id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.421 Rolnummer: A. 192722/X-14195 Zaak: Arrest 208421 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 05:19 Fiche Arrest nr 208.421 van 26 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.421 van 26 oktober 2010 in de zaak A. 192.722/X-14.
(3)het zorgvuldigheidsbeginsel, en de artikelen 37, 38 en 48 DRO; Toelichting 37. Artikel 50 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (verder DRO) stelt : ‘§ 1. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling ter goedkeuring toegezonden aan de bestendige deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen bij aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de gemeente het plan, het besluit van de gemeenteraad en het advies aan de bevoegde planologische ambtenaar (en aan het agentschap). § 2. De bestendige deputatie verstuurt haar beslissing naar het college van burgemeester en schepenen binnen 60 dagen na ontvangst van het dossier. Wanneer aan het plan goedkeuring wordt onthouden, is het besluit gemotiveerd. De beslissing van de bestendige deputatie wordt onmiddellijk gemeld aan de bevoegde planologische ambtenaar (en aan het agentschap). § 3. Als de bestendige deputatie nalaat een beslissing te nemen binnen de termijn, bedoeld in § 2, kan het college van burgemeester en schepenen de bestendige deputatie rappelleren voor wat het ruimtelijk uitvoeringsplan betreft binnen 30 dagen na het verstrijken van die termijn. Deze rappel kan niet worden ingetrokken. Indien het college binnen die termijn geen rappelbrief heeft verstuurd, vervalt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Indien de bestendige deputatie geen beslissing heeft verstuurd binnen 35 dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief is verstuurd, wordt het door de gemeenteraad definitief vastgestelde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geacht te zijn goedgekeurd, behalve wat het onteigeningsplan betreft. De gemeente brengt de bevoegde (planologische ambtenaar en het agentschap) onmiddellijk na het verstrijken van de termijn hiervan op de hoogte’. 38. Artikel 50, §2 DRO voorziet in een uitdrukkelijke motiveringsverplichting in hoofde van de Deputatie indien deze - zoals in casu - de goedkeuring onthoudt aan een deelplan. 39 Artikel 37 DRO : X-14.195- 10/23 ‘Er worden ruimtelijke uitvoeringsplannen op de volgende niveaus opgemaakt: 1° gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een deel of delen van het grondgebied van het Gewest; 2° provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een deel of delen van het grondgebied van de provincie; 3° gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een deel of delen van het grondgebied van de gemeente’; 40. Artikel 38, §1 DRO : ‘§ 1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: 1° een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 2° de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; 3° een weergave van de feitelijke en juridische toestand; 4° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; 5° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; (6° in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling.) Het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht’. 41. Artikel 48, §1 DRO : ‘§ 1. Het college van burgemeester en schepenen is belast met het opmaken van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak. Het college van burgemeester en schepenen stuurt het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan naar de (bestendige deputatie, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren en de andere adviserende diensten). De Vlaamse regering kan bepalen aan welke (gewestelijke diensten) het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Ten vroegste de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door het college van burgemeester en schepenen, houdt dat college een plenaire vergadering met bovenvermelde instanties. De (gewestelijke stedenbouwkundige) ambtenaar brengt uiterlijk tijdens de plenaire vergadering advies uit over de verenigbaarheid met het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, of, in voorkomend