id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.404 Rolnummer: A. 196422/VII-37788 Zaak: Arrest 208404 - Natuurbehoud - Vergunningen - 25/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:19 Fiche Arrest nr 208.404 van 25 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 208.404 van 25 oktober 2010 in de zaak A. 196.422/VII-37.
- In zake: de BVBA QUEEN SHOP die woonplaats kiest te Zwijndrecht Verbrandendijk 17 tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Hugo Sebreghts kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het enig verzoekschrift, ingesteld op 7 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van twee beslissingen van OVAM van 8 maart 2010 waarbij aan de BVBA Queen Shop aanvullende onderzoeksverrichtingen worden opgelegd bij haar bodempreventie- en bodembeheersplannen voor de jaren 2008 en
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-37.788-1/7 Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Bijzonder gevolmachtigde Rudolf Aerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Karolien Bulkmans, die loco advocaten Floris Sebreghts en Hugo Sebreghts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij exploiteert een wasserij met droogkuis aan de Lindenlei 17/19 te Schoten. In 2005 heeft de inrichting het voorwerp uitgemaakt van een periodiek oriënterend bodemonderzoek. In dat onderzoek concludeert de bodemdeskundige dat er geen ernstige aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een gemengde bodem- en grondwaterverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt of die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden. VII-37.788-2/7 3.
- In november 2009 dient de verzoekende partij, overeenkomstig artikel 91 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna : bodemdecreet), individuele bodempreventie- en bodembeheersplannen in voor de jaren 2008 en
- 3.
- Met twee brieven van 8 maart 2010, die de thans bestreden beslissingen vormen, deelt OVAM aan de verzoekende partij mee dat de ingediende individuele bodempreventie- en bodembeheersplannen niet voldoen aan de doelstellingen van artikel 91 van het bodemdecreet omwille van de volgende redenen: "- Om de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging vast te stellen moet jaarlijks het schema 2 uit de code van goede praktijk 'Code van goede praktijk - Bodempreventie en -beheersplan – droogkuissector' doorlopen worden. Indien niet alle risicolocaties die op het terrein aanwezig zijn in voldoende mate onderzocht zijn of deze resultaten ouder zijn dan de periodieke controle (3-jaarlijks) moeten deze geactualiseerd worden. De OVAM stelt vast dat de bijgevoegde onderzoeksresultaten dateren van 2005 en bijgevolg ruim ouder zijn dan 3 jaar; - Volgens artikel 122 van het Vlarebo moet aan het individueel bodempreventie- en bodembeheersplan een financieel plan toegevoegd worden dat een bewijs bevat van de opbouw van een financiële reserve die overeenstemt met de geschatte kosten van het oriënterend bodemonderzoek, het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering voor de bodemverontreiniging veroorzaakt door droogkuisactiviteiten. De OVAM stelt vast dat dit financieel plan ontbreekt of onvolledig is". Aan de verzoekende partij worden de volgende aanvullende onderzoeksverrichtingen opgelegd: "- Alle risicolocaties die op het terrein aanwezig zijn moeten bijkomend onderzocht worden door middel van nieuwe staalnames en analyses. Voor meer informatie wordt verwezen naar de code van goede praktijk en de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek; - Het volledige financieel plan, samen met de noodzakelijke bijlagen, (moet) overgemaakt worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de code van goede praktijk. Bij de raming van de kostprijs van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering moet uitgegaan worden van de real case verontreinigingssituatie". VII-37.788-3/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij is ter terechtzitting vertegenwoordigd door Rudolf Aerts die door de zaakvoerder van de verzoekende partij werd aangesteld als "bijzondere gevolmachtigde".
- Artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de partijen zich mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook, volgens de bepalingen van het gerechtelijk wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen.
