wordt overhandigd. Vertrekkende van dit dossier, dat diverse informatie bevat, dient de sollicitant voor de selectiecommissie een uiteenzetting van ongeveer 15 minuten te geven en deze vervolgens op interactieve wijze te bespreken. Aanvullend zal de sollicitant onderworpen worden aan een gesprek dat verband houdt met zijn motivatie en zijn vermogen een functie A2 uit te oefenen.” 3.
  12. Met een brief van 25 mei 2010 wordt aan de verzoekster meegedeeld dat zij niet geslaagd is. Die brief luidt als volgt: “Het resultaat dat u behaalde op bovenvermelde overgangsselectie afgelegd, georganiseerd in april 2010, is onvoldoende om te slagen. U behaalde 32 punten op 100, het vereiste minimum voor deze proef is 60 punten op 100.” De beslissing waarbij de verzoekster niet geslaagd wordt verklaard voor de vergelijkende selectieproef is de eerste bestreden beslissing. 3.
  13. Met een brief van 8 juni 2010 aan Selor deelt de verzoekster mee dat zij niet akkoord gaat met het meegedeelde resultaat. Er wordt haar vervolgens een “feedbackrapport” bezorgd, maar Selor gaat niet in op haar vraag om een kopie IX-6892-3/10 te ontvangen van de casus die haar op het examen was voorgelegd, aangezien die meermaals gebruikt wordt. 3.
  14. Op 16 juli 2010 wordt aan de verzoekster een “motivatiefiche” betreffende de selectieproef bezorgd. De eindconclusie luidt: “De kandidate heeft het uiteindelijke doel van de analyse- en presentatieoefening niet begrepen. Dit vloeit voort uit een gebrekkige analyse en integratie van informatie. De generieke competenties informatie analyseren, informatie integreren, beslissen, medewerkers ontwikkelen, adviseren en in team werken scoren zwak. De generieke competenties objectieven bepalen en zichzelf ontwikkelen zijn onvoldoende aanwezig. Servicegericht handelen en betrouwbaarheid tonen zijn tenslotte voldoende aanwezig.” IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  15. De verwerende partijen werpen op dat de verzoekster er geen belang bij heeft de nietigverklaring te vorderen van de beslissing om de functie van hoofdgriffier bij het vredegerecht van het gerechtelijk kanton Westerlo vacant te verklaren. Zonder deze vacantverklaring kan zij immers niet in deze functie worden benoemd. Bovendien geeft de verzoekster niet aan welke beginselen of welke bepalingen geschonden zijn door deze beslissing. De vordering is dan ook onontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op de tweede bestreden beslissing.
  16. Daargelaten de vraag of een vacantverklaring op zich wel het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep, wordt met de verwerende partijen vastgesteld dat de verzoekster niet aantoont welk belang zij kan hebben bij de nietigverklaring en de schorsing van de beslissing die ook voor haar de weg opent naar een benoeming tot hoofdgriffier. De exceptie is gegrond. De vordering is, wat haar tweede voorwerp betreft, niet ontvankelijk. IX-6892-4/10 V. Onderzoek van de vordering
  17. Overeenkomstig artikel 17, ' 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernstig middel Onderzoek van het tweede middel, derde onderdeel Standpunt van de partijen
  18. De verzoekster voert de schending aan van de artikelen 160 en 262, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel en van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het transparantiebeginsel, onder meer doordat het examen geen enkel verband hield met de functie van hoofdgriffier van een vredegerecht. Artikel 262, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vergelijkende selectie uitgaat “van een praktijkgeval dat verband houdt met de functie”. In dit geval ging de vergelijkende selectie niet uit van een praktijkgeval dat verband hield met dergelijke functie -die overigens verschilt naargelang het om een kleine dan wel om een grote griffie gaat-, maar betrof zij een situatie binnen een telecombedrijf waarbij aan de kandidaten gevraagd werd een diversiteitsbeleid uit te tekenen, hetgeen geen enkele relevantie vertoont ten aanzien van de functie van hoofdgriffier in een klein vredegerecht waar twee of drie personeelsleden actief zijn. De vraagstelling stond eerder in verband met de taken van een personeelsdirecteur binnen een groot bedrijf. IX-6892-5/10