geval, de overeenstemming met een ontwerp van ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en een ontwerp of ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt de bestendige deputatie advies uit, en delen de adviserende [diensten], bedoeld in het tweede lid, hun al dan niet schriftelijke opmerkingen mee. De X-14.195- 11/23 vertegenwoordigers van die instanties dienen gemandateerd te zijn voor het innemen van een standpunt tijdens de vergadering. (Als het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan beantwoordt aan de criteria, bepaald in toepassing van artikel 4.4.1., § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen van het milieubeleid, stellen de door de Vlaamse regering aangewezen diensten ten laatste tijdens de plenaire vergadering dat het voorontwerp het voorwerp vormt van een ruimtelijk veiligheidsrapport, tenzij het voorontwerp zo wordt gewijzigd dat het niet meer aan de bedoelde criteria beantwoordt.) Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dit verslag wordt binnen 14 dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig dienden te zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen 14 dagen na ontvangst van het verslag, bezorgd worden aan het college van burgemeester en schepenen’. 42. Artikel 4 DRO stelt : ‘De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit’. 43. De bevoegdheid van de gemeente om op gemeentelijk niveau ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken vloeit voort uit de hierboven geciteerde artikelen 37, 3°, 38, §1 en 48, §1 DRO. 44. De bestreden beslissing stelt nergens welke bepaling de plannende overheid verbiedt om rekening te houden met niet of beperkt vergunde constructies of constructies gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied bij de opmaak van een RUP. Bij de opmaak van een RUP dient o.a. rekening te worden gehouden met artikel 4 DRO hetwelk stelt dat de ruimtelijke ordening op een duurzame manier dient te gebeuren rekening houdend met de verschillende maatschappelijke activiteiten. Dit komt terug in de ruimtelijke afweging die dient plaats te vinden in het kader van de opmaakprocedure van een RUP. V. 1. 1 Ook gedeeltelijk vergunde constructies en constructies gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied komen in aanmerking voor opname RUP 45. Bij de opmaak van een GRUP dient de plannende overheid - i.c. verzoeker - eerst en vooral te bepalen wat het doel zal zijn van het plan. Het voorliggende plan heeft als doelstelling een oplossing te voorzien voor de planologische situatie van zonevreemde bedrijvigheid op grondgebied van de gemeente Hechtel-Eksel. De voorstudies werden aangevat voor de op- maak van een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven, doch dit werd na inwerkingtreding van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRSP) omgevormd tot een RUP zonevreemde bedrijven. 46. Een RUP bevat volgens artikel 38, §1, 3° DRO : X-14.195- 12/23 ‘3° een weergave van de feitelijke en juridische toestand’. 47. Artikel 38 DRO stelt duidelijk dat zowel de feitelijke als de juridische toestand dient te worden weergegeven waarbij de juridische toestand (vergunde toestand) niet noodzakelijk dient overeen te stemmen met de feitelijke toestand. 48. Geen enkele bepaling van het DRO verbiedt de plannende overheid om bij de opmaak van een RUP enkel rekening te houden met volledig vergunde - en dus juridisch bestaande - bedrijven. De plannende overheid kan bij de opmaak van een RUP eveneens feitelijk bestaande constructies (lees niet vergunde constructies) in rekening brengen. Het louter gegeven dat een constructie niet (volledig) vergund is, of gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied, weerhoudt de plannende overheid juridisch niet om deze op te nemen in een RUP. 49. De bestreden beslissing kan dus niet zonder meer stellen dat de goedkeuring van het deelplan Gielen kan worden geweigerd omwille van het slechts gedeeltelijk vergunde karakter van de site en de ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Enkel al hieruit blijkt dat de motivering foutief is, minstens gebrekkig. Immers, het besluit vermeldt niet op grond van welk artikel het niet toegelaten zou zijn om geen rekening te houden met de feitelijk bestaande, niet vergunde, toestand van een bedrijf. 