- Rudolf Aerts behoort tot geen van voormelde groepen van personen. Wettelijke noch statutaire bepalingen verlenen hem de bevoegdheid om de verzoekende partij te vertegenwoordigen. Aan Rudolf Aerts kan bijgevolg niet worden toegestaan de verzoekende partij ter terechtzitting te vertegenwoordigen. V. Toepassing van de versnelde rechtspleging van artikel 93 van het algemeen procedurereglement
- De auditeur-verslaggever heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurereglement omdat hij van oordeel is dat het annulatieberoep met korte debatten definitief beslecht kan worden.
- De vaststelling heeft betrekking op het eerste middel waarin de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 91 van het bodemdecreet en van artikel 122 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. In het middel wordt gesteld dat op het terrein geen bodemverontreiniging aanwezig is en dat de verwerende partij in dergelijke VII-37.788-4/7 situatie niet bevoegd is om aanvullende onderzoeksverrichtingen op te leggen op grond van de geschonden geachte bepalingen.
- De verwerende partij beroept zich in haar nota die zij in het kader van het administratief kort geding heeft ingediend onder meer op haar discretionaire bevoegdheid bij de conformverklaring van de ingediende individuele bodempreventie- en bodembeheersplannen. Zij wijst ook op de noodzaak tot actualisering van de verontreinigingstoestand. In dat verband stelt de verwerende partij zich louter te hebben gebaseerd op de "Code van goede praktijk- Bodempreventie en -beheersplan – droogkuissector".
- Artikel 93 van het algemeen procedurereglement luidt als volgt: "Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt de auditeur daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. De voorzitter roept de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij op om op korte termijn voor hem te verschijnen; het verslag wordt bij de oproeping gevoegd. Indien de voorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht. Indien hij van oordeel is dat de zaak niet in zoverre gereed is dat zij definitief kan worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging". De versnelde rechtspleging van artikel 93 van het algemeen procedurereglement geldt slechts wanneer het beroep doelloos is geworden of wanneer de afhandeling van de zaak slechts korte debatten vereist. Uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat artikel 93 van het algemeen procedurereglement heeft vervangen in de zin zoals het hiervóór werd aangehaald, kan worden afgeleid dat de versnelde rechtspleging in het geval de afhandeling van de zaak slechts korte debatten vereist, beoogt om overeenkomstig de regeling die voorheen bij koninklijk besluit van 9 juli 2000 in het vreemdelingencontentieux was ingevoerd, weinig ingewikkelde zaken die geen problemen doen rijzen welke een snelle VII-37.788-5/7 beslechting van het geschil verhinderen, op grond van een vereenvoudigde procedure versneld af te handelen. Te dezen vereist de beoordeling van het middel een grondig onderzoek van de aan de bestreden beslissingen ten grondslag liggende decreetsbepalingen en van de grenzen van de beleidsvrijheid die de verwerende partij aan de bepalingen van het bodemdecreet meent te kunnen ontlenen. Gelet op de door de verwerende partij naar voor gebrachte argumenten - waarvan de volstrekte irrelevantie vooralsnog niet kan worden aangenomen - dient bij dat onderzoek bovendien een code van goede praktijk met verschillende bijlagen betrokken te worden die een veelal technische toelichting geeft bij de vereiste onderzoeks- en rapportageverplichtingen voor de opmaak van een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan. Ter terechtzitting beklemtoont het bevoegde lid van het auditoraat in zijn mondeling advies het "principiële" karakter van de zaak. Gelet op wat voorafgaat kan dat standpunt worden bijgevallen. Het is alsdan aangewezen dat een voltallige kamer van de Raad van State in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te spreken over de definitieve gegrondheid van het betrokken middel.
- In het belang van een goede en eerlijke rechtsbedeling past het dan ook dat de zaak volgens de regels van de gewone rechtspleging van het algemeen procedurereglement zou worden behandeld. VII-37.788-6/7 BESLISSING
- De Raad van State heropent de debatten.
- De Raad van State verwijst de zaak naar de gewone rechtspleging.
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het onderzoek van de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-37.788-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.404 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.540 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div