  19. De verwerende partij stelt samenvattend dat de examenjury de kandidaten getoetst heeft op de aanwezigheid van bepaalde competenties die de ambtenaren van de klasse A2 moeten bezitten en dat zij besloten heeft dat die competenties onvoldoende bij de verzoekster aanwezig waren, zoals blijkt uit de motivering die zij in het dossier neerlegt. Zij betwist voorts dat een hoofdgriffier van een vredegerecht niet over leiderscapaciteiten zou moeten beschikken of geen diversiteitsbeleid zou moeten voeren en stelt dat, nu de kandidaten door hun tewerkstelling op de griffie reeds het bewijs van hun ervaring aldaar leveren, het precies de leidinggevende capaciteiten zijn die met het examen getoetst moeten worden. Beoordeling
  20. Artikel 262, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij wet van 25 april 2007, bepaalt: “§
  21. Om door middel van bevordering te worden benoemd in een vakklasse van niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat: 1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, een klassenanciënniteit of graadanciënniteit van ten minste 5 jaar in het ambt van referendaris, griffier-hoofd van dienst of griffier als deze beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, of 10 jaar in het ambt van griffier; 2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid. De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met de functie. (…)” In de memorie van toelichting bij de wet van 25 april 2007 werd die bepaling als volgt verduidelijkt: IX-6892-6/10 “Personeelsleden die vast benoemd zijn en beschikken over een naar gelang van het geval klassen- of graadanciënniteit van (…) krijgen de mogelijkheid om deel te nemen aan een vergelijkende selectie, georganiseerd door Selor. Logischerwijze bestaat dit vergelijkend examen voor personeelsleden die reeds jaren met de griffie vertrouwd zijn, uit een onderhoud uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met de functie. Op deze wijze krijgen zij de kans om hun ervaring te valoriseren.” (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 2009/1, blz. 36).
  22. Te dezen moesten de kandidaten in de hen voorgelegde analyse- en presentatieoefening de volgende oefening maken: “Dit is een analyse- en presentatieoefening. U dient de beschikbare informatie te analyseren en op basis hiervan een diversiteitsplan voor TeleProxiNet uit te tekenen. Dit plan dient u te presenteren aan Dominique Deltour, Algemeen Directeur van TPN en voorzitter van het directiecomité. Als Projectleider voor de invoer van een diversiteitsbeleid, krijgt u opdracht om de nodige acties te bepalen en een globaal plan voor te stellen. In deze bundel vindt u de nodige informatie over het personeel, de beschikbare middelen en algemene informatie over diversiteit. Na onderzoek van de informatie dient u een diversiteitsplan voor te stellen dat antwoordt op de volgende vragen: • Welke acties wenst u te ondernemen? • Hoe zullen die acties gepland worden in de tijd? • Welke middelen zijn vereist en hoe voorziet u die in te zetten? U beschikt over de documentatie die vervat zit in dit boekje. Het is aan u om eventuele leemtes op te vullen met wat logischerwijze verondersteld kan worden. (…)”
  23. Het behoort onmiskenbaar tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de examencommissie vast te stellen welke vragen dienen te worden gesteld evenals de gegeven antwoorden te beoordelen. De Raad van State kan een examenuitslag slechts vernietigen wanneer de gestelde vragen kennelijk niet het karakter hadden van de soort vragen die in een zodanig examen gesteld mogen worden of indien ze kennelijk niet vallen binnen het programma. IX-6892-7/10