50. Zoals blijkt uit het feitenrelaas startte de opmaakprocedure nog als opmaak van een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven, doch werd dit na de inwerkingtreding van het GRSP terug hernomen als een RUP zonevreemde bedrijven. 51. In het verleden bestond in de praktijk bij de opmaak van BPA’s onduidelijkheid omtrent de mogelijkheid tot opname van 'niet vergunde constructies’ in een BPA. Uw Raad heeft hieromtrent uitsluitsel gegeven in verscheidene arresten o.a. in (…). 52. Zo oordeelde Uw Raad in het aangehaalde arrest (…) als volgt : ‘Overwegende dat artikel 4 DRO op het eerste gezicht niet inhoudt dat, wanneer de bevoegde overheid beslist aan een planningsgebied voortaan een andere bestemming te geven, zij bij het maken van de keuzes ter zake ‘uiteraard rekening moet (...) houden met de vergunningstoestand van (
- de)bestaande toestand’; dat het te dezen volstaat dat de overheid de voorziene bestemmingen en voorschriften heeft vastgesteld met een voldoende kennis van zaken, en daarbij is uitgegaan van een volledig en degelijk inzicht in de kenmerken van het plangebied, waaronder een correcte opname en weergave van de bestaande toestand; dat de bestaande toestand niet beperkt is tot de vergunde constructies; dat plannen van aanleg immers toekomstgericht zijn en derhalve bestemmingen kunnen vaststellen die niet noodzakelijk rekening houden met het al dan niet vergunde karakter van de constructies die in de feiten deel uitmaken van de bestaande toestand; dat derhalve het loutere feit dat de planoptie die in het betrokken plan van aanleg is vervat, uitgaat van de bestaande onvergunde toestand, niet ipso facto impliceert dat het betwiste plan van aanleg de door de verzoekende partijen aangehaalde bepalingen en beginselen zou miskennen’. 53. Kortom, bij de opmaak van een BPA mocht de plannende overheid rekening houden met niet vergunde constructies in zoverre het planologisch X-14.195- 13/23 regulariseren van de onwettige toestand niet het opzet is van het planologisch initiatief. 54. Verzoeker kan hieromtrent verwijzen naar de ministeriële omzendbrief 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA-zonevreemde bedrijven. De omzendbrief stelt o.a. : ‘… De doelstelling van een sectoraal BPA of van een aanvraag tot planologisch attest is het opmaken van een volwaardige ruimtelijke afweging en niet van het regulariseren van een bouwmisdrijf. Dit neemt niet weg dat een BPA of een RUP tot gevolg kan hebben dat een regularisatie mogelijk wordt gemaakt. Indien een gebouw dat (deels) zonder vergunning werd opgericht, uitgebreid of in gebruik werd gewijzigd, dan betekent de opname van dit gebouw in een BPA of een RUP (dat dit) een gevolg is van een welbepaalde ruimtelijke afweging. De regularisatie is derhalve een mogelijk gevolg, maar niet het opzet van het planningsproces. Ook de Raad van State heeft in een aantal arresten gesteld dat een plan niet mag zijn opgemaakt onder de druk van ‘voldongen feiten’. … Indien op basis van een ruimtelijke afweging, die tot de conclusie heeft geleid dat het betrokken zonevreemd gebouw of gebruik voor het gebied aanvaardbaar kan zijn, kunnen bij uitzondering en onder bepaalde voorwaarden ook niet behoorlijk vergunde bedrijven - die (eventueel deels) zonder vergunning werden opgericht, uitgebreid of in gebruik gewijzigd - worden opgenomen. …’ 55. In de voorstudie van het RUP wordt bovenstaande visie uitdrukkelijk bevestigd : ‘… De opname in een RUP van een gebouw dat deels zonder vergunning werd opgericht, uitgebreid of in gebruik werd gewijzigd, is het gevolg van een ruimtelijke afweging. De regularisatie is derhalve een mogelijk gevolg, maar niet het opzet van het planningsproces. ...’ 56. Zowel uit de aangehaalde rechtspraak van de Raad van State als uit de omzendbrief blijkt dat het slechts deels vergund karakter van een bedrijf niet ipso facto aanleiding geeft tot een weigering van opname in een BPA. Zoals eerder aangehaald verplicht geen enkele bepaling van het DRO de plannende overheid om bij de opmaak van een RUP enkel rekening te houden met volledig vergunde - en dus juridisch bestaande - bedrijven. 57. Het RUP voorziet in de opname van de werkplaats, doch niet in de opname van de andere aanwezige constructies. Het RUP voorziet in deze beperkte opname - van enkel de werkplaats - en motiveert dit ruimtelijk. Er kan geen twijfel over bestaan dat het RUP niet werd opgesteld met als enige doel de regularisatie van de bestaande feitelijke toestand aangezien verschillende constructies niet mee worden opgenomen in het RUP. In het RUP is een uitvoerige ruimtelijke afweging gedaan op basis van o.a. ruimtelijke motieven. 58. Opname in het RUP kan met andere woorden na ruimtelijke afweging worden verantwoord. Het gegeven dat een bedrijf niet volledig X-14.195- 14/23 vergund is, betekent niet noodzakelijk dat een planologische oplossing niet mogelijk is. Uit wat voorafgaat blijkt dat voor opname van een zonevreemd bouwwerk enkel ruimtelijke motieven mogen spelen, en niet de vergunningstoestand. Door de beperkte vergunningstoestand, en de ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied, als enige uitgangspunt te nemen voor de uitsluiting van het deelplan Gielen schendt de bestreden beslissing de aangehaalde bepalingen. 59. Daarbij dient eveneens te worden opgemerkt dat de loutere ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied evenmin aanleiding kan geven tot uitsluiting van een RUP. Deze ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied dient te worden meegenomen in de door te voeren ruimtelijke afweging, doch noodzaakt op zich niet de uitsluiting uit het RUP. V.1 . 2 Ruimtelijke afweging 60. Het RUP wordt opgemaakt o.b.v. artikel 4 DRO rekening houdend met een duurzame ruimtelijke ordening. De bestreden beslissing dient op basis van artikel 50, §2 DRO uitdrukkelijk te worden gemotiveerd. De bestreden beslissing diende rekening te houden met de doorgevoerde ruimtelijke afweging om te kunnen overgaan tot het uitsluiten van het deelplan Gielen. De bestreden beslissing hield hiermee geen rekening. 61. Bij de opmaak van een RUP dient men zich te baseren op artikel 4 DRO en de daarin opgenomen ruimtelijke visie. Planning dient te gebeuren met als doel het creëren van een duurzame ruimtelijke ordening. Men dient duurzaam te ontwikkelen en daarbij rekening te houden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. Artikel 4 DRO stelt nergens dat bij het duurzaam ruimtelijk ordenen, dat aan de basis ligt van het planningsproces, geen rekening mag worden gehouden met bedrijvigheid die niet vergund is of die gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Deze elementen kunnen worden meegenomen in het ruimtelijk afwegingsproces doch kunnen niet ipso facto aanleiding geven tot uitsluiting van een RUP. 62. De ruimtelijke afweging is zeer uitvoerig gebeurd bij de opmaak van het RUP. De bestreden beslissing brengt hiertegen niets in, waardoor dient vastgesteld dat er sprake is van een schending van artikel 4 DRO en artikel 50 §2 DRO. 63. Bij de opmaak van het RUP is de plannende overheid vertrokken vanuit een uitvoerige ruimtelijke afweging. Dit staat er niet aan in de weg dat ten gevolge van het RUP constructies nadien voor regularisatie in aanmerking komen. 64. Het is duidelijk dat in het kader van de opmaak van een RUP - naar analogie met de opmaak van een BPA - een bedrijf dat slechts deels vergund is eveneens in aanmerking kan komen voor opname. De opname van een deels vergund bedrijf in een plan is met andere woorden mogelijk indien de opname ruimtelijk wordt verantwoord. Bij deze ruimtelijke afweging wordt rekening gehouden met o.a. de aanwezige voorzieningen (op milieuhygiënisch vlak, stedenbouwkundig, ...), economische betekenis van het bedrijf, verweving van de activiteiten met de activiteiten in de bebouwde en onbebouwde omgeving, afweging ruimtelijke implicaties van herlokalisatie t.o.v. ruimtelijke implicaties van ontwikkeling op de bestaande locatie, concrete evaluatie van de ruimtelijke draagkracht van het X-14.195- 15/23 gebied, ... Na het doorvoeren van de ruimtelijke beoordeling/ruimtelijke afweging van het perceel/de bedrijvigheid kan deze al dan niet worden ondergebracht in een bepaalde klasse naargelang het ontwikkelingsperspectief van de onderneming. 