  24. De aan de verzoekster voorgelegde analyse- en presentatieoefening is kennelijk geen praktijkgeval dat verband houdt met de functie van hoofdgriffier, en waarbij de verzoekster, uitgaande van haar ervaring als griffier, haar bekwaamheid voor de functie van hoofdgriffier kan aantonen. Het opstellen en voorstellen van een diversiteitsbeleid voor een groot telecombedrijf heeft kennelijk geen uitstaans met de griffiepraktijk. Dat de voorgelegde casus de examencommissie toeliet de leidinggevende capaciteiten van de kandidaten te beoordelen, doet niets af aan de vaststelling dat het praktijkgeval geen verband houdt met de functie van hoofdgriffier zoals de wet voorschrijft. De selectieproef beantwoordt bijgevolg op het eerste gezicht niet aan artikel 262, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Het middel is, in de besproken mate, ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
  25. De verzoekster stelt dat zij bijna twintig jaar werkzaam is op de griffie van het vredegerecht te Westerlo, waarvan de voorbije vier jaar als waarnemend hoofdgriffier. Als gevolg van de vervroegde pensionering van de hoofdgriffier heeft zij nu de eerste en laatste kans om definitief als hoofdgriffier te Westerlo te worden benoemd. Het is haar legitieme betrachting om enkel de functie van hoofdgriffier te Westerlo te ambiëren, nu dit de griffie is waar zij haar hele loopbaan werkzaam is, tot ieders tevredenheid. Zij voegt daaraan toe dat zij 56 jaar is en het gezien haar leeftijd onwaarschijnlijk is dat zij nog aan een bevorderingsexamen voor een andere vacante betrekking van hoofdgriffier zal kunnen deelnemen. Door de bestreden beslissing lijdt zij bovendien een enorm moreel nadeel, aangezien zij totaal niet geschikt bevonden wordt voor een functie IX-6892-8/10 van hoofdgriffier die zij al vier jaar tot ieders tevredenheid heeft uitgeoefend, met de hoop en verwachting dat zij na deze periode definitief benoemd zou kunnen worden.
  26. De verwerende partij antwoordt dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet met concrete stukken wordt gestaafd, dat het moreel nadeel dat voortvloeit uit het niet geslaagd zijn in een examen inherent is aan de deelname aan een proef waarvan de uitslag niet op voorhand vast staat en dat die beslissing niets zegt over de wijze van dienen van de verzoekster. De verzoekster heeft zich ook kandidaat gesteld voor de functie van hoofdgriffier bij de vredegerechten van de kantons Houthalen-Helchteren en Brasschaat en bijgevolg is de onderhavige selectieprocedure niet de laatste kans voor de verzoekster om deel te nemen aan een examen of om bevorderd te worden. Ook in de leeftijd van de verzoekster kan geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden gezien, zo oordeelde de Raad van State dat verzoekende partijen die respectievelijk 57 en 60 jaar oud zijn nog voldoende carrièremogelijkheden hebben. Beoordeling
  27. De Raad van State heeft te dezen oog voor het specifiek gegeven dat de verzoekster, die als griffier op het vredegerecht van Westerlo werkte, sinds einde 2006 en naar blijkt tot algehele voldoening de functie van hoofdgriffier waarneemt. Het kan moeilijk ontkend worden dat zij een ernstig moreel nadeel ondergaat doordat met de bestreden beslissing vastgesteld wordt dat zij ongeschikt is voor de functie waarin zij thans tewerkgesteld is. Aangezien de verzoekster in haar dagdagelijkse beroepsuitoefening met dat falen geconfronteerd dreigt te worden wanneer een ander in die betrekking benoemd wordt, wordt aangenomen dat enkel de schorsing van de beslissing van Selor kan zorgen voor een effectief rechtsherstel.
  28. De beide schorsingsvoorwaarden zijn te dien aanzien vervuld. IX-6892-9/10 BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van Selor, medegedeeld bij brief van 25 mei 2010, waarbij Josephina Brems niet geslaagd wordt verklaard voor de vergelijkende selectie voor bevordering naar niveau A voor de rechterlijke orde. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6892-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.402 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.969 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.