65. De plannende overheid dient d.m.v. een ruimtelijke afweging aan te tonen dat het behoud van de constructies - zowel de vergunde als de niet vergunde - gewenst is. Bij de opmaak van het GRUP is uitvoerig stilgestaan bij de ruimtelijke situatie van het deels vergunde bedrijf van Immo Gielen. Deze afweging staat toegelicht op p. 53 t.e.m. p. 59 van de voorstudie. 66. De ligging van het perceel krachtens het gewestplan is - zoals hierboven aangehaald - één van de elementen die meespeelt in de ruimtelijke afweging. De gebeurlijke ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied dient niet noodzakelijk te leiden tot de weigering van opname in het RUP, doch is een element dat mee dient te worden betrokken in de ruimtelijke afweging. 67. Uit de voorstudie blijkt dat in de ruimtelijke afweging uitvoerig werd stilgestaan bij de ligging van het perceel in ruimtelijk kwetsbaar gebied, i.c. bosgebied. Onder het deel Structureel-ruimtelijke beoordeling wordt gesteld : ‘Langsheen de Hasseltsebaan (N715) zijn zowel in de directe omgeving van dit bedrijf als in de ruimere omgeving nog verschillende andere gelijkaardige bedrijven terug te vinden (waarvan enkele ook mee opgenomen worden in deze studie, met name Swinnen Walter, Ceyssens, KMW (dat grootschaliger is). Het bedrijf is, omwille van zijn ligging aan de Hasseltsebaan en zijn clustering in het handelslint, functioneel verenigbaar met zijn omgeving. Die ligging langsheen de Hasseltsebaan (als één van de hoofdontsluitingswegen van Hechtel) maakt dat er zeker geen problemen zijn qua bereikbaarheid en ontsluiting van het bedrijf. Op het terrein is er eveneens voldoende ruimte voor de organisatie van de interne ontsluiting. Door de vestiging van de bedrijfsgebouwen in het bosgebied is het bedrijf storend, maar niet structureel ontwrichtend in de landschappelijke structuur; deze verstoring dient gerelativeerd te worden omwille van de aanwezigheid van andere grote infrastructuren (het bedrijf ligt geprangd tussen de noord- zuidverbinding en de Hasseltsebaan). Er is weinig tot geen hinder voor de natuurlijke structuur van de omgeving. Aan de overzijde van de Hasseltsebaan is er wel een uitgestrekt vogel- en habitatrichtlijngebied gelegen, maar daar heeft het bedrijf weinig invloed op. De biologische waarderingskaart duidt in datzelfde gebied ook biologisch waardevolle en faunistisch belangrijke gebieden aan, maar op de bedrijfssite worden slechts minder waardevolle gebieden aangeduid. Ook is er op de bedrijfssite geen afbakening binnen het VEN voorzien (enkel aan de overzijde van de Hasseltsebaan)’. Er wordt in de voorstudies uitvoerig ingegaan op de ligging van het bedrijf in bosgebied en het perceel wordt gelet op (
- de)onmiddellijke omgeving als niet waardevol beschouwd. X-14.195- 16/23 68. Tijdens de opmaak heeft verzoeker een correcte en uitvoerige ruimtelijke afweging gedaan hetwelk heeft geresulteerd in een positieve evaluatie van het perceel met de opname ervan in het GRUP Zonevreemde bedrijven tot gevolg. 69. De stelling dat een bedrijf slechts deels vergund is en gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied volstaat niet als motivering conform artikel 50, §2 DRO en is niet draagkrachtig. In de bestreden beslissing ontbreekt iedere concrete motivering in feite en in rechte omtrent duurzame ruimtelijke ordening zoals bepaald in artikel 4 DRO. Dit gegeven klemt des te meer nu in het dossier bij de opmaak van het GRUP er wel een ruimtelijke afweging is gebeurd die in de bestreden beslissing in het geheel niet wordt weerlegd. Zo dient o.a. te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing absoluut niet tegenspreekt dat de site een biologisch weinig waardevol karakter vertoont. Nu de ruimtelijke motieven niet worden weerlegd schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht zoals opgelegd in artikel 50, §2 DRO, de zorgvuldigheidsplicht en het artikel 4 DRO, evenals de artikelen 37, 3°, 38, §1 en 48, §1 DRO. V . 1 . 3 Besluit 70. Zoals hierboven aangehaald dient de bestreden beslissing niet enkel materieel gemotiveerd te zijn, doch voorziet artikel 50, §2 DRO in een verdergaande uitdrukkelijke motiveringsverplichting. 71. Gelet op het bovenstaande dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing dewelke besluit tot uitsluiting van het deelplan Gielen met als enige motivering de beperkte vergunningstoestand van de bestaande constructie en de ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied niet afdoende werd gemotiveerd. 72. Zoals hierboven aangehaald leidt de gebrekkige vergunningstoestand van een bedrijf niet noodzakelijk tot de uitsluiting van opname in een RUP - of vroeger BPA. Het aspect van de vergunningstoestand dient, evenals de ligging volgens het gewestplan, wel deel uit te maken van een gebeurlijke ruimtelijke afweging die dient plaats te vinden in het kader van de opmaak van een RUP. 73. In casu was het resultaat van deze ruimtelijke afweging positief. De bestreden beslissing haalt echter nergens aan waarom de tijdens de opmaak doorgevoerde ruimtelijke afweging niet kan worden bijgetreden. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier kan worden afgeleid waarom de doorgevoerde ruimtelijke afweging niet kan worden bijgetreden. 74. De bestreden beslissing is gesteund op een onzorgvuldige feitenvinding. Het motief om de goedkeuring te onthouden aan het deelplan dat betrekking heeft op het bedrijf van de verzoekende partij is niet deugdelijk. De Deputatie diende op basis van de correcte feitelijke en juridische gegevens af te wegen en haar beslissing te nemen. De Deputatie heeft haar beslissing niet naar recht verantwoord. De bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd. 75. Gelet op het bovenstaande moet worden vastgesteld dat de Deputatie evenmin zorgvuldig heeft opgetreden. Het zorgvuldigheidsbeginsel zou kunnen omschreven worden als een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat de overheid verplicht zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en X-14.195- 17/23 juridische aspecten van het dossier deugdelijk geïnventariseerd en gecontroleerd worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen en de betrokken belangen zorgvuldig inschat en afweegt, derwijze dat particuliere belangen niet nodeloos worden geschaad. 76. Gelet op het bovenstaande dient eveneens te worden vastgesteld dat er sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. 77. Het middel is gegrond”. Beoordeling 16. Artikel 50, § 2 DRO zoals dit toentertijd gold, voorziet in een uitdrukkelijke motiveringsverplichting in hoofde van de deputatie indien deze haar goedkeuring onthoudt aan een deelplan. Krachtens artikel 4 van hetzelfde decreet moet de overheid steeds rekening houden met een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Die bepaling luidt als volgt : “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 17. Geen enkele bepaling van het DRO legt aan een plannende overheid op om bij de opmaak van een RUP enkel volledig vergunde bedrijven op te nemen. Ook feitelijk bestaande constructies kunnen in rekening worden gebracht. Het is enkel vereist dat de planning is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Vertaald naar de problematiek van de zonevreemde bedrijven impliceert dit dat de regularisatie van bestaande bedrijven niet het opzet van het plan mag zijn maar er wel het gevolg van kan zijn. 18.1. Of de juridische toestand van het bedrijf in combinatie met ruimtelijke factoren de uitsluiting door de deputatie afdoende verantwoordt, wordt bepaald door de beoordelingsprincipes die de plannende overheid voor zichzelf heeft afgebakend en de waarde die zij aan die principes heeft toegedicht. X-14.195- 18/23 18.2. In de voorstudie van het GRUP worden de beoordelingsprincipes en hun vertaling naar de gehanteerde criteria bij de evaluatie van de zonevreemde bedrijvigheid uitvoerig toegelicht. Meer bepaald werden juridisch-planologische, structureel-ruimtelijke, milieuhygiënische en socio-economische criteria gehanteerd, waarbij niet alle criteria hetzelfde belang hadden bij de evaluatie en categorisering van de bedrijven. Uit de verdere uitwerking van de verschillende deelaspecten in de voorstudie alsook uit het beoordelingsschema blijkt dat de juridisch-planologische criteria in eerste instantie bepalend zijn geweest voor de selectie in het GRUP en de verdere evaluatie aan de hand van de overige criteria. Dienaangaande is in de voorstudie vermeld : “Enkel die zonevreemde bedrijven die behoorlijk vergund zijn, komen in principe in aanmerking voor directe selectie in het RUP. Hiermee wordt bedoeld dat de bedrijven in orde dienen te zijn met hun milieuvergunning en dat er geen flagrante bouwovertredingen (al dan niet vastgestelde) zijn gemaakt in functie van het bedrijf. Om voor verdere evaluatie in aanmerking te komen, worden zowel bedrijven bekeken die volledig vergund zijn (zowel bouw- als milieuvergunning is volledig in orde), als bedrijven waarvan de milieuvergunning in orde is en de bouwvergunning tenminste deels in orde is. Twijfelgevallen worden verder onderzocht. De opname in een RUP van een gebouw dat deels zonder vergunning werd opgericht, uitgebreid of in gebruik werd gewijzigd, is het gevolg van een ruimtelijke afweging. De regularisatie is derhalve een mogelijk gevolg, maar niet het opzet van het planningsproces”. 19. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat voor het bedrijf Immo Gielen op 16 september 1971 een bouwvergunning werd verleend voor de oprichting van een werkplaats met een oppervlakte van 375 m², in te planten op 10 m van de rechter erfgrens. Ter plaatse werd evenwel een bouwwerk opgericht met een grondoppervlakte van 1520,75 m². Later is met betrekking tot dit perceel geen enkele wettelijke bouwvergunning meer verleend. Er werd een proces-verbaal opgesteld voor de werkplaats, evenals voor de spuitcabine, de open loods en de boogloods. De voorstudie besluit niettemin tot het behoorlijk vergund karakter van het bedrijf op de volgende gronden: X-14.195- 19/23 “Het bedrijf beschikt over een goedgekeurde milieuvergunning. De vennootschap Immo Gielen is bezig met de procedure voor de opmaak van een planologisch attest waarin zij een uitbreiding (vraagt) van de werkplaats met een oppervlakte van 30 x 18m en waarin de afbraak wordt voorgesteld van de niet-vergunde gebouwen. Een afbraakdossier werd ingediend waarbij de werkplaats en de spuitcabine behouden worden en de overige gebouwen en constructies verdwijnen. Als het terrein in die situatie hersteld wordt, kan het als behoorlijk vergund beschouwd worden”. Gelet op hetgeen hierboven reeds is aangegeven inzake het belang van het juridisch-planologisch criterium, is deze beoordeling determinerend geweest voor de verdere evaluatie, aan de hand van de andere gehanteerde criteria, die uiteindelijk heeft geleid tot de opname van het bedrijf in categorie 2. In de voorstudie is de volgende evaluatie inzake het voormelde bedrijf gemaakt: “Gezien de positieve beoordeling van zowel de structureel-ruimtelijke als de socio-economische criteria en slechts een licht negatieve beoordeling voor de milieuhygiënische criteria, wordt het bedrijf opgenomen in categorie 2. Dat wil zeggen dat er kan worden voorzien in een beperkte uitbreiding van het bedrijf (maximaal 30 % van de bestaande, vergunde bedrijfsoppervlakte) waarbij het gaat om verbouwingen, aanbouwen en een efficiëntere bedrijfsorganisatie zonder dat dit een ruimtelijk tastbare schaalvergroting tot gevolg heeft. Intrinsieke voorwaarde hierbij is dan wel dat er een vordering tot afbraak komt voor de onvergunde gebouwen en constructies die zich binnen de perceelsgrenzen van het bedrijf bevinden. (...)”. In de gegeven omstandigheden kan een andere, correct gemotiveerde beoordeling van de juridisch-planologische toestand door de hogere overheid die beslist tot uitsluiting reeds een afdoende motivering van het bestreden besluit uitmaken. De gehanteerde beoordelingsprincipes en de onderlinge rangorde ervan doen er immers van blijken dat de juridisch- planologische toestand prevaleert op verdere evaluatie. Door te overwegen dat de bestaande constructie slechts voor een beperkt deel vergund is, heeft de deputatie de feitelijke gegevens correct beoordeeld en heeft zij, weze het in beperkte bewoordingen, op afdoende gemotiveerde wijze te kennen gegeven waarom zij heeft gemeend de aanvankelijke beoordeling door de verzoekende partij dat het meergenoemde bedrijf als behoorlijk vergund kan worden beschouwd, niet te moeten bijtreden. X-14.195- 20/23 De deputatie is daarenboven nog verder gegaan en heeft ook een structureel-ruimtelijk element in haar motivering betrokken, namelijk de ligging in kwetsbaar gebied. Ook deze beoordeling is correct, temeer gelet op de eveneens negatieve beoordeling in de voorstudie van de inpasbaarheid van het bedrijf in de landschappelijke structuur. Aangezien de motieven van het bestreden besluit de uitsluiting van het bedoelde bedrijf uit het GRUP op afdoende wijze verantwoorden, diende de deputatie niet meer in te gaan op de vraag of de overige ruimtelijke motieven van de verzoekende partij al dan niet draagkrachtig zijn. 20. Voor zover de verzoekende partij voor het eerst in haar memorie van wederantwoord de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, is dit laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 21. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 37, 3°, 38, § 1 juncto 48, § 1 DRO : “Doordat het bestreden goedkeuringsbesluit van de Deputatie het deelplan 3 vennootschap Immo Gielen uitsluit gelet op het beperkt vergunde karakter van de bestaande constructies en de ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied; Terwijl de gemeente krachtens aangehaalde artikelen bevoegd is om in het gemeentelijk RUP rekening te houden met zowel de feitelijke als de juridisch bestaande constructies; Terwijl het niet vergund karakter van een bedrijf niet noodzakelijk dient te leiden tot weigering van de opname in een RUP aangezien de gemeente na ruimtelijke afweging kan beslissen tot opname van gedeeltelijk vergunde constructies; Zodat de Deputatie door de gedeeltelijk vergunde constructies van verzoekers die werden opgenomen in het RUP weerhoudt van goedkeuring de bevoegdheid van de gemeente miskent en de aangehaalde artikelen schendt; Toelichting X-14.195- 21/23 78. Krachtens artikel 48 DRO heeft de gemeente de bevoegdheid om op gemeentelijk niveau ruimtelijke uitvoeringsplannen op te stellen. Artikel 38, §1 DRO - zoals reeds geciteerd onder het eerste middel - bepaalt dat bij de opmaak van een RUP dient te worden rekening gehouden met de feitelijk en juridisch bestaande toestand. 79. In het eerste middel werd uitvoerig toegelicht dat krachtens het DRO bij de opmaak van een RUP rekening dient te worden gehouden met de juridisch bestaande en feitelijk (juridisch niet bestaande) toestand. Zo kan een bedrijf dat deels vergund is ook in aanmerking komen voor opname in een gemeentelijk RUP indien het resultaat van de ruimtelijke afweging die door de plannende overheid positief is. 80. De houding van de Deputatie stellende dat een deels vergunde constructie niet voor opname in aanmerking komt, maakt een onwettige beperking uit van de bevoegdheid van de gemeente als plannende overheid. Krachtens artikel 38 juncto artikel 48 DRO beschikt de gemeente over de bevoegdheid om RUP’s op te stellen rekening houdend met de feitelijke en juridische toestand. 81. Artikel 37, 3°, 38,§1 en 48, §1 DRO verbieden de gemeente niet om een RUP op te maken voor beperkt vergunde bedrijven of bedrijven gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Door hier te stellen dat de gemeente het deelplan Gielen niet kan opnemen in het GRUP schendt de bestreden beslissing de aangehaalde artikelen. 82. Er is sprake van een schending van de in het middel aangehaalde artikelen. 83. Het middel is gegrond”. Beoordeling 22. Door de relevante criteria anders, maar, zoals gezien bij de beoordeling van het eerste middel, rechtmatig te beoordelen, heeft de hogere overheid geen inbreuk gepleegd op de in het middel geschonden geachte bepalingen, die de bevoegdheid van de verzoekende partij om op gemeentelijk niveau ruimtelijke uitvoeringsplannen op te stellen, betreffen. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-14.195- 22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-14.195- 23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.